Gemeenteblad van Heerlen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
HeerlenGemeenteblad 2015, 65463Beleidsregels
Gemeente Heerlen - ”Beleidsregel scholingsplicht voor jongeren gemeente Heerlen 2015”
 
 
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Het college: het college van burgemeester en wethouders van degemeente Heerlen;
b. De wet: de Participatiewet
c. De jongere: de persoon zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid onder c van de wet
d. Rijks kas bekostigd onderwijs: definitie zoals omschrijven in artikel 2.1.1 van de Wet educatie beroepsonderwijs en artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
e. Melding: de melding zoals bedoeld in artikel 44, eerste lid van de wet.
f. De zoektermijn: de termijn zoals opgenomen in artikel 41, vijfde lid van de wet.
g. De documenten: de documenten zoals bedoeld in artikel 41, vijfde lid van de wet.
h. De regeling: De beleidsregeling scholingsplicht voor jongeren gemeente Heerlen.
 
Artikel 2 Inspanningen college
1. Het college informeert de jongere bij de melding dat deze gehouden is gedurende de zoektermijn te onderzoeken of hij uit het ’s Rijks bekostigd onderwijs kan volgen.
2. Het college verzoekt de jongere tijdens de melding de documenten, zoals bedoeld in artikel 3 tijdens de aanvraag te overleggen.
3. Bij de melding beoordeelt het college aan de hand van een door het college opgesteld zelfredzaamheidsmatrix in voorlopige zin in hoeverre de jongere voldoende zelfredzaam is om uit Rijks kas gefinancierd onderwijs te volgen.
4. Het college legt de hierna in artikel 3 van deze regeling opgenomen verplichtingen en de verzochte documenten vast in een brief die na het persoonlijk onderhoud in het kader van de melding aan de jongere wordt uitgereikt.
5. Het college nodigt de jongere na de zoektermijn uit voor een persoonlijk onderhoud in het kader van zijn aanvraag.
 
Artikel 3 Inspanningen jongere
De jongere stelt binnen de zoektermijn alles in het werk om te onderzoeken of hij mogelijkheden heeft om uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen, én om daarvoor in aanmerking te komen.
 
Artikel 4 De aanvraag van de jongere
1. De jongere overlegt na de zoektermijn tijdens het persoonlijk onderhoud in het kader van zijn aanvraag de gegevens.
2. Verschijnt de jongere niet tijdens het persoonlijk onderhoud in het kader van zijn aanvraag kan het college ervan uitgaan dat geenaanvraag is ingediend.
3. Is de jongere niet verschenen voor het persoonlijk onderhoud, maar meldt deze zich later voor een nieuw persoonlijk onderhoud, wordt de ingangsdatum van een eventueel recht op bijstand bepaald met toepassing van artikel 44, derde lid van de wet.
 
Artikel 5 Beoordeling inspanningen jongere
1. Het is aan de jongere om aannemelijk te maken dat hij alles in het werk heeft gesteld om te onderzoeken of hij in aanmerking komt voor uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs.
2. Het college beoordeelt of de jongere alles in het werk heeft gesteld om te onderzoeken of het mogelijk is om uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen.
3. Als de jongere niet alles in het werk heeft gesteld om te onderzoekenof het mogelijk is om uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen, stelt het college een termijn waarbinnen dat verzuim alsnog kan worden hersteld en wijst daarbij op de op grond van artikel 4:5, eerste lid Algemene wet bestuursrecht neergelegde bevoegdheid.
4. Indien de jongere het in het vorige lid vermelde verzuim niet binnen de door het college gestelde termijn herstelt, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld.
5. Indien de jongere het in het derde lid vermelde verzuim naar tevredenheid van het college herstelt, overweegt het college een maatregel.
 
Artikel 6 Onderzoek college mogelijkheden volgen onderwijs
Het college beoordeelt op grond van alle voorhanden zijnde informatie de zelfredzaamheidmatrix alsmede de door de jongere overgelegde gegevens of het in redelijkheid van de jongere kan worden verlangd dat deze uit ’s Rijks bekostigd onderwijs kan volgen.
 
