Publicatiedatum 9 februari 2015
Exploitatievergunningvrije ondergeschikte horeca
De burgemeester van Amsterdam,
Gelet op het bepaalde in artikel 3.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV), waarin is bepaald dat het ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de APV geldende verbod om zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren niet geldt voor door de burgemeester aangewezen soorten horecabedrijven;
Gelet op het bepaalde in artikel 3.1, tweede lid, onder f, ingevolge onder horecabedrijf wordt verstaan de voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of eetwaren voor directe consumptie worden bereid of verstrekt; tot een horecabedrijf worden ook gerekend een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden.
• de lijst van horecabedrijven, als vastgesteld bij besluit van 9 maart 1994, Gemeenteblad 1994, afdeling 3, nummer 43, laatstelijk gewijzigd bij het besluit van 16 oktober 1997, nr 971567, te actualiseren en opnieuw vast te stellen;
• aan de bovenbedoelde lijst onder bepaalde voorwaarden de volgende nieuwe soorten horeca-activiteiten toe te voegen voor welke activiteiten geen exploitatievergunning, als bedoeld bij artikel 3.8, eerste lid, van de APV vereist is, te weten horeca in:
- -
winkels waar de horeca-activiteit maximaal 20% van de netto oppervlakte beslaat, met een maximum 20m2.
- -
ziekenhuizen, verpleeg- en verzorgingshuizen;
- -
- -
kooklessen, wijncursussen;
- -
Brengt ter algemene kennis dat hij op februari 2015 heeft besloten:
I.het Besluit burgemeester exploitatievergunningvrije ondergeschikte horeca (artikel 3.9 APV) als volgt vast te stellen:
Artikel 1. Aanwijzing soorten horecabedrijven waarvoor de exploitatievergunningplicht niet geldt
Voor de volgende soorten horecabedrijven geldt de vergunningplicht als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de APV niet:
- 1.
hotels, waar uitsluitend voor hotelgasten dranken worden geschonken en/of eetwaren worden verstrekt;
- 2.
1 horeca-activiteiten in winkels, waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, uitsluitend alcoholvrije dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en die voldoen aan de volgende criteria:
2.1.1 de winkelactiviteit valt niet onder de uitsterfregeling van het betreffende bestemmingsplan;
2.1.2 het horecagedeelte beslaat geen groter vloeroppervlak dan maximaal 20% van het netto
vloeroppervlak van de hele winkel, en het horecagedeelte is niet groter dan 20 m2;
2.1.3 de horeca-activiteit wordt door dezelfde ondernemer geëxploiteerd;
2.1.4 de horeca-activiteit wordt alleen uitgeoefend gedurende de tijden dat de winkel geopend is
- 2.
2 horeca-activiteiten in winkels, waar sprake is van een grootschalige opzet, qua assortiment en/of vloeroppervlak, zoals een warenhuis, een tuincentrum, een meubelzaak of elektronicazaak en waar de horeca-activiteit, gelet op het langdurig verblijf van de bezoeker in de winkel als ondersteuning dient voor de winkelende bezoekers, mits die winkels voor het overige voldoen aan de criteria, als bedoeld, onder 2.1.3 t/m 2.1.4.;
- 2.
3 horeca-activiteiten in winkels waarin activiteiten plaatsvinden, waarvan in het horecabeleidsplan is aangegeven dat daarvoor in het geheel geen vergunning, als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de APV, wordt gegeven, zijn uitgezonderd van hetgeen onder 2.1 en 2.2. is bepaald;
- 2.
4 horeca-activiteiten in avondwinkels, als bedoeld in de Verordening Winkeltijden Amsterdam 2010;
3 prostitutiebedrijven waarvan een gedeelte voor de horeca is bestemd;
- 4.
religieuze gebouwen, mits de consumpties uitsluitend kunnen worden verkregen voorafgaande aan of na afloop van de religieuze bijeenkomst, door bezoekers van die bijeenkomsten;
- 5.
bedrijfskantines, voor zover deze in hoofdzaak bezocht worden door personeel van de hoofdactiviteit in het gebouw, dan wel dat de bedrijfskantine in hoofdzaak bestemd is ten behoeve van het gezamenlijk gebruik van personeel van aangesloten bedrijven in omliggende gebouwen. Daarbij dient het toegangsbeleid ten behoeve van de toezichthouder op eerste verzoek te worden aangetoond;
- 6.
horeca-activiteiten in sport- en dansscholen, mits in de school geen wedstrijden, anders dan onderlinge wedstrijden worden gehouden, en de school uiterlijk om 24.00 uur wordt gesloten;
- 7.
horeca-activiteiten in sauna’s en zonnecentra, mits de dranken en etenswaren uitsluitend worden verstrekt aan bezoekers die gebruikmaken van de sauna- en zonnecentrafaciliteiten;
- 8.
