Definitieve versie, vastgesteld in de
raadsvergadering van
4 juni 2015
Horecabeleid
Hellevoetsluis 2015-2020
Onder het begrip horecabedrijf wordt volgens artikel 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening Hellevoetsluis 2014 verstaan:
‘De voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt’.
Voor veel mensen is de horeca een sociale ontmoetingsplaats. Daarnaast vervult de horeca een ondersteunende en soms ook initiërende rol voor activiteiten zoals winkelen en diverse evenementen.
De horeca vormt een belangrijke factor in het economisch en sociaal functioneren van de stad. Anderzijds kan de exploitatie van horecabedrijven leiden tot ongewenste effecten, zoals overlast en aantasting van de openbare orde.
Het doel van deze Nota Horecabeleid Hellevoetsluis is het scheppen van kaders en hiermee een bijdrage te leveren aan het bereiken van een goede balans tussen horeca als belangrijke economische en recreatieve/ontspannende functie en het bewaken van de woon- en leefsituatie en gezondheid. De positieve aspecten van de horeca moeten zoveel mogelijk gestimuleerd worden en de negatieve aspecten moeten zo veel mogelijk voorkomen worden.
Het uiteindelijke doel is een sfeervolle stad te creëren waarbij een aantrekkelijk klimaat voor zowel inwoners, toeristen als horecaondernemers aanwezig is en waar het woon- en leefgenot gewaarborgd is en de belasting/overlast door horecabedrijven voor de omgeving en omwonenden tot een minimum beperkt blijft.
Deze doelstelling kan worden bereikt door het inzetten van de volgende strategische middelen:
- •
Deregulering: minder regels voor horecabedrijven opwerpen door regelgeving specifieker te richten op zaken die daadwerkelijk gereguleerd moeten worden (voorbeeld: regelgeving meer richten op potentieel overlast gevende horecabedrijven). Verder de te doorlopen vergunningenprocedures vereenvoudigen en stroomlijnen (bijvoorbeeld door digitalisering en verdere uitbouw van het 1-loket principe);
- •
Flexibilisering: door het scheppen van meer mogelijkheden voor zowel nieuwe als bestaande horecabedrijven, onder andere door aanpassing van regelgeving en afstappen van al te rigide uitvoeringsregels;
- •
Concretisering van handhaving: door het maken van duidelijke afspraken (voorbeeld: actualisering van het handhavingsarrangement) tussen ondernemers, diensten en gemeente, en door het creëren van eenduidigheid in handhavingsmaatregelen. Preventieve handhaving door duidelijke en open communicatie met horecaondernemers (voorbeeld: het convenant veilig uitgaan).
De nadere uitwerking van deze strategische middelen vormt het horecabeleid gemeente Hellevoetsluis 2015-2020.
Het huidige horecabeleid is vastgesteld in 2009. Met name als gevolg van gewijzigde wet- en regelgeving bestaat er aanleiding om het beleid aan te passen. Het gaat dan ook niet om fundamenteel gewijzigd beleid, maar om een actualisatie.Daarbij is uit het oogpunt van leesbaarheid tevens gekeken op welke plaatsen het beleid kon worden ingekort, dan wel dat delen van het bestaande beleid als bijlage bij het beleid konden worden opgenomen.
Voorafgaand aan de vaststelling van het aangepaste beleid is ervoor gekozen om alle horecaondernemers en enige andere betrokkenen (waaronder politie en Koninklijk Horeca Nederland) via een brief van het wijzigen beleid op de hoogte te stellen en is voor geïnteresseerden een bijeenkomst georganiseerd. Aan de betrokkenen is de mogelijkheid geboden om opmerkingen en suggesties ten aanzien van het geactualiseerde beleid kenbaar te maken.
Het resultaat is dat het beleid weer actueel is en er sprake is van een compacter en beter leesbaar document dan voorheen.
Vaststelling van het beleid
Aangezien de bevoegdheden ten aanzien van het horecabeleid verdeeld zijn over diverse bestuursorganen (burgemeester, college en raad) is er voor gekozen om de notitie eerst aan de burgemeester en het college voor te leggen en vervolgens als kader stellend beleidsstuk te laten vaststellen door de gemeenteraad.
2.Wettelijk instrumentarium en gemeentelijke regelgeving
Op horecabedrijven is een veelheid aan (vaak complexe) wettelijke voorschriften van toepassing. Deze voorschriften worden gesteld in het belang van de openbare orde en veiligheid, de ruimtelijke ordening, het milieu en op grond van overwegingen van sociaal hygiënische en sociaaleconomische aard. Het betreft wettelijke regelingen van zowel het rijk als de gemeente. De uitvoering van deze wettelijke regelingen berust bij verschillende instanties.
Bij gemeentelijke regelgeving die van toepassing is op horecabedrijven gaat het om (niet limitatief) bestemmingsplannen, horecabeleid, de Algemene Plaatselijke Verordening Hellevoetsluis 2014 inclusief uitvoeringsregels, de Bouwverordening, de Brandveiligheidsverordening, de Drank- en Horecawet en het Coffeeshopbeleid.
In de bestemmingsplannen wordt een integrale ruimtelijke afweging gemaakt van alle mogelijke en gewenste functies in een bepaald gebied. Dit houdt in dat het bestemmingsplan te allen tijde bepalend is of een horecabedrijf op een bepaalde locatie wel of niet is toegestaan. Nadere invulling en regulering vindt vervolgens plaats door het bepaalde in de Algemene Plaatselijke Verordening Hellevoetsluis 2014 (verder APV) met de bijbehorende nadere regels en aanwijzingsbesluiten, in combinatie met overige gemeentelijke regelgeving.
Als bijlage 1 bij dit beleid is een nadere (en geactualiseerde) toelichting ten aanzien van de diverse van toepassing zijnde regelgeving opgenomen.
Een veilige samenleving is een zaak van iedereen: publieke en private organisaties en burgers. De gemeente geeft op verschillende manieren vorm aan het lokale veiligheidsbeleid, onder meer door middel van het beleid voor veilig uitgaan in de horeca.
Veiligheid als gedeelde verantwoordelijkheid
Veiligheid is voor horecaondernemers een belangrijk aandachtspunt. Veilig uitgaan blijft één van de speerpunten waarop het horecabeleid stoelt. Dit is van belang voor klanten, bewoners, ondernemers en de ordediensten. Goede afspraken en heldere regelgeving en waar nodig handhaving dragen hier in belangrijke mate toe bij.
Horecaondernemers zijn als eerste verantwoordelijk voor de gang van zaken binnen hun bedrijf en in de directe omgeving daarvan. Van hen mag daarom worden verwacht dat ze afspraken maken over het veiligheidsbeleid in en om hun bedrijven, dat ze toezien op een verantwoorde drankverstrekking, alert zijn op drugs en wapens en zorg dragen voor het schoonhouden van de omgeving.
Waar het gaat om veiligheid, spelen individuele burgers (bezoekers, omwonenden, vrienden, kennissen en opvoeders) een belangrijke rol. Individuele burgers zijn voor de gemeente geen ‘vergeten groep’; in het horecabeleid wil de gemeente de belangen van burgers voortdurend meewegen.
3.2 Convenant Veilig Uitgaan
Met de horecaondernemers uit de Kerkstraat is in 2002 een Horecaconvenant gesloten. In 2009 is het sinds 2002 afgesloten convenant met de horecaondernemers uit de Kerkstraat geactualiseerd in de vorm van een convenant Veilig Uitgaan. Het convenant Veilig Uitgaan zal ook in de komende beleidsperiode opnieuw beoordeeld worden.
Het convenant zal door de betrokken partijen regelmatig worden geëvalueerd en zo nodig worden geactualiseerd. Input en inzet van alle betrokken partijen is cruciaal om het convenant tot een succes te maken. Vanuit het oogpunt van deregulering en flexibilisering wordt er door de gemeente Hellevoetsluis geïnvesteerd in samenwerking in de vorm van dit convenant. Deze (gebiedsgerichte) samenwerking vormt een effectieve aanvulling op de handhavingscapaciteit van de politie.
3.3 Discriminatie en deurbeleid
Een aantal jaren geleden hebben Koninklijk Horeca Nederland, het Bedrijfschap Horeca & Catering en de betrokken werknemersorganisaties de gedragscode anti-rassendiscriminatie ondertekend. De gedragscode houdt in dat een ondernemer bij het toelaten van gasten uitsluitend functionele eisen mag stellen (kleding, gedrag, kredietwaardigheid enzovoort). Ook bepaalt de gedragscode dat de ondernemer zijn medewerkers instructies geeft die discriminatie bij het toelaten van gasten voorkomen.
3.4 (Levende) muziek in horecabedrijven
InleidingWettelijke geluidsnormen voor het ten gehore brengen van levende muziek zijn zo streng dat ze vrijwel altijd zullen worden overtreden. Op rijksniveau is dit onderkend en dit heeft geleid tot aanpassing van de regelgeving. De regeling is neergelegd in het zogenaamde Activiteitenbesluit (officiële naam is Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer), dat per 1 januari 2008 in werking is getreden. Voor de inrichtingen die onder het Besluit vallen geldt geen vergunningsplicht. In plaats daarvan moeten zij voldoen aan de voorschriften die in het Besluit zijn opgenomen.Het Besluit maakt onderscheid tussen collectieve dagen, die gelden voor alle onder het Besluit vallende inrichtingen in een bepaald gebied, en individuele dagen, die alleen gelden voor één bepaalde inrichting.De gemeente heeft hiermee de mogelijkheid om een horecaondernemer in een aantal gevallen ontheffing te verlenen van de gestelde geluidsnormen. Dit betekent niet dat de ondernemer op die dagen vrij spel heeft; overmatige geluidshinder zal altijd moeten worden voorkomen. Het doel van de regeling is de horecabedrijven die onder dit Besluit vallen de mogelijkheid te bieden om op een beperkt aantal dagen binnenshuis activiteiten te organiseren die anders vanwege de strenge geluidsnormen niet mogelijk zouden zijn. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de maatschappelijke functie van de horeca. Een bepaalde mate van geluidsoverlast moet op die momenten dus door de omgeving worden geaccepteerd. Daar staat tegenover dat de situatie zowel voor ondernemers als omwonenden inzichtelijk is. In de APV is in de artikelen 4:1 tot en met 4:6 de regeling voor collectieve- en incidentele festiviteiten uitgewerkt.
Collectieve festiviteitenBurgemeester en Wethouders kunnen dagen aanwijzen per kalenderjaar voor collectieve festiviteiten. Het College moet deze dagen vier weken vóór het begin van een nieuw kalender jaar bekend maken. Dit gebeurt door publicatie op de Gemeentepagina van het huis-aan-huisblad “Groot Hellevoet”. Bij collectieve festiviteiten kan onder meer gedacht worden aan ‘Koningsnacht’, Koningsdag en oudejaarsnacht.
Incidentele festiviteitenHet is de exploitant van de inrichting ook toegestaan om maximaal twaalf keer per kalenderjaar incidentele feesten te houden, mits de houder van de inrichting hiervan ten minste vier weken vóór de aanvang van de festiviteiten het college op de hoogte heeft gebracht via een daarvoor beschikbaar formulier.De voor de collectieve festiviteiten aan te wijzen dagen zullen met de horecabedrijven afgestemd en gecommuniceerd worden. Ditzelfde geldt ten aanzien van incidentele festiviteiten, waarbij in beide gevallen geldt dat de diverse partners (ondernemers, omwonenden, politie, DCMR) minimaal twee weken voorafgaand aan de incidentele festiviteit op de hoogte gebracht dienen te worden. Hierdoor ontstaat draagvlak en betrokkenheid bij alle partijen zodat er minder snel handhavend opgetreden hoeft te worden en overlast beperkt blijft. Met andere woorden: meer preventieve handhaving en concretisering van handhaving.
3.5 Geldigheidsduur exploitatievergunningen
Na het besluit tot de invoering van het exploitatievergunningstelsel in 2006 is er veel veranderd. Er zijn momenteel ongeveer 100 horecabedrijven die over een exploitatievergunning beschikken. Bij de invoering eind 2006 is gekozen om aan een exploitatievergunning een geldigheidsduur te verbinden van 3 jaar. In 2010 heeft een actualiseringsronde van exploitatievergunningen plaatsgevonden en is besloten om exploitatievergunningen in beginsel voor onbepaalde tijd te verlenen. De reden hiervoor is dat hierdoor een administratieve lastenverlichting voor de ondernemers wordt gerealiseerd en heeft verder te maken met de Europese dienstenrichtlijn, die bepaalt dat vergunningen in beginsel voor onbepaalde tijd moeten worden verleend.
Het bovenstaande geldt niet voor exploitatievergunningen voor coffeeshops. Hiervoor gelden aparte beleidsregels die zijn opgenomen in het coffeeshopbeleid ‘Lokaal Drugsbeleid Hellevoetsluis’.
Het afgeven van exploitatievergunningen voor onbepaalde tijd betekent niet dat er geen of minder toezicht is op de exploitatie van horeca-inrichtingen. Bij ongeregeldheden kan bestuurlijk en/of strafrechtelijk opgetreden worden en indien noodzakelijk kan een exploitatievergunning al dan niet tijdelijk worden ingetrokken. Door de vermindering van de administratieve lasten kan de beschikbare capaciteit zich volledig richten op de overlast gevende inrichtingen.
In het kader van deregulering en flexibilisering wordt bij wijziging van leidinggevenden geen nieuwe aanvraag exploitatievergunning verlangd. Alleen bij wijzigingen van rechtsvorm of het optreden van een nieuwe exploitant hoeft het gehele traject van vergunningverlening nog te worden doorlopen. Dit betekent dat wijzigingen van de vorm van exploiteren, oppervlakten van het pand of een toevoeging van een terras met een wijzigingsformulier kunnen worden doorgegeven.