Artikel 7 De jongere kan in latere fase onderwijs volgen
Indien het college heeft vastgesteld dat van de jongere redelijkerwijs verlangd kan worden dat deze door het ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen, wordt in geval het onderwijs niet per direct kan worden gestart bijstand tot de startdatum van het onderwijs verleend.
 
Artikel 8 De jongere kan tijdelijk geen onderwijs volgen
1. Indien het college heeft vastgesteld dat van de jongere tijdelijk niet kan worden verlangd dat deze door het ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen, wordt bijstand verleend.
2. Het college stelt met de jongere zoals bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk een plan van aanpak in de zin van artikel 44, vierde lid van de wet op.
 
Artikel 9 De jongere kan geen onderwijs volgen
1. Indien het college heeft vastgesteld dat van de jongere redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat deze door het ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen, wordt bijstand verleend.
2. Het college stelt met de jongere zoals bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk een plan van aanpak in de zin van artikel 44, vierde lid van de wet op.
 
Artikel 10 Inwerkingtreding
1. Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 juli 2015 onder intrekking van de Beleidsregel scholingsplicht voor jongeren gemeente Heerlen 2014.
2. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: “Beleidsregel scholingsplicht voor jongeren gemeente Heerlen 2015”.
 
Aldus besloten tijdens de vergadering van het college van burgemeester en wethouders der gemeente Heerlen van 7 juli 2015.
 
 
 
 
 
Algemene toelichting
 
Naar aanleiding van de WWB 2012 is op 1 juli 2012 de volgende
uitsluitingsgrond voor jongeren in werking getreden:
Artikel 13 lid 2 onderdeel c
 
Geen recht op algemene bijstand heeft degene die jonger is dan 27 jaar en
uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:
1°. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000, dan wel
2°. in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.
Jongeren die uit Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen en daarmee aanspraak hebben op studiefinanciering komen niet in aanmerking voor algemene bijstand. De wetgever verwacht van de jongeren dat ze de mogelijkheden binnen het reguliere onderwijs volledig benutten. Daarnaast wordt studiefinanciering gezien als een passende en toereikende voorliggende voorziening. Studiefinanciering bestaat uit een basisbeurs, een basislening en een aanvullende beurs/lening. Uit de definitie van het begrip studiefinanciering valt de lening hier ook onder. Als de jongere geen aanspraak meer kan maken op de basisbeurs en aanvullende beurs, maar wel kan lenen bij het DUO dan is de omschrijving “aanspraak maken op studiefinanciering” zoals opgenomen in art 13 lid 2 onder c Participatiewet ook van toepassing. Als deze mogelijkheid er is dan ziet de wetgever geen reden om algemene bijstand te verstrekken.
 
Het volgen van uit Rijks kas bekostigd onderwijs is eveneens mogelijk zonder de jongere aanspraak kan maken op studiefinanciering. Voorbeelden hiervan zijn het voortgezet onderwijs en BBL. De wetgever stelt als de jongere een door het Rijk gefinancierde opleiding kan volgen en hij weigert dit of laat dit na dan is er géén recht op bijstand. Volgt de jongere de opleiding wel maar kan geen beroep doen op studiefinanciering dan komt de jongere in aanmerking voor algemene bijstand. De wetgever heeft niet toegelicht wat hij precies bedoeld met het “ kunnen volgen” van door het Rijk bekostigd onderwijs. Schulinck gaat ervan uit dat het kunnen volgen niet alleen het daadwerkelijke inschrijven is, maar ook of van de jongere dit redelijkerwijs verwacht kan worden. Daarbij kunnen er allerlei omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat een jongere tijdelijk of niet in staat is om regulier onderwijs te volgen, zoals fysieke, psychische beperkingen of de capaciteit ontbreekt.
 
Als er nog mogelijkheden zijn voor de jongere om regulier onderwijs te volgen en deze mogelijkheden zijn onvoldoende benut dan moet het college bijstand weigeren. Ter beoordeling kan de startkwalificatie een ijkpunt zijn. Het gaat dan over een HAVO,- VWO of MBO 2 diploma. Heeft een jongere niet over een startkwalificatie dan wordt van de jongere verwacht dat hij verder studeert.
 
