Bijlage 1: Functionaris voor de gegevensbescherming (privacyfunctionaris)
In deze bijlage wordt uitgelegd wat de rol van privacyfunctionaris inhoudt. Voor privacyfunctionaris wordt hierna de wettelijke term gehanteerd: functionaris voor de gegevensbescherming (FG).
Om de rol van FG goed te begrijpen, moet hier eerst het toezichtsysteem van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) worden uitgelegd, want de Wbp regelt toezicht op verschillende manieren.
Waar meestal als eerste aan wordt gedacht, is het toezicht door de landelijke toezichthouder, het College bescherming persoonsgegevens (CBP). Maar de Wbp kent ook aan het college van burgemeester en wethouders een toezichthoudende rol toe, als regievoerder en de controleur op nakoming van afspraken.
Daarnaast zijn ook burgers in zekere zin toezichthouder, omdat de Wbp hen het recht toekent om bij de gemeente de verwerking van hun eigen gegevens te controleren. Ze hebben het recht op schadevergoeding wanneer het gemeentelijk privacybeleid tekort schiet en ze mogen bij het CBP een handhavingsverzoek indienen.
Daarmee is de Wbp een systeem van ‘checks and balances’. Dit systeem werkt echter niet goed, zolang er geen FG is aangewezen. Dit komt onder meer doordat privacy een complex vraagstuk is, dat ook met misverstanden is omgeven. Het CBP staat op een te grote afstand om op reguliere wijze privacybeleidsvoering van een gemeente te kunnen controleren.
De aanwijzing van een FG- eveneens een toezichthouder die in de Wbp wordt genoemd - is daarom een logische zaak. Zéker omdat de nieuwe gemeentelijke taken in het sociaal domein extra privacy risico's met zich meebrengen.
De FG laat zich het beste vergelijken met een accountant. Het grote verschil is echter dat de FG advies en toezicht juist niet mag scheiden, maar moet combineren.
Een FG denkt mee over privacybestendige oplossingen (preventief toezicht), maar toetst ook achteraf of oplossingen daadwerkelijk binnen de kaders van de wet zijn vormgegeven (privacy audits). Zijn aanbevelingen zijn bestemd voor het college van burgemeester en wethouders. Dat neemt niet weg dat de FG in de praktijk vooral samenwerkt met afdelingen en tweede lijn-professionals, zoals informatiemanagers, informatiebeveiligers, juristen en ICT-ers.
De FG is een multidisciplinaire senior. De wet vereist dat hij voldoende betrouwbaar is en stevig genoeg in zijn schoenen staat om onafhankelijk te kunnen adviseren. Hij moet praktijkdeskundig zijn (kennis van organisaties, processen, ICT en informatiebeveiliging) en een expert op het gebied van privacywetgeving. Nog afgezien van zijn interne betrokkenheid, speelt hij ook extern een belangrijke rol. Hij geeft het gemeentelijk privacybeleid een gezicht en heeft een bufferfunctie in de relaties met het College bescherming persoonsgegevens. Een FG moet daarom een goed gevoel hebben voor interne en externe verhoudingen en moet beschikken over vaardigheden op het gebied van communicatie, public relations en regulatory affairs.
De positie van de FG wordt beschreven in paragraaf 2 van hoofdstuk 9 Wbp over derde lijn-toezicht. Paragraaf 1 van dit hoofdstuk regelt de positie van het CBP. De wet bevat geen bepalingen over een hiërarchische relatie.
De FGis dus geen verlengstuk van het CBP. Wél is het zo dat de FG bij twijfel het recht heeft om het CBP te consulteren. Mits dat goed is aangepakt, kan dat helpen om bij het CBP begrip te kweken voor de gemeentelijke aanpak. Het CBP hecht veel waarde aan de aanwijzing van FG's. Organisaties met een FG genieten bij de landelijk toezichthouder extra vertrouwen.
