Wijzigingen in de Rechtspositieregeling Noordoostpolder (CAR-UWO)
Rechtspostitieregeling Noordoostpolder
 
Burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder;
 
Gelet op artikel 160 van de Gemeentewet;
 
Besluiten vast te stellen de volgende wijzigingen in de Rechtspositieregeling Noordoostpolder (CAR-UWO):
Bijlage A (LOGA-circulaire ECWGO/U201401851) per 15 juli 2014
 
Met ingang van 15 juli 2014 wordt artikel 10d:33 lid 3 gewijzigd en komt als volgt te luiden:
 
  • Artikel 10d:33 lid 3
    Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de eerste dag van de maand, volgend op die waarin de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt heeft.
 
Met ingang van 15 juli 2014 wordt de toelichting op artikel 10d:33 lid 3 gewijzigd en komt als volgt te luiden:
 
  • De wijziging van lid 3 waarbij de beëindiging van de na-wettelijke uitkering wordt gekoppeld aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd is in werking getreden op15 juli 2014. De gewijzigde bepaling heeft betrekking op de ambtenaar die op 15 juli 2014 bij de werkgever in dienst is, of de ex-ambtenaar die op die datum — als gevolg van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 CAR – in het genot is van een WW- of na-wettelijke uitkering
Bijlage B (LOGA-circulaire ECWGO/U201401852) per 1 oktober 2014
 
Bijlage 1 bij U201401852
 
CAR-tekst met toelichting per 1 oktober 2014
 
A Bijlage 1, Salarisverhoging, wordt als volgt aangevuld:
 
Met ingang van 1 oktober worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.
Degenen die op 15 juli 2014 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand een eenmalige uitkering van € 350 bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.
 
 
Bijlage 3 bij U201401852
CAR: bijlage IIa
 
Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 oktober 2014, nieuwe structuur*
 
 
periodiek
schaal
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
0
1398
1432
1470
1513
1558
1665
1874
2152
2394
2586
1
1432
1482
1532
1583
1635
1743
1955
2241
2498
2709
2
1468
1532
1595
1652
1711
1821
2037
2331
2602
2831
3
1504
1581
1658
1722
1788
1899
2117
2420
2706
2954
4
1541
1631
1720
1791
1865
1978
2199
2509
2810
3077
5
1577
1681
1783
1861
1941
2056
2280
2598
2914
3200
6
1613
1730
1846
1931
2018
2133
2361
2688
3019
3322
7
1649
1780
1908
2001
2095
2212
2442
2777
3123
3445
8
1685
1830
1971
2071
2172
2290
2523
2867
3227
3567
9
1722
1879
2034
2140
2249
2368
2604
2956
3331
3690
10
1758
1929
2097
2210
2325
2446
2686
3045
3436
3812
11
1794
1979
2159
2280
2402
2525
2766
3134
3540
3935
 
 
periodiek
schaal
10A
11
11A
12
13
14
15
16
17
18
0
2856
3108
3426
3744
4186
4450
4789
5131
5683
6305
1
2982
3238
3556
3875
4314
4605
4967
5339
5908
6547
2
3107
3369
3687
4004
4442
4759
5146
5547
6132
6788
3
3233
3500
3817
4132
4570
4914
5325
5756
6357
7029
4
3359
3630
3947
4260
4698
5068
5504
5964
6582
7271
5
3485
3761
4075
4388
4826
5223
5682
6172
6806
7512
6
3610
3892
4204
4516
4954
5378
5861
6380
7031
7753
7
3736
4021
4332
4644
5082
5533
6040
6588
7255
7995
8
3862
4149
4460
4772
5210
5688
6219
6797
7480
8236
9
3987
4277
4587
4900
5338
5842
6398
7005
7704
8478
10
4110
4405
4716
5028
5466
5997
6576
7213
7929
8719
11
4233
4533
4844
5157
5594
6151
6755
7422
8154
8961
 
* Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon overeenkomstig de bepalingen in de WML.
 
 
Bijlage 4 bij U201401852
 
CAR: bijlage II
Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 oktober 2014, oude structuur*
 
 
 
* Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon overeenkomstig de bepalingen in de WML.
 
 
Bijlage 7 bij U201401852
 
Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke garantiesalarissen per 1 oktober 2014
 
Regelnummer
Garantieschalen
33
3229
35
3349
37
3467
39
3574
41
3687
43
3804
45
3928
47
4049
49
4165
51
4281
53
4393
57
4628
59
4739
61
4856
63
4987
67
5277
69
5423
73
5713
75
5859
77
6026
79
6189
81
6353
83
6532
85
6724
87
6917
89
7111
91
7303
93
7496
95
7692
 
 
Bijlage 9 bij U201401852
CAR: bijlage IV
 
Salarisschalen kunstzinnige vorming per 1 oktober 2014
 
 
5
6
7
8
9
10
aanloopbedrag 1
1691
1727
1764
1812
2060
2417
aanloopbedrag 2
 
1812
1867
1934
2181
2533
aanloopbedrag 3
 
 
 
2060
2299
2656
0
1764
1934
1998
2181
2417
2721
1
1812
1998
2060
2241
2476
2794
2
1867
2060
2122
2299
2533
2861
3
1934
2122
2181
2357
2594
2919
4
1998
2181
2241
2417
2656
2983
5
2060
2241
2299
2476
2721
3048
6
2122
2299
2357
2533
2794
3109
7
2181
2357
2417
2594
2861
3164
8
2241
2417
2476
2656
2919
3221
9
2299
2476
2533
2721
2983
3278
10
2357
2533
2594
2794
3048
3335
11
 
2594
2656
2861
3109
3399
12
 
 
2721
2919
3164
3462
13
 
 
2794
2983
3221
3519
14
 
 
2861
3048
3278
3574
15
 
 
2919
3109
3335
3628
uitloopbedrag 1
2476
2721
3048
3278
3462
3742
uitloopbedrag 2
 
2861
3164
3462
3574
3861
uitloopbedrag 3
 
 
 
3574
3687
3987
 
 
Bijlage 11 bij U201401852
CAR: bijlage IIb
 
Vergoedingentabel betreffende de vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer per 1 oktober 2014
 
jaarvergoeding
uurbedrag oefeningen en cursussen e.d.
uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening
uurbedrag voor langdurig aanwezigheid
1. Aspirant manschap A
325
10,06
18,81
12,53
2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener, Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke stoffen
325
11,56
21,73
14,48
3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties uit categorie 2
325
12,82
24,04
16,03
4. Bevelvoerder
488
16,06
30,19
20,13
5. Officier van dienst
3848
0,00
38,48
0,00
6 Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke stoffen
5526
0,00
55,26
0,00
7.Commandant van dienst
8220
0,00
61,66
0,00
 
 
Bijlage 13 bij U201401852
Gebruteerde vergoedingsbedragen vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer 
 
Inpassingstabel per 1 oktober 2014
 
 
jaarvergoeding
uurbedrag   voor oefening en cursussen
uurbedrag   voor brandbestrijding en hulpverlening
uurbedrag   voor langdurig aanwezigheid
1.   Aspirant   manschap   A
329
10,20
19,13
12,74
2.   Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,  Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke stoffen
329
11,78
22,17
14,77
3.   Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties uit categorie 2
329
13,05
24,43
16,29
4.   Bevelvoerder
496
16,33
30,65
20,43
5.   Officier   van dienst
3922
0,00
39,22
0,00
6 Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke stoffen
5625
0,00
56,25
0,00
7.Commandant   van dienst
8374
0,00
62,76
0,00
 
In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het gaat hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers die op 31 december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor hen is deze bijlage niet van belang, maar geldt bijlage 11.
 
 
Bijlage C (LOGA-circulaire ECWGO/U201401851) per 1 januari 2015
  • A:
    Met ingang van 1 januari 2015 worden de artikelen 1:2a en 1:2b toegevoegd. Deze komen als volgt te luiden:
     
    Artikel 1:2a Stageplaats
    • 1.
      Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een stage-overeenkomst.
    • 2.
      Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7,10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B, 2:4.
    • 3.
      De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, waarbij de duur afhankelijk is van de leerdoelen van de stagiair.
    • 4.
      De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met de stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van de stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding.
    • 5.
      Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald.
    • 6.
      De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.
       
    Artikel 1:2b Werkervaringsplaats
    • 1.
      Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervaringsplaats aanbieden op basis van een werkervaringsovereenkomst.
    • 2.
      Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7,10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B en 2:4.
    • 3.
      De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, voor een periode van maximaal 6 maanden. De werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een periode van maximaal 6 maanden.
    • 4.
      De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de medewerker, waarbij het leerproces van de medewerker centraal staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding.
    • 5.
      Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald.
    • 6.
      De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.
       
  • B
    Met ingang van 1 januari 2015 wordt de toelichting bij de artikelen 1:2a en 1:2b toegevoegd, deze komt als volgt te luiden:
     
    Artikel 1:2a en 1:2b
    De werkervaringsplaats is bedoeld voor personen die op eigen initiatief werkervaring willen opdoen. De stageplaats is bedoeld voor personen die in het kader van een opleiding/onderwijs praktijkervaring op willen doen. Er is in dat geval sprake van een driehoeksrelatie tussen stage verlener, stagiaire en opleidingsinstituut.
     
    Bij een werkervaringsplaats (wep) staan het leerproces en het opdoen van ervaring centraal en niet het verdienen van geld[1]. Dit neemt niet weg dat er wel een redelijke onkostenvergoeding kan worden betaald[2]. Wat een redelijke onkostenvergoeding is voor stagiaires en wep-ers wordt lokaal in overleg met het bevoegde medezeggenschapsorgaan vastgesteld.
     
    Een sterke gezagsverhouding kan bij een eventuele gerechtelijke procedure wijzen op het bestaan op een arbeidsovereenkomst. Het is echter onmogelijk om als wep-er niet in een zekere gezagsverhouding tot je leidinggevende te staan. In de praktijk komt het erop neer dat de wep-er een zekere keuze moet hebben in de werkzaamheden die hij/zij verricht, om zodoende invloed te hebben op het eigen leerproces. Ook bij het opnemen van vrije dagen e.d. moet de wep-er een zekere mate van vrijheid hebben.
     
    In de artikelen 1:2a en 1:2b worden een aantal artikelen en hoofdstukken van de CAR-UWO van toepassing uitgesloten. Voor zover het de bedoeling is om ook (onderdelen) van lokale regelingen uit te sluiten van toepassing op stagiaires en wep-ers, moet dat in die lokale regeling worden geregeld. Zowel de stagiaire als de wep-er zijn geen ambtenaar in de zin van artikel 1:1.
     
[1] CRvB 17 juli 1990, RSV 1990/345.
[2] CRvB 23 juni 1992, RSV 1992/351.
 
  • C:
    Met ingang van 1 januari 2015 komen de artikelen 1:2:2 en 1:2:3 te vervallen.
     
  • D:
    Met ingang van 1 januari 2015 worden de artikelen 6:2 en 6:2:3 gewijzigd en komen ze als volgt te luiden:
     
    Artikel 6:2
    • 1.
      De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Hiervan is 144 uur per kalenderjaar wettelijk verlof.
    • 2.
      Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.
    • 3.
      Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.
       
    Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid
     
    Artikel 6:2:3
    • 1.
      De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn betrekking vervult.
    • 2.
      Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking vervult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde lid.
    • 3.
      Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:
      • a.
        gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling;
      • b.
        gedurende afwezigheid wegens ziekte
    • 4.
      Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest.
    • 5.
      Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.
       
  • E:
    Met ingang van 1 januari 2015 worden de artikelen 6:2a en 6:2b toegevoegd en komen ze als volgt te luiden:
     
    Vervaltermijn wettelijk verlof
     
    Artikel 6:2a
    • 1.
      Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest.
       
    • 2.
      Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.
       
    Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof
     
    Artikel 6:2b
    Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat kalenderjaar.
     
  • E:
    Met ingang van 1 januari 2015 worden de toelichtingen op de artikelen 6:2 en 6:2:3 gewijzigd en komen ze als volgt te luiden:
     
    Aan de toelichting op artikel 6:2 lid 1 wordt toegevoegd:
     
    Op grond van artikel 7 van de Europese Richtlijn 2003/88/EG ‘betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeid’, hebben werknemers jaarlijks recht op ten minste 4 weken vakantie met behoud van salaris, dat wil zeggen viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week. Dat betekent dat bij een 36-urige werkweek het wettelijk verlof 144 uur bedraagt.
     
    Artikel 6:2:3 komt als volgt te luiden:
     
    Artikel 6:2:3
     
    Lid 1
    Dit lid geeft in algemene zin aan dat de opbouw wordt verminderd naar rato van afwezigheid.
     
    Lid 3
    Afwezigheid leidt niet in alle gevallen tot vermindering van vakantie-opbouw. Dat geldt voor afwezigheid wegens bevallings- en zwangerschapsverlof en afwezigheid wegens ziekte. Dat vloeit voort de uit Europese richtlijn 2003/88/EG. De richtlijn beperkt zich tot het wettelijk verlof. In de CAR wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen wettelijk en bovenwettelijk verlof.
     