Verenigingen en stichtingen werden geacht tot op heden de bestuurswisselingen door te geven. Uit de praktijk is gebleken dat het vaak voor komt dat een bestuur van een vereniging of stichting wordt gewijzigd. Dit betekende dat de exploitatievergunning meermaals gewijzigd diende te worden. In het kader van deregulering en flexibilisering wordt daarom deze verplichting geschrapt voor verenigingen en stichtingen.
In de praktijk is namelijk gebleken dat een aanvraag voor een nieuwe exploitatievergunning enige tijd in beslag neemt en dit voor een ondergeschikte aanpassing disproportioneel is. Bovendien motiveert het moeten indienen van een nieuwe aanvraag met vele bijlagen de exploitanten niet om nieuwe leidinggevenden aan de gemeente door te geven. Voor het kunnen beoordelen van eventuele veiligheidsrisico’s voor de politie en de gemeente is het echter van groot belang om te weten wie als leidinggevenden in een bepaalde inrichting optreden. Dit probleem wordt ondervangen door middel van het meldingsregime voor leidinggevenden dat is opgenomen in de Drank- en Horecawet. Meer hierover in paragraaf 3.13 en verder.
3.6 Variabele sluitingstijden
Het aanbrengen van variabiliteit in de sluitingstijden van de horeca geeft een betere spreiding in het vertrek van het uitgaanspubliek beoogd en daarmee terugdringing van uitgaansgerelateerde overlast. De horecaondernemers in de Vesting kunnen onder bepaalde voorwaarden deelnemen aan het horecaconvenant. In het huidige horecaconvenant zijn verruimde sluitingstijden opgenomen. Onder bepaalde voorwaarden is het de deelnemende horecaondernemers toegestaan in de nacht van vrijdag op zaterdag en zaterdag op zondag bezoekers tot 02:00 uur toe te laten in de inrichting en tot uiterlijk 05:00 uur te laten vertrekken vanuit de inrichting.
Met het actualiseren van het horecabeleid wil de gemeente ook ruimte bieden aan eetgelegenheden in het uitgaansgebied die in het bezit zijn van een rechtsgeldige exploitatievergunning om deel te nemen aan “Convenant Veilig Uitgaan”. Deze horecabedrijven worden daarmee ook in de gelegenheid gesteld om langer geopend te kunnen zijn.
Alcoholverstrekking vanuit eetgelegenhedenVoor eetgelegenheden zoals een snackbar of een cafetaria zonder Drank- en Horecavergunning is het toegestaan om alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse. De Drank- en Horecawet staat het toe in deze horeca-gelegenheden om zwak-alcoholhoudende drank te verkopen en stelt hier geen eindtijd aan. Vanuit verschillende oogpunten is het wel wenselijk om een eindtijd in te stellen voor de verkoop van alcohol vanuit deze categorie horecabedrijven. Hiervoor wordt als eindtijdstip 22.00 uur vastgesteld. Na 22.00 uur mag er geen alcoholhoudende drank meer worden verkocht. Dit tijdstip sluit ook aan op hetgeen bepaald is in de Winkeltijdenwet, omdat de verstrekking voor gebruik elders dan ter plaatse kan worden gezien als een detailhandelsactiviteit.
Sluitingstijden buiten het uitgaansgebied
De differentiatie in sluitingstijden is niet van toepassing voor horecabedrijven gevestigd buiten de Vesting. Er is een duidelijke keuze gemaakt om de woon- en leefsituatie in woonwijken te beschermen en het niet wenselijk is dat bezoekers van horecabedrijven na 01.00 uur doordeweeks en om 02.00 uur op vrijdag en zaterdag in de woonwijken rondlopen. Tevens is de noodzaak van een geleidelijke uitloop ook niet aanwezig. De horecabedrijven zijn meer verspreid over een wijk waardoor geen sprake is van grote groepen mensen die tegelijkertijd huiswaarts keren.
3.7 Ontheffing sluitingstijd
Het komt regelmatig voor dat ondernemers een verzoek indienen om hun horeca-inrichting langer geopend te mogen hebben dan dat op grond van de algemene bepalingen uit de APV is toegestaan. Op grond van artikel 2:30 van de APV kan de burgemeester een later sluitingstijdstip voor een specifieke horeca-inrichting toestaan.
Ten aanzien van de afhandeling van verzoeken om ontheffing van de sluitingstijd gelden de volgende beleidsregels:
- 1.
Er worden maximaal 12 ontheffingen van het sluitingsuur per horeca-inrichting per jaar toegestaan. Dit aantal komt overeen met het aantal dagen dat horeca-inrichtingen voor incidentele activiteiten niet hoeven te voldoen aan de geluideisen uit het Activiteitenbesluit.
- 2.
Per ontheffing geldt een verlenging van de openingstijd van de onderneming van maximaal 2 uur.
- 3.
Op zaterdagen en zondagen wordt ingestemd met een verlenging van de openingstijd van maximaal 1 uur, omdat de sluitingstijd al verruimd is naar 02.00 uur.
- 1.
Een verzoek om ontheffing sluitingstijd dient uiterlijk vier weken voor de gelegenheid schriftelijk te worden aangevraagd bij de burgemeester.
- 2.
Op het moment van indienen van de aanvraag zijn leges verschuldigd.
- 3.
Het verzoek wordt om advies voorgelegd aan politie Rotterdam Rijnmond. Het advies, alsmede bij de gemeente bekende gegevens (klachten, incidenten, woon/leefsituatie) worden afgewogen in de beoordeling om een ontheffingsverzoek.
- 3.
8 Alcoholverstrekking paracommerciële instellingen
Op grond van de Drank- en Horecawet is de gemeente verplicht regels te stellen waaraan paracommerciële instellingen zich te houden hebben bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Deze regels zijn opgenomen in afdeling 8A van de Algemene Plaatselijke Verordening Hellevoetsluis 2014 en wordt als voorschrift opgenomen in de Drank- en Horecavergunning van paracommerciële instellingen.
Gelet op de plaatselijke en regionale omstandigheden zijn de volgende beperkende voorschriften vastgesteld:
Paracommerciële rechtspersonen die richt richten op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank op de volgende tijdstippen:
- a.
maandag tot en met vrijdag na 12:00 uur en tot 01:00 uur;
- b.
zaterdag na 12;00 uur en tot 01:00 uur; en
- c.
zondag na 12:00 uur en tot 01:00 uur.
Naast de schenktijden geldt dat een para commercieel rechtspersoon geen alcoholhoudende drank verstrekt tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
Binnen de gemeente Hellevoetsluis ontbrak voorheen een beleidskader met betrekking tot terrassen. Voor de invoering van de exploitatievergunningen werd voor (vrijwel) elk afzonderlijk terras binnen Hellevoetsluis een aparte terrasvergunning verleend. Aan deze vergunning, die op jaarbasis werd verleend, werden diverse voorwaarden verbonden. De voorwaarden verschilden per vergunning, onder andere omdat rekening werd gehouden met de situering van het terras. Sinds de invoering van de exploitatievergunning eind 2007 zijn de terrassen hierin opgenomen. De exploitatievergunning bevat gegevens over de afmetingen van het terras, de sluitingstijden en een aantal algemene voorschriften.
Hieronder zijn de regels voor de vergunningverlening voor terrassen nader uiteengezet.
Algemene Plaatselijke Verordening Hellevoetsluis De grondslag voor het verstrekken van een vergunning voor een terras op de openbare weg is gelegen in artikel 2:28 lid 6 van de APV. Dit artikel bepaalt het volgende:
‘In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras’.De vergunning kan onder meer worden geweigerd:
- •
indien de woon- en leefsituatie in de omgeving van het terras of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het terras, en voorts:
- •
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
- •
indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
- •
indien het te creëren terras in strijd is met het geldende bestemmingsplan.
Het wel of niet toestaan van een terras is dus afhankelijk van de ruimte, het gebruik of de functie van een gebied. Hierbij worden de navolgende concrete uitgangpunten gehanteerd:
- •
Er moet een goede doorstroming van algemeen verkeer (voetgangers, rolstoelgebruikers, voetgangers met kinderwagens en overige daarmee gelijk te stellen gebruikers), verzorgenden bevoorradend verkeer en calamiteitenverkeer mogelijk zijn en blijven;
- •
Er mag geen overlast ontstaan door:
- -
onevenredige geluidhinder voor bewoners in de omgeving;
- -
belemmering van winkelend publiek en overige gebruikers van de weg;
- -
belemmering van de toegang tot woningen en andere gebouwen;
- -
belemmering van de toegang tot etalages van winkels;
- -
belemmering van de (nood)uitgangen van de horecavestiging waartoe het terras behoort.
- •
In het kader van voorkoming en bestrijding van de verstoring van de openbare orde wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds horecabedrijven gelegen in en nabij de Kerkstraat, waarbij sprake is van een concentratie van horecabedrijven, en anderzijds horecagelegenheden in straten met in hoofdzaak een woonfunctie.
In de Drank- en Horecawet (DHW) is expliciet bepaald dat een terras een onderdeel is van het horecabedrijf. Het is om deze reden dat het terras moet worden vermeld op de Drank- en Horecavergunning (artikel 29, lid 1 DHW).
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:
- •
inpandige terrassen (binnen terrassen);
- •
terrassen in de open lucht;
- •
terrassen op particuliere grond;
- •
terrassen aan de openbare weg.
Voor alle terrassen waar alcoholhoudende drank wordt verstrekt is een Drank- en Horecavergunning vereist. Voor het terras gelden op grond van de Drank- en Horecawet de volgende eisen:
- •
Een terras krijgt slechts een vergunning indien het in de onmiddellijke nabijheid ligt van een horecalokaliteit. Het terras moet bedienbaar zijn.
- •
Voor buitenterrassen (op particuliere grond) en overdekte terrassen in winkelcentra geldt dat een vergunning slechts kan worden verleend, indien deze in de onmiddellijke nabijheid van een horecagelegenheid zijn gelegen.
- •
Voor terrassen op de openbare weg geldt dat alleen vergunning verstrekt mag worden waar dit door burgemeester nadrukkelijk is toegestaan (artikel 11 DHW).
ActiviteitenbesluitHet van kracht zijnde Activiteitenbesluit bevat géén specifieke bepalingen met betrekking tot terrassen. Dit heeft tot gevolg dat de algemene voorschriften betreffende geluidhinder en indirecte hinder ook van toepassing zijn op de terrassen. Zo zal binnen de geluidsgrenzen niet snel levende muziek op een terras mogelijk zijn.Het stemgeluid van de terrasbezoekers wordt buiten beschouwing gelaten voor zover het terras aan de straatzijde en niet op een binnenplaats is gesitueerd. Ook moet de ondernemer zodanige maatregelen treffen dat hinder, veroorzaakt door komende of vertrekkende bezoekers, wordt voorkomen dan wel zoveel mogelijk wordt beperkt.
Sluitingstijden terrassenDe sluitingstijden van terrassen zijn locatie- en seizoensgebonden. De sluitingstijden van de terrassen van de deelnemers aan het horecaconvenant zijn in de zomerperiode (1 april tot en met 31 oktober) het weekeinde gesteld op 01.00 uur, met uitzondering van de terrassen gelegen aan het zogenaamde ‘Baantje’ aan de Oostzanddijk. Voor deze terrassen geldt namelijk in het weekeinde een sluitingstijd van 02.00 uur. In de winterperiode (1 november tot 1 april) dient het terras gesloten te zijn om 22.00 uur.
Alle overige horecabedrijven in Hellevoetsluis is het toegestaan om in de zomerperiode tot 23.00 uur en in de winterperiode tot 22.00 uur een terras, conform vergunningvoorschriften te exploiteren, rekening houdend met de woonomgeving. Op reguliere weekdagen en op zondag geldt voor de terrassen van de deelnemers aan het horecaconvenant de gebruikelijke sluitingstijd van 23.00 uur.Er wordt vanuit gegaan dat deze sluitingstijden slechts van toepassing kunnen worden verklaard op bedrijven waar geen (terugkerende) klachten van overlast zijn geregistreerd.
Een ontheffing van de sluitingstijd is niet van toepassing op de openingstijden van het terras. Tijdens evenementen kunnen andere tijden gelden.
Afschotten terrassenIn voorkomende gevallen kan, met het oog op voornoemde uitgangspunten, worden bepaald dat de terrassen moeten worden afgeschot.
3.10 Ontheffingen ex artikel 35 Drank- en Horecawet
Op grond van het bepaalde in artikel 35 van de Drank- en Horecawet kan de burgemeester voor bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard ontheffing verlenen van het verbod om buiten een inrichting zwakalcoholhoudende drank te verstrekken. Behalve de wettelijke eisen wordt per aanvraag bekeken of het wenselijk is om een ontheffing van de Drank- en Horecawet te verlenen.
Als bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard wordt verstaan een regionale of plaatselijk gewichtige (bijzondere) gebeurtenis van zeer tijdelijke aard (voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen) die bestemd is voor de inwoners van de gemeente in het bijzonder. Als voorbeelden van een bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard worden (conform het bepaalde in de toelichting van de Drank- en Horecawet) aangemerkt: kermissen, braderieën, muziek- en sportfeesten, jaarmarkten en andere manifestaties die éénmalig, dan wel in de regel niet meer dan tweemaal per jaar plaatsvinden.
Aangezien het in het kader van het alcoholmatigingsbeleid in sommige gevallen onwenselijk is om alcoholhoudende dranken te laten verstrekken, zijn aanvullend de navolgende weigeringsgronden vastgesteld.
Een aanvraag voor een ontheffing ex artikel 35 Drank- en Horecawet zal worden geweigerd:
- 1.
Indien het evenement/de gelegenheid met name is gericht op jongeren onder de 18 jaar;
- 2.
Indien het evenement/de gelegenheid plaatsvindt in het kader van de uitvoering van een gemeentelijk project ter bevordering van de sociale cohesie in een wijk;
- 3.
Indien de politie en/of gemeente van mening is/zijn dat het schenken van alcoholhoudende dranken de openbare orde en veiligheid dermate negatief zal beïnvloeden dat dit niet wenselijk is.
Daarnaast kan aan een ontheffing ex artikel 35 van de Drank- en Horecawet de aanvullende eis gesteld dat het terrein waarbinnen de geschonken alcohol genuttigd mag worden afgeschermd dient te zijn. Dit is van belang om buiten het afgeschermde gebied effectief het verbod van alcoholgebruik op de openbare weg te kunnen handhaven.
Een verzoek om ontheffing ex artikel 35 van de Drank en Horecawet dient uiterlijk zes weken voor de gelegenheid te worden aangevraagd bij de burgemeester.
Het verzoek dient schriftelijk te worden ingediend op het hiervoor bij de Regeling aanvraaggegevens vastgestelde formulier C, vergezeld van een verklaring sociale hygiëne van de leidinggevende(n) en kopie van (een) identiteitsbewijs(zen).
Bij het onvolledig indienen van de aanvraag zal de aanvrager eenmalig in de gelegenheid worden gesteld zijn aanvraag binnen één week aan te vullen. Indien binnen deze termijn de ontbrekende stukken niet zijn aangevuld zal de aanvraag, behoudens bijzondere omstandigheden, buiten behandeling worden gesteld.
Bij een complete aanvraag wordt het verzoek om advies voorgelegd aan politie. Het advies, alsmede bij de gemeente bekende gegevens (klachten, incidenten, woon/leefsituatie) worden afgewogen in de beoordeling om een ontheffingsverzoek.
De Drank- en Horecawet bevat geen wettelijke beslistermijn voor de aanvraag van een ontheffing ex artikel 35 van de wet. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht geldt dan dat binnen een redelijke termijn beslist moet worden op de aanvraag. Een redelijke termijn is in ieder geval verstreken binnen acht weken na de aanvraag (artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht).
Het plaatsen van buitentaps/buitenbars/geveltabs is beginsel niet toegestaan. Door taps en bars op de terrassen te verbieden wordt het toezicht op de consumptie van alcoholhoudende dranken vergroot. Met het oog op de openbare orde en veiligheid is het niet toegestaan:
- a.
buitentaps of -bars op winterterrassen te plaatsen;
- b.
buitentaps of -bars op zomerterrassen te plaatsen behoudens tijdens evenementen of bijzondere gelegenheden waarbij de betreffende terrassen expliciet deel uitmaken van het evenemententerrein. Horecagelegenheden kunnen tijdens evenementen of bijzondere gelegenheden die plaatsvinden in de directe omgeving van de horeca-inrichting een aanvraag doen om een buitentap te plaatsen in de directe nabijheid van de horecagelegenheid.
Deze aanvraag dient schriftelijk te worden gedaan, vergezeld van een situatieschets en een aanvraag om ontheffing ex artikel 35 Drank- en Horecawet.
Iedere horeca-inrichting bij een evenement/bijzondere gelegenheid toestemming kan krijgen voor het plaatsen van één buitentap. Een uitzondering hierop is dat tijdens evenementen van categorie C in de Vesting er geen buitentaps geplaatst mogen worden op het Baantje in het kader van de openbare orde en veiligheid. Er mogen nooit buitentaps worden geplaatst in het deel van de Kerkstraat dat aan beide zijden bebouwd is.
Buitentaps binnen de Vesting dienen uiterlijk om 01.00 uur van de openbare weg verwijderd te zijn en buiten de Vesting om uiterlijk 23.00 uur.
3.12 Aanvang- eindtijd muziek/geluid buiten een inrichting
De aanvangstijd van muziek in de buitenruimte is gesteld op 10.00 uur en de eindtijd van muziek in de buitenruimte is gesteld op 23.00 uur. Een uitzondering hierop vormt De Vesting, waar bij evenementen tot 00.30 uur muziek in de buitenruimte ten gehore mag worden gebracht. Tijdens Koningsnacht mag er tot 02.00 uur ten gehore gebracht worden. Tijdens Vestingdagen mag er op het Zuidfront tot 02.00 uur muziek ten gehore gebracht worden. In gevallen waarin de Zondagswet van toepassing is prevaleert deze wet.
Op activiteiten die buiten de inrichting plaatsvinden is het Activiteitenbesluit niet van toepassing. De ondernemer moet dan voldoen aan voorwaarden en voorschriften uit de (evenementen)vergunning.
Als de geluidsinstallatie aan staat, moeten alle ramen en deuren gesloten zijn. Het toegestane geluidsniveau in het bedrijf is hierop afgestemd. Het doorlaten van personen en goederen door de toegangsdeur blijft mogelijk. De (zelfsluitende) deur(en) mag/mogen niet permanent openstaan door deze bijvoorbeeld te blokkeren. Als dan verder aan alle voorschriften wordt voldaan zal buiten de horeca-inrichting geen muziekgeluid hoorbaar mogen zijn. Is dit wel het geval dan zal gecontroleerd worden wat daarvan de oorzaak is en wordt bij overtreding van een milieuvoorschrift een proces-verbaal opgemaakt.
Als puien en/of deuren toch geopend zijn, mag geen geluidsoverlast worden veroorzaakt. Dit houdt in dat op tien meter van het bedrijf het muziekgeluid niet meer als zodanig hoorbaar en herkenbaar mag zijn. Het moet opgaan in het ter plekke aanwezige achtergrondgeluid. In straten die minder dan tien meter breed zijn, zal in dat geval het ijkpunt dienen de tegenovergestelde gevel. Hier dient het muziekgeluid op te gaan in het aanwezige achtergrondgeluid. Elke horeca-exploitant kan dus zelf controleren of dit zo is. Dit kan inhouden dat de volumeknop van de geluidsinstallatie teruggedraaid moet worden. Hierop wordt gecontroleerd. Als geconstateerd wordt dat hieraan niet voldaan (door middel van een geluidsmeting of op het gehoor), volgt eerst een mondelinge waarschuwing. Bij elke volgende constatering wordt proces-verbaal opgemaakt dan wel op andere wijze handhavend opgetreden.
Tropische buitentemperaturen
Enkele malen per jaar kan de buitentemperatuur tot tropische waarden oplopen waardoor het binnen het horecabedrijf erg warm kan worden. Hiervan is sprake bij een buitentemperatuur vanaf 28 graden Celsius, gemeten bij het meteostation van het KNMI in Rotterdam. In dat geval is het toegestaan om de ramen en deuren geopend te houden. Het geluidsniveau dient niet te worden teruggedraaid tot achtergrondniveau. De eindtijd van het produceren van geluid is gesteld op de sluitingstijden zoals bepaald in de APV Hellevoetsluis. Vanaf dit tijdstip mag geen muziek meer ten gehore worden gebracht. Als geconstateerd wordt dat hieraan niet is voldaan, volgt eerst een mondelinge waarschuwing. Bij elke volgende constatering wordt een proces-verbaal of zal op ander wijze handhavend worden opgetreden. De verruimde sluitingstijden zoals vastgelegd in het horeca convenant zijn op deze regeling niet van toepassing. Voor horecaondernemers die gebruik maken van het horeca convenant geldt dat zij vanaf uiterlijk 02:00 uur de ramen en deuren moeten sluiten. Hierop zal worden gecontroleerd.
3.14 Procedure vergunningaanvragen exploitatievergunning en Drank- en Horecavergunning
Ten aanzien van aanvragen voor exploitatie- en Drank- en Horecavergunningen geldt de hieronder opgenomen procedure:
De benodigde aanvraag- en meldingsformulieren worden door de horecaondernemer volledig ingevuld en voorzien van de benodigde bijlagen.
Indien de huidige exploitant een aanvraag indient voor een wijziging van de rechtsvorm worden alleen die bescheiden gevraagd die van toepassing zijn (bijvoorbeeld een wijziging van eenmanszaak naar vennootschap onder firma). Ook bij een wijziging/opgave nieuwe leidinggevende worden alleen die bescheiden opgevraagd die van toepassing zijn. De nieuwe exploitant wordt door een medewerker van de afdeling Bestuurs -en managementondersteuning, team Horeca en evenementen op voorhand geïnformeerd of de exploitatiewijze aan de gestelde eisen in de APV kan voldoen, bijvoorbeeld voor wat betreft de gevraagde openingstijden.
Voor het indienen van een aanvraag voor een exploitatievergunning en/of Drank- en Horecavergunning moet een afspraak gemaakt worden met een medewerker van Bestuurs -en Managementondersteuning, team Horeca en evenementen. De medewerker neemt de formulieren en bijlagen door met aanvrager. Indien dit naar het oordeel van de medewerker wenselijk is zal een eventueel vervolggesprek gepland worden waarbij een medewerker van de Politie Rotterdam Rijnmond aanwezig zal zijn. Deze werkwijze heeft voor de aanvrager als voordeel dat deze nog vragen kan stellen die voor hem/haar onduidelijk zijn en dat het ingevulde formulier en de benodigde bijlagen gezamenlijk wordt doorgelopen op juistheid en volledigheid. Deze werkwijze geeft de gemeente tevens de kans de ondernemer te leren kennen en indien het noodzakelijk is verdergaande vragen te stellen of informatie te verstrekken. Met name met het oog op het onderzoek naar (schijn)constructies en het BIBOB-onderzoek zijn een gesprek en eventueel benodigde vervolggesprekken onmisbaar
Indien de aanvraag compleet is wordt deze direct in behandeling genomen. Is de aanvraag niet compleet dan wordt de aanvrager eenmaal in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen. Indien deze niet binnen de gestelde termijn is aangevuld zal de aanvraag buiten behandeling worden gesteld.
BeslistermijnIn artikel 1:2 lid 1 van de APV is bepaald dat het bevoegde bestuursorgaan binnen 8 weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is, beslist op de aanvraag voor een vergunning. De beslissing kan op basis van het bepaalde in artikel 1:2 lid 2 APV eenmaal voor ten hoogste acht weken worden verlengd. Voor de Drank- en Horecawet gelden dezelfde termijnen, maar is de grondslag de Algemene wet bestuursrecht.
Opschorten van de termijn
in het geval van een Bibob-adviesWanneer het bestuursorgaan besluit een advies aan te vragen bij Bureau BIBOB, dan wordt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan over de aanvraag moet beslissen, opgeschort voor de duur van het onderzoek met een termijn van ten hoogste vier weken. Wanneer bij het bestuursorgaan nog nadere gegevens worden verzocht door het Bureau, kan deze termijn nog verder worden opgeschort (artikel 15 lid 2, Wet BIBOB) tot het moment dat de gegevens bij het Bureau binnen zijn. Ook kan het Bureau bij de afdeling Bestuurs- en Management ondersteuning een verlenging vragen van het onderzoek van eenmaal vier weken (artikel 15 lid 3, Wet BIBOB).De laatste jaren is de procedure rondom de vergunningverlening sterk verbeterd. Onder meer doordat vergunningverlening bij één team is geconcentreerd en er een database is opgebouwd. De invoering van de één loketfunctie zal daaraan ook een belangrijke bijdrage kunnen gaan leveren. Natuurlijk is het streven van de gemeente om de aanvraag binnen een kortere tijd te behandelen. Het tijdig aanleveren van de gevraagde gegevens bespoedigt de doorlooptijd van een aanvraag.
Procedure afhandeling complete aanvragen vergunningZodra een aanvraag compleet is ingediend kan de aanvraag om vergunning om advies voorgelegd worden aan de Politie Rotterdam Rijnmond en aan de afdeling Beheer, Vergunningen & Handhaving (hierna: BVH).Bij aanvragen in het kader van de Drank- en Horecawet adviseert de politie ten aanzien van het Besluit eisen zedelijk gedrag (levensgedrag) en de wet BIBOB. Hiernaast worden ook Justitie gegevens opgevraagd ten aanzien van ondernemer(s) en leidinggevende(n). Bij exploitatievergunning adviseert de politie ten aanzien van openbare orde en woon- en leefmilieu en BIBOB. Voor alcoholvrije horecabedrijven geldt dat de burgemeester een verklaring omtrent het gedrag kan vragen als onderdeel van de aanvraag om een exploitatievergunning. Voor “natte” horeca is dit niet vereist, omdat hier de toets wordt uitgevoerd als onderdeel van de aanvraag om een Drank- en Horecawet vergunning.De afdeling BVH adviseert bij aanvragen in het kader van de Drank- en Horecawet ten aanzien van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet (inrichtingseisen) en bij exploitatievergunningen ten aanzien van oppervlakten van de diverse onderdelen van de inrichting. Tevens wordt aan de afdeling BHV gevraagd de bestemming te controleren om zo aan te kunnen geven of de beoogde horeca op de gevraagde locatie op basis van het bestemmingsplan is toegestaan.Indien een aanvraag voor een exploitatievergunning vergezeld gaat van een aanvraag voor een terras in de openbare ruimte wordt tevens advies ingewonnen bij de afdeling BVH.De adviserende instanties brengen binnen drie weken na ontvangst van de adviesaanvraag aan de afdeling Bestuurs- en managementondersteuning hun advies uit. Indien het advies negatief is dient dit gemotiveerd te worden. Wordt binnen de genoemde termijn geen advies uitgebracht, dan wordt ervan uitgegaan dat gevraagde adviseur geen behoefte heeft aan het uitbrengen van een advies en instemt met het verlenen van de vergunning.