Vanwege zijn wettelijke rol en deskundigheid, is het oordeel van de FG juridisch zwaarwegend. In de praktijk wordt dat echter niet altijd begrepen. Ook komt het voor dat op een FG druk wordt uitgeoefend om zijn zienswijze te herzien. Het is belangrijk om dit soort dingen van te voren door te spreken. Een FG moet veilig kunnen adviseren en moet daarvoor goed de ruimte krijgen. De wet geeft aan dat hij niet uit zijn functie kan worden gezet. Om over dit soort zaken duidelijk te zijn, verdient het sterk de aanbeveling om zijn positie te regelen in een statuut.
Door een FG aan te wijzen, functioneert het CBP meer op de achtergrond. Het CBP treedt weer op de voorgrond wanneer het gemeentelijk toezicht niet goed blijkt te functioneren.
De aanwijzing van een FG wordt onder de Wbp aanbevolen en wordt onder de nieuwe EU-privacyverordening (invoering naar verwachting in 2016) hoogstwaarschijnlijk verplicht. Hij kan in dienst zijn of worden genomen, worden ingehuurd of worden betrokken via een organisatie waarbij een gemeente is aangesloten.
Het college van burgemeester en wethouders moet over de aanwijzing van een FG besluiten en dat vervolgens melden bij het CBP
[1]• Dat neemt zijn gegevens over in het openbare FG-register
[2]. Het CBP beoordeelt niet de geschiktheid van de FG. De aanwijzing van een gekwalificeerde privacyfunctionaris blijft dus de eigen verantwoordelijkheid van het college. De geschiktheid van een FG kan blijken uit zijn CV (studie, werkervaring, publicaties, bij voorkeur een certificaat van de lAPP, de Internationale Associatie van Privacy Professionals, etc.).
Het salarisniveau van een FG ligt in Nederland gemiddeld op schaal 11-12, wat lager is dan in andere EU-landen (schaal 13-14)
[3]. Het salaris hangt ook samen met de mate waarin de FG een coördinerende/leidinggevende rol heeft.
Een FG heeft kantoorfaciliteiten, tooling en overige middelen nodig voor professionele invulling van zijn taken. Hiervoor zijn ook lean & mean-oplossingen denkbaar. Het scheelt wanneer de FG kan rekenen op een werkgroep van tweede lijn-professionals.
[1] 1https://cbpweb.nl/sites/default/files/atoms/files/fg aanmeldingsformulier.pdf
[2] https://cbpweb.nl/nl/zelf-doen/functionaris-gegevensbescherming/register-functionarisgegevensbescherming-e-tm-h
[3] Onderzoek NGFG,gepubliceerd in
Privacy & Compliance 04-05/2013
Bijlage 2: Toelichting wettelijke kaders
Grondslag: taken waarvoor verwerking van persoonsgegevens is toegestaan
Voor de volgende taken is in de Jeugdwet een grondslag opgenomen voor verwerking van persoonsgegevens:
- •
- •
- •
Het doen van een verzoek tot onderzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming;
- •
Het (laten) uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering;
- •
De financiering van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.
Toestemming voor jeugdhulpverlening en dossiervoering Jeugdhulp wordt, met inachtneming van een in de wet vastgelegde informatieplicht, verleend met toestemming van betrokkene. Tenzij het hulp betreft in het gedwongen kader (kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering die door de rechter zijn opgelegd). Er zijn twee uitzonderingen hierop:
- •
Voor kinderen met een leeftijd tussen 12 en 16 jaar: toestemming van ouders met gezag of voogd is vereist. Tenzij de betrokkene bij weigering van de toestemming de hulp weloverwogen blijft wensen of indien die hulp kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen.
- •
Voor personen van zestien jaar en ouder die niet in staat kunnen worden geacht tot een redelijke waardering van hun belangen ter zake: dan de jeugdhulpverlener en de curator of mentor uit te gaan van een weigering als dit blijkt uit de kennelijke opvatting van betrokkene op basis van eerdere uitingen toen betrokkene nog wel in staat was tot een redelijke waardering van belangen. De jeugdhulpverlener kan hiervan echter afwijken als hij daartoe gegronde redenen aanwezig acht.
De jeugdhulpverlener heeft de plicht om voor de hulp aan de betrokkene een dossier in te richten en bij te houden. Hieraan moet hij desgevraagd een door de betrokkene afgegeven verklaring toevoegen. Er geldt een bewaartermijn van tenminste vijftien jaar. Verder moet het dossier (of delen daarvan) op verzoek van de betrokkene binnen drie maanden worden vernietigd, tenzij aannemelijk is dat bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander of een wettelijke regeling zich hiertegen verzet.