    Lid 4
    De ambtenaar kan ook tijdens ziekte vakantieverlof opnemen. De vakantie mag zijn herstel niet belemmeren; bij twijfel kan de bedrijfsarts hierover een advies geven, een en ander zoals veelal zal zijn geregeld in het Protocol als bedoeld in artikel 7:9 lid 4 CAR.
     
    De opgenomen vakantie wordt in mindering gebracht van het verlofsaldo. Op grond van artikel 6:1 wordt gedurende de vakantie de bezoldiging doorbetaald zonder de korting die eventueel al geldt gezien de duur van de ziekte.
     
    In het geval waarin de ambtenaar in het kader van een medische behandeling of therapie elders moet verblijven wordt geen vakantieverlof afgeschreven.
     
    Lid 5
    Voor vakantie-uren die niet zijn opgenomen bij ontslag krijgt de ambtenaar een vergoeding. Het uurloon bedraagt De toelichting op artikel 6:2b wordt toegevoegd en komt als volgt te luiden 1/156 van het – voor deeltijders naar een volledige dienstbetrekking herrekend – salaris van de ambtenaar per maand (artikel 1:1, eerste lid, sub o van de CAR). Het salaris is het bedrag van de schaal dat op de ambtenaar van toepassing is op het moment dat het ontslag wordt verleend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag (zie artikel 3:1,tweede lid onder b CAR).
     
  • F:
    Met ingang van 1 januari 2015 worden de toelichtingen op de artikelen 6:2a en 6:2b toegevoegd en komen ze als volgt te luiden.
     
    Artikel 6:2a
     
    Lid 1
    Het wettelijk verlof is primair bedoeld ter recuperatie in het jaar waarin het wordt opgebouwd. Niettemin zullen er situaties zijn waarin het wettelijk verlof in enig jaar niet geheel kan worden opgenomen. Daarom geldt een vervaltermijn van 12 maanden. Als een ambtenaar te ziek is om verlof op te nemen, bijvoorbeeld omdat hij in een ziekenhuis moet verblijven, geldt deze termijn niet. Vanzelfsprekend zal in onderling overleg tussen college en ambtenaar na herstel een plan worden gemaakt hoe om te gaan met het resterende wettelijk verlof.
     
    Lid 2
    Als een ambtenaar een langere verlofperiode wil opnemen, bijvoorbeeld voor een loopbaanverlof (sabbatical) en daarvoor ook wettelijk verlof wil inzetten, kan hij het college vragen om af te zien van de vervaltermijn. Het college en de ambtenaar maken in onderling overleg hierover afspraken op basis van een onderbouwd schriftelijk verzoek van de ambtenaar.
     
    Artikel 6:2b
     
    Het totale saldo verlofuren waarover de ambtenaar op 31 december 2014 beschikt, wordt beschouwd als bovenwettelijk verlof.
     
  • G:
    Met ingang van 1 januari 2015 wordt artikel 6:4:2 lid 3 gewijzigd en komt als volgt te luiden:
     
    Artikel 6:4:2 lid 3
     
    • 1.
      Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend :
      • a.
        om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen - om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar; - als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers; - als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een arbeidsvoorwaardenadviseur
      • b.
        voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.
         
  • H:
    Met ingang van 1 januari 2015 wordt de toelichting bij artikel 6:2:4 lid 3 gewijzigd en komt als volgt te luiden:
     
    Vakbondsconsulenten zijn ambtenaren die daartoe zijn aangewezen door een vakvereniging en die binnen de gemeente medewerkers bijstaan in individuele aangelegenheden.
    Arbeidsvoorwaardenadviseurs zijn ambtenaren die daartoe zijn aangewezen door een vakvereniging en onder andere GO-leden adviseren binnen de eigen of een andere organisatie in de regio, conform artikel 12:2:7 lid 3.
    Arbeidsvoorwaardenadviseurs zijn ambtenaren die daartoe zijn aangewezen door een vakvereniging en onder andere GO-leden adviseren binnen de eigen of een andere organisatie in de regio, conform artikel 12:2:7 lid 3.
Bijlage D (LOGA-circulaire ECWGO/U201401852) per 1 april 2015
Bijlage 2 bij U201401852
 
CAR-tekst met toelichting per 1 april 2015
 
A Bijlage 1, Salarisverhoging, wordt als volgt aangevuld:
 
Met ingang van 1 april 2015 worden de schaalbedragen verhoogd met 50 euro.
 