Maar heeft de jongere wel een startkwalificatie dan moet onderzocht worden in hoeverre het verder studeren bijdraagt aan het vergroten van de kansen op de arbeidsmarkt. Wordt door het volgen van de studie de kansen op de arbeidsmarkt vergroot dan mag je van de jongere verwachten dat hij verder studeert.
 
Met deze beleidsregel wordt het “kunnen volgen” van door het Rijk bekostigd onderwijs gedefinieerd. Middels de zelfredzaamheidsladder en het onderzoek van het college wordt bepaald of de jongere in staat is om door het Rijk bekostigd onderwijs te volgen.
 
Artikelsgewijze toelichting beleidsregel scholingsplicht voor jongeren De artikelsgewijze toelichting is beperkt tot die artikelen die ook een toelichting behoeven.
 
Artikel 2
 
Lid1
De jongere meldt zich aan de poort voor een uitkering. Er volgt een gesprek met een inkomensconsulent en een uitstroomconsulent. De inkomensconsulent toetst of er gebruik gemaakt kan worden van
voorliggende voorzieningen en recht op bijstand. Aan iedere jongeren wordt de plicht opgelegd om zich maximaal in te spannen zijn mogelijkheden binnen het door het Rijk bekostigd onderwijs de te onderzoeken.
Lid 3
In dit eerste gesprek vindt al een eerste check plaats op grond van de zelfredzaamheidsmatrix met betrekking tot de leefgebieden. Waaronder inkomen, huisvestiging, geestelijke gezondheidszorg maar ook justitie en gezinsleven om globaal te zelfredzaamheid ten aanzien van het kunnen volgen van door het Rijk bekostigd onderwijs vast te stellen.
 
Lid 4
Als de jongere tijdens dit gesprek aangeeft niet te “kunnen” studeren dan verzoekt de consulent de jongere om hiervan bewijsstukken te overleggen. Als uit de eerste check met behulp van de zelfredzaamheidsmatrix blijkt dat er belemmeringen zijn ten aanzien van het kunnen volgen van door het Rijk bekostigd onderwijs dan verzoekt het college de jongere hiervan bewijsstukken te overleggen.
 
Lid 5
De jongere krijgt na het gesprek een vervolgafspraak mee. In deze brief staat de informatie met betrekking tot de informatieplicht, de verwachtingen van de jongere, opdrachten, te leveren bewijsstukken en de consequenties bij het voldoen hieraan vermeld. In deze weken krijgt de jongere de gelegenheid om zijn mogelijkheden binnen het regulier onderwijs te onderzoeken.
 
Artikel 3
 
Lid 1
Met de inwerkingtreding van het Wetsvoorstel tot wijziging van de WWB en samenvoeging van deze wet met de Wij per 1 januari 2012, heeft de Regering, naast het samenvoegen van de WWB met de Wij (en het als gevolg daarvan intrekken van de Wij), de verplichtingen voor jongeren tot 27 jaar, aangescherpt. Voor de jongere tot 27 jaar, is een zoektermijn van 4 weken ingevoerd (vanaf de datum van melding bij het jongerenloket). In deze periode dient de jongere aantoonbare inspanningen te verrichten om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en zijn mogelijkheden voor de terugkeer naar regulier onderwijs te onderzoeken. De jongere wordt uitgelegd wat er van hem verwacht wordt, binnen de 4 weken zoektermijn, met betrekking tot de mogelijkheden om terug te keren naar uit Rijks kas bekostigd onderwijs. In verband met het mogelijk kunnen volgen van regulier onderwijs, geldt voor jongeren een extra informatieplicht. Als zij een aanvraag indienen moeten zij documenten verstrekken die het college kunnen helpen bij de beoordeling of ze nog mogelijkheden hebben binnen het uit Rijks kas bekostigde onderwijs (artikel 41 lid 5 Participatiewet).
 