De jeugdhulpverlener moet zorgen dat hij niet zonder toestemming informatie over de betrokkene (of inzage in of afschrift van het dossier) aan anderen verstrekt. Onder deze anderen zijn niet begrepen:
- •
rechtstreeks bij de hulpverlening betrokkenen en degenen die de jeugdhulpverlener vervangen, voor zover dit noodzakelijk is voor de taakuitoefening;
- •
de curator of mentor van betrokkene; verstrekking gebeurt alleen wanneer daardoor de persoonlijke levenssfeer van de ander niet wordt geschaad.
De verstrekking kan ook opgelegd zijn bij of krachtens de wet. Dan gelden er geen beperkingen. Verder kan de jeugdhulpverlener altijd besluiten geen informatie verstrekken wanneer hij dit in strijd acht met goed hulpverlenerschap.
Alle hierboven genoemde verplichtingen gelden jegens ouders die het gezag over de betrokkene uitoefenen of diens voogd wanneer de betrokkene nog geen 12 jaar is. Datzelfde geldt in de gevallen dat de betrokkene ouder is dan 12, maar niet in staat wordt geacht tot het redelijk waarderen van zijn belangen. Tenzij de betrokkene meerderjarig is en er een mentor of curator is benoemd voor wie de verplichtingen gelden. Is er geen mentor of curator, dan is de volgorde: schriftelijk gemachtigde, echtgenoot/geregistreerde partner/levensgezel (tenzij deze dat niet wenst), ouder, kind, broer of zus (tenzij deze dat niet wenst).
De verplichtingen zijn niet
van toepassing als deze niet verenigbaar zijn met de zorg
van een goede hulpverlener. Ook geldt dat de vertegenwoordiger zijn taak goed moet vervullen en de betrokkene hier
zoveel mogelijk bij betrekt. Mocht die zich verzetten, dan kan alleen zonder toestemming worden ingegrepen wanneer dat kennelijk nodig is om ernstig nadeel
voor de betrokkene te voorkomen.
Gebruik Burgerservicenummer
De gecertificeerde instelling, de jeugdhulpaanbieder, de Raad voor de Kinderbescherming en het college (lees: de gemeente) moeten bij hun taakuitoefening gebruikmaken van het Burgerservicenummer van de betrokkene. Uitzondering daarop geldt bij de uitwisseling van gegevens in het kader van de jeugdreclassering voor het strafrecht en bij situaties waar afwijking van deze regel noodzakelijk is vanwege spoedeisende gevallen. De gemeente moet conform de wettelijke eisen zorgen voor de uitvoering van reclassering en jeugdhulp. Daarom is geregeld dat de Minister van Justitie en Veiligheid in een strafrechtelijke beslissing het Burgerservicenummer van een jeugdige kan verstrekken. Hij doet dat aan een ambtenaar of aan een onder zijn verantwoordelijkheid werkzame functionaris (beiden moeten daarvoor door het college zijn aangewezen).
b) Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Bevoegdheid toezichthouders
Toezichthoudende ambtenaren mogen - voor zover dat noodzakelijk is in het kader van hun taak - inzage in dossiers vragen. Uiteraard zijn ze daarbij gebonden zijn aan dezelfde geheimhoudingsplicht die voor de aanbieder geldt. Uitzonderingen: bij wilsonbekwaamheid van de betrokkene of indien noodzakelijk ter bescherming van cliënten.
Grondslag: taken waarvoor verwerking van persoonsgegevens is toegestaan
Om te beoordelen of iemand in aanmerking komt voor een Wmo-voorziening, een Pgb of om het verhaalsrecht uit te oefenen, mogen de uit onderzoek verkregen persoonsgegevens (waaronder gezondheidsgegevens) worden verwerkt. Persoonsgegevens van de mantelzorger van de cliënt mogen worden verwerkt. Maar alleen voor zover ze nodig zijn om te bepalen welke hulp deze aan de cliënt kan bieden, en voor zover deze zijn verkregen van de cliënt of de mantelzorger, en als deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wet. Een soortgelijke bepaling is opgenomen met betrekking tot persoonsgegevens van andere personen in het sociaal netwerk van de cliënt. Indien uit een melding een redelijk vermoeden van huiselijk geweld kan worden afgeleid, mag Veilig Thuis (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling / AMHK) persoonsgegevens registreren van personen die bij het huiselijk geweld zijn betrokken. De gemeente mag bepaalde persoonsgegevens verstrekken aan aanbieders van Wmo-voorzieningen, het CAK,de instantie die de eigen bijdrage int, de Sociale Verzekeringsbank en toezichthoudende ambtenaren.
Toestemmingsvereiste bij afstemming van hulp in het kader van uitvoering van andere wetten en bij het opvragen van persoonsgegevens bij de zorgverzekeraar
Ondubbelzinnige toestemming van betrokkene is vereist voor de verwerking van persoonsgegevens van betrokkene zelf dan wel van personen in zijn directe omgeving, met het oog op een goede afstemming van de hulp in het kader van aan de gemeente opgedragen taken in andere wetten (Jeugdwet, Participatiewet, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening), ervan uitgaande dat dit noodzakelijk is voor uitvoering van de wet. Dat geldt ook voor persoonsgegevens van de betrokkene die bij een zorgverzekeraar worden opgevraagd.
Uitzondering op toestemmingsvereiste bij verstrekken gegevens aan Veilig Thuis
(AMHK)
Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen die kindermishandeling kunnen beëindigen of nodig zijn om een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken, kunnen deze gevraagd en ongevraagd aan Veilig Thuis (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling / AMHK) verstrekken zonder toestemming van degene die het betreft. Zo nodig met doorbreking van de pllcht tot geheimhouding op grond van de wet, hun ambt of beroep.
De cliënt is verplicht om zich te identificeren bij de aanbieder van een maatwerkvoorziening.
Gebruik Burgerservicenummer
De gemeente, Veilig Thuis (AMHK), aanbieders, toezichthouders en andere uitvoerende instanties zijn bij verstrekkingen verplicht om gebruik te maken van het Burgerservicenummer van de betrokkene.
Informatieplicht bij meldingen Veilig Thuis (AMHK)
Bij meldingen bij Veilig Thuis (AMHK) door een ander dan de betrokkene, wordt de betrokkene zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken, hiervan op de hoogte gesteld. Uitstel is alleen mogelijk als dit noodzakelijk is om een situatie van huiselijk geweld te beëindigen of een redelijke vermoeden daarvan te onderzoeken.
Uitoefening privacy rechten bij Veilig Thuis (AMHK)
Geclausuleerd recht op inzage, afschrift en vernietiging van persoonsgegevens op verzoek van de betrokkene.
Gebruik persoonsgegevens voor onderzoek
Het recht om zonder voorafgaande toestemming van de betrokkene persoonsgegevens te verstrekken voor statistiek of wetenschappelijk onderzoek. Hierbij gelden strenge voorwaarden als uitwerking van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit. Ook geldt de restrictie dat de betrokkene niet uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt.
De Wet werk en bijstand is per 1 januari 2015 overgegaan in de Participatiewet. Vanaf dat moment is deze wet toegankelijk voor een bredere doelgroep; voor iedereen die voorheen een beroep deed op de Wajang (Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten) of de Wsw (Wet sociale werkvoorziening).
Gegevensverwerking en Suwinet-Inkijk
Gegevensverwerking in de Participatiewet is geregeld conform een gesloten verstrekking regime om zo de privacy van burgers binnen de sociale zekerheid zo goed mogelijk te waarborgen. Dat regime houdt in dat werk en inkomen gegevens uitsluitend worden hergebruikt als daar een wettelijke grondslag voor is of als de burger daar toestemming voor heeft gegeven. Bij het uitvoeren van de Participatiewet maakt werk en inkomen gebruik van de landelijk beschikbare applicatie Suwinet-Inkijk. Suwinet-Inkijk mag niet voor andere doeleinden gebruikt dan voor de uitvoering van de Participatiewet. Via deze Inkijk mogen gegevens in het kader van de Wet structuur en uitvoeringorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en de Wbp tussen organisaties binnen
het SUWI-stelsel worden uitgewisseld. Maar gegevens van werkzoekenden mogen in beginsel alleen aan organisaties buiten SUWI worden verstrekt, als daar een uitdrukkelijke wettelijke grondslag of verplichting voor bestaat of als de cliënt daar toestemming voor heeft gegeven.