horeca-activiteiten in ziekenhuizen, verzorgingshuizen en verpleeghuizen, indien de dranken en etenswaren uitsluitend worden verstrekt aan degenen die verblijven in deze instellingen en hun bezoekers, alsmede verzorgingshuizen en verpleeghuizen die toegankelijk zijn voor de doelgroep in de buurt, mits deze toegankelijkheid uitsluitend ligt tussen 08.00 uur en 23.00 uur;
- 9.
voor het publiek toegankelijke inrichtingen waar bedrijfsmatig, of in een omvang alsof bedrijfsmatig
- 9.1.
kookcursussen worden gegeven, waarbij de eindproducten ter plaatse worden geconsumeerd door de deelnemers aan de cursus; of
- 9.2.
wijncursussen worden gegeven waarbij ter plaatse wijnen geproefd worden met het oog op educatie
- 10.
horeca-activiteiten in gemeenschappelijke ruimten op volkstuinencomplexen aangesloten bij de Bond van Volkstuinders, mits de dranken en etenswaren uitsluitend worden verstrekt aan de leden.
De in artikel 1 bedoelde aanwijzing geldt uitsluitend voor horecabedrijven, zonder terras op of aan de weg, als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en eerste lid, onder 9 van de APV.
II het besluit van 9 maart 1994, Gemeenteblad 1994, afdeling 3, nummer 43, laatstelijk gewijzigd bij het besluit van 16 oktober 1997, nr 971567 in te trekken.
III te bepalen dat de onder I en II bedoelde besluiten in werking treden met ingang van de dag na die van de bekendmaking in afdeling 3b van het Gemeenteblad.
De burgemeester van Amsterdam voornoemd,
In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is een exploitatievergunning verplicht gesteld voor horecabedrijven. Bij vergunningverlening wordt door de burgemeester beoordeeld of de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt/worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Daarbij houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waarin het bedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf, alsmede met de wijze van bedrijfsvoering van de houder of leidinggevende of met diens levensgedrag.
Er zijn veel soorten inrichtingen waar diverse vormen van horeca plaatsvinden. De ene horeca-activiteit heeft meer invloed op de omgeving dan een andere. De burgemeester heeft de mogelijkheid voor soorten horecabedrijven de vergunningplicht op te heffen. Daarbij is bepalend of de exploitatievorm doorgaans niet of nauwelijks van invloed is op de openbare orde en het woon- en leefklimaat.
In 1994 heeft de burgemeester een besluit genomen waarbij enige horeca-exploitatievormen werden aangewezen waar de vergunningplicht niet meer geldt. Het ging daarbij bij voorbeeld om hotels, waar uitsluitend horeca-activiteiten plaatsvinden voor de hotelgasten, of onder bepaalde condities horecafaciliteiten in grote warenhuizen. In 1997 is dit besluit geactualiseerd.
Sinds de laatste wijziging in 1997 zijn in de detailhandel en ook bij andere voor het publiek toegankelijke inrichtingen vele vormen van (ondersteunende) horeca-activiteiten ontstaan. In principe geldt voor die horeca-activiteiten de exploitatievergunningplicht. Door deze ontwikkelingen is de vraag opportuun of zich daarbij steeds de situatie voordoet, dat gelet op de doelstelling van het vergunningstelsel, te weten de mogelijke negatieve invloed van de horeca-activiteiten op de omgeving, de vergunningplicht in bepaalde gevallen nog wel moet worden toegepast.
In dat verband is na ambtelijk overleg met de stadsdelen een nieuw concept besluit voorbereid. In dit conceptbesluit wordt voorgesteld voor meer soorten horeca-activiteiten, onder bepaalde voorwaarden, de exploitatievergunningplicht uit te schakelen. Inrichtingen waar door middel van onderhavig besluit de exploitatievergunningplicht is uitgeschakeld, maar waar wel alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, blijven vergunningplichtig ingevolge de Drank- en Horecawet en vallen daarmee ook onder het beleidsregime van de Wet BIBOB, zoals dat in Amsterdam voor de horeca is vastgesteld.
Al in het eerste aanwijzingsbesluit was opgenomen dat als de horeca-activiteiten in een hotel uitsluitend plaatsvinden voor de hotelgasten de invloed daarvan op het woon- en leefklimaat als niet of nauwelijks van invloed op de omgeving wordt gezien.
2.Detailhandel met ondergeschikte horeca
2.1. Detailhandel met maximaal 20m2 / 20% horeca-oppervlakte (netto)
In de regeling uit 1997 stonden alleen warenhuizen/grotere detailhandelsvestigingen opgenomen. Er is nu een categorie winkels toegevoegd. Het gaat om winkels waar de horeca-activiteiten dermate ondergeschikt zijn dat daarvan geen nadelige invloed op het woon- en leefklimaat wordt verwacht. Als aan alle voorwaarden vermeld onder 2.1.1 tot en met 2.1.4 wordt voldaan, komt de exploitatievergunningplicht te vervallen.
Het laten vervallen van de vergunningplicht voor een winkel die qua activiteit valt onder de uitsterfregeling van een bestemmingsplan zou inhouden dat er uitbreiding van activiteiten kan plaatsvinden, terwijl dat conform de uitsterfregeling niet is toegestaan. Vandaar dat in een dergelijke situatie de exploitatievergunningplicht niet wordt uitgeschakeld en vindt toetsing van de vergunningaanvraag aan het bestemmingsplan en aan het vastgestelde horecabeleidsplan plaats. Naast de uitsterfregeling kan het ook gaan om detailhandelbestemmingen waar d.m.v. een wijzigingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt dat de detailhandelsbestemming verdwijnt.
Met een maximum vloeroppervlakte van 20m2 is alleen een alcoholvrije horecafaciliteit mogelijk. Voor het verstrekken van alcoholhoudende drank ter plaatse is op grond van de Drank- en Horecawet een minimum oppervlakte vereist van 35m2. 20m2 staat ongeveer gelijk aan 20 zitplaatsen.
Deze voorwaarde is er op gericht om te waarborgen dat de horeca-activiteit ondergeschikt blijft aan de winkel en geen zelfstandige functie wordt.
2.1.4 Zelfde openings- en sluitingstijden als de winkel
De ondergeschikte horecafunctie sluit aan bij het openings- en sluitingstijdenregime van de winkel. Bij het beoordelen van een aanvraag voor een tijdelijke ontheffing van de sluitingstijd (later dan 22 uur) van een winkel, zal ook de invloed van de horecafunctie op de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat betrokken worden.
Opgemerkt moet worden dat deze regeling alleen gaat over de vraag of er wel of niet een exploitatievergunningplicht geldt. Vóórdat deze vraag aan de orde is, zal eerst een ruimtelijke toets (op het bestemmingsplan) worden uitgevoerd. Onderdeel van de ruimtelijke toets kan de uitstraling (van de winkel met ondergeschikte horeca) op de omgeving zijn.
Daarnaast kan de situatie zich voordoen dat volgens het bestemmingsplan horeca-activiteit met een maximum vloeroppervlak voor de horeca van 30% in een winkel als onderschikt wordt beschouwd. Deze horeca-activiteit is dan echter wel vergunningplichtig, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarde uit 2.1.2.
2.2. Grootschalige detailhandel
De regeling voor warenhuizen uit het besluit uit 1997 is in de basis gehandhaafd. De redactie is meer uitgewerkt. De formulering in het besluit van 1997 was enigszins onduidelijk. Daaruit kon men aflezen dat de horecafaciliteit in de winkel ten dienste moest staan voor het winkelende publiek in de winkelstraat. Het gaat hier juist om winkels waar de horeca-activiteit doordat het publiek langdurig in de winkel verblijft, als ondersteuning dient voor de bezoekers. Het gaat om winkels met een grootschalige opzet van het assortiment en/of vloeroppervlak. Verder gelden de criteria, onder 2.1.3 en 2.1.4.
In dit artikel is bepaald dat wanneer in het horecabeleidsplan is opgenomen dat in (een deel van) het stadsdeel geen exploitatievergunning voor horeca wordt verleend, dan natuurlijk ook geen gebruik gemaakt kan worden van de vrijstellingsbepalingen krachtens dit besluit.
In het beleidsplan wordt gemotiveerd waarom die inrichtingen als negatief voor het woon- en leefklimaat worden aangewezen. Het is niet de bedoeling dat dergelijke inrichtingen, terwijl hun aanwezigheid als negatief wordt ervaren, ook nog eens extra horeca-faciliteiten kunnen bieden door een beroep te doen op de vrijstelling van de vergunningplicht als bedoeld onder voorwaarden van 2.1.1 t/m 2.1.4.
De vestiging van een avondwinkel is geregeld via de Verordening Winkeltijden Amsterdam 2010. Ook bij de vestiging van een avondwinkel kan getoetst worden op het woon- en leefklimaat. Het gaat om die avondwinkels waar krachtens de bovengenoemde verordening etenswaren voor directe consumptie mogen worden verstrekt.
Voor een prostitutiebedrijf geldt een vergunningplicht met dezelfde toetsingscriteria met betrekking tot het woon- en leefklimaat. In het besluit van 1994 waren de prostitutiebedrijven daarom al uitgesloten van de exploitatievergunningplicht.
In het besluit van 1997 waren in de uitzondering van de vergunningplicht alleen ‘kerken’ met zoveel woorden genoemd. De formulering is aangepast zodat allerlei ‘religieuze gebouwen’ onder deze regeling vallen. Met die beperking dat het uitsluitend gaat om consumpties die voorafgaande aan of na afloop van de religieuze bijeenkomst worden verstrekt aan de bezoekers van die bijeenkomsten.
Deze regeling is in redactioneel aanpast, namelijk ‘uitsluitend’ is vervangen door ‘in hoofdzaak’. Omdat een beperkte faciliteit voor bezoekers van het personeel geen significante invloed heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving, is deze niet vergunningplichtig. Uiteraard houdt dit niet in dat de faciliteit door middel van reclame wordt aangeboden aan bezoekers. Verder is in deze regeling rekening gehouden met situaties waarin verschillende bedrijven gebruik maken van één bedrijfskantine. Ook is aangegeven dat, indien gevraagd, het toegangsbeleid aan de toezichthouder moet worden aangetoond.
Horeca-activiteiten in sport- en dansscholen zijn vergunningvrij, mits in de school geen wedstrijden, anders dan onderlinge wedstrijden worden gehouden, en de school uiterlijk om 24.00 uur wordt gesloten.
Sauna’s en zonnecentra met horecafaciliteiten zijn vrijgesteld, mits de dranken en etenswaren uitsluitend worden verstrekt aan bezoekers die gebruikmaken van de sauna- en zonnecentrafaciliteiten.
8.Ziekenhuizen, verzorging- en verpleeghuizen
Er is sprake van een ontwikkeling waarbij steeds meer activiteiten mede voor een doelgroep uit de buurt in verzorgingshuizen worden georganiseerd. Hier kan ook sprake zijn van ondersteunende horeca-activiteiten. Als waarborg is in dit besluit aangegeven, dat de mede op de doelgroep in de buurt gerichte activiteiten binnen 08:00 uur en 23:00 uur dienen plaats te vinden, met 23:00 uur wordt aangesloten bij de milieuwetgeving. Voor horeca-activiteiten buiten die uren blijft een exploitatievergunning wel verplicht.
9.Kooklessen en wijncursussen
Er worden geregeld door ondernemers bedrijfsmatig of in een omvang alsof bedrijfsmatig kooklessen of wijncursussen gegeven die vallen onder de definitiebepalingen van vergunningplichtige horeca-activiteiten.
Voor de kooklessen geldt dat wat vervaardigd wordt in de cursus vaak door de cursisten ter plaatse wordt geconsumeerd. Het gaat vaak om gespecialiseerde winkels, waarbij het assortiment en de kooklessen op elkaar aansluiten.
Voor wijncursussen geldt dat daartoe opgeleide vinologen cursussen geven waarbij verschillende wijnen, al dan niet in combinatie met etenswaren, geproefd worden met het oog op educatie, bijvoorbeeld voor het verkrijgen van een wijndiploma/vignet/certificaat.
Op zichzelf zullen deze ‘horeca-activiteiten’ geen belasting van het woon- en leefmilieu opleveren, zodat de exploitatievergunningplicht in deze situaties kan komen te vervallen.
Voor de wijncursussen en voor kooklessen waar ook alcohol geschonken wordt, geldt dat rekening gehouden moet worden met de vereisten van de Drank- en Horecawet, bijvoorbeeld dat de alcohol niet verstrekt mag worden in een ruimte die gebruikt wordt als winkel.
Ook de Winkeltijdenwet kent beperkingen ten aanzien van de toegankelijkheid van de winkel buiten de openingstijden voor horeca-activiteiten.
Verder dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van de Drank- en Horecawet, wat betreft het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse.
In verenigingsgebouwen op volkstuinen kunnen horeca-activiteiten plaatsvinden. Op zichzelf zullen deze geen belasting van het woon- en leefmilieu opleveren, zodat de exploitatievergunningplicht in deze situaties kan komen te vervallen. Als er alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt, dan moet rekening gehouden worden met de vereisten van de Drank- en Horecawet. De vrijstelling van de vergunningplicht geldt voor de volkstuinverenigingen die zijn aangesloten bij de Bond van Volkstuinders.
Waar in de voorgaande leden is aangegeven dat onder bepaalde voorwaarden de exploitatievergunningplicht niet geldt, is onder II aangegeven, dat deze vrijstelling van de vergunningplicht niet inhoudt, dat dan ook zonder vergunning een terras op de weg mag worden geplaatst. In dit besluit gaat het om inrichtingen met marginale horecavoorzieningen of inrichtingen waarbij de horeca een duidelijk onderschikte functie heeft. Een terras past niet in dat beeld. Een terras is alleen mogelijk bij een horecabedrijf met exploitatievergunning.