Gemeenteblad van Utrecht (Utr)

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Utrecht (Utr)Gemeenteblad 2015, 17120Verordeningen
Herziening vrijstellingsverordening inrichtingen milieubeheer gemeente Utrecht
Strekt ter vervanging d.d. 24 februari 2015
VERORDENING VAN UTRECHT 2014 Nr. 27
(raadsbesluit van 26 juni 2008, waarin opgenomen de eerste wijziging, besluit van 9 april 2009 en besluit van 30 oktober 2014)
 
De raad der gemeente Utrecht, gelet op het voorstel van b. en w.
 
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;
gelet op de artikelen 2.21, 3.148, eerste lid en 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
 
 
BESLUIT
 
 
vast te stellen de volgende
 
Vrijstellingsverordening inrichtingen milieubeheer
 
Artikel 1 Begripsbepalingen
Deze verordening verstaat onder:
  • a.
    besluit: het Activiteitenbesluit;
  • b.
    inrichting: een inrichting type A of type B, als bedoeld in het Besluit;
  • c.
    houder van een inrichting: degene die als eigenaar, leidinggevende of anderszins een inrichting drijft
  • d.
    incidentele en collectieve festiviteit: een festiviteit waarvoor overeenkomstig deze verordening vrijstelling kan worden verleend of geweigerd;
Artikel 2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
  • 1.
    De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet, voor zover de naleving ervan redelijkerwijs niet kan worden gevergd, op jaarlijks nader door burgemeester en wethouders ten behoeve van collectieve festiviteiten aan te wijzen dagen of dagdelen.
  • 2.
    Het artikel 3.148 , eerste lid van het Besluit geldt niet, voor zover de naleving ervan redelijkerwijs niet kan worden gevergd, op jaarlijks nader door burgemeester en wethouders ten behoeve van collectieve festiviteiten aan te wijzen dagen of dagdelen.
  • 3.
    In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan door burgemeester en wethouders tevens worden bepaald, dat de daar genoemde voorschriften niet gelden in de gehele gemeente, maar in een of meer delen daarvan, of dat, gelet op de aard en omvang, een festiviteit als een collectieve festiviteit wordt aangewezen voor een beperkt aantal inrichtingen.
  • 4.
    Aan een aanwijzing kunnen algemene voorwaarden worden verbonden om overmatige hinder te voorkomen.
  • 5.
    Burgemeester en wethouders publiceren de dagen of dagdelen, die zij overeenkomstig het eerste en tweede lid ten behoeve van collectieve festiviteiten hebben aangewezen, in de digitale gemeenteberichten (www.officiëlebekendmakingen.nl)
  • 6.
    Burgemeester en wethouders kunnen, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet was te voorzien, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit aanwijzen.
Artikel 3 Ontheffing incidentele festiviteiten
  • 1.
    Het is in een inrichting, indien daartoe overeenkomstig deze verordening door burgemeester en wethouders ontheffing is verleend, toegestaan maximaal twee dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet gelden, voor zover de naleving ervan redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
  • 2.
    In afwijking van lid 1 is het in een sportinrichting, indien daartoe overeenkomstig deze verordening door burgemeester en wethouders ontheffing is verleend, toegestaan maximaal negen dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten voor sportactiviteiten te houden waarbij de in lid 1 genoemde artikelen van het Besluit niet gelden, voor zover naleving ervan redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
  • 3.
    Het is in een sportinrichting, indien daartoe overeenkomstig deze verordening door burgemeester en wethouders ontheffing is verleend, toegestaan maximaal negen dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de beperking van de tijden voor sportverlichting als bedoeld in de artikel 3.148, eerste lid van het Besluit niet geldt, voor zover de naleving ervan redelijkerwijs niet kan worden gevergd. De ontheffing kan hooguit tot 01.00 uur worden verleend, tenzij dit aantoonbaar niet toereikend blijkt te zijn. Dan kan in de ontheffing een ander tijdstip worden opgenomen.
  • 4.
    Aan een ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden om overmatige hinder te voorkomen.
  • 5.
    Een ontheffing dient door de houder van de inrichting, die voornemens is een incidentele festiviteit te houden, tenminste vier weken voor aanvang schriftelijk te worden aangevraagd bij de burgemeester en wethouders.
  • 6.
    Een incidentele ontheffing wordt geweigerd wanneer naar het oordeel van de burgemeester en wethouders de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting op ontoelaatbare wijze zal worden beïnvloed.
  • 7.
    Een ontheffing wordt tevens geacht te zijn verleend, wanneer burgemeester en wethouders op verzoek van de exploitant, binnen de inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet was te voorzien, terstond toestaan.
  • 8.
    In afwijking van het eerste, tweede en derde lid geldt voor inrichtingen, die als gevolg van het besluit niet meer vergunningplichtig zijn en waar in de vergunning een ontheffingsregeling voor geluidsgrenswaarden of verlichting was opgenomen, maximaal het voorheen in de vergunning toegestane aantal ontheffingen, waarbij het totale aantal niet meer mag bedragen dan twaalf dagen per kalenderjaar.
Artikel 4 Verbod ten aanzien van festiviteiten
Onverminderd het bepaalde in de Wet milieubeheer is het verboden een festiviteit te organiseren, toe te laten en/of feitelijk te leiden indien:
  • 1.
    voor de incidentele festiviteit de ontheffing niet schriftelijk is aangevraagd of de aanvraag niet volledig en naar waarheid is ingevuld of niet tijdig is ingeleverd, tenzij de individuele festiviteit door burgemeester en wethouders terstond is toegestaan als bedoeld in artikel 3, achtste lid;
  • 2.
    aan één of meerdere aan de ontheffing of aanwijzing verbonden voorwaarden niet wordt voldaan;
  • 3.
    de houder van de inrichting verzuimt te doen of na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige hinder te voorkomen;
  • 4.
    burgemeester en wethouders voor het organiseren van een incidentele festiviteit een ontheffing hebben geweigerd;
  • 5.
    de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit heeft verboden omdat naar zijn oordeel de openbare orde op een ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.
Artikel 5 Regeling onversterkte muziek
  • 1.
    Het is verboden binnen een inrichting onversterkte muziek ten gehore te brengen indien niet wordt voldaan aan de geluidsnormen als genoemd in artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit.
  • 2.
    Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.
  • 3.
    Aan een ontheffing als bedoeld in het tweede lid kunnen voorwaarden worden verbonden om overmatige geluidshinder te voorkomen.
  • 4.
    Een ontheffing wordt geweigerd wanneer naar het oordeel van de burgemeester en wethouders de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting op ontoelaatbare wijze zal worden beïnvloed.
  • 5.
    Artikel 4 onder 2. t/m 5 is van overeenkomstige toepassing.
  • 6.
    Een aanwijzing of ontheffing als bedoeld in artikel 2 en 3 omvat mede een ontheffing als bedoeld in het tweede lid van dit artikel.
Artikel 6 Strafbepaling
Overtreding van het bepaalde in deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Artikel 7 Slotbepalingen
  • 1.
    Deze verordening kan worden aangehaald als: Vrijstellingsverordening inrichtingen milieubeheer.
  • 2.
    Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die waarop zij bekend is gemaakt.
 