Grondslag voor verwerking gegevens werkzoekende, inlichtingenplicht
De uitvoering van de wettelijke taken op het gebied van werk en inkomen brengt met zich mee dat er veel privacygevoelige gegevens worden verwerkt. Zo wordt aan werkzoekenden gevraagd naar hun tijdsbesteding en dagritme, maar ook naar het gebruik van alcohol en verdovende middelen. Verder worden vragen gesteld over medische aangelegenheden, zoals het gebruik van geneesmiddelen, lichamelijke beperkingen en eventuele sociale of psychische problemen. Een werkzoekende is verplicht om mee te werken en de gevraagde gegevens te verstrekken. Een werkzoekende heeft echter ook recht op privacy. De gemeente moet daarom
altijd aan de cliënt duidelijk kunnen maken waarom het noodzakelijk is dat hij bepaalde gegevens aan de gemeente verstrekt. Een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer mag alleen plaatsvinden als daar een wet aan ten grondslag ligt en de inbreuk noodzakelijk is in het kader van de uitvoering van die wet.
Grondslag voor verwerking gegevens van verwanten/huisgenoten
De gemeente heeft soms gegevens nodig van kinderen of inwonende ouders van de werkzoekende. Het gaat dan bijvoorbeeld om inkomensgegevens van meerderjarige kinderen in verband met de afdracht van kostgeld en de berekening van het gezinsinkomen of om inkomensgegevens van de ex-partner in verband met de afdracht van alimentatie. Gegevensvan verwanten van de werkzoekende moeten bijzondere aandacht krijgen. Ze worden door de betrokkenen doorgaans ervaren als een grote inbreuk op hun privacy. Het vragen van gegevensvan derden moeten we daarom tot een minimum beperken. Gegevensvan verwanten kunnen nodig zijn om bijvoorbeeld het gezinsinkomen te bepalen of om vast te stellen of de aanvrager recht heeft op een uitkering. Voor deze mensen moet het duidelijk zijn waarom ze hun gegevens moeten verstreken, in relatie tot de uitkering van de werkzoekende.
Inlichtingenverplichting instanties
In de Participatiewet zijn de instanties vermeld die verplicht zijn om aan de gemeente kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wet. De niet vermelde instanties geldt moeten zelf afwegen of verstrekking van de gegevens aan de gemeente verenigbaar is met het doel waarvoor zij de gegevens hebben verkregen en gebruiken. In een aantal gevallen is het instanties (of personen) verboden om inlichtingen aan de gemeente te verstrekken. Het gaat dan om personen die uit hoofde van hun beroep of functie een geheimhoudingsplicht hebben, zoals medici en paramedici op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo), de Wet Beroepsbeoefenaren individuele gezondheidszorg (BIG)of hun beroepscode. Denk bijvoorbeeld aan huisartsen, keuringsartsen en psychologen. Gegevensverstrekking aan de gemeente door personen of instanties met een geheimhoudingsplicht kan alleen na (vrijwillig gegeven) schriftelijke toestemming van de werkzoekende (machtiging). Verder is in de Participatiewet vastgelegd dat bij verstrekkingen door het college, het inlichtingenbureau en de in de wet genoemde instanties, indien daartoe bevoegd, gebruik moeten maken van het Burgerservicenummer.
Geheimhoudingsplicht, wettelijke grondslag of toestemming voor verstrekking
Voor iedereen die bij de uitvoering van de Participatiewet betrokken is, geldt een geheimhoudingsplicht. Wat hem wordt medegedeeld mag hij niet verder bekend maken dan voor de uitvoering van de wet noodzakelijk is, dan wel op grond van de wet is voorgeschreven of toestaan. Verstrekking aan niet bij wet of regeling benoemde instanties is alleen mogelijk met schriftelijke toestemming van de werkzoekende. Wel kunnen desgevraagd gegevens aan derden worden verstrekt voor wetenschappelijke onderzoek of statistiek voor zover de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Indien er een wettelijke grondslag is voor verstrekking aan de gemeente, moet de verstrekker nagaan of degene aan wie hij de gegevens verstrekt redelijkerwijs bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen.
