Beleidsregels Inkomstenvrijlating Participatiewet, IOAW en IOAZ Olst-Wijhe
 
Gelet op het bepaalde in: Artikel 31 van de Participatiewet, artikel 4 en artikel 8 van de IOAW en artikel 4 en artikel 8 van de IOAZ
 
Overwegende dat: Bovengenoemde bepalingen het college van Burgemeester en Wethouders de bevoegdheid geven om inkomstenvrijlating te formaliseren.
 
Besluit: Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Olst-Wijhe vast te stellen:
“Beleidsregels Inkomstenvrijlating Participatiewet, IOAW en IOAZ Olst-Wijhe”.
 
Artikel 1. Inkomstenvrijlating
  • 1.
    Onder inkomstenvrijlating wordt verstaan de inkomsten die op grond van:
    • a.
      artikel 31, tweede lid onder n van de wet, artikel 8, tweede lid van de IOAW en artikel 8, derde lid van de IOAZ gedurende een periode van 6 aaneengesloten maanden niet aangemerkt worden als middelen en die bijdragen aan arbeidsinschakeling;
    • b.
      artikel 31, tweede lid onder r van de wet, artikel 8, vijfde lid van de IOAW en artikel 8, negende lid van de IOAZ gedurende een periode van 30 aaneengesloten maanden niet aangemerkt worden als middelen en die bijdragen aan arbeidsinschakeling;
    • c.
      artikel 31, tweede lid onder z van de wet, artikel 4b en artikel 8, het zevende en achtste lid van de IOAW en artikelen 4b en artikel 8, elfde en twaalfde van de IOAZ niet aangemerkt worden als middelen, tenzij er niet langer sprake is van een medische urenbeperking.
  • 2.
    De inkomstenvrijlating als bedoeld in het eerste lid, gaat in op de eerste dag van de maand waaraan de inkomsten moeten worden toegerekend.
  • 3.
    Aan de inkomstenvrijlating als bedoeld in het eerste lid onder a wordt als eerste toepassing gegeven, daarna wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating als bedoeld in het eerste lid onder b, alvorens de inkomstenvrijlating als bedoeld in het eerste lid onder c toe te passen.
     
Artikel 2. Vaststelling recht
Om voor een vrijlating van inkomsten als bedoeld in artikel 1 in aanmerking te komen, moet er in ieder geval sprake zijn van:
  • 1.
    de belanghebbende ontvangt legale inkomsten uit deeltijd arbeid, waarbij de werkzaamheden na de ingangsdatum van de uitkering zijn begonnen.
  • 2.
    Voor toepassing van een inkomstenvrijlating dienen de inkomsten uit arbeid in deeltijd als bedoeld in lid 1, samen met andere inkomensbestanddelen, niet hoger te zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag.
  • 3.
    Als inkomsten uit arbeid in deeltijd worden mede aangemerkt:
    • doorbetaling van loon door de werkgever tijdens ziekte;
    • een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg in verband met zwangerschap en bevalling;
    • een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in verband met ziekte als gevolg van zwangerschap en bevalling; of
    • inkomen uit arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep als deeltijd zelfstandige.
  • 4.
    Belanghebbende moet zijn aangewezen op, of bezig zijn met een traject, gericht op volledige uitstroom uit de bijstand;
  • 5.
    Over de door belanghebbende te verrichten arbeid is door een rapportage vastgesteld dat deze een bijdrage levert aan de arbeidsinschakeling van belanghebbende;
  • 6.
    Het college stelt het recht op een inkomstenvrijlating ambtshalve of, wanneer dit niet mogelijk is, op schriftelijke aanvraag vast.
  • 7.
    Het college bepaalt, als dit noodzakelijk is, welke gegevens een uitkeringsgerechtigde voor de vaststelling van het recht op een inkomstenvrijlating moet verstrekken, alsmede het de wijze en het tijdstip waarop hij de gegevens moet verstrekken.
     
Artikel 3. Eenmalige toekenning inkomstenvrijlating
  • 1.
    De inkomstenvrijlatingen als bedoeld in artikel 32, tweede lid onder n en artikel 32, tweede lid onder r, wordt één maal per uitkeringsperiode toegekend.
  • 2.
    Als dezelfde uitkeringsperiode wordt aangemerkt:
    • a.
      de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter is dan 30 dagen wordt voortgezet;
    • b.
      de situatie waarin de uitkering wordt hersteld, na een onderbreking wegens verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van de onderbreking;
    • c.
      de situatie waarin sprake is van voortzetting van een uitkering die in een andere gemeente al werd verstrekt;
    • d.
      de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld woon- of gezinssituatie de uitkering met een andere norm wordt voortgezet.
  • 3.
    Indien bij toepassing van artikel 1 lid 1 onder a de nieuwe uitkeringsperiode minder dan 6 maanden na de ingangsdatum van de inkomstenvrijlating aanvangt, ontstaat geen nieuw recht op inkomstenvrijlating.
  • 4.
    Indien bij toepassing van artikel 1 lid 1 onder b de nieuwe uitkeringsperiode minder dan 30 maanden na de ingangsdatum van de inkomstenvrijlating aanvangt, ontstaat geen nieuw recht op inkomstenvrijlating.
     
Artikel 4. Herziening en intrekking recht inkomstenvrijlating
Het college kan het recht op een inkomstenvrijlating herzien of intrekken:
  • a.
    als het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting als bedoeld artikel 17 Participatiewet of artikel 13 IOAW en IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte toepassen van een inkomstenvrijlating op de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag van een uitkeringsgerechtigde;
  • b.
    als anderszins een inkomstenvrijlating ten onrechte op de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag van een uitkeringsgerechtigde toegepast is.
     
Artikel 5. Herziening, intrekking en terugvordering bijstand of uitkering
Als het college een besluit tot herziening of intrekking als bedoeld in artikel 4 van deze beleidsregels genomen heeft, herziet het college het recht op bijstand/uitkering of trekt deze in overeenkomstig artikel 54 lid 3 Participatiewet of artikel 17 IOAW en IOAZ in en vordert de ten onrechte of te hoog verstrekte bijstand/uitkering terug.
 
Artikel 6. Inwerkingtreding en citeertitel
  • 1.
    De beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.
  • 2.
    De beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels Inkomstenvrijlating Participatiewet, IOAW en IOAZ Olst-Wijhe
     
Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente Olst-Wijhe op 30 juni 2015
Burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe,
de secretaris, de burgemeester,
A.(Arie) Oeseburg. A.G.J. (Ton) Strien.
 
 
.
Naar boven