Artikel I, onderdeel A, bevat een aanvulling van de lijst met beschikkingen die is opgenomen in artikel 1.1.5 van de leidraad. Abusievelijk was een tweetal beschikkingen waarop de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17 van de Awb) van toepassing is, niet in de lijst opgenomen. Dat wordt hersteld in onderdeel A. Het betreft geen inhoudelijke wijziging.
De in artikel I, onderdelen B en C, opgenomen wijzigingen houden verband met de wettelijke regeling inzake het verplicht gebruik van één bankrekening voor uitbetaling van teruggaven inkomstenbelasting en toeslagen door de Rijksbelastingdienst. Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.
Ingevolge artikel I, onderdeel D, komt de mogelijkheid te vervallen om ingeval van misbruik na verkregen toestemming van het college de schorsende werking bij verzet te negeren. Dit is een uitvloeisel van recente jurisprudentie waarbij de Hoge Raad oordeelde dat een dergelijk oordeel exclusief aan de rechter is voorbehouden
[1].
De wijziging in artikel I, onderdeel E, hangt samen met het arrest Koot Beheer/Tideman q.q.
[2] In dat arrest verliet de Hoge Raad het toedoen-criterium voor het ontstaan van boedelschulden in faillisse-ment en formuleerde het een nieuw criterium voor verifieerbare faillissementsschulden, namelijk het bestaan van een rechtsverhouding ten tijde van het faillissement. De tekst van artikel 19.2.1 van de leidraad wordt hiermee in overeenstemming gebracht.
Artikel I, onderdeel F, betreft de vaststelling van de beslagvrije voet door de ontvanger. De huidige tekst van artikel 19.3.4 van de leidraad sluit niet aan bij de uitvoeringspraktijk. Dat wordt met deze wijziging alsnog gerealiseerd.
De wijziging in artikel I, onderdeel G, hangt samen met het niet van toepassing zijn van artikel 22.8.10 voor de gemeente. Artikel 22.8.10 was abusievelijk in de gemeentelijke leidraad opgenomen.
Artikel I, onderdeel H, bevat een verruiming van de mogelijkheid om bij een verzoek om uitstel van betaling onvolledige gegevens alsnog aan te vullen. Voor kwijtschelding kent de leidraad deze mogelijkheid al (artikel 26.1.3). Dit wordt nu ook voor uitstel van betaling geregeld.
Artikel I, onderdeel I, bevat een technische aanpassing van artikel 26.1.9 van de leidraad. In het zevende gedachtestreepje, onderdeel h, wordt verwezen naar de praktijk dat gemeenten een rijksbelastingaanslag betalen als die het gevolg is van inkomen dat in mindering is gebracht op de verstrekte bijstand. De tekst van onderdeel h zoals die tot deze leidraadwijziging luidde, kan de indruk wekken dat ook voor bijstandsgerechtigden zonder eigen inkomsten geen kwijtschelding wordt verleend als zij geen aanvullende bijstand hebben aangevraagd. Dit zou de reikwijdte van de bepaling te buiten gaan. Onderdeel h vervalt. In het nieuwe twaalfde gedachtestreepje wordt een nieuwe tekst opgenomen. Deze is niet van toepassing voor gemeenten.
Artikel I, onderdeel J, bevat een technische aanpassing. In artikel 26.2.1 van de leidraad zoals dat artikel tot deze leidraadwijziging luidde, staat dat voor de samentelling van de vermogens van echtgenoten en ongehuwd samenwonenden de aanwezigheid van huwelijkse voorwaarden respectievelijk een samenlevingscontract niet van belang is. Omdat in de eerste alinea van artikel 26.2.1 over echtgenoten wordt gesproken is een dergelijke aanvulling echter niet nodig. Het begrip “echtgenoot” verwijst ingevolge artikel 1.1.2 van de leidraad namelijk naar artikel 3 van de Participatiewet. Omdat in de Participatiewet voor echtgenoten en ongehuwd samenwonenden als bedoeld in genoemd artikel 3 van die wet geen voorbehoud geldt voor een eventueel huwelijksgoederenregime hoeft dit in de leidraad ook niet. Het schrappen van de tweede alinea van artikel 26.2.1 voorkomt verwarring hierover.
Artikel I, onderdeel K, bevat een verduidelijking van het saneringsbeleid voor ondernemers. Artikel 21 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (hierna: regeling) bepaalt dat de ontvanger aan ondernemers uitsluitend kwijtschelding verleent in het kader van een akkoord met alle schuldeisers. In de praktijk roept dit vragen op als ten tijde van het saneringsverzoek blijkt dat de Belastingdienst de enige schuldeiser is of dat er naast de Belastingdienst alleen dwangcrediteuren als bedoeld in artikel 26.3.8 van de leidraad zijn. Om hierover duidelijkheid te creëren, wordt artikel 26.3.1 van de leidraad uitgebreid met een alinea waaruit blijkt dat dergelijke saneringsverzoeken ook vallen onder het kwijtscheldingsbeleid voor ondernemers. De slotzin van de voorgesteld nieuwe alinea maakt duidelijk dat de in artikel 22 van de regeling opgenomen voorwaarden niet van toepassing zijn voor zover die betrekking hebben op de aanwezigheid van andere schuldeisers.
De in artikel I, onderdeel L, opgenomen wijziging betreft een redactionele aanpassing. Abusievelijk werd in de aanhef van artikel 54 van de leidraad verwezen naar artikel 53.1. Dat wordt in dit onderdeel hersteld.
Artikel I, onderdeel M, bevat een verduidelijking van artikel 73.5a van de leidraad. De laatste volzin van artikel 73.5a zoals die voor deze leidraadwijziging luidde, kan tot de conclusie leiden dat minnelijke schuldsanering door derden, niet zijnde een lid van de NVVK of een gemeente, ook mogelijk is voor ondernemers. Dit is echter niet de bedoeling. Net als bij NVVK-leden en gemeenten is minnelijke schuldsanering voorbehouden aan natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers, waaronder mede begrepen ex-ondernemers (overeenkomstig de voorwaarden van artikel 73.5.1 van de leidraad).
Artikel II van dit besluit regelt de datum van inwerking van de onderhavige Leidraadwijzingen.
[1] Hoge Raad 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1188.
[2] Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108.