Geen algemene machtiging en geen dwang
Algemeen geformuleerde machtigingen, waarmee de werkzoekende toestemming geeft aan derden om inlichtingen te verschaffen aan de gemeente, zijn niet toegestaan. In een machtiging moet staan bij wie de gegevens worden opgevraagd en om welke gegevens het gaat. De machtiging kan slechts betrekking hebben op een specifiek geval en mag dus niet algemeen worden geformuleerd. Een werkzoekende moet de machtikging vrijwillig tekenen. Een machtiging mag niet gekoppeld zijn aan een formulier dat de werkzoekende verplicht moet invullen. Dit wekt namelijk de indruk dat de werkzoekende ook verplicht is om de machtiging te tekenen.
Er zijn verschillende vormen van bestandsvergelijking: de wettelijk verplichte en de niet wettelijk verplichte (themacontroles). Bij wet is geregeld dat het inlichtingenbureau (IB) de bestanden van een aantal organisaties binnen de keten van werk en inkomen met elkaar vergelijkt. Is ergens sprake van overlap, dan stuurt het IB een samenloopsignaal naar de organisatie die hier belang bij heeft. Deze organisatie zoekt het signaal uit en onderneemt zo nodig actie richting werkzoekende. Bij bestandsvergelijkingen in het kader van themacontroles zijn er twee varianten: de geanonimiseerde bestandsvergelijking en de vergelijking waaruit tot het individu herleidbare gegevens voortkomen.
Geanonimiseerde bestandsvergelijkingen kunnen statistisch materiaal opleveren over bepaalde risicofactoren. Deze gegevens kunnen worden gebruikt voor het opstellen van een risicoprofiel. Over geanonimiseerde bestandsvergelijkingen hoeft de werkzoekende niet te worden geïnformeerd. Voorwaarde is wel dat de gegevens op geen enkele manier te herleiden zijn (of zullen worden) tot individuele personen. De Participatiewet staat het vergelijken van bestanden met de daar genoemde organisaties toe, mits voldaan is aan een aantal criteria. Zo moet de bestandsvergelijking noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de Participatiewet. Verder moet bestandsvergelijking niet een te zwaar middel zijn in verhouding tot het doel dat men wil bereiken (het proportionaliteitsbeginsel). Ook moet het doel niet op een andere wijze, die minder belastend is voor de persoonlijke levenssfeer, kunnen worden bereikt. Dit is het zogenoemde subsidiariteitsbeginsel.
Nadat een tip is binnengekomen, beoordeelt de gemeente of deze mag worden verwerkt. Alleen rechtmatig verkregen tips mogen worden verwerkt. De gemeente heeft de plicht om de werkzoekende op de hoogte te stellen van het feit dat zij informatie over hem heeft verkregen. Op grond van de Wbp is het mogelijk om de informatieplicht op te schorten in het belang van het onderzoek. De werkzoekende moet na afloop van het onderzoek alsnog worden geïnformeerd over de met de tip verkregen gegevens en de wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden. Deze verplichting geldt ongeacht het resultaat van het onderzoek. De werkzoekende wordt dus ook geïnformeerd over een onderzoek dat geen fraude aan het licht heeft gebracht.
d) Boek 1 Burgerlijk Wetboek
Hierin zijn diverse bepalingen opgenomen over het door de rechter opleggen en het door gecertificeerde instellingen uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen. Verschaffen van inlichtingen aan Raad voor de Kinderbescherming. Wie die op grond van de wet, ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht, kan zonder toestemming van degene die het betreft, aan de Raad voor de Kinderbescherming inlichtingen verschaffen, als dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken van de raad.
e) Algemene wet bestuursrecht: ambtgeheim
Hierin is een bepaling opgenomen die geheimhouding oplegt aan iedereen die betrokken is bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan ten aanzien van 'gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden'. Dat geldt ook voor de instellingen en de daarvoor werkzame personen die een bestuursorgaan inschakelt of die een bij of krachtens de wet toegekende taak uitoefenen. Ook andere wetten verwijzen naar dit ambtsgeheim, zoals de Wet bescherming persoonsgegevens en het Wetboek van strafvordering.
f) Wet publieke gezondheid: meldingsplicht infectieziekten, dossierplicht jeugdgezondheidszorg
Hierin is een meldingsplicht geregeld voor bepaalde besmettelijke ziekten (artsen mogen de hierop betrekking hebbende persoonsgegevens zonder toestemming van de betrokkene verstrekken). Het is ook verplicht om voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg een digitaal bestand bij te houden.
g) Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG): titelbescherming, tuchtrechtspraak, medisch beroepsgeheim
Deze wet gaat over de kwaliteit van de beroepsuitoefening, met onder meer bepalingen over titelbescherming en tuchtrechtspraak. Tevens is in deze wet de plicht opgenomen om 'geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim ter kennis van hem is gekomen of wat daarbij ter kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter had moeten begrijpen'.
h) Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp): doelbinding, informatieplicht, privacy rechten
Geeft, ter uitvoering van artikel 10 van de Grondwet, aanvullende regels voor gebruik van persoonsgegevens om het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer te waarborgen. Doelbinding, transparantie (uitgewerkt in informatieplicht en privacy rechten), proportionaliteit en subsidiariteit zijn hierbij kernbegrippen.
i) Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo): geheimhoudingspicht, dossierplicht, positie wilsonbekwamen
Deze wet is van toepassing op handelingen met betrekking tot de geneeskunst. Geeft bepalingen met betrekking tot geheimhoudingsplicht, dossierplicht, positie meerderjarige wilsonbekwame patiënten en minderjarigen. Wat betreft verwerking van persoonsgegevens zijn er kleine verschillen tussen Wgbo en de Wbp, waarbij de Wgbo, als lex specialis, voorgaat voor zover toepassing van beide wetten strijdigheid zou opleveren. DeWgbo geeft de patiënt het recht om een aanvulling in het dossier op te nemen (in Wgb is alleen het recht opgenomen om onjuiste gegevens te corrigeren), kent een ongeclausuleerd vernietigingsrecht (in Wbp is verwijderingsrecht wel aan voorwaarden gebonden) en kent een bewaartermijn van vijftien jaar (Wbp kent geen vaste bewaartermijn, maar zegt wel dat persoonsgegevens niet langer bewaard worden dan noodzakelijk is).
j) Wet politiegegevens: incidentele en structurele verstrekkingen door politie
De Wet politiegegevens kent een gesloten verstrekkingensysteem. Dat wil zeggen dat limitatief is benoemd aan wie de politie in het kader van de taakuitoefening gegevens mag verstrekken (dit is uitgewerkt in het Besluit politiegegevens). Op degenen die deze gegevens vervolgens ontvangen, rust een eveneens in deze wet geregelde geheimhoudingsplicht die een verbijzondering is ten opzichte van de algemene geheimhoudingsplicht in de Awb en de Wbp. Uitzondering op deze geheimhoudingsplicht is er als de wet dat voorschrijft of de gegevens noodzakelijk zijn om een taak uit te voeren. In het kader van de Jeugdwet kan de gemeente bijvoorbeeld gegevens van de politie ontvangen over gedragingen van een jeugdige en deze delen met de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen met het oog op de voorbereiding van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering.
Is de verstrekking niet expliciet benoemd, dan kunnen in bijzondere gevallen - voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang en in overeenstemming met het bevoegd gezag politiegegevens incidenteel worden verstrekt aan personen of instanties voor de volgende doeleinden:
- •
het voorkomen en opsporen van strafbare feiten;
- •
het handhaven van de openbare orde;
- •
het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven;
- •
het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving.
Dat kan ook structureel zijn, indien dit voor een samenwerkingsverband is van de politie met personen en instanties. In dat geval worden extra eisen gesteld aan de vastlegging van de daarop betrekking hebbende beslissing. Bij incidentele verstrekkingen moet men denken aan crisisachtige situaties, bijvoorbeeld bij een KIZ-aanpak (Kleinschalige Incidenten of Zedenzaken). Bij structurele meldingen gaat het altijd om verstrekkingen die via een convenant/reglement zijn vastgelegd. Denk bijvoorbeeld aan de aanpak van veelplegers in het kader van het Veiligheidshuis of aan de aanpak van jeugdoverlast in het kader van een wijkgerichte, sluitende aanpak.
k) Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens: verstrekkingen strafvorderlijke gegevens door het Openbaar Ministerie
Deze wet stelt regels met betrekking tot de verwerking van justitiële gegevens in persoonsdossiers en de verklaring omtrent het gedrag. Regelt onder andere dat het College van procureurs-generaal (namens het Openbaar Ministerie) strafvorderlijke gegevens kan verstrekken aan personen of instanties (met name de burgemeester) voor de volgende doeleinden:
- •
het voorkomen en opsporen van strafbare feiten;
- •
het handhaven van de orde en veiligheid;
- •
het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving;
- •
het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing;
- •
het beoordelen van de noodzaak tot het treffen van een rechtspositionele of tuchtrechtelijke maatregel;
- •
het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn;
- •
het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling door een persoon of instantie die met een publieke taak is belast.
Die verstrekking moet noodzakelijk zijn met het oog op een zwaarwegend belang of de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte. Bovendien moet redelijkerwijs worden voorkomen dat de gegevens herleidbaar zijn tot een ander dan betrokkene. Veel verstrekkingen aan de burgemeester met het oog op orde en veiligheid vallen hieronder, bijvoorbeeld ook in verband met zijn taakuitoefening in het kader van de Wet tijdelijk huisverbod.
l) Wetboek van strafvordering: verschoningsrecht
De wet biedt getuigen in een rechtszaak, die gebonden zijn aan een geheimhoudingsplicht op grond van een ambts- of beroepsgeheim, de mogelijkheid om zich te verschonen, te weigeren een antwoord te geven. Ook kan het zijn dat om die reden de in de wet geregelde aangifteplicht niet geldt. Het is aan de rechter om te bepalen of en in welke mate het verschoningsrecht van toepassing is, wat neerkomt op een belangenafweging.
m) Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: identificatieplicht en uitwisseling gegevens
Deze wet ondersteunt bij het vinden van een adequate oplossing die gericht is op de aflossing van schulden, indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijk persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. De wet regelt ook de nazorg. Voor een goede werking van de wet zal sprake zijn van informatie-uitwisseling. De betrokkene moet zich bij aanmelding in het kader van deze wet legitimeren. Voor een integraal overheidsoptreden ten aanzien van de voorkoming en bestrijding van onrechtmatig gebruik van overheidsgelden en overheidsvoorzieningen op het terrein van de sociale zekerheid en de inkomensafhankelijke regelingen, de voorkoming en bestrijding van belasting- en premiefraude en het niet naleven van de arbeidswetten, wordt samengewerkt door de colleges van burgemeester en wethouders, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank.
n) Wet basisregistratie personen: verstrekkingen aan andere overheidsorganen en derden
Deze wet vormt het algemeen kader voor de uitvoering van de zogenaamde 'basisregistratie personen' door de overheid (BRP was voorheen GBA:gemeentelijke basisadministratie). Geregeld is onder meer in welke gevallen de gemeente gegevens uit deze registratie mag verstrekken aan andere overheidsorganen of derden. In het kader van deze wet kan onder bepaalde voorwaarden toegang worden verleend tot (delen) van de basisregistratie.
0) Wet algemene bepalingen Burgerservicenummer / Wet gebruik Burgerservicenummer in de zorg: gebruik Burgerservicenummer
Deze wetten verplichten de overheid en zorgaanbieders om bij hun taakuitoefening gebruik te maken van Burgerservicenummers. Ook is hierin een legitimatieplicht geregeld. Dat moet zorgen voor minder fouten bij gegevensuitwisseling, voorkomen van persoonsverwisseling, eenvoudiger declareren en betere bescherming tegen identiteitsfraude.