Indien de gemeente het voornemen heeft aan aanvraag (gedeeltelijk) af te wijzen zal dit voornemen aan de aanvrager kenbaar worden gemaakt en zal de aanvrager in de gelegenheid worden gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Een en ander conform het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht.
Verleende exploitatie- en Drank- en Horecavergunningen worden gepubliceerd op de gemeentelijke infopagina van Groot Hellevoet. Tot zes weken na verlening van de vergunning kunnen belanghebbenden bezwaar maken.
Tot heden bestond er geen beleid omtrent hoe wordt omgegaan met het aanvangen van de exploitatie bij het starten van een horecabedrijf, overname of voortzetten van een horecabedrijf. Bij vaststelling van een overtreding ten aanzien van de exploitatievergunningplicht werd tot op heden niet consequent conform het Handhavingsprotocol Horeca District De Eilanden (hierna: handhavingsarrangement) gewerkt. Formeel geldt op grond van het handhavingsarrangement dat bij constatering van het exploiteren zonder benodigde exploitatie- en/of Drank- en Horecavergunning binnen 5 werkdagen er een (nieuwe) aanvraag ingediend moet worden en de exploitatie direct beëindigd moet worden. Thans wordt de voorlopige vergunning geïntroduceerd.
Voor het exploiteren van een horecagelegenheid is altijd een geldige exploitatievergunning vereist. De termijn voor het verlenen van de exploitatievergunning bedraagt maximaal acht weken (plus 8 weken verlenging). Gedurende deze periode mag de ondernemer zijn zaak nog niet exploiteren. Het is dus van belang dat een ondernemer tijdig een vergunning aanvraagt om zo op het door hem gewenste moment de zaak te kunnen openen. Omdat de wachttijd van acht weken in twee specifieke gevallen disproportioneel kan uitwerken voor ondernemers, wordt thans de voorlopige vergunning geïntroduceerd.
Een voorlopige vergunning is een bijzondere exploitatievergunning die het mogelijk maakt om in afwachting van de reguliere exploitatievergunning bij een overname van een bestaande inrichting of bij het niet tijdig verlengen van de oude vergunning, alvast te kunnen exploiteren. Omdat het verlenen van een voorlopige vergunning meer uitzondering dan regel dient te zijn, is de voorlopige vergunning gebonden aan specifieke voorschriften en is door de gemeente specifiek beleid geformuleerd waaronder een voorlopige vergunning kan worden verleend.
Slechts in twee situaties komt een exploitant in aanmerking voor een voorlopige vergunning:
- 1.
een overname van een bestaande inrichting;
- 2.
het niet tijdig verlengen van de bestaande vergunning.
Bij de overname van bestaande horecagelegenheden kunnen door de wachttijd van acht weken problemen ontstaan. Indien de overname vrij plotseling plaatsvindt, heeft de nieuwe exploitant vaak geen gelegenheid om de vergunning tijdig aan te vragen. Hij moet in dat geval wachten met het openen van de zaak. Hierdoor gaat de loop uit de zaak, terwijl de nieuwe exploitant doorgaans een bedrag voor goodwill heeft betaald. Dit zou een aanzienlijke en disproportionele schadepost tot gevolg kunnen hebben.
Wanneer een vergunning afloopt worden exploitanten door de gemeente tijdig gewezen op het feit dat hun vergunning verloopt. Desondanks zijn er exploitanten die hun exploitatievergunning niet op tijd verlengen. Dat betekent dat de zaak in feite tot het verlenen van de nieuwe vergunning gesloten moet zijn. Een dergelijke tijdelijke sluiting heeft voor de exploitant disproportionele economische gevolgen.
De aanvraag voor een voorlopige vergunning dient gelijktijdig met de aanvraag voor een reguliere exploitatievergunning te worden ingediend. Het verlenen van een voorlopige vergunning biedt de exploitant op geen enkele wijze rechten op de definitieve exploitatievergunning. De voorlopige vergunning heeft een afhandelingstermijn van vijf dagen. Gedurende die vijf dagen wordt een ‘Quick scan’ uitgevoerd naar de
wijze waarop de inrichting tot nu toe heeft gefunctioneerd (de omgeving gerelateerde aspecten) en naar de nieuwe exploitanten die voor de inrichting verantwoordelijk zijn (de persoon gerelateerde aspecten).
Geen voorlopige vergunning bij overlast of antecedenten:
Inrichtingen met een problematisch karakter of problematische achtergrond komen niet in aanmerking voor een voorlopige vergunning. Hetzelfde geldt voor de aanvrager van de voorlopige vergunning. De regels voor reguliere exploitatievergunningen gelden ook voor de voorlopige vergunning. Dit betekent onder andere dat de intrekkings- en weigeringsgronden uit de APV van toepassing zijn op de voorlopige vergunning. Op basis van deze regels is het volgende beleid geformuleerd:
- 1.
De voorlopige vergunning kan worden geweigerd als over de huidige exploitatie van de inrichting in de afgelopen twee jaar overlastklachten zijn ontvangen bij de gemeente of politie.
- 2.
De voorlopige vergunning wordt niet verleend als er jegens de aanvrager van de voorlopige vergunning of de inrichting zelf een bestuurlijke maatregel van kracht is dan wel dat een voornemen tot het nemen van een bestuurlijke maatregel bestaat.
- 3.
De voorlopige vergunning wordt niet verleend indien over de bestaande exploitatie bestuurlijke procedures lopen.
- 4.
Coffeeshops, seksinrichtingen of escortbedrijven komen niet in aanmerking voor een voorlopige vergunning.
- 5.
In principe geldt vanwege de snelle afhandelingstermijn van de voorlopige vergunning dat de aanvraag voor een voorlopige vergunning niet kan worden aangepast. Indien blijkt dat de exploitant niet voldoet aan de eisen zoals neergelegd in de APV, dan wordt de voorlopige vergunning terstond geweigerd.
Exploitatievorm en –tijden:
De voorlopige vergunning kent per definitie dezelfde exploitatievorm en exploitatietijden als de daaraan voorafgaande exploitatievergunning, mits dit in overeenstemming is met het geldende beleid van de gemeente. Indien bijvoorbeeld het geldende beleid erop gericht is de grootte van de terrassen terug te dringen, dan dient dit beleid ook al bij het verlenen van de voorlopige vergunning in acht te worden genomen. De grootte van het terras dient in dat geval te worden aangepast. Een zelfde redenering kan worden toegepast voor de exploitatietijden. De eventuele nieuwe exploitatievorm en -tijden mogen pas worden gevoerd als de reguliere vergunning is verleend.
Voorlopige vergunning en alcohol schenken:
Horecagelegenheden met een voorlopige vergunning mogen alleen alcohol schenken als de voorlopige vergunning vermeldt dat de toekomstige exploitant beschikt over een geldige Drank- en Horecavergunning of dat deze hiervoor een kansrijke vergunningaanvraag heeft gedaan. De Drank- en Horecawet biedt geen mogelijkheid voor het afgeven van een voorlopige vergunning. Gedurende de looptijd van de voorlopige vergunning zal in beginsel niet verbaliserend worden optreden vanwege het ontbreken van een geldige Drank- en Horecavergunning.
In de Legesverordening is geregeld welk leges bedrag betaald dient te worden voor het aanvragen van een vergunning c.q. ontheffing. De tarieventabel wordt in beginsel jaarlijks opnieuw vastgesteld en indien nodig aangepast.
3.16 Hellevoetsluis past de Wet BIBOB toe
De gemeente Hellevoetsluis past de Wet BIBOB toe. De gemeente Hellevoetsluis heeft dit vastgesteld in de beleidslijn die op 19 september 2006 is vastgesteld (laatste wijziging dateert van 2007). In deze BIBOB-beleidslijn is aangegeven dat de Wet BIBOB vooralsnog bij aanvraag van de volgende vergunningen zal worden toegepast:
- •
De vergunningen op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet (DHW) voor het uitoefenen van het horecabedrijf of het slijtersbedrijf, met uitzondering van aanvragen van paracommerciële instellingen, tenzij er sprake is van gerede twijfel;
- •
De vergunning op grond van artikel 3:4 voor de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven;
- •
De vergunning op grond van artikel 2:28 APV voor de exploitatie van een horecabedrijf.
In de praktijk betekent dit dat alle nieuwe Drank- en Horecawet aanvragen en aanvragen voor een exploitatievergunning worden vergezeld met een BIBOB-onderzoek. De Wet BIBOB is een (preventief) bestuursrechtelijk instrument. Als er een ernstig gevaar dreigt dat bijvoorbeeld een vergunning wordt misbruikt, kan het bevoegde bestuursorgaan de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning intrekken. Zo wordt voorkomen dat de gemeente criminele activiteiten faciliteert en wordt bovendien de concurrentiepositie van bonafide ondernemers beschermd. Om de mate van gevaar te bepalen, kan het bestuursorgaan een advies aanvragen bij het Landelijk Bureau BIBOB.
In Bijlage 3 is het algemene kader voor handhaving binnen de gemeente Hellevoetsluis geschetst. Handhaving vindt plaats op grond van de wettelijke kaders en wordt nader geconcretiseerd in het handhavingsarrangement, zie Bijlage 5. Dit handhavingsarrangement geeft bij elke overtreding de bijbehorende maatregel(en) aan. Het bij dit beleid gevoegde handhavingsarrangement is in 2012 geactualiseerd en vastgesteld. Medio 2015 zal opnieuw een actualisatieslag plaatsvinden.
Het periodiek vast te stellen handhavingsprogramma bevat de gemeentelijke beleidslijn op het gebied van handhaving. De afdeling BVH stelt jaarlijks een handhavingsplan vast en is verantwoordelijk voor de uitvoering van het handhavingsplan. In het handhavingsprogramma wordt toegelicht welke prioriteiten het college in zijn algemeenheid op het gebied van handhaving stelt en het programma bevat een nadere precisering voor bepaalde deelgebieden. In dit hoofdstuk volgt een nadere uitwerking van het gemeentelijke handhavingsbeleid voor wat betreft horeca.
4.2 Samenwerking horeca gerelateerde handhaving
De gemeente is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van horecawet- en regelgeving. Er zijn andere instanties die belast zijn met toezicht en handhaving van horeca. Het betreft veelal landelijk opererende instanties, zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Arbeidsinspectie, et cetera. Deze diensten opereren voornamelijk autonoom, volgens eigen beleid. In specifieke gevallen kan er wel samengewerkt worden met gemeentelijke diensten, bijvoorbeeld tijdens een integrale horecacontrole. Overleg en afstemming is nodig, uitwisselen van gegevens is belangrijk.
4.3 Handhavingsprioriteiten
In het “Verslavingspreventie en Handhaving Horeca Hellevoetsluis 2014-2017” zijn de beleidsdoelstellingen opgenomen als het gaat om handhaving van onder meer de Drank- en Horecawet. De gemeente Hellevoetsluis richt zich - in samenwerking met partners - op het stimuleren van alcoholmatiging onder jongeren om het welzijn van alle inwoners te bevorderen. Voornamelijk wordt ingezet op het handhaven van bestaande regelgeving, het vergroten van draagkracht en voorlichting aan ouders en jeugdigen.
Handhaving richt zich primair op de omgeving van de jongeren en dan met name op de alcoholverstrekkers: slijterijbedrijven, supermarkten, horecagelegenheden en paracommercie.
De volgende controles zullen jaarlijks worden uitgevoerd:
- 1.
Basis handhavingscontroles bij alle alcoholverstrekkende bedrijven: 110 alcoholverstrekkende bedrijven
- 2.
Leeftijdgrenzencontrole bij alle hotspots: 10 hotspots.
De hotspots zijn locaties in de openbare ruimte waar veel jongeren zich ophouden en drank gebruiken. Deze locaties zullen worden aangewezen door de politie en de afdeling BVH.
- 3.
Integrale Horecacontroles: 2x per jaar. Integrale horecacontroles omvatten controles betreffende alle regels ten aanzien van de exploitatie van een horecabedrijf. Niet enkel de regels opgenomen in de Drank- en Horecawet.
- 4.
Bevindingen met betrekking tot overtredingen zullen worden vastgelegd. Hierdoor zal inzicht verkregen worden op aandacht-locaties. De horecacontroles, inclusief een uitgebreid overzicht van de onderbouwing van de handhavingsactiviteiten, zijn nader beschreven in het Handhavingsplan Horeca 2014. Dit plan maakt onderdeel uit van het algemene handhavingsprogramma GOA’s Hellevoetsluis 2014. De hoeveelheid controles worden na evaluatie mogelijk aangepast in volgende jaren.
- 5.
Communicatie en overlegstructuren
- 5.
De basis van een goed horecabeleid ligt in het bestaan van een goede samenwerking tussen gemeente, politie, horeca en omwonenden. Communicatie, de wederzijdse uitwisseling van informatie en ideeën, kan daar een belangrijke bijdrage aan leveren. De communicatie met betrekking tot het gemeentelijk horecabeleid is dan ook gericht op het realiseren van een goede verstandhouding tussen de verschillende betrokken partijen waarbinnen een open informatie-uitwisseling tot stand kan komen.
Daarnaast is communicatie binnen het gemeentelijk apparaat van belang. Ook binnen de gemeentelijke organisatie is samenwerking en informatie-uitwisseling nodig (alsmede tussen gemeente, politie en omwonenden) met het oog op een samenhangend klantgericht gemeentelijk horecabeleid.
Doel van de communicatie is door middel van informatie-uitwisseling, kennis over en draagvlak voor het horecabeleid te realiseren bij betrokken doelgroepen (zowel intern als extern). Dit communicatiedoel laat zich nader specificeren in gewenste kennis, houding en gedrag van de doelgroepen.
Kennis:Betrokkenen zijn bekend met de inhoud van het horecabeleid en aanverwante regelingen.
Houding:Betrokkenen staan positief tegenover de inhoud van het horecabeleid en aanverwante regelingen. Zij staan open voor informatie-uitwisseling en zijn constructief in het leveren van bijdragen. Er bestaat draagvlak voor het beleid.
Gedrag:Betrokkenen leven het horecabeleid na en komen afspraken na. Wanneer regelingen moeilijk uitvoerbaar blijken of ervaringen niet goed zijn, nemen zij contact op met de het team horeca en evenementen om dit bespreekbaar te maken.
Om dit doel te bereiken zijn verschillende communicatiestromen noodzakelijk:
- •
Communicatie vanuit de gemeente naar burgers en ondernemers toe: informatie over het beleid, de regelingen et cetera.
- •
Communicatie vanuit de ondernemers naar de gemeente toe: het aanleveren van informatie over de werking van regelingen, voorzieningen en dergelijke ten behoeve van beleidsuitvoering en bijstelling.
- •
Interne communicatie binnen het gemeentelijk apparaat. Er moet rekening gehouden worden met een groot aantal betrokkenen binnen de ambtelijke organisatie met verschillende belangen. In het verlengde van deze interne communicatie ligt de communicatie met andere overheidsinstanties, waarbij de politie in het kader van het horecabeleid een vooraanstaande plaats inneemt.
- •
De horecaondernemer op de hoogte is van het gemeentelijk beleid en diverse regelingen en voorzieningen.
- •
Er onder horecaondernemers een draagvlak bestaat voor het gemeentelijk beleid.
- •
De gemeente op de hoogte is van de praktijksituatie en de effecten van het beleid met betrekking tot deze ondernemers.
- 5.
3 Doelgroepen van communicatie
De volgende doelgroepen zijn te onderscheiden:
De horecaondernemers (inclusief eigenaren van horecapanden)
Horecaondernemers zijn als de “ontvangers” van het gemeentelijk horecabeleid, een afzonderlijk te benoemen doelgroep. Het is ten opzichte van deze groep dat regulerend wordt opgetreden.
Omwonenden van horecavestigingen zijn als doelgroep van belang in verband met het beleid ten aanzien van de overlastproblematiek en de informatie omtrent de praktijksituatie en de effecten van het horecabeleid.
De direct betrokkenen (zoals afdelingen Ruimtelijke Ontwikkeling & Beleid (hierna: ROB) en BVH) moeten goed op de hoogte zijn van het horecabeleid, zodat het eenduidig wordt uitgedragen. Dit is in het belang van zowel de horecaondernemers, omwonenden als voor de gemeente zelf.
Het is van belang dat er een goede informatie-uitwisseling plaatsvindt tussen de politie, gemeente en horecaondernemers.
De communicatie omtrent horecabeleid geschiedt met behulp van de volgende middelen:
Er bestaat een regulier overleg (hierna: overleg) tussen de gemeente, de politie en de horecaondernemers Kerkstraat. Het overleg wordt tenminste viermaal per jaar gehouden. In dit overleg komen beleidsontwikkelingen en uitvoeringsvraagstukken die betrekking hebben op de horeca aan de orde. De status van dit overleg is informerend, signalerend en afstemmend. De agenda wordt in samenspraak tussen de gemeente, politie en horecaondernemers bepaald. De burgemeester is de voorzitter tijdens dit overleg. De regie van het overleg is in handen van de gemeente. Om te kunnen spreken van een constructieve samenwerking is het van belang dat zowel bij het vaststellen van de agenda als tijdens het overleg alle partijen input leveren.
Informatie over regelingen en beleid
Alle informatie over regelingen en beleid wordt via de website van de gemeente ter beschikking te gesteld.
In voorkomende gevallen kan het niet alleen voor de gemeente, maar ook voor de horecaondernemers nuttig zijn om bijeenkomsten te organiseren voor zowel omwonenden, ondernemers als betrokkenen bij de uitvoering van het horecabeleid. Naast het geven van voorlichting kan een dergelijke bijeenkomst benut worden om een beeld te krijgen van de meningen, gevoelens en ervaringen van inwoners en ondernemers omtrent de feitelijke en de wensen omtrent het te voeren beleid. Ook kan zo’n bijeenkomst gebruikt worden ter bevordering van wederzijds begrip tussen gemeente, politie, ondernemers en inwoners/omwonenden.
Bijlage 1 - Toelichting wettelijk instrumentarium en gemeentelijke regelgeving
De Algemene Plaatselijke Verordening Hellevoetsluis 2014 (APV) geeft regels met betrekking tot zaken als de exploitatievergunning voor horecabedrijven, terrassen en sluitingstijden.
Een exploitatievergunning is verplicht voor alle horecabedrijven waar dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. De terrassen behorende bij de horecabedrijven zijn opgenomen in de exploitatievergunning.
Naast het bestemmingsplan is het exploitatievergunningensysteem het belangrijkste sturingsmechanisme van de gemeente. Het doel van de exploitatievergunning is het voorkómen van gevaar voor de openbare orde en/of van ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van de woon- en leefsituatie in de omgeving van een horecabedrijf door de aanwezigheid van dat horecabedrijf.
Volgens artikel 2:28 van de APV is het niet toegestaan om zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.
De burgemeester weigert de exploitatievergunning als het geldende bestemmingsplan geen horeca toestaat. Ook wanneer de burgemeester van mening is dat de plaatselijke woon- en leefsituatie door het horecabedrijf nadelig wordt beïnvloed, of als de burgemeester het aannemelijk vindt dat de openbare orde door de aanwezigheid van het bedrijf wordt verstoord, is dat een gegronde reden om een vergunning te weigeren. Indien het weigeren van de vergunning als te zwaar middel wordt beoordeeld, dan kan de burgemeester ook aanvullende voorschriften stellen in de exploitatievergunning.
Voor het verlenen of weigeren van een exploitatievergunning kijkt de burgemeester dus naar het karakter van de straat en de wijk, de aard van het horecabedrijf en de belasting van het woonmilieu ter plaatse.
De toepasselijke regels met betrekking tot exploitatievergunningen zijn opgenomen in de APV in de artikelen 2:28, 1:6 en 1:8.
2
Wet ruimtelijke ordening / Bestemmingsplannen
Het bestemmingsplan wordt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gepositioneerd als het centrale instrument binnen de ruimtelijke ordening voor de gemeente. Artikel 3.1 Wro stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één of meerdere bestemmingsplannen verplicht:
“De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarvan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven.”
In een bestemmingsplan legt de gemeenteraad het ruimtelijk beleid voor een bepaald gebied vast. Als een bestemmingsplan eenmaal onherroepelijk is geworden, moet een ieder zich aan dat plan houden: bedrijven, burgers, en uiteraard ook het gemeentebestuur zelf. Een bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen: de verbeelding (plankaart), de regels en de toelichting. Op de verbeelding (de plankaart) worden de diverse functies (bestemmingen) in het betreffende plangebied aangegeven. Op het bijbehorende renvooi wordt de verklaring van de bestemmingen aangegeven. Tevens worden in het renvooi de functieaanduidingen, de bouwvlakken en de maximale goot- en of bouwhoogtes aangegeven. In de bijbehorende regels wordt de bestemmingsomschrijving te weten, hoe de gronden en/of de gebouwen gebruikt mogen worden, de bouwregels, de specifieke gebruiksregels en de afwijkingsbevoegdheden beschreven. In de bestemmingsplannen wordt ook aangegeven waar horeca is toegestaan. Alvorens een horecabedrijf of een horecavoorziening ergens kan worden opgericht, moet daarom worden getoetst aan het geldende bestemmingsplan. Op basis van een bestemmingsplan is het dus in principe mogelijk de locatie, de omvang, de categorie (1 t/m 4), het aantal horecabedrijven en/of -voorzieningen te reguleren. Als een bepaald pand niet voor horecadoeleinden is bestemd, kan in sommige gevallen (indien de mogelijkheid daartoe aanwezig is) een afwijking van het bestemmingsplan worden verleend. Een verzoek om afwijking van het bestemmingsplan moet bij burgemeester en wethouders worden aangevraagd.
3
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) / Bouwbesluit
Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Doel van de Wabo is een eenvoudigere en snellere vergunningverlening en een betere dienstverlening door de overheid op het terrein van bouwen, ruimte en milieu. De Wabo introduceert hiervoor de omgevingsvergunning. Deze vergunning vervangt onder meer de volgende vergunningen en toestemmingen:
- •
bouwvergunning ingevolge de Woningwet;
- •
gebruiksvergunning en melding ingevolge het Gebruiksbesluit;
- •
milieuvergunning en melding ingevolge de Wet milieubeheer;
- •
ontheffingen bestemmingsplan en aanlegvergunning ingevolge de Wet ruimtelijke ordening;
- •
monumentenvergunning ingevolge de Monumentenwet;
In het Bouwbesluit wordt een groot aantal technische eisen gesteld waaraan gebouwen uit oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid moeten voldoen. Strijd met het Bouwbesluit is een weigeringsgrond voor een omgevingsvergunning. Het nieuwe Bouwbesluit is op 1 april 2012 in werking getreden.
4
Omgevingsvergunning voor het onderdeel brandveilig gebruik
Voor het gebruiken van een bouwwerk waarin een verhoogde kans op brand aanwezig is, dan wel een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een eenmaal uitgebroken brand, werden in het verleden door de gemeente bepalingen omtrent dit ‘gevaarlijk’ gebruik dwingend voorgeschreven. Het uitwerken van de gebruiksbepalingen was daarbij neergelegd in de rechtsfiguur van de ‘gebruiksvergunning’ die namens het college van burgemeester en wethouders werd afgegeven. Doorgaans is het nodig om aan het gebruik van horecagelegenheden brandveiligheidseisen te verbinden.
De gebruiksvergunning kan, zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, na inwerkingtreding van de Wabo deel uit van de zogenaamde omgevingsvergunning en heet nu ‘omgevingsvergunning voor het onderdeel brandveilig gebruik’. Deze vergunning vloeit voort uit het Gebruiksbesluit dat vanaf 1 april 2012 is opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Voordat de digitale aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend moet worden vastgesteld of kan worden volstaan met een melding Brandveilig gebruik of dat een omgevingsvergunning voor het onderdeel brandveilig gebruik moet worden aangevraagd.
De Drank- en Horecawet is een van de belangrijkste wetten voor de horeca, omdat deze wet de bedrijfsmatige (of anders dan om niet) verstrekking van alcoholhoudende dranken regelt.
Regelgeving en vergunningverlening
Artikel 3 van de Drank- en Horecawet bepaalt dat voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse een vergunning nodig is van de burgemeester. Deze vergunningplichtige verstrekking kan plaatsvinden in een horecabedrijf of een slijterbedrijf.
Eisen ter verkrijging van een Drank- en Horecavergunning
In artikel 8 tot en met 10 van de Drank- en Horecawet staan de eisen voor het verkrijgen van een vergunning. Indien niet wordt voldaan aan deze eisen moet de vergunning worden geweigerd. De weigeringsgronden (imperatief) zijn geregeld in artikel 27 van de Drank- en Horecawet.
Eisen aan leidinggeven
den Krachtens artikel 8, lid 1, dienen leidinggevenden aan de volgende eisen te voldoen:
- a.
zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;
- b.
zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
- c.
zij mogen niet onder curatele staan.
Hiernaast dienen leidinggevenden te beschikken over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne. Het hierbij behorende bewijsstuk is een Verklaring Sociale Hygiëne.
Het pand waarin een horecabedrijf wordt uitgeoefend, dient in het belang van de sociale hygiëne te voldoen aan een aantal eisen. De belangrijkste eisen betreffen de oppervlakte van de horecalokaliteit (één lokaliteit ten minste 35 m²) en de toiletgelegenheden (ten minste twee volledig van elkaar gescheiden toiletgelegenheden). Bij behandeling van een aanvraag voor een Drank- en Horecavergunning controleert de afdeling BVH of een inrichting aan de eisen voldoet. Als de inrichting niet voldoet aan de eisen, mag de vergunning niet worden verleend.
De vergunningDe vergunning kent geen bepaalde tijdsduur. De Drank- en Horecavergunning is persoonsgebonden en
niet overdraagbaar. Als het bedrijf wordt overgenomen, moet de nieuwe ondernemer een nieuwe vergunning aanvragen. Als er een leidinggevende, vermeld op het aanhangsel bij de vergunning, wordt vervangen, moet de nieuwe leidinggevende worden bijgeschreven op het aanhangsel bij de vergunning. De vergunninghouder heeft de plicht wijzigingen door te geven.
Indien de inrichting zodanig verandert dat zij niet langer in overeenstemming is met het vermelde op de vergunning (bijvoorbeeld bij een verbouwing), dan is de vergunninghouder verplicht om binnen één maand burgemeester hiervan op de hoogte te stellen. De vergunning kan worden ingetrokken of geschorst. De gevallen waarin dit mogelijk is zijn genoemd in artikel 31 en 32 van de Drank- en Horecawet. Een vergunning vervalt in de volgende situaties (zoals bepaald in artikel 33 van de Drank- en Horecawet):
- a.
wanneer binnen zes maanden na vergunningverlening nog geen gebruik is gemaakt van de vergunning;
- b.
wanneer de vergunninghouder een jaar geen gebruik maakt van de vergunning, anders dan in het geval van overmacht;
- c.
wanneer een nieuwe vergunning wordt afgegeven, die in de de eerder bedoelde vergunning vervangt.