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 30 oktober 2014.

De griffier,

Drs. A.A.H. Smits

De burgemeester,

Mr. J.H.C. van Zanen

BIJLAGE BEHOREND BIJ VERORDENING VAN UTRECHT 2014, NR. 27
Toelichting
Algemeen
Deze verordening betreft een aanpassing van de Vrijstellingsverordening inrichtingen milieubeheer, die de raad bij besluit van 26 juni 2008 heeft vastgesteld. De Vrijstellingsverordening inrichtingen milieubeheer (hierna: Verordening) betreft een uitwerking van het Activiteitenbesluit voor inrichtingen en is van toepassing op de inrichtingendie onder dit Activiteitenbesluit vallen en niet vergunningplichtig zijn op grond van de Wet Milieubeheer. Op basis van deze verordening is het mogelijk ontheffing te verlenen van de geluid- en verlichtingsnormen, zoals die op basis van het Activiteitenbesluit gelden voor bedrijfsactiviteiten (bij horecagelegenheden, sportcomplexen, e.d.).
De voorschriften met betrekking tot geluidshinder (artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 Besluit) en met betrekking tot de tijden dat de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht in gebruik mag zijn (artikel 3.148 Activiteitenbesluit) zijn stringent en worden bij het houden van een festiviteit in een inrichting al snel overtreden.
Gezien de maatschappelijke functie die inrichtingen vervullen, biedt het Activiteitenbesluit dan ook de mogelijkheid op dagen of delen van dagen van de voorschriften af te wijken in verband met festiviteiten. Daarbij kan het gaan om festiviteiten die als collectieve festiviteit zijn aangewezen of om incidentele festiviteiten, die voor individuele inrichtingen voor een beperkt aantal dagen per jaar worden toegestaan. In de verordening zijn deze vrijstellingsmogelijkheden nader uitgewerkt.
Een collectieve festiviteit houdt in dat jaarlijks voor de gehele gemeente, voor een deel daarvan of voor een benoemd aantal inrichtingen, dagen worden aangewezen. Het laatste doet zich voor met betrekking een festival met een regionale of landelijke uitstraling, zoals het smartlappenfestival. Andere voorbeelden zijn Koningsdag, Bevrijdingsdag en de Jaarwisseling.
Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of slechts een klein aantal inrichtingen is gebonden, bijv. een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, buurtfeest, sportevenement, etc.
In het Activiteitenbesluit is bepaald dat het aantal bij of krachtens de gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen waarvoor een incidentele ontheffing kan worden verleend van de geluidseisen niet meer mag bedragen dan twaalf per jaar. Hetzelfde vermeldt het Activiteitenbesluit met betrekking tot de beperkt toegestane verlichtingstijden (tot 23.00 uur) bij sportvelden.
In de verordening is vastgelegd dat voor geluid jaarlijks per inrichting maximaal voor twee incidentele festiviteiten een ontheffing kan worden afgegeven. Een groter aantal zou tot te veel overlast kunnen leiden, met name bij horecaconcentratiegebieden. Hiervan uitgezonderd zijn de sportgerelateerde activiteiten, omdat daar behoefte is aan ontheffingen voor sportwedstrijden. Daarmee is in artikel 3 lid 2 van de verordening voor dergelijke wedstrijden een mogelijkheid om 9 maal per jaar af te wijken van de geluidseisen.
Voor sportactiviteiten binnen inrichtingen is het maximale aantal incidentele ontheffingen van de verlichtingstijden in artikel 3 lid 3 van de verordening per inrichting gemaximaliseerd tot 9 dagen per jaar. Dit maximum van negen dagen voorziet in de behoefte van sportverenigingen om een aantal keer per jaar na 23.00 uur de verlichting te kunnen laten branden. Een en ander om toernooien en competities mogelijk te maken.
In het Activiteitenbesluit is bepaald dat een ontheffing slechts geldt voor zover de naleving van de normaal geldende geluidsnormen of verlichtingstijden niet kan worden gevergd. Overmatige hinder behoeft tijdens een festiviteit niet te worden toegestaan. Volgens de zorgplicht is degene die gedurende een festiviteit de inrichting drijft, verplicht geluidhinder te voorkomen, dan wel (voor zover dat niet mogelijk is) tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
Aan ontheffingen voor incidentele festiviteiten worden aan de ondernemer voorwaarden opgelegd. Voor collectieve festiviteiten kunnen bij de aanwijzing door burgemeester en wethouders algemene voorwaarden worden gesteld. De voorwaarden omvatten met name gedragsregels waar de ondernemer zich aan dient te houden. Zowel aan de aanwijzingen als aan de ontheffingen worden maximale geluidswaarden verbonden.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Het begrip inrichting in artikel 1 onder b van de verordening is beperkt tot de inrichting type A of type B die zijn genoemd in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit. Dit houdt in dat de verordening van toepassing is op alle inrichtingen die vallen onder de Wet milieubeheer en die niet vergunningplichtig zijn.
Artikel 2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
Door dit artikel is de uitvoering van de regeling opgedragen aan de burgemeester en wethouders. Het college bepaalt ook of de collectieve festiviteiten gelden voor de gehele gemeente of in één of meer delen daarvan. Dit laatste kan beter niet in de verordening maar door het college worden vastgesteld, omdat de gebiedsdifferentiatie meestal afhankelijk is van de omvang van een collectieve festiviteit. Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen per gebied kan verschillen.
Naast de gebiedsdifferentiatie kan het college een festiviteit vanwege de aard en omvang als collectieve festiviteit aanwijzen voor een beperkt aantal nader aangegeven inrichtingen. Het verschil met de incidentele en overige collectieve vrijstellingen is dat deze festiviteiten niet als buurtfeest zijn aan te merken, maar wel zijn gericht op een beperkte, aan specifieke inrichtingen gerelateerde doelgroep. Festivals die een regionale of landelijke uitstraling hebben kunnen door het college binnen deze categorie worden aangewezen, zoals het smartlappenfestival.
Jaarlijks zal worden vastgesteld op welke data en voor welke festiviteiten de betreffende voorschriften niet van toepassing zijn. Dit wordt spoedig na de vaststelling digitaal bekend gemaakt via www.officiëlebekendmakingen.nl.
Als collectieve dagen zullen in ieder geval worden aangewezen: Koningsnacht, Koningsdag, de Jaarwisseling en bevrijdingsdag eens in de 5 jaar.
Voor deze collectieve vrijstellingen hoeft de ondernemer geen vrijstelling aan te vragen.
Wanneer er een festiviteit plaatsvindt die redelijkerwijs niet was te voorzien, heeft het college de bevoegdheid deze festiviteit terstond aan te wijzen als collectieve festiviteit.
Het college kan bij het aanwijzen van een collectieve festiviteit bepalen of de ontheffing geldt voor alleen de geluidsnormen, voor alleen de verlichtingsnormen of voor beide.
Voor collectieve festiviteiten kunnen ter beperking van de overlast bij de aanwijzing algemene voorwaarden worden gesteld. De overtreding van deze voorwaarden betekent dat de ondernemer niet voldoet aan de zorgplicht, zoals die is voorgeschreven in het Activiteitenbesluit.
Artikel 3 Ontheffing incidentele festiviteiten
Lid 1
Het maximale aantal incidentele ontheffingen per inrichting is voor de geluidsnormen in beginsel beperkt tot twee dagen per jaar. Een groter aantal zal bij voorbaat en met name in gebieden met veel horeca, leiden tot een te grote cumulatie.
Lid 2
In dit lid is een uitzondering gemaakt voor de sport-gerelateerde activiteiten, omdat daar behoefte is aan ontheffingen voor sportwedstrijden. Daarmee is er voor dergelijke wedstrijden een mogelijkheid om 9 maal per jaar ontheffing te verlenen van de geluidseisen. Het gaat hier om inrichtingen waar een vaste sportaccommodatie aanwezig is.
Lid 3
Voor sportactiviteiten binnen inrichtingen, waar een vaste sportaccommodatie aanwezig is, is het maximale aantal incidentele ontheffingen van de verlichtingstijden per inrichting gemaximaliseerd tot 9 dagen per jaar. Dit maximum van negen dagen voorziet in de behoefte van sportverenigingen om een aantal keren per jaar na 23.00 uur de verlichting te kunnen laten branden. Een en ander om toernooien en competities mogelijk te maken. Met het oog op overlast voor de omgeving (zowel voor de omwonenden als voor de aanwezige fauna) is ervoor gekozen om de verruiming voor sportactiviteiten in principe te beperken tot 01.00 uur. Op die manier worden sportverenigingen in staat gesteld competitiewedstrijden af te ronden zonder dat dit onevenredige hinder oplevert voor de omgeving. Als aantoonbaar dat de verruiming tot 01.00 uur niet toereikend is, kan in de ontheffing een ander tijdstip worden opgenomen.
Lid 4
Voorwaarden die aan de ontheffing kunnen worden verbonden, hebben betrekking op voorzieningen en gedragsregels. Een voorwaarde die vrijwel altijd wordt opgelegd is bijvoorbeeld het informeren van direct omwonenden. Daarnaast gelden bijvoorbeeld als specifieke voorwaarden: het gesloten houden van ramen en deuren, openingstijden van (een gedeelte) van de inrichting, gebruik van aanwezige toe-, in- of uitgangen, maatregelen met betrekking tot komende en gaande bezoekers (toezichthouders) en maximaal toelaatbare overschrijdingsniveaus voor geluid.
Lid 5
Bij het indienen van de aanvraag, als bedoeld in artikel 3, vijfde lid van de verordening, kunnen van de aanvrager gegevens worden verlangd over de wijze waarop deze overmatige hinder tracht te voorkomen gedurende de festiviteit. Deze gegevens kunnen het eventueel stellen van aan de ontheffing te verbinden voorwaarden, vereenvoudigen. Een aanvraag dient minimaal vier weken voor de aanvang van de festiviteit te worden ingediend. Deze termijn stelt het college in staat te beoordelen of de incidentele festiviteit doorgang kan vinden en welke voorwaarden er aan moeten worden verbonden.
Lid 6
Een dergelijke weigering kan aan de orde zijn wanneer eerdere vergelijkbare festiviteiten hebben geleid tot veel terechte klachten en aantoonbare schade voor de woon- en leefsituatie.
Lid 7
Indien een incidentele festiviteit niet was te voorzien, heeft het college de bevoegdheid voor dit evenement terstond ontheffing te verlenen. De exploitant zal echter gedegen moeten motiveren waarom het niet was te voorzien. De ondernemer wordt, in verband met het mogelijk treffen van voorzieningen of maatregelen, die op grond van de voorwaarden worden opgelegd, tijdig over het besluit van het college geïnformeerd.
Lid 8
Voor inrichtingen waarvoor de vergunningplicht is komen te vervallen en waarvoor het Activiteitenbesluit van toepassing is verklaard, geldt dat zij het aantal ontheffingsmogelijkheden uit de vervallen vergunning behouden tot een maximum van 12 per jaar.
Artikel 4 Verboden ten aanzien van festiviteiten
Het is de bevoegdheid van het college een incidentele festiviteit op basis van dit artikel niet toe te staan. Wanneer in een buurt net een feestperiode achter de rug is, lijkt het aannemelijk dat in de week daarna een incidentele festiviteit niet wordt toegestaan. Andere afwijzingsgronden zijn het overschrijden van het maximum aantal dagen en het naar hun oordeel op ontoelaatbare wijze beïnvloeden van de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting.
Dit artikel geeft tevens een grond om gedurende een festiviteit (zowel collectief als incidenteel) op te treden tegen overmatige geluidshinder. Het maakt het mogelijk festiviteiten te doen beëindigen indien overmatige overlast ontstaat, doordat de ondernemer niet de in de ontheffing aangegeven voorzieningen of maatregelen (voorwaarden) heeft genomen. Dit geldt ook ten aanzien van hetgeen de exploitant op basis van het Besluit uit eigen beweging moet doen of nalaten om overmatige overlast te voorkomen. Een verzoek om ontheffing voor een festiviteit, welke in het verleden overmatige geluidshinder heeft veroorzaakt wordt geweigerd, tenzij de ondernemer aannemelijk maakt dat er nu wel afdoende maatregelen (kunnen) worden genomen.
Een verbod door de burgemeester op grond van de openbare orde is in deze verordening meegenomen omdat dit aspect onlosmakelijk aan deze vrijstellingen is verbonden.
Artikel 5 Regeling onversterkte muziek
Het Besluit bepaalt dat voor het ten gehore brengen van onversterkte muziek geen geluidsnormen gelden tenzij en voor zover daarvoor bij gemeente verordening regels zijn gesteld. Met deze bepaling worden de geluidsnormen uit het Besluit ook voor onversterkte muziek van toepassing verklaard. Het college kan hier een ontheffing voor verlenen.
Voordat het Besluit van kracht werd, diende onversterkte muziek ook aan de geluidsnormen te voldoen. Voor deze bepaling is geen stringent handhavingsbeleid van toepassing.
Artikel 6 Strafbepaling
Handhaving van de verordening geschiedt door middel van deze strafbepaling voor zover het overtreding van de onder artikel 4 genoemde verboden betreft. Dit betreft m.n. het organiseren van incidentele festiviteiten waarvoor de ontheffing is geweigerd en het niet naleven van aan aanwijzingen en ontheffingen verbonden voorwaarden. Bestuursrechtelijke handhaving op basis van het Besluit is ook mogelijk.