 
Bijlage 5 bij U201401852
CAR: bijlage IIa
Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 april 2015, nieuwe structuur*
 
periodiek
schaal
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
0
1448
1482
1520
1563
1608
1715
1924
2202
2444
2636
1
1482
1532
1582
1633
1685
1793
2005
2291
2548
2759
2
1518
1582
1645
1702
1761
1871
2087
2381
2652
2881
3
1554
1631
1708
1772
1838
1949
2167
2470
2756
3004
4
1591
1681
1770
1841
1915
2028
2249
2559
2860
3127
5
1627
1731
1833
1911
1991
2106
2330
2648
2964
3250
6
1663
1780
1896
1981
2068
2183
2411
2738
3069
3372
7
1699
1830
1958
2051
2145
2262
2492
2827
3173
3495
8
1735
1880
2021
2121
2222
2340
2573
2917
3277
3617
9
1772
1929
2084
2190
2299
2418
2654
3006
3381
3740
10
1808
1979
2147
2260
2375
2496
2736
3095
3486
3862
11
1844
2029
2209
2330
2452
2575
2816
3184
3590
3985
 
 
periodiek
schaal
10A
11
11A
12
13
14
15
16
17
18
0
2906
3158
3476
3794
4236
4500
4839
5181
5733
6355
1
3032
3288
3606
3925
4364
4655
5017
5389
5958
6597
2
3157
3419
3737
4054
4492
4809
5196
5597
6182
6838
3
3283
3550
3867
4182
4620
4964
5375
5806
6407
7079
4
3409
3680
3997
4310
4748
5118
5554
6014
6632
7321
5
3535
3811
4125
4438
4876
5273
5732
6222
6856
7562
6
3660
3942
4254
4566
5004
5428
5911
6430
7081
7803
7
3786
4071
4382
4694
5132
5583
6090
6638
7305
8045
8
3912
4199
4510
4822
5260
5738
6269
6847
7530
8286
9
4037
4327
4637
4950
5388
5892
6448
7055
7754
8528
10
4160
4455
4766
5078
5516
6047
6626
7263
7979
8769
11
4283
4583
4894
5207
5644
6201
6805
7472
8204
9011
 
* Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon overeenkomstig de bepalingen in de WML.
 
 
Bijlage 6 bij U201401852
CAR:   bijlage   II
 
Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 april 2015, oude structuur*
 
* Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon overeenkomstig de bepalingen in de WML.
 
 
Bijlage 8 bij U201401852
Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke garantiesalarissen per 1 april 2015
 
Regelnummer
Garantieschalen
33
3279
35
3399
37
3517
39
3624
41
3737
43
3854
45
3978
47
4099
49
4215
51
4331
53
4443
57
4678
59
4789
61
4906
63
5037
67
5327
69
5473
73
5763
75
5909
77
6076
79
6239
81
6403
83
6582
85
6774
87
6967
89
7161
91
7353
93
7546
95
7742
 
 
Bijlage 10 bij U201401852
CAR: bijlage IV
Salarisschalen kunstzinnige vorming per 1 april 2015
 
 
5
6
7
8
9
10
aanloopbedrag 1
1741
1777
1814
1862
2110
2467
aanloopbedrag 2
 
1862
1917
1984
2231
2583
aanloopbedrag 3
 
 
 
2110
2349
2706
0
1814
1984
2048
2231
2467
2771
1
1862
2048
2110
2291
2526
2844
2
1917
2110
2172
2349
2583
2911
3
1984
2172
2231
2407
2644
2969
4
2048
2231
2291
2467
2706
3033
5
2110
2291
2349
2526
2771
3098
6
2172
2349
2407
2583
2844
3159
7
2231
2407
2467
2644
2911
3214
8
2291
2467
2526
2706
2969
3271
9
2349
2526
2583
2771
3033
3328
10
2407
2583
2644
2844
3098
3385
11
 
2644
2706
2911
3159
3449
12
 
 
2771
2969
3214
3512
13
 
 
2844
3033
3271
3569
14
 
 
2911
3098
3328
3624
15
 
 
2969
3159
3385
3678
uitloopbedrag 1
2526
2771
3098
3328
3512
3792
uitloopbedrag 2
 
2911
3214
3512
3624
3911
uitloopbedrag 3
 
 
 
3624
3737
4037
 
 
Bijlage 12 bij U201401852
CAR: bijlage IIb
 
Vergoedingentabel betreffende de vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer per 1 april 2015
 
jaarvergoeding
uurbedrag oefeningen en cursussen e.d.
uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening
uurbedrag voor langdurig aanwezigheid
1. Aspirant manschap A
330
10,20
19,07
12,71
2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener, Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke stoffen
330
11,72
22,03
14,68
3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties uit categorie 2
330
13,00
24,38
16,25
4. Bevelvoerder
495
16,28
30,61
20,41
5. Officier van dienst
3902
0,00
39,02
0,00
6 Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke stoffen
5603
0,00
56,03
0,00
7.Commandant van dienst
8335
0,00
62,52
0,00
 
 
Bijlage 14 bij U201401852
Gebruteerde vergoedingsbedragen vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer 
 
Inpassingstabel per 1 april 2015
 
 
jaarvergoeding
uurbedrag   voor oefening en cursussen
uurbedrag   voor brandbestrijding en hulpverlening
uurbedrag   voor langdurig aanwezigheid
1.   Aspirant   manschap   A
334
10,34
19,40
12,92
2.   Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener, Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke stoffen
334
11,94
22,48
14,98
3.   Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties uit categorie 2
334
13,23
24,77
16,52
4.   Bevelvoerder
503
16,56
31,08
20,72
5.   Officier   van dienst
3977
0,00
39,77
0,00
6 Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke stoffen
5704
0,00
57,04
0,00
7.Commandant   van dienst
8491
0,00
63,64
0,00
 
In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het gaat hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers die op 31 december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor hen is deze bijlage niet van belang, maar geldt bijlage 11.
Bijlage E (LOGA-circulaire ECWGO/U201401851) per 1 juli 2015
 
  • A:
    Met ingang van 1 juli 2015[3] worden de artikelen 2:4 en 2:6 gewijzigd en komen als volgt te luiden:
     
    Duur van de aanstelling
     
    Artikel 2:4
    • 1.
      De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.
       
    • 2.
      Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie tijdelijke aanstellingen, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste 6 maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de tussenpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling.
       
    • 3.
      Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling.
       
    • 4.
      Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.
       
    Overgangsrecht
     
    Artikel 2:6
    Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling.
     
  • B:
    Met ingang van 1 juli 2015 worden de toelichtingen bij de artikelen 2:4 en 2:6 gewijzigd en komen ze als volgt te luiden:
     
    Artikel 2:4
    In het eerste lid van dit artikel wordt de basis gelegd voor een vaste of tijdelijke aanstelling. De tijdelijke aanstelling kan voor bepaalde of onbepaalde tijd plaatsvinden.
    In tegenstelling tot de situatie van voor 1 juli 2001 is er geen limitatieve opsomming van aanstellingsgronden meer. Iedere grond mag gebruikt worden. Alleen bij een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd móet een aanstellingsgrond genoemd worden (zie artikel 2:4:1). Het niet langer aanwezig zijn van de aanstellingsgrond is de reden dat uit die aanstelling voor onbepaalde tijd ontslag verleend kan worden (zie ook artikel 8:12). Bij een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd is het niet nodig om een aanstellingsgrond te noemen. Het verstrijken van de termijn van aanstelling is de reden van beëindiging van die aanstelling (zie artikel 8:12).
     
    In dit artikel worden voorts de maximale termijnen voor tijdelijke aanstellingen bepaald, alsmede het maximum aantal tijdelijke aanstellingen dat mag worden gegeven alvorens een tijdelijke aanstelling van rechtswege wordt omgezet in een vaste aanstelling. Hierbij is aangesloten bij de wijzigingen in het BW als gevolg van het van kracht worden van de betreffende bepalingen in de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015 (stb.2014,216)
     
    Met de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 2:4 per 1 juli 2015, waarin de materiele normen van de Wet Werk en Zekerheid zijn verwerkt, is het oude lid 4 komen te vervallen waarin de ‘aanstelling bij wijze van proef’ was geregeld. De reden daarvan is dat met de wijziging van artikel 2:4 de maximale aanstellingsduur voor (opeenvolgende) aanstellingen voor bepaalde tijd is vastgesteld op 24 maanden. Dit maximum gold tot 1 juli 2015 voor de ‘aanstelling bij wijze van proef’, maar heeft sindsdien
     
     
    [3] Indien de invoeringsdatum van de betreffende bepalingen in de WWZ wordt gewijzigd, verschuift de ingangsdatum van deze bepalingen in de CAR naar de zelfde datum.
     
Emmeloord, 11 november 2014

Burgemeester en wethouders voornoemd,

De secretaris,

De burgemeester,

Naar boven