Gemeente Nieuwegein, Verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Nieuwegein d.d. 17 maart 2015;
gelet op artikel 149 Gemeentewet;
besluit
Vast te stellen
Verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening
De Algemene plaatselijke verordening wordt als volgt gewijzigd:
Artikel I
A.
Artikel 1:3 wordt als volgt gewijzigd:
Na het tweede lid wordt een lid toegevoegd dat als volgt luidt:
3.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt de indiening van een aanvraag voor een evenementvergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, ten minste twaalf weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft ingediend, indien sprake is van een evenement met een risicoprofiel ‘evenement met verhoogde aandacht’, ‘grootschalig’ of ‘risico-evenement’.
B.
Artikel 2:10 wordt als volgt gewijzigd:
  • 1.
    In het tweede lid, onder c, wordt ‘reclamedriehoeksborden’ vervangen door: reclameborden die gevestigd zijn aan openbare verlichting op of aan de weg;
  • 2.
    In het tweede lid, onder c, wordt onder verlettering van onderdeel d in onderdeel e een nieuw onderdeel d ingevoegd dat luidt:
    • d.
      oplaadpalen voor elektrische voertuigen;
C.
Na artikel 2:24 wordt een nieuw artikel ingevoegd dat als volgt luidt:
Artikel 2:24a Risico profiel evenementen
  • 1.
    Onder risicoprofiel wordt verstaan: een typering van een evenement aan de hand van een methode waarbij nader benoemde risico's worden gekwantificeerd door het bepalen van de kans dat een dreiging zich voordoet en de gevolgen daarvan.
  • 2.
    De burgemeester kan bij de beoordeling van aanvraag voor een evenementvergunning voorschriften toepassen waarbij evenementen onderscheidenlijk gecategoriseerd kunnen worden in het risicoprofiel regulier evenement, evenement met verhoogde aandacht of grootschalig evenement dan wel risico-evenement.
  • 3.
    Voorschriften over een risicoprofiel bevatten in ieder geval aspecten die betrekking hebben op:
    • a.
      het soort activiteit;
    • b.
      het publiek dat een evenement bezoekt;
    • c.
      ruimtelijke en milieuaspecten;
    • d.
      de volksgezondheid.
D .
Artikel 2:25 wordt als volgt gewijzigd:
In het tweede lid, onder a, wordt ‘dan 100 personen;’ vervangen door: dan 150 personen;
E .
Het negende lid van artikel 2:28 wordt geschrapt.
F.
In artikel 2:40, tweede lid, vervalt:, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.
G .
In artikel 2:48, eerste lid, wordt na ‘Het is’ ingevoegd: voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.
H .
Artikel 2:57 wordt als volgt gewijzigd:
  • 1.
    In het eerste lid, onder a, wordt ‘binnen de bebouwde kom openbare plaats’ vervangen door: binnen de bebouwde kom op de weg.
  • 2.
    In het eerste lid, onder c wordt ‘op of aan de weg’ vervangen door: op de weg.
I.
In artikel 2:58 wordt als volgt gewijzigd:
  • 1.
    In het eerste lid, onder a, wordt ‘binnen de bebouwde kom, op of aan de weg’ vervangen door: op een openbare plaats begeeft;.
  • 2.
    In het derde lid wordt ‘op de weg bevindt’ vervangen door: binnen de bebouwde kom op de weg begeeft;.
  • 3.
    In het vierde lid, wordt ‘op of aan de weg bevindt,’ vervangen door: binnen de bebouwde kom op de weg begeeft, .
J.
In artikel 2:60, tweede lid, vervalt na ‘plaats die’ het woord ‘een’ en wordt na ‘gelegen binnen’ ingevoegd: een.
K .
In artikel 2:67, eerste lid, onder c, wordt na ‘voor’ ingevoegd: zover.
L .
Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 15, komt als volgt te luiden:
Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding , veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebiedsontzegging
M .
Artikel 2:78 komt te luiden:
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
  • 1.
    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste vierentwintig uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
  • 2.
    Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
  • 3.
    Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
  • 4.
    De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
N .
Artikel 4:6, derde lid wordt als volgt gewijzigd:
  • 1.
    In onderdeel a wordt ‘maandag t/m vrijdag’ vervangen door: maandag tot en met zaterdag.
  • 2.
    Na onderdeel d wordt een nieuw onderdeel e ingevoegd dat luidt:
    • a.
      voor noodreparaties aan de openbare weg. De opdrachtgever van deze werkzaamheden stelt direct omwonenden van tevoren hiervan op de hoogte.
O .
Artikel 4:17 komt te luiden:
Artikel 4:17 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
P .
In artikel 5:6 wordt het tweede lid geschrapt.
Q .
Artikel 5:8 wordt als volgt gewijzigd:
Na het derde lid wordt een nieuw vierde lid toegevoegd dat als volgt luidt:
4.Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.
R .
Artikel 6:2 wordt als volgt gewijzigd:
Het eerste lid komt te luiden:
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de opsporingsambtenaren zoals bedoeld in artikel 141, onder b, Wetboek van Strafvordering alsmede functionarissen van de GGD Midden Utrecht.
Artikel II
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30 april 2015.
de griffier, de voorzitter,
T oelichting bij de Verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening
Algemeen
De Algemene plaatselijke verordening wordt periodiek geactualiseerd. De onderhavige wijzigingen hebben betrekking op beleidsmatige en technische aanpassingen.
Beleidsmatige aanpassingen
De indieningstermijn voor het aanvragen van een evenementvergunning wordt verruimd. De reden hiervoor is dat uit de vergunningsverleningspraktijk blijkt dat hier behoefte aan bestaat bij de evenementen ketenpartners (politie, VRU en GHOR).
Het artikel dat voorwaarden regelt op het plaatsen van voorwerpen op en aan de weg wordt op een aantal punten aangescherpt.
De burgemeester wordt bevoegd om bij de beoordeling van aanvragen voor evenementvergunning voorschriften te formuleren met betrekking tot specifieke risicoprofielen van een evenement. Hiertoe wordt een nieuw artikel aan de afdeling evenementen toegevoegd.
Daarnaast wordt de reikwijdte van de vergunningsvrije (maar wel meldingsplichtige) evenementen verruimd.
De bepaling over gebiedsontzeggingen wordt geactualiseerd conform de bepaling in VNG model APV en de laatste ontwikkelingen in de jurisprudentie hierover.
Technische aanpassingen
Er worden tekstuele aanpassingen doorgevoerd. De ledenbrief van de VNG over de model-APV heeft als leidraad gediend.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel I
Onderde e l A
Indieningstermijn evenementvergunning (artikel 1:2)
Bij het indienen van een aanvraag voor een evenementvergunning geldt tot nu toe de standaard indieningstermijn van 4 weken voor het tijdstip waarop het evenement zal plaatsvinden. In de praktijk blijkt dat deze termijn te kort is indien het grote of risicovolle evenementen betreft. Een zorgvuldige belangenafweging staat voorop. Onderdeel van die belangenafweging is dat met de evenementketenpartners (stadstoezichthouders, politie, brandweer (VRU) en andere hulpdiensten) tijdige afstemming plaatsvindt. De afgelopen jaren zijn tevens de aanvragers van de jaarlijks terugkerende evenementen aangespoord om hun aanvragen voor evenementen bijtijds (d.w.z. tenminste 12 weken voordat het evenement gaat plaatsvinden) in te dienen. De ervaring leert dat de praktijk weerbarstig is, zeker als het gaat om eenmalige evenementen waar de nodige risico’s aan kleven. Strikt juridisch gezien kan de burgemeester een aanvraag niet in behandeling nemen en handelen conform de vereisten van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is ook de strekking van artikel 1:3, eerste lid. Het buiten behandeling laten van te laat ingediende omvangrijke aanvragen voor evenementvergunningen kan leiden tot afhandelingen van aanvragen die mogelijk onnodig worden gejuridiseerd (bezwaarschriften). Naast een zorgvuldige belangenafweging is een efficiënte en effectieve samenwerking met evenement ketenpartners van belang. Het organiseren van grootschalige (risicovolle) evenementen vereist dat de inzetbaarheid van de hulpdiensten ruimschoots van tevoren wordt ingepland in verband met de schaarse beschikbaarheid van mankracht. Daarom wordt voorgesteld om de termijn voor de indiening van de aanvraag van een evenementvergunning te verruimen van 4 weken naar 12 weken voor het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt. Deze termijn geldt alleen voor evenementen met een risicoprofiel ‘evenement met verhoogde aandacht’ of ‘grootschalig evenement’ dan wel ‘risico-evenement’.
Onderdeel B
Dit onderdeel betreft een wijziging van de bepaling 2:10 (Het plaatsen van voorwerpen op openbare plaatsen in strijd met de publieke functie ervan).
In het tweede lid worden “reclamedriehoeksborden” als categorie voorwerpen benoemd waar het college nadere regels over op kan stellen. De huidige borden hebben 2 vlakken en vallen dus niet meer onder deze noemer. Vandaar dat voorgesteld wordt om de terminologie aan te passen in reclameborden die is gevestigd aan openbare verlichting op of aan de weg.
Het gemeentebestuur vindt het belangrijk om in het kader van duurzaamheid de mogelijkheid van elektrische oplaadpalen voor motorvoertuigen te faciliteren. Er wordt hier specifiek beleid voor opgesteld. Vandaar dat het wenselijk is om deze categorie van voorwerpen op de weg nadrukkelijk in deze bepaling op te nemen.
Onderdeel C
Risicoprofiel (artikel 2:24a)
Er zijn evenementen in allerlei soorten en maten. Sommige evenementen worden jaarlijks gehouden. De laatste jaren is er een tendens ontstaan om eenmalige grootschalige of risico-evenementen te houden. In artikel 1:8 worden de algemene weigeringsgronden voor vergunningen (en ontheffingen) geregeld. Een aanvraag voor een evenementvergunning kan worden geweigerd indien het in strijd is met de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu. Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag voor evenement zullen deze weigeringsgronden nader geconcretiseerd moeten worden. Hierbij is het wenselijk dat gestandaardiseerde criteria gehanteerd worden bij de vergunningsvoorwaarden. Dit bevordert de rechtszekerheid en de eenduidigheid van de openbare orde en veiligheidsbeleid ten aanzien van evenementen. In den lande is het gemeengoed dat gemeenten risicoprofielen (of een risicoanalyse methode) hanteren bij de beoordeling van aanvragen voor evenementvergunningen. In het nieuwe artikel 2:24a wordt aan de burgemeester de bevoegdheid toegekend om bij de beoordeling van de aanvragen voor evenementen risicoprofielen te hanteren en daar voorschriften over op te nemen in de vergunning. De reeds bestaande en gehanteerde risicoprofielen van de VRU worden hierbij als leidraad gehanteerd. De burgemeester kan de risicoprofielen van evenementen uitwerken in beleidsregels.
Onderdeel D
Klein evenement (artikel 2:25)
Een klein evenement (bijvoorbeeld een buurtbarbecue op 1 dag) is niet vergunningplichtig indien het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen. Daarnaast gelden nog aanvullende vereisten. De uitvoeringspraktijk laat regelmatig zien dat voor sommige evenementen een vergunning noodzakelijk is, terwijl het risicoprofiel niet daartoe noopt. Voorgesteld wordt om de scoop van meldingsplichtige evenementen te verruimen naar 150 personen.
Onderdeel E
In artikel 2:28 lid 9 Apv is opgenomen dat een beslissing op een horeca-exploitatievergunning wordt aangehouden, totdat is beslist op de benodigde drank- en horecavergunning. In de praktijk is dit echter niet werkbaar gebleken. Zo kan het zijn dat een ondernemer in een deel van de horecagelegenheid nog bezig is met verbouwen om te voldoen aan de eisen van de drank- en horecavergunning, terwijl de betreffende ondernemer wel alvast een terras zou willen exploiteren (uiteraard zonder verstrekking van alcoholische dranken). Het betreffende artikellid belemmert dit en is daarmee niet ondernemersvriendelijk. Daarom wordt het genoemde lid van artikel 2:28 Apv geschrapt.
Onderdelen F
In dit artikel wordt een technische aanpassing doorgevoerd ten aanzien van artikel 2:40.
Onderdeel G
In dit onderdeel wordt een technische aanpassing doorgevoerd. Dit artikel betreft een aanpassing op artikel 2:48 (Verboden drankgebruik). Door aanpassing in de Drank- en Horecawet van de leeftijd waarop jongeren in het openbaar alcohol mogen drinken ontstond een overlap met dit artikel. Het APV-artikel is om die reden aangepast. Het verbod op het gebruik van alcohol door jongeren onder de 18 jaar in het openbaar wordt geregeld in de Drank- en Horecawet.
Onderdelen H en I
Deze onderdelen bevatten wijzigen op de artikelen 2:57 (Loslopende honden) en 2:58 (Verontreiniging door honden). De aanpassingen hebben te maken met de handhaafbaarheid en goede aansluiting met de op grondslag hiervan op te leggen bestuurlijke strafbeschikkingen door de buitengewone opsporingsambtenaren (Boa’s).
In de onderdelen J en K worden technische aanpassingen doorgevoerd.
Onderdelen L
Dit onderdeel betreft een technische aanpassing in het opschrift van een afdeling.
Onderdeel M
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
Algemeen
Met de gebiedsontzeggingbepaling in de APV kan een burgemeester optreden tegen personen die overlast veroorzaken in de openbare ruimte. De gebiedsontzegging was in eerste instantie bedoeld voor gebruik bij overlast veroorzaakt door drugshandel en drugsgebruik. Maar het instrument kan ook worden toegepast bij andere vormen van overlast. Afhankelijk van hoe de bepaling wordt ‘ingevuld’. Bijvoorbeeld wanneer de overlast veroorzaakt wordt doorsamenscholing, hinderlijk drankgebruik, geweldpleging etc. Om onveiligheidsgevoelens en overlast te verminderen, passen veel gemeenten dit instrument toe. De gebiedsontzegging wordt opgelegd aan personen die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten en veelal al eenmaal een bestuurlijke waarschuwing hebben ontvangen. Voor het toepassen van een openbare-ordemaatregel, zoals een gebiedsontzegging, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Er moet zijn voldaan aan het situatievereiste, dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van omstandigheden die tot ingrijpen ter handhaving van de openbare orde kunnen noodzaken. Daarnaast moet ook voldaan zijn aan het doelcriterium: de maatregel moet zijn gericht op het beëindigen of voorkomen van (verdere) ordeverstoringen of overlast of het beperken van de gevolgen daarvan. Het toepassen van de bevoegdheid kan alleen ten tijde van een (dreigende) ordeverstoring. De duur van deze concrete maatregel moet direct gekoppeld zijn aan de situatie dat er gevaar dreigt voor de openbare orde. Hierdoor kan de duur van de maatregel niet onevenredig lang zijn. Doorgaans is daarom ook sprake van een trapsgewijze opbouw. Bij de toepassing van de maatregel mag niet worden afgeweken van wettelijke voorschriften. Ten slotte moet de maatregel voldoen aan de eisen van subsidiariteit (er is geen minder zwaar middel voorhanden) en proportionaliteit (het bevel moet in verhouding staan tot de te bestrijden problematiek c.q. het te bereiken doel).
Overtreding van een gebiedsontzegging die krachtens dit artikel is gegeven, is een overtreding van een ambtelijk bevel (artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht); dus niet een overtreding van de APV zelf. Het is een misdrijf; overtreding wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Kan van de overtreder geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland worden vastgesteld, dan is strafrechtelijk onder omstandigheden voorlopige hechtenis mogelijk.
Lid 1
De burgemeester is het bevoegde bestuursorgaan dat de gebiedsontzegging kan opleggen. Nu het in het eerste lid gaat om gebiedsontzeggingen van korte duur, kan deze bevoegdheid worden gemandateerd aan opsporingsambtenaren. In de regel zal, alvorens over te gaan tot oplegging van een dergelijke gebiedsontzegging, eerst een waarschuwing worden gegeven.
Lid 2
Het tweede lid ziet op de situatie dat een openbare-ordeverstoorder opnieuw een misstap begaat met betrekking tot strafbare feiten of de openbare orde in een bepaald gebied. In dit geval is het gelegitimeerd om een gebiedsontzegging van meerdere weken op te leggen. Immers zal veelal eerst een waarschuwing hebben plaatsgevonden, vervolgens de oplegging van een kortdurende gebiedsontzegging en pas daarna een gebiedsontzegging in de zin van het tweede lid. Er is aldus een dusdanige voorgeschiedenis dat proportionaliteit en subsidiariteit niet aan een langdurig gebiedsontzegging in de weg staan.
Lid 3
Het is in het licht van proportionaliteit en subsidiariteit geboden om slechts tot oplegging van een langdurige gebiedsontzegging over te gaan, wanneer de gedraging waarop deze oplegging betrekking heeft binnen een bepaalde periode na oplegging van de eerste gebiedsontzegging plaatsvindt. Vindt de gedraging aldus na deze periode plaats, dan wordt een langdurige gebiedsontzegging niet gelegitimeerd geacht.
Lid 4
Dit lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om, wanneer hij dat noodzakelijk acht in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, het bevel te beperken. Hierbij zal rekening gehouden worden met (de noodzaak) zich in het aangewezen gebied te bevinden in een middel van openbaar vervoer, het aldaar werkzaam en/of woonachtig zijn, een (ander) aantoonbaar redelijk belang om zich aldaar op te houden, staatkundige en religieuze vrijheid en het familieleven. Ook is ontheffing mogelijk.
Onderdeel N
Dit onderdeel betreft een aanpassing van artikel 4:6 (Overige geluidhinder). Dit artikel (eerste lid) regelt dat het verboden is buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. In het tweede lid worden uitzonderingsituaties geregeld wanneer dit verbod niet van toepassing. Het uitvoeren van reparaties aan de weg wordt nu specifieker geduid: het moet gaan om noodreparaties aan de weg. Een voorbeeld hiervan is een ernstige verzakking of scheur in de weg die risico’s voor de verkeersveiligheid met zich meebrengt. Het tijdstip waarbinnen een dergelijke noodreparatie wordt toegestaan is ook aangepast, namelijk van 7.00 tot 19.00 uur. Er is nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de vergelijkbare bepaling in het Bouwbesluit. Voorts wordt geregeld dat de opdrachtgever van noodreparaties de omwonenden in kennisstelt wanneer de reparaties zullen plaatsvinden.
Onderdeel O
Dit onderdeel betreft een technische aanpassing van artikel 4:17. Het begrip bouwvergunning is aangepast in omgevingsvergunning voor het bouwen en voorts wordt verwezen naar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Onderdeel P
Dit onderdeel betreft een wijziging van artikel 5:6 (Kampeermiddelen e.a.). De ontheffingsmogelijkheid, die dit artikel biedt in het tweede lid wordt geschrapt in het kader van deregulering en de verkozen handhavingsstrategie.
Onderdeel Q
In dit onderdeel wordt artikel 5:8 gewijzigd. In het nieuwe vierde lid wordt het mogelijk gemaakt dat ook campers, caravans en kampeerwagens die door hun afmetingen onder het verbod van het eerste lid zouden vallen, toch voor maximaal 3 dagen op de weg geparkeerd mogen blijven staan.
Onderdeel R
Dit onderdeel betreft een tekstuele wijziging op artikel 6:2, eerste lid. Op advies van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum Midden Nederland (RIEC MN) wordt in dit artikellid de opsporingsambtenaren zoals bedoeld in artikel 141, onder b, Wetboek van Strafvordering alsmede functionarissen van de GGD Midden Utrecht aangewezen als bedoeld in toezichthouders. Alle gemeenten binnen de Regio Midden-Nederland hebben hun APV’s op een dergelijke wijze aangepast om zodoende een eenduidige verwijzing van toezichthouders in de APV te bewerkstelligen.
Naar boven