6
Slijtersbedrijven en verkoop van
zwak
alcoholhoudende
drank
Onder slijtersbedrijf wordt verstaan ‘het bedrijfsmatig aan particulieren verschaffen van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse’. Slijterijen dienen te beschikken over een Drank- en Horecavergunning. De wet verbiedt het verstrekken van zwak alcoholhoudende drank vanuit bedrijven welke geen slijtersbedrijf zijn. Op dit verbod is een uitzondering gemaakt voor een drietal soorten bedrijven: winkels waarin in overwegende mate levensmiddelen worden verkocht (supermarkten, speciaalzaken in bier en wijn), winkels met een gevarieerd assortiment aan levensmiddelen (afdeling van een warenhuis) en winkels waar ‘voor directe consumptie geschikte eetwaren’ worden verkocht (cafetaria’s, snackbars et cetera). Deze cafetaria’s en dergelijke zijn geen horecabedrijven als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet, aangezien horecabedrijven geen alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse mogen verstrekken.
Artikel 1 van de Drank- en Horecawet bepaalt dat onder paracommerciële rechtspersoon wordt verstaan: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf. Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat verenigingen en stichtingen die zich richten op de genoemde activiteiten, in beginsel aangemerkt worden als paracommerciële instellingen.
Onder paracommercie wordt verstaan een vorm van oneerlijke concurrentie door instellingen die buiten hun doelstelling om horeca- en recreatieve diensten verlenen aan publiek. Het gaat hierbij om instellingen van wie de activiteiten geheel of grotendeels liggen op het terrein van onder andere godsdienstuitoefening, cultuur, sport en onderwijs.
Paracommerciëleinstellingen zijn niet-commerciële instellingen die zich richten op specifieke activiteiten van recreatieve, sociaal-culturele, sportieve, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard. Het verstrekken van alcohol behoort niet tot de hoofd activiteiten.
Dit betekent dat zij niet onverkort commerciële activiteiten mogen verrichten, aangezien er dan oneerlijke concurrentie zou ontstaan met de commerciële horecabedrijven. Om te voorkomen dat er oneerlijke concurrentie ontstaat is het de gemeente verplicht om regels te stellen aan alcoholverstrekking door verenigingen en stichtingen
In paragraaf 3.8 is terug te lezen welke bepalingen gelden voor paracommerciële rechtspersonen in Hellevoetsluis.
Ter verduidelijking wordt een toelichting gegeven op activiteiten die geacht worden aan te sluiten bij de vereniging of stichting:
Voorbeelden van activiteiten (niet limitatief) die door een paracommerciële instelling mogen worden georganiseerd en waarbij tevens alcoholhoudende dranken mogen worden verstrekt.
Sportieve instellingen / Recreatieve instellingen:
- •
Jubileumfeest van het bestuur
- •
- •
Afscheidsfeest van het bestuur / een bestuurslid
- •
Feestavond voor vrijwilligers (max. 1 à 2 keer per jaar)
- •
Jaarfeest of afsluiting seizoen (max. 1 keer per jaar)
- •
- •
Overige strikt club gerelateerde feesten voor leden
Sociaal-culturele instellingen:
- •
Bijeenkomsten/vergaderingen/feesten van en voor verenigingen en stichtingen die gebruik maken van het pand (dus alleen toegankelijk voor de leden);
- •
Sociaal-culturele evenementen (ook voor publiek toegankelijk)
- •
- •
Educatieve instellingen
:
- •
- •
Afstudeerbijeenkomst/ diploma-uitreiking
- •
Schoolfeesten voor leerlingen
- •
- •
- •
Sportdag voor leerlingen en leraren
Instellingen van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard:
•Alle activiteiten die te maken hebben met levensbeschouwelijke of godsdienstige zaken,
•zoals bijeenkomsten, cursussen, kerstviering etc.
Extra attentie: aan personen tot 18 jaar mag in het geheel geen alcoholhoudende drank verstrekt worden.
In 2007 is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, beter bekend als het Activiteitenbesluit, in werking getreden. Het Activiteitenbesluit heeft onder andere het Besluit horeca-sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer vervangen.
De voorschriften in het Activiteitenbesluit dienen ter bescherming van het milieu en behelzen onderwerpen als geluid, afval, energie en opslag. De DCMR Milieudienst Rijnmond is namens het gemeentebestuur belast met het toezicht op de Wet milieubeheer, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Activiteitenbesluit.
Horecabedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen, hebben in de meeste gevallen geen vergunning op grond van de Wabo nodig. Deze bedrijven moeten vaak wel hun activiteiten melden bij de gemeente (geldt alleen voor type B bedrijven). Dit gaat via de Activiteitenbesluit Internet Module (AIM). Hierin kunnen bedrijven zelf nagaan welk type bedrijf ze zijn, of ze een vergunning op grond van de Wabo nodig hebben (type C), of ze kunnen volstaan met het melden van hun activiteiten (type B) of dat ze geen melding hoeven in te dienen (type A).
In de Kerkstraat is sprake van een concentratie van horeca-inrichtingen, maar is niet aangewezen als horecaconcentratiegebied. Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid afwijkende milieueisen te stellen aan horecaondernemingen binnen een horecaconcentratiegebied. Het voordeel van een horecaconcentratiegebied in de zin van het Activiteitenbesluit, is dat de gemeente zelf het geluidniveau (LAeq) op de gevel van de woningen mag bepalen. Op die manier kan enerzijds de geluidsproductie tot acceptabele proporties worden teruggebracht voor omwonenden en anderzijds een voldoende levendige Kerkstraat in stand worden gehouden.
Het in het gebied heersende referentieniveau mag hierbij niet overschreden worden. Daarnaast geldt dat binnen een woning of andere geluidgevoelige bestemming de volgende waarden niet mogen worden overschreden:
tussen 7.00u en 19.00u het niveau van 35 dB(A);
tussen 19.00u en 23.00u het niveau van 30dB(A) en
tussen 23.00u en 7.00u het niveau van 25 dB(A).
Op het moment dat een woning niet beter dan voor 15 dB(A) is geïsoleerd, is het zinloos om een horecaconcentratiegebied in de zin van het Activiteitenbesluit te vestigen. Het geluid op de gevel mag dan nooit harder zijn dan 50 dB(A), tussen 7.00u en 19.00u. Dit is ook het geval wanneer er geen sprake is van een horecaconcentratiegebied. Het wordt dus pas zinvol een horecaconcentratiegebied in de zin van het Activiteitenbesluit te vestigen op het moment dat de omliggende woningen goed geïsoleerd zijn. Voor zover bekend is dat thans niet het geval.
9
Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus
Op 1 april 1999 is de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus in werking getreden. In deze wet zijn waarborgen opgenomen voor de betrouwbaarheid van het personeel van beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. De beveiligingsorganisaties zijn verplicht om de werkzaamheden af te stemmen met de politie en te zorgen voor een duidelijke presentatie van de activiteiten aan opdrachtgevers en burgers. Horecaportiers vallen onder deze wetgeving. Het naleven van de genoemde wet moet de veiligheid bevorderen van ondernemers, medewerkers en gasten van horecabedrijven. De Wet
Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus stelt de volgende eisen aan horecaportiers:
- •
antecedenten dienen (na screening door de politie) in orde te zijn;
- •
zij dienen in het bezit te zijn van een legitimatiebewijs dat is uitgereikt door de korpschef van de regio waar het betreffende horecabedrijf is gevestigd;
- •
zij dienen in het bezit te zijn van een op naam gesteld vereist diploma.
- •
De werkgever (de beveiligingsorganisatie of het horecabedrijf) dient in het bezit te zijn van een vergunning van het Ministerie van Justitie
De wet Bevordering Integriteits Beoordelingen door het Openbaar Bestuur (BIBOB) kan worden toegepast bij de behandeling van aanbestedingen en verzoeken om allerlei gemeentelijke vergunningen, zoals exploitatievergunningen voor horeca- en seksinrichtingen, bouw- en milieuvergunningen en aanvragen om subsidie. De wet is op 1 juni 2003 van kracht geworden.
Het BIBOB-instrumentarium is bedoeld om bestuursorganen een extra mogelijkheid te geven een vergunning te weigeren of in te trekken. Dit kan indien er een ‘ernstige mate van gevaar’ is dat de vergunning (mede) gebruikt wordt om strafbare feiten te plegen of om uit strafbare feiten verkregen geld wit te wassen. Het Bureau BIBOB voert een intensieve screening uit van personen en hun zakelijke relaties, waarbij diverse gesloten bronnen (zowel justitiële als financiële) worden geraadpleegd. Een BIBOB-advies kost € 500,--.
Beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit zijn belangrijke uitgangspunten van de wet. De gemeente dient eerst zelf te onderzoeken of er geen bestaande weigeringsgronden zijn, zoals genoemd in de Algemene Plaatselijke Verordening en de Drank- en Horecawet. Deze bestaande weigeringsgronden hebben namelijk ook betrekking op de integriteit van de aanvrager of houder van de vergunning. Te denken valt bijvoorbeeld aan de eis ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn’, of de eisen genoemd in het ‘Besluit eisen zedelijk gedrag’, behorende bij de Drank- en Horecawet. Ook moet de gemeente onderzoeken of zij niet zelfstandig de wet BIBOB kan toepassen. Dit onderzoek moet plaatsvinden met behulp van de in artikel 30 van de Wet BIBOB omschreven aanvraagformulieren.
Indien de situatie hiertoe aanleiding geeft, kan de gemeente een advies over de ernstige mate van gevaar vragen aan het Bureau BIBOB. Dit bureau verricht dan een onderzoek naar de integriteit van de aanvrager(s) en, in voorkomende gevallen, naar diens zakelijke relaties. Nadat een verzoek in behandeling is genomen, zal het Bureau BIBOB de ter beschikking staande open en gesloten bronnen op systematische wijze bevragen. Hierbij wordt getracht zo min mogelijk inbreuk te maken op de privacy van de betrokkene(n). Gegevens omtrent de financiële, justitiële en politiële achtergrond van de aanvrager(s) worden dan ook naar relevantie gevraagd en gecombineerd. Het resultaat van dit onderzoek verwoordt het Bureau BIBOB in een advies. Dit advies is niet bindend. De gemeente heeft de vrijheid om dit advies integraal of gedeeltelijk op te nemen in de beschikking of het advies niet te gebruiken dan wel nadere voorwaarden te stellen.
Een BIBOB-advies kan drie uitkomsten hebben. Er kan geconstateerd worden dat er geen gevaar is dat de gevraagde vergunning wordt misbruikt voor criminele activiteiten. De gemeente kan dan de gevraagde vergunning verlenen. Ook kan het onderzoek uitwijzen dat er mindere mate van gevaar bestaat. In dit geval kunnen er bijvoorbeeld extra voorschriften worden verbonden aan de te verlenen vergunning. Tenslotte kan het Bureau BIBOB een ernstig gevaar constateren. De gemeente kan dan besluiten om de aanvraag af te wijzen.
Het advies naar de gemeente is gemotiveerd. Dat wil zeggen dat de geraadpleegde informatiebronnen worden vermeld en dat aangegeven wordt hoe het Bureau BIBOB tot de conclusie van het advies is gekomen.
De wijze waarop de gemeente Hellevoetsluis de Wet BIBOB toepast is vastgesteld in een beleidslijn van 19 september 2006 (gewijzigd in 2007). Deze beleidslijn zal in 2015 opnieuw getoetst worden aan de actualiteit.
Bijlage 2 - Verplichte bijlagen bij aanvraag Drank- en Horecavergunning/exploitatievergunning
De aanvrager dient bij een nieuwe aanvraag exploitatievergunning, indien van toepassing, in ieder geval de volgende bescheiden in te dienen:
- -
Geldig legitimatiebewijs van exploitant(en);
- -
Een document waaruit blijkt dat de exploitant beschikt of kan gaan beschikken over de ruimte waar het horecabedrijf geëxploiteerd wordt (zoals een (voorlopige) eigendomsakte, huurovereenkomst);
- -
Uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel;
- -
Een recente plattegrondtekening met vermelding van afmetingen van de inrichting waarin het horecabedrijf wordt geëxploiteerd;
- -
Een plattegrondtekening met vermelding van afmetingen van het gedeelte waarop het terras wordt geëxploiteerd (indien van toepassing);
- -
Eventuele andere gegevens of bescheiden, die nodig zijn voor een juiste beslissing op de aanvraag en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, bijvoorbeeld een exploitatieplan;
- -
BIBOB vragenformulier ingevuld voor een natuurlijk persoon of een rechtspersoon.
- -
Een Verklaring Omtrent het Gedrag van de exploitant(en) (alleen nodig als u geen Drank- en Horecavergunning aanvraagt).
De aanvrager dient bij een nieuwe aanvraag Drank- en Horecavergunning, indien van toepassing, in ieder geval de volgende bescheiden in te dienen:
- -
Aanvraagformulier model A (Drank- en Horecavergunning)
- -
Verklaring leidinggevenden werkzaam in de inrichting (bijlage bij aanvraagformulier model A) van alle leidinggevenden (drank- en horecavergunning)Paspoort of ander bewijsstuk waaruit het rechtmatig verblijft in Nederland blijkt van aanvrager én leidinggevenden (origineel dient getoond te worden)
- -
Uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel (niet ouder dan 3 maanden)
- -
Akte van Ondernemersvorm, Vennootschapsakte, Stichtingsakte
- -
Drie mogelijkheden om aan te tonen dat men voldoet aan de eis, krachtens artikel 8. lid 4 van de Drank- en Horecawet:
- ∘
Verklaring SVH van elke leidinggevende (origineel dient getoond te worden) OF
- ∘
Verklaring ex artikel 41 (oud) Drank- en Horecawet * OF
- ∘
Een gewaarmerkte kopie van een op 31 december 1995 rechtsgeldige Drank- en Horecavergunning waarop de betreffende leidinggevende expliciet stond vermeld als bedrijfsleider en/of beheerder *
- -
Bouwkundige schets / plattegrond van de inrichting inclusief de daarbij behorende terrassen (schaal 1:100 met duidelijke vermelding van maten)
- -
Een document waaruit blijkt dat de exploitant beschikt of kan gaan beschikken over de ruimte
- ∘
Koop- (eigendomsakte) * OF
- ∘
Pachtovereenkomst tussen de exploitant en de verpachter * OF
- ∘
Huurcontract met de pandeigenaar *
- -
Statuten van de rechtspersoon (dit geldt dus niet voor een eenmanszaak of v.o.f.) *
- -
Akkoordverklaring originele verhuurder/ pandeigenaar m.b.t. de onderverhuur *
- -
Arbeidsovereenkomst tussen de exploitant en de werknemers
- -
Arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en eventuele andere werkgevers *
- -
Volmacht verlening leidinggevende waaruit blijkt dat het horecabedrijf of het slijterbedrijf voor zijn/haar rekening en risico wordt uitgeoefend *
- -
Een oude door de Minister van volksgezondheid (=VWA / KvW) afgeven ontheffing van de inrichtingseisen *
* voor zover van toepassing
De aanvrager dient bij een nieuwe aanvraag Drank- en Horecavergunning, indien van toepassing, in ieder geval de volgende bescheiden in te dienen:
- -
Aanvraagformulier model B (drank- en horecavergunning)
- -
Paspoort of ander bewijsstuk waaruit het rechtmatig verblijft in Nederland blijkt van aanvrager én leidinggevenden (origineel dient getoond te worden)
- -
Uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel (niet ouder dan 3 maanden)
- -
Akte van Ondernemersvorm, Vennootschapsakte, Stichtingsakte
- -
Drie mogelijkheden om aan te tonen dat men voldoet aan de eis, krachtens artikel 8. lid 4 van de Drank- en Horecawet:
- ∘
Verklaring SVH van elke leidinggevende (origineel dient getoond te worden) OF
- ∘
Verklaring ex artikel 41 (oud) Drank- en Horecawet * OF
- ∘
Een gewaarmerkte kopie van een op 31 december 1995 rechtsgeldige Drank- en Horecavergunning waarop de betreffende leidinggevende expliciet stond vermeld als bedrijfsleider en/of beheerder *
- -
Bouwkundige schets / plattegrond van de inrichting inclusief de daarbij behorende terrassen (schaal 1:100 met duidelijke vermelding van maten)
- -
Een document waaruit blijkt dat de exploitant beschikt of kan gaan beschikken over de ruimte
- ∘
Koop- (eigendomsakte) * OF
- ∘
Pachtovereenkomst tussen de exploitant en de verpachter * OF
- ∘
Huurcontract met de pandeigenaar *
- -
Statuten van de rechtspersoon *
- -
Akkoordverklaring originele verhuurder/ pandeigenaar m.b.t. de onderverhuur *Volmacht verlening leidinggevende waaruit blijkt dat het horecabedrijf of het slijterbedrijf voor zijn/haar rekening en risico wordt uitgeoefend *
- -
Een oude door de Minister van volksgezondheid (=VWA / KvW) afgeven ontheffing van de inrichtingseisen *
- -
Door het bestuur van de paracommerciële instelling vastgesteld gedateerd en ondertekend Bestuursreglement (inclusief lijst met IVA-gecertificeerde barvrijwilligers)
* voor zover van toepassing
Bijlage 3 - Handhavingskader
In onderstaande paragrafen wordt eerst het algemene kader geschetst. Concretisering vindt plaats in het Handhavingsprotocol Horeca District De Eilanden (handhavingsarrangement) in de vorm van een toepassingstabel ten aanzien van het sanctioneren.
Doel, voordeel en effect van handhaving
Professionalisering: efficiënt en effectief handhaven. Voor wat betreft toezicht en opsporing is het opstellen van duidelijke instructies voor de uitvoering daarvan, en het op elkaar afstemmen van toezichtacties en een heldere taakverdeling noodzakelijk. Ook vanuit dit oogpunt is er behoefte aan concretisering van de handhaving. Een betere terugkoppeling uit de uitvoering, het op elkaar afstemmen van toezichtacties, een heldere taakverdeling wat betreft toezicht en de handhaving en juridische kwaliteitscontrole zijn onontbeerlijk om efficiënt en effectief te kunnen handhaven. Een en ander draagt bij aan de professionalisering van de handhaving.
Regie bestuur en gezamenlijke handhaving
Door de combinatie van het beleid en het handhavingsarrangement, kan precies aangegeven worden bij welke overtreding welke sanctie volgt, is het bestuur beter in staat om handhavingsactiviteiten te coördineren en te regisseren. Belangrijk is dat de gemeente proactief het voortouw neemt bij de handhaving. De gemeente heeft de regie, vanuit de rol van verantwoordelijk bestuursorgaan. Prioriteiten moeten worden gesteld vanwege de schaarste in de capaciteit van toezicht-, opsporing en bestuurlijk optreden bij gemeente, politie en OM. Ook daarom is het van belang dat er coördinatie en regie plaatsvindt vanuit de gemeente.
Planning en programmering
Handhavingsacties moeten steeds minder op ad hoc basis geschieden. Het aantal handhavingsacties, de wijze waarop er gehandhaafd wordt en met welke partners, wordt ieder jaar vastgesteld in een handhavingsprogramma. Ieder jaar kunnen er opnieuw prioriteiten worden gesteld en kan het overeengekomen programma worden afgestemd op de gemeentelijke begrotingscyclus. Hierdoor wordt handhaving van de horeca in Hellevoetsluis een transparant en controleerbaar proces dat gestuurd kan worden op resultaat en effect.
Het beleid ten aanzien van handhaving heeft betrekking op alle horeca gerelateerde bedrijven, ongeacht of deze vergund zijn of niet. Het betreft voor publiek toegankelijke besloten ruimten zoals bedoeld in Hoofdstuk 2, afdeling 8: “toezicht op horecabedrijven” van de Algemene Plaatselijke Verordening Hellevoetsluis 2014.
Als we praten over wie er moet handhaven en welke bevoegdheden daarbij van toepassing zijn, zijn dit stuk en het handhavingsarrangement niet zozeer bepalend. De keuzes daartoe zijn al gemaakt in wetten in formele zin en in overkoepelend beleid of anderszins bepaald en vastgelegd. Het handhavingsarrangement maakt daarentegen duidelijk welke keuze voor welk handhavingsmiddel en -instrument in de gemeente Hellevoetsluis gebruikt wordt en door de benoemde actoren
Wat wordt verstaan onder handhaving? Handhaving is een term die veelvuldig gebruikt wordt. Daarbij is het vaak onduidelijk wat er nu precies mee bedoeld wordt. Daarom is een verdere uitleg van dit begrip noodzakelijk. Handhaving omvat zowel toezicht, opsporing en de daarop volgende bestuursrechtelijke handhaving. De begrippen kunnen echter niet door elkaar heen worden gebruikt omdat ze alle drie een andere betekenis hebben.
In de regel staat het toezicht aan het begin van alle handhavingsacties. De gemeentelijke Toezichthouders voeren structureel toezicht uit. Hiervan gaat een belangrijk preventief effect uit. Het toezicht kan tot resultaat hebben dat de wettelijke voorschriften zonder de inzet van verdere sanctiemiddelen worden nageleefd. Het toezicht omvat een breed scala van activiteiten, vaak ook in voorlichtende en adviserende zin. Daardoor kan reeds in een vroeg stadium worden voorkomen dat een met de wet strijdige situatie ontstaat of kan door middel van aansporingen of waarschuwingen worden bewerkstelligd dat regels alsnog worden nageleefd. Indien waarschuwingen geen effect sorteren, loopt het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften in de regel uit op het gebruik van handhavingsmiddelen met een meer dwingend karakter. Er zal dan een (verantwoorde) keuze moeten worden gemaakt uit de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke middelen die de handhavende organen ter beschikking staan. Een combinatie van deze middelen kan bij sommige wettelijke overtredingen noodzakelijk zijn. De keuze van het middel wordt bepaald door overwegingen van proportionaliteit, subsidiariteit, doelmatigheid en doeltreffendheid. In het algemeen blijkt (onder andere uit vaste jurisprudentie) dat bestuursrechtelijk optreden veruit de voorkeur verdient, omdat dit optreden meer rechtsbescherming biedt en een herstellend karakter heeft.
Opsporing is gericht op de strafrechtelijke afdoening van strafbare feiten; concreet betekent dit dat opsporing gericht is op het vinden van een verdachte, dan wel het vaststellen dat er (g)een strafbaar feit is gepleegd. In tegenstelling tot bestuursrechtelijke handhaving, dat onderdeel uitmaakt van de bestuurstaak, is opsporing een justitiële taak. De afwegingen zijn voor een aantal ‘standaard’ overtredingen vastgelegd in vervolgingsrichtlijnen. In strafzaken die uiteindelijk voor de rechter komen is de afweging van de sanctie/straf voorbehouden aan de rechter (met inachtneming van de eventueel terzake geldende richtlijnen). In beginsel mogen opsporingshandelingen eerst worden verricht indien er sprake is van een redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is gepleegd. Zoals hierboven reeds is opgemerkt, wordt deze eis aan het uitoefenen van toezicht niet gesteld. In de praktijk is het onderscheid tussen toezicht en opsporing niet altijd helder. Dit komt enerzijds omdat in oudere wetgeving dit onderscheid niet altijd werd gemaakt en anderzijds omdat veel toezichthouders vaak ook met opsporing zijn belast. In nieuwe wetgeving wordt wel getracht een duidelijk onderscheid tussen toezicht en opsporing aan te brengen.
Bestuursrechtelijke handhaving
De kern hiervan is dat het bestuur zijn (politieke) verantwoordelijkheid neemt en een afweging maakt van de te ondernemen stappen. Bestuursrechtelijke handhaving 'in ruime zin' omvat twee verschillende zaken: in de eerste plaats het uitoefenen van toezicht en in de tweede plaats het opleggen van sancties. Het uitoefenen van toezicht houdt in dat de overheid controleert of een bedrijf of een burger de voor hem geldende regels naleeft, waarbij de voorwaarde niet geldt dat er sprake moet zijn van enig vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden.
Van bestuursrechtelijke handhaving is sprake indien toezicht op de naleving wordt uitgeoefend of sancties worden opgelegd door bestuursorganen die niet met strafvordering zijn belast. Dit kunnen punitieve sancties zijn, zoals een bestuurlijke boete of een als straf bedoelde intrekking van een begunstigende beschikking, of herstelsancties, zoals toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.
Door wie wordt er gehandhaafd?
Handhaving gebeurt door handhavers. Handhavers zijn te onderscheiden in toezichthoudende ambtenaren en opsporingsambtenaren. Zij ontlenen hun status als handhaver aan een wettelijke bepaling. Diverse wetten kennen hen formele bevoegdheden toe die hen ondersteunen bij het uitoefenen van hun handhavende taken en werkzaamheden. Daarnaast wordt er “administratief” gehandhaafd op ambtelijk bestuurlijk niveau: het bestuursorgaan neemt bestuursrechtelijke handhavingsbesluiten welke door ambtenaren van vak afdelingen worden voorbereid. In de volgende paragraaf worden de met handhaving betrokken actoren benoemd.
Actoren, taken en bevoegdheden
De burgemeester is primair verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid in de gemeente. Namens de burgemeester worden exploitatievergunningen verleend. Om de openbare orde en veiligheid te beschermen beschikt de burgemeester over verschillende bestuurlijke middelen. Indien door de exploitatie van een horecabedrijf een ernstig gevaar dreigt te ontstaan en naar het oordeel van de burgemeester de openbare orde gevaar loopt en/of de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf, kan de burgemeester het horecabedrijf tijdelijk of voor onbepaalde tijd sluiten of de vergunning intrekken.
Nu de bevoegdheid tot het toepassen van administratieve sancties vaak in handen van het gemeentebestuur ligt, kan in de praktijk een afstemming van bestuurlijk en justitieel optreden worden bereikt in het zogenoemde driehoeksoverleg tussen burgemeester, officier van justitie en plaatselijke korpschef van politie.
De bevindingen vanuit de daadwerkelijk handhaving “op straat/in het veld”, welke door tot handhavingsbesluiten uitgewerkt zijn, worden aan de burgemeester voorgelegd. De burgemeester zal uiteindelijk een administratiefrechtelijk handhavingsbesluit nemen, naar aanleiding van de eerder geschetste ambtsberichten.
Op deze wijze wordt het betrokken bestuursorgaan bediend bij het nemen en waarmaken van de toegekende verantwoordelijkheid en het inzetten de bevoegdheden, zoals in diverse wet en regelgeving is vastgelegd. vastgelegd.
Naast de gemeente speelt ook de politie een rol in de handhaving van de horeca. Op grond van het bepaalde in artikel 3 van de Politiewet heeft de politie tot taak het in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en hulp te verlenen aan hen die deze behoeven. In de praktijk is er het volgende onderscheid te maken. Het handhavingsarrangement houdt hier rekening mee.
Assistentie en ondersteuning
Zij is op de eerste plaats belast met het zonodig verlenen van assistentie aan toezichthouders en boa's belast met toezicht en opsporing, indien zij bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden behoefte hebben aan “de sterke arm” (bij belemmering of wederspannigheid bijvoorbeeld).
Algemene opsporingsbevoegdheid
Op de tweede plaats heeft de politie algemene opsporingsbevoegdheid ten aanzien van wetten en regelgeving. Het betreft hier strafrechtelijke handhaving, welke via justitie ingegeven en afgehandeld wordt. Dit betekent dat de politie bevoegd is om het strafbare feit te beëindigen en een horeca-inrichting daartoe, met of zonder toestemming van de exploitant, te ontruimen en te sluiten. De duur van de sluiting hangt samen met de duur van het strafrechtelijk onderzoek.
Gegevens vanuit de algemene opsporingsbevoegdheid kunnen van belang zijn bij en van invloed zijn op de gemeentelijke uitvoerings- en beheerstaken ten aanzien van de vergunningverlening (weigeringen, intrekkingen).
Ten derde kan de politie ook een toezichthoudende taak hebben. Op grond van gemeentelijke regelgeving zoals de Algemene Plaatselijke Verordening kunnen – naast gemeentelijke toezichthoudende en opsporingsambtenaren - ook politieambtenaren met het toezicht belast worden. In Hellevoetsluis is de politie formeel ook aangewezen als - complementair - toezichthouder ten aanzien van de horeca.
Indien overtredingen zijn geconstateerd, wordt er overgegaan tot het opleggen van sancties. Sanctionerend optreden betekent het toepassen van een bestuurlijke maatregel. De bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten die daarbij kunnen worden toegepast zijn beschreven in de Algemene wet bestuursrecht en diverse bijzondere wetten. In het handhavingsarrangement worden ze concreet benoemd en uitgewerkt, toegepast op de Hellevoetse situatie. In dit basiskader benoemen we de instrumenten slechts in algemene zin:
- -
- -
bestuurlijke waarschuwing;
- -
- -
proces-verbaal (‘bekeuring’);
- -
wijzigen of intrekking vergunning (tijdelijk of definitief);
- -
opleggen last onder dwangsom;
- -
opleggen last onder bestuursdwang.
Zowel de boa's als de politiefunctionarissen die werkzaam zijn in Hellevoetsluis, zijn benoemd als toezichthouders én als opsporingsambtenaar. In het handhavingsarrangement is voorzien dat zij in voorkomende gevallen ook verbaliserend op kunnen treden. Hierbij wordt nogmaals benadrukt dat het verbaliserend optreden een ondersteunend en aanvullend karakter heeft ten dienste van het bestuurlijk optreden door burgemeester niet bedoeld is als straf. Het inzetten van de diverse instrumenten is weloverwogen voor de relevante juridische kaders. In de volgende paragraaf worden de toepassingskaders nader beschreven.
Bij het vormgeven aan een concrete vertaling van de beleidsvisie ten aanzien van handhaving, naar een praktische toepassing in de vorm van het handhavingsarrangement zijn een aantal fundamentele criteria en overwegingen van toepassing. Deze overwegingen vormen de ruggengraat van het beleid. Iedere genomen maatregel kan hieraan getoetst worden. Hieronder worden de criteria beschreven.
Duidelijkheid en rechtszekerheid
In het kader van het in de Algemene wet bestuursrecht gecodificeerde beginsel van rechtszekerheid, is het zowel voor de ondernemer van een horecabedrijf als voor de bewoners van Hellevoetsluis, belangrijk te weten wanneer het bevoegd orgaan, de Burgemeester, een bestuurlijke maatregel kan treffen. Helderheid wordt geboden wanneer duidelijk is voor welke overtreding een bestuursrechtelijke sanctie volgt (concretisering van handhaving). Ook hierin geeft het handhavingsarrangement inzicht. In het handhavingsarrangement wordt daaraan vorm gegeven zodat ook de handhavers een concrete leidraad hebben bij het uitoefenen van hun functie en taak.
Karakter van het sanctioneren
Het karakter van een te nemen bestuurlijke handhavingsmaatregel is meestal herstellend van aard. De in de toepassingstabel beschreven middelen tot sanctioneren, hebben als doel de ongeoorloofde toestand te beëindigen en het in overeenstemming te brengen met de gewenste situatie. Ondernemers van horecabedrijven zijn zelf eerst verantwoordelijk voor een goede exploitatie en zij moeten er voor zorgen dat de openbare orde of het woon- en leefklimaat door de wijze van exploiteren niet wordt aangetast. Preventie is daarom de meest effectieve vorm van handhaving. Dit wordt bereikt doormiddel van het stellen van heldere regels en voorschriften en goede communicatie.
Het treffen van een bestuursrechtelijke sanctie heeft een herstellend karakter en betreft geen strafmaatregel. Strafmaatregelen worden door de politie opgelegd.
Bij het opleggen van een bestuurlijke maatregel of het opmaken van een proces verbaal is middels het handhavingsarrangement gekeken naar het proportionaliteitsbeginsel. Dit arrangement voorziet in een evenwichtige handhaving. Het middel moet niet erger zijn dan de kwaal, maar zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Een toegepaste sanctie moet afgestemd zijn op de aard van de overtreding en op zo goed en evenwichtig en proportioneel mogelijk wijze de overtreding beëindigen.
Bij een ernstige verstoring van de openbare orde, bijvoorbeeld een schietincident, kan het noodzakelijk zijn dat de geschokte openbare orde zich moet herstellen en de vrees voor herhaling moet worden voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld het beste bewerkstelligd worden door het horecabedrijf voor een bepaalde periode te sluiten. In een dergelijk geval zal het opleggen van een dwangsom of intrekking van een vergunning, niet hetzelfde directe effect hebben. Wel kunnen dergelijke instrumenten in een vervolgfase effectief zijn, om de bereikte situatie in stand te houden en herhaling te voorkomen.
Aard en ernst van de overtredingenHet arrangement geeft in de vorm van een toepassingstabel concreet gestalte aan welk middel voor welke situatie het meest geschikt geacht is, gelet op de ernst van de situatie. De ene overtredingssituatie is meer ernstig dan de andere. Het niet voeren van een sticker met een leeftijdsaanduiding ten aanzien de verkoop van alcoholhoudende drank is bijvoorbeeld minder ernstig en heeft een veel lager risico dan dat er daadwerkelijk aan een minderjarige sterk alcoholhoudende drank wordt verstrekt.
Bij de totstandkoming is rekening gehouden met de risico’s die aan de diverse overtredingen kleven. Bij het opstellen is niet het wiel opnieuw uitgevonden maar is aangesloten bij landelijk algemeen aanvaardde criteria en uitgevoerde risicoanalyses. Modellen van andere gemeenten, waaronder Rotterdam, en landelijke instanties en projecten hebben model gestaan voor het handhavingsarrangement
Recidive en stapelen van maatregelen
Bij het opstellen van het arrangement is ook rekening gehouden met het feit dat bepaalde overtredingen bij herhaling plaatsvinden en/of dat er eerder overtredingen plaats hebben gevonden.
Het gaat dan om de handhavingshistorie van een ondernemer en/of zijn bedrijf. De vraag rijst dan in hoeverre overtredingen uit het verleden meegewogen moeten worden, en gedurende welke periode, bij het bepalen van de te nemen maatregel en de zwaarte daarvan. Daarbij is ook de verwijtbaarheid en de ernst van het feit relevant bij het bepalen van de inzet van de soort en mate van handhaving. Het stellen van een tijdsgrens lijkt arbitrair. Om een goed te motiveren termijn te hanteren is daarom als uitgangspunt een parallel getrokken met de landelijke wetgeving die zich richt op justitiële documentatie ten aanzien van het toetsen en oordelen van eisen met betrekking tot levensgedrag, moraliteit en zedelijkheid. Voorbeelden daarvan zijn de Drank- en Horecawet en de Wet op de kansspelen, maar ook de Algemene Plaatselijke Verordening. Van daaruit is per categorie een nadere invulling gegeven in de toepassing.
In enkele wetten in formele zin (Drank- en Horecawet en Wet op de kansspelen) is al bepaald dat het een termijn van vijf jaren voorafgaand aan de pleegdatum/ constateringsdatum van het actuele overtredingsfeit betreft. Ten aanzien van andere regelgeving waarin de gemeente zelf beleidsvrijheid en –ruimte heeft, is al naar gelang proportionaliteit en aard en motief van de regelgeving, in bepaalde gevallen gekozen voor eveneens een termijn van vijf jaren (bijv. ernstige incidenten en Opiumwet) of een kortere termijn, namelijk één of twee jaren. Maar ook in bijzondere en buitengewone gevallen waarbij het aankomt op de discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan, kan er conform deze vijfjaren termijn toepassing gegeven worden. De termijn van vijf jaren is echter voor bepaalde feiten te zwaar en buiten proportie. Daarom zijn er voor andere feiten ook andere, proportionele recidive-termijnen vastgesteld van twee of één jaar. Deze zijn indien van toepassing, ook direct inzichtelijk in de tabel.
Indien er geen termijn vermeld wordt, geldt dat er niet verder teruggekeken wordt dan de periode van één jaar (365 dagen) na datum van de geconstateerde overtreding. Is een eerder feit vóór die periode aan de orde geweest, dan wordt dit niet meegewogen en begint de ondernemer met schone lei. Indien er binnen de recidivetermijn echter meerdere overtredingen plaatsvinden, wordt er automatisch teruggevallen op de volgende stap in het arrangement.
Los van het recidive aspect voor zover het de historie van een horecabedrijf of –ondernemer betreft, is ook een aantal overtredingen binnen een tijdsperiode van invloed op het bepalen van de soort en zwaarte van de op te leggen handhavingsmaatregel. Indien de recidivetermijn bijvoorbeeld één jaar is, dan worden meerdere overtredingen binnen dat jaar gestapeld en opgeteld. Daarmee wordt het zogenaamde “calculerend ondernemen” voorkomen. De ernst en ook de verwijtbaarheid wordt immers groter (een gewaarschuwd ondernemer telt voor twee). Het achtereenvolgens plegen van verschillende overtredingen genoemd in het handhavingsarrangement, binnen de bepaalde recidivetermijn, kan leiden tot het overslaan van bepaalde beschreven stappen in de overheidsreactie op afzonderlijke overtredingen. Ook hier is de discretionaire bevoegdheid van de burgemeester.
Samenloop bestuurs- en strafrecht
Zoals opgemerkt vindt handhaving zoals bedoeld in het arrangement, zijn grondslag in zowel het strafrecht als het bestuursrecht. In het kader van de handhaving zal voornamelijk bestuursrechtelijk worden gehandhaafd alhoewel bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving elkaar kunnen aanvullen en versterken. Het strafrecht wordt als “ultimum remedium” (laatste middel) gezien voor overtredingen die niet alleen met een bestuursrechtelijk instrument zijn te beëindigen.
Strafrecht en bestuursrecht kunnen naast elkaar toegepast worden, echter op voorwaarde dat bestuursrechtelijk optreden niet het karakter van straf heeft (punitief), maar juist ondersteunend (complementair) bedoeld is met een herstellend karakter.
Bevoegdheden in het kader van toezicht en opsporing komen voor een belangrijk deel overeen en tevens is er sprake van soortgelijke overige eisen waaraan het gebruik van bevoegdheden moet voldoen, bijvoorbeeld inzake redelijkheid.
Daarnaast zijn er essentiële verschillen tussen, meer algemeen gesteld, het bestuursrecht (toezicht) en het strafrecht (opsporing).
Praktisch alle bestuursrechtelijke regelingen waarbij ver- of geboden worden opgelegd, bestempelen de overtreding van die voorschriften tot een strafbaar feit. De hantering van de strafsanctie is geen zaak voor bestuursorganen in de gewone zin: over de strafvervolging wordt beslist door het openbaar ministerie (OM), de eventuele strafoplegging geschiedt door de strafrechter.
In beginsel kunnen administratieve bestuursrechtelijke sancties en een strafrechtelijke sanctie naast elkaar worden opgelegd. Soms kan één soort sanctie nu eens een herstellend, dan weer een punitief, en in nog weer andere gevallen een gemengd karakter dragen.
Daderschap, slachtofferschap en verwijtbaarheid (overtreder) strafrecht en bestuursrecht
In het strafrecht kan een sanctie niet alleen worden opgelegd aan degene die de gedraging in fysieke zin verricht, maar ook door degene die daarvoor maatschappelijk gezien verantwoordelijk is. Er wordt aansluiting gezocht bij het civiele recht ontleende daderschap criterium, op grond waarvan wordt bezien of de betreffende handeling in het maatschappelijk verkeer als handeling van de rechtspersoon heeft te gelden.
In het bestuursrecht is het niet anders. Dit betekent dat in veel gevallen een bedrijf of instelling of de leiding van een bedrijf of instelling als overtreder zal kunnen worden aangemerkt, ook al is de gedraging in fysieke zin gepleegd door een werknemer.
In bepaalde gevallen is een vergunninghouder/ondernemer zelf het slachtoffer van bepaalde overtredingssituaties. Met name ten aanzien van incidenten in de sfeer van geweld kan dit voorkomen. Bij een (roof-)overval of vechtpartij kan het zijn dat de omstandigheden zo zijn, dat de situatie niet toe te rekenen is aan de formeel voor de gang van zaken in het horecabedrijf verantwoordelijk zijnde personen. Indien blijkt dat een overtreding of voorval dat per definitie zou moeten leiden tot bestuurlijk optreden, niet aangerekend en verweten kan worden, en er sprake is van slachtofferschap, dan kan gelet op redelijkheid en billijkheid afgezien worden van het bestuurlijk handhaven. Dit alles staat overigens los van de daadwerkelijke handhaving op zich die voorafgegaan is (controle/inspectie in het horecabedrijf).
Bijlage 4 - Handhavingsprotocol Horeca District De Eilanden (handhavingsarrangement)
Het bij dit beleid gevoegde handhavingsarrangement wordt in 3
e kwartaal 2015 geactualiseerd.