Artikel 4
 
Lid 1
De jongere overlegt de gevraagde bewijsstukken aan het college. Gedacht kan worden aan reeds behaalde diploma’s of certificaten, een verklaring van een functionaris van de regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten en een bindend studieadvies dat door een onderwijsinstelling is verstrekt. De jongere overlegt tevens de bewijsstukken van eventuele belemmeringen die door de jongere worden aangevoerd en eventueel een advies van VSV of een externe partij. Tijdens de vervolgafspraak tekent de jongere het aanvraagformulier.
Lid 2
De jongere meldt zich niet meer terug op de vervolgafspraak dat is er geen sprake van een aanvraag en is een vervolgactie niet aan de orde.
 
Lid 3
Heeft de jongere zich niet terug gemeld op de afspraak, maar verschijnt op een later tijdstip dan is de ingangsdatum van het eventuele recht niet de eerste meldingsdatum. Bijvoorbeeld de jongere meldt zich op 1 februari 2015, verschijnt niet op 28 februari 2015 op de vervolgafspraak maar op 5 maart 2015. Dan is het eventueel recht pas vanaf 5 maart 2015. Dit is de nieuwe meldingsdatum.
 
Artikel 5
 
Lid 1 en 2
Het college beoordeelt of de jongere voldoende inspanningen geleverd heeft om zijn mogelijkheden binnen door het Rijk bekostigd onderwijs te onderzoeken en heeft de jongeren voldaan de opgelegde opdrachten en verwachtingen die hem per brief tijdens de melding zijn overhandigd.
 
Lid 3 en 4
Indien de jongere zich onvoldoende heeft ingespannen dan biedt het college een redelijke termijn om het verzuim te herstellen. Herstelt de jongere het verzuim niet dat wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.
 
Artikel 6
De beoordeling van de belemmeringen blijft een verantwoordelijkheid het college. Naast de feitelijk informatie moet er ook onderzoek plaatsvinden of er redelijkerwijs van de jongere verlangd kan worden dat deze terugkeert naar regulier onderwijs. Middels de zelfredzaamheidsmatrix wordt er een definitief de zelfredzaamheid getoetst. Waaronder inkomen, huisvestiging, geestelijke gezondheidszorg maar ook justitie en gezinsleven.
 
Artikel 7
De jongere kan naar school en uit het onderzoek blijkt dat er geen belemmeringen zijn om regulier onderwijs te volgen. De school daarentegen start het volgend schooljaar, bijvoorbeeld februari of september. De jongere ontvangt ter overbrugging een uitkering over een gesloten periode maar daarbij wordt de verplichting opgelegd om in de tussentijd op zoek te gaan naar werk tenzij in de tussentijds wijzigingen voordoen waardoor de terugkeer naar studie niet mogelijk is. Er worden geen re-integratie activiteiten ingezet wanneer de jongeren tijdelijk een uitkering ontvangt en terug kan keren naar school. Start de jongere uiteindelijk niet doordat de jongere besluit niet te willen gaan dan wordt de uitkering beëindigd of afgewezen op de startdatum van de studie.
 
Artikel 8
De jongere kan op grond van de tabel tijdelijk niet naar school. Hierop wordt een plan van aanpak opgesteld op grond van artikel 44a van de Participatiewet met daarin vermeld de te volgen stappen met een tijdsplanning om de terugkeer naar school mogelijk te maken. Het plan van aanpak wordt regelmatig geëvalueerd en eventueel bijgesteld met de jongere. Indien de jongere niet meewerkt aan de opgelegde verplichtingen in het plan van aanpak dat wordt er een maatregel beoordeeld op grond van de gemeentelijke afstemmingsverordening.
 
Artikel 9
De jongere kan op grond van de toets en overig onderzoek niet naar school. Hierop wordt een plan van aanpak opgesteld op grond van artikel 44a van de Participatiewet met daarin vermeld de te volgen stappen met een tijdsplanning om de terugkeer naar de arbeidsmarkt of opstart re-integratie mogelijk te maken. Het plan van aanpak wordt regelmatig geëvalueerd en eventueel bijgesteld met de jongere. Indien de jongere niet meewerkt aan de opgelegde verplichtingen in het plan van aanpak dat wordt er een maatregel beoordeeld op grond van de gemeentelijke afstemmingsverordening.

gemeentesecretaris,

mw. C.L.A.F.M. Bruls

burgemeester,

mr. drs. F.H.H. Weekers