Gemeenteblad van Lingewaard

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
LingewaardGemeenteblad 2015, 130524Overige besluiten van algemene strekking

Nadere Regels Jeugdhulp gemeente Lingewaard 2015

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE LINGEWAARD

 

gelet op de artikelen 2 en 3 van de Verordening Jeugdhulp gemeente Lingewaard.

besluit: vast te stellen de

 

Nadere Regels Jeugdhulp gemeente Lingewaard 2015

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze nadere regels wordt verstaan onder:

    • -

      verordening: de verordening Jeugdhulp 2015 van de gemeente Lingewaard;

    • -

      wet: de Jeugdwet;

  • 2.

    Begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de verordening.

Hoofdstuk 2 Toegang jeugdhulpvoorzieningen

Artikel 2 Overige voorzieningen en individuele voorzieningen

  • 1.

    Op grond van artikel 2 lid 3 van de verordening stelt het college vast dat de voorzieningen genoemd in de leden 1 en 2 van artikel 2 van de verordening beschikbaar zijn.

  • 2.

    Het college houdt het overzicht van de beschikbare voorzieningen, als bedoeld wordt in lid 1, actueel op de website van de gemeente en/of andere informatievoorzieningen.

Artikel 3 Zeer specialistische functies

Er is een aantal zeer specialistische functies, waarover op landelijk niveau afspraken zijn gemaakt.

Indien nodig zullen deze lokaal worden ingezet. Het betreft de volgende functies:

  • a.

    Landelijk specialismen JeugdzorgPlus;

  • b.

    GGZ met een landelijke functie;

  • c.

    Expertise en behandelcentrum op het terrein van geweld in afhankelijkheidsrelaties <18 jaar;

  • d.

    Jeugd sterk gedragsgestoord licht verstandelijk gehandicapt (j-sglvg);

  • e.

    Gespecialiseerde diagnostiek, observatie en exploratieve behandeling1 aan (L)VB jeugd GGZ met bijkomende complexe problematiek;

  • f.

    Forensische jeugdzorg: inzet van erkende gedragsinterventies gericht op het verminderen van de recidive bij schorsing voorlopige hechtenis, voorwaardelijke veroordeling of gedragsmaatregel.

Artikel 4 Landelijke voorzieningen

Landelijk is er een viertal functies op het gebied van jeugdhulp beschikbaar. Over deze functies zijn namens de gemeenten op landelijke schaal afspraken gemaakt met:

  • a.

    Stichting Adoptievoorzieningen;

  • b.

    Stichting Opvoeden.nl;

  • c.

    Stichting Kindertelefoon;

  • d.

    Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg.

Artikel 5 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Op grond van artikel 3 lid 1 van de verordening draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp na een digitale of schriftelijke verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een zorgaanbieder, als en voor zover genoemde zorgaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2.

    De zorgaanbieders die de inzet van jeugdhulp nodig vindt stelt het college bij aanvang in kennis van de verwijzing door een huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een maatwerkvoorziening, zoals beschreven in artikel 3 lid 1 van de verordening.

  • 3.

     

    • a.

      De zorgaanbieder beoordeelt op basis van het principe 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur, welke jeugdhulp nodig is.

    • b.

      De zorgaanbieder beoordeelt hoe vaak en hoe lang de jeugdige de hulp nodig heeft.

    • c.

      De zorgaanbieder zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen.

    • d.

      De zorgaanbieder houdt zich aan de afspraken met de gemeente en de voorwaarden die de gemeente stelt.

  • 4.

     

    • a.

      De zorgaanbieder verstrekt bij afsluiting van het hulptraject rapportage over het verloop en resultaat van de hulpverlening aan zowel de gemeente als de betreffende huisarts, medisch specialist of jeugdarts.

    • b.

      Bij langdurige, meerjarige hulptrajecten verstrekt de zorgaanbieder tussentijds rapportage over de voortgang aan zowel de gemeente als de betreffende huisarts, medisch specialist of jeugdarts. In nadere werkafspraken zal dit worden uitgewerkt.

  • 5.

    Indien de zorgaanbieder van oordeel is dat de inzet van jeugdhulp door de zorgