Gemeenteblad van Vlissingen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
VlissingenGemeenteblad 2015, 39969Beleidsregels
Beleidsregels leerlingenvervoer gemeente Vlissingen
 
Deze beleidsregels zijn een uitwerking van enkele artikelen van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Vlissingen 2014 (verder: de verordening). Het doel van de beleidsregels is de beoordelingsruimte van het college, dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de verordening, nader in te vullen.
 
Beleidsregel 1 Het vaststellen van de reistijd
De basis in de verordening: artikel 1 en de artikelen 12 lid 1, sub a en 18 lid 1 , sub a . In deze beleidsregel wordt bepaald op welke wijze het college de reistijd met het openbaar vervoer vaststelt.
Het vaststellen van de reistijd per openbaar vervoer vindt plaats op basis de door de REISinformatiegroep b.v. beschikbaar gestelde informatie via 0900-9292, www.9292ov.nl en mobiel.9292ov.nl. Voor het vaststellen van de reistijd per aangepast vervoer, wordt de vervoerder geraadpleegd.
 
Beleidsregel 2  Vaststellen van de kosten van openbaar vervoer
Basis in de verordening Leerlingenvervoer:  artikel1 en de artikelen 10,13 lid 2 en17  Lid 1, 19 lid 2. In deze beleidsregel bepaalt het college hoe de hoogte van de kosten voor openbaar vervoer wordt vastgesteld.
Het vaststellen van de kosten van openbaar vervoer en de daaraan gerelateerde vergoeding vindt plaats op basis van de door de REISinformatiegroep bv beschikbaar gestelde informatie via 0900-9292, www.9292ov.nl en mobiel.9292ov.nl.
 
Beleidsregel 3  Opstapplaatsen
De basis in de verordening: artikel 1 en artikel3 lid1. 3 lid 1. In deze beleidsregel wordt bepaald wat de maximale afstand tussen de woning en de opstapplaats mag zijn.
De gemeente maakt op verschillende plekken gebruik van opstapplaatsen. Het gaat dan om grote groepen leerlingen die naar eenzelfde school of een school op dezelfde route vervoerd worden. Voor de gemeente is het dan goedkoper om busvervoer in te zetten en de kinderen bij een opstapplaats op te halen. Op grond van de verordening kan de gemeente nl. kiezen voor de goedkoopst mogelijke vervoersvoorziening (zie begrip “vervoersvoorziening” in artikel 1 van de verordening). De afstand van de woning tot de opstapplaats bedraagt maximaal 1000 meter, berekend met de ANWB routeplanner. Gekeken wordt naar de kortste afstand per fiets. 
 
Beleidsregel 4 Stage vervoer
De basis in de verordening: artikel 1 “stage”.  In deze beleidsregel bepaalt het college hoe het omgaat met de aanvragen voor stage vervoer
Stage vormt een onderdeel van het onderwijsprogramma. De kosten van dit vervoer zijn echter hoog, omdat de stageplekken altijd buiten de schoollocaties staan. Daarnaast wijken de stagetijden regelmatig af van de schooltijden.
Als stageplek wordt gezien de werkplek waarvoor ten behoeve van de leerling een stage overeenkomst is opgesteld. Hierin is onder meer beschreven met welk doel de leerling stage loopt, wat de werkzaamheden zijn en voor welke periode de stage is afgesproken. Een vergoeding voor de vervoerskosten van en naar de stageplek vindt plaats in aansluiting op de schooltijden, tenzij de branche waarin stage gelopen wordt deze aansluiting niet mogelijk maakt. Daarnaast zal de vergoeding zijn afgestemd op de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de stageplek en vice versa. Om de kosten van vervoer naar de stageplekken te beperken dient de school rekening te houden met de locatie van de stage. Bij de zoektocht naar de stageplek wordt door de scholen met de onderstaande rangorde van voorkeuren van de gemeente rekening gehouden. Nummer 1 heeft de meeste voorkeur enz.
  • 1. Een stageplek binnen de gemeente Vlissingen, waardoor leerlingen minder lang hoeven te reizen en hun maatschappelijke betrokkenheid met Vlissingen wordt vergroot;
  • 2. Een stageplek op de route naar de school van de leerling;
  • 3. Een stageplek binnen de regio Walcheren;
  • 4. Een stageplek buiten Walcheren, maar wel op een bestaande vervoersroute.
Er wordt geen vervoerskostenvergoeding toegekend indien er niet ook recht bestaat op vervoerskostenvergoeding naar de school. Voor de stageplek geldt hetzelfde afstandscriterium als voor de school en er vindt geen vergoeding plaats als de stageplek binnen de afstandsgrens staat.
Ter voorbereiding op deelname in het maatschappelijk verkeer door de leerling en het vergroten van de zelfredzaamheid wordt voor het stage vervoer gekeken naar de mogelijkheden van het reizen met de (brom-)fiets en/of het openbaar vervoer. Er wordt een zo maximaal mogelijke zelfstandige manier van reizen naar het stageadres nagestreefd. Dit vormt de basis van de verstrekte vergoeding.
 
Beleidsregel 5 Ongeoorloofd gedrag leerlingen
De basis van dit artikel is niet direct in de verordening te vinden, maar heeft te maken met de wijze waarop het college omgaat met onwenselijk gedrag van leerlingen in het aangepast vervoer.
In het aangepaste vervoer kan er sprake zijn van ontoelaatbaar of onacceptabel gedrag door de leerlingen. Wanneer zich een dergelijke situatie voor doet, handelt de gemeente op een eenduidige wijze. Het onderstaande protocol wordt in dergelijke situaties gevolgd. Ongeacht de maatregelen die vanuit de gemeente genomen worden, blijft de ouder conform artikel 2 lid 3 van de verordening verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun kind.
 
Protocol “ongeoorloofd gedrag leerlingen” gemeente
 
 
De Gemeentelijke Vervoerscentrale (GVC) registreert alle meldingen en ondernomen acties. Een melding van ongeoorloofd gedrag wordt eerst tussen de vervoerder en de GVC besproken.
 
Mocht de GVC en de vervoerder er samen niet uitkomen dan zal er door de gemeente een eigen onderzoek gedaan worden. De gemeente neemt contact op met de ouders/verzorgers en eventueel de school. Indien tijdens het onderzoek geen ongeoorloofd gedrag wordt geconstateerd dan wordt met ouders en GVC bezien of een verandering in het vervoer (begeleiding, andere zitplaats, andere taxi, ander soort vervoer, e.d.) alsnog aangewezen is.
 
Indien ouders c.q. verzorgers rechtstreeks contact opnemen met de gemeente zal de verantwoordelijk medewerker eerst contact opnemen met de GVC om te bezien of zij het probleem met de vervoerder op kunnen lossen.
 
Indien er tijdens het onderzoek – naar het oordeel van de gemeente – voldoende aanwijzingen zijn van ongeoorloofd gedrag en overleg met de ouders geen oplossing biedt dan ontvangen de ouders/ verzorgers een 1e waarschuwingsbrief van de gemeente. Indien in het betreffende voertuig een zitplaats vrij is dan kan door de gemeente aan ouders een zitplaats beschikbaar worden gesteld zodat zij mee kunnen reizen als begeleider op de route. Eventuele meerkosten komen voor rekening van de ouders/verzorgers. In de brief wordt aangegeven dat bij aanhoudend of terugkerend ongeoorloofd gedrag de leerling de toegang tot aangepast vervoer (dit kan zowel schoolbus, taxi-/taxibus of rolstoeltaxibus zijn) wordt ontzegd.
 
Bij aanhoudend of terugkerend ongeoorloofd gedrag ontvangen de ouders/verzorgers een 2e waarschuwingsbrief waarin wordt meegedeeld dat de leerling per direct vijf schooldagen wordt geschorst voor het leerlingenvervoer.
 
Indien na een tijdelijke schorsing het ongeoorloofd gedrag aanhoudt dan volgt uitsluiting van het vervoer tot het eind van het schooljaar met een minimum van 60 schooldagen. Dit betekent dat de uitsluiting door kan lopen in het nieuwe schooljaar.
 
Indien het gedrag van een leerling of leerlingen zodanig is dat de vervoerder de veiligheid van alle betrokkenen niet meer kan garanderen, dan zal de vervoerder in overleg met de GVC per direct maatregelen nemen waardoor de veiligheid weer gegarandeerd kan worden. In overleg tussen de GVC, gemeente en eventueel andere betrokkenen wordt daarna tot een definitieve oplossing besloten.
 
  • -
    De GVC ontvangt een afschrift van de waarschuwingsbrieven en via het nieuwe systeem wordt door verantwoordelijk medewerker van de gemeente ook zelf melding gemaakt en de brieven in het systeem gehangen.
  • -
    De gemeente kan de hierboven genoemde termijnen van schorsing (na overleg met de GVC ) aanpassen aan de ernst van ongeoorloofd gedrag.
  • -
    Bij schorsing of uitsluiting worden ouders/verzorgers een vergoeding aangeboden voor de kosten van openbaar vervoer. Dit – naar het oordeel van de gemeente – al dan niet ook voor een begeleider.
  • -
    Voor de situatie van geweld, intimidatie en/of misbruik is een apart protocol opgesteld.
     
 
Beleidsregel 6 Calamiteiten in de omgang
De basis van dit artikel is niet direct in de verordening te vinden, maar heeft te maken met de wijze waarop het college omgaat met ontoelaatbaar gedrag, zoals intimidatie, geweld of misbruik door leerlingen of chauffeurs/begeleiders in het aangepast vervoer.
Het onderstaande protocol wordt in dergelijke situaties gevolgd:
 
Protocol ''Calamiteiten in omgang" gemeente Vlissingen
 
* Er wordt melding gemaakt van geweld, intimidatie of misbruik.
 
* De chauffeur/begeleider en betreffende leerling(en) treffen
elkaar per direct niet meer. De chauffeur/begeleider wordt per
direct en vooralsnog tijdelijk voor ander vervoer ingezet.
 
* Het SWVO, de GVC, de gemeente, de vervoerder, de
chauffeur/begeleider en de ouders worden direct op de hoogte
gesteld van de situatie.
 
* De gemeente en de vervoerder gaan in overleg om de
vervolgstappen te bepalen en het onderzoek vorm te geven.
Justitiële betrokkenheid ja/nee.
 
* Gedurende het onderzoek treffen de chauffeur/begeleider en de
betrokken leerling(en) elkaar niet.
 
* Als het onderzoek is afgerond wordt aan de hand van de resultaten
bepaald wat de vervolgstappen zullen zijn.
- Leerling(en) uitgesloten van vervoer
- Chauffeur/begeleider uit dienst
- Chauffeur/begeleider/leerling(en) gezuiverd en terug in route.
Vlissingen, 7 april 2015
de secretaris,
 
 
 
de burgemeester,
mr.drs.ing. M. (Martin) van Vliet
A.M. Demmers-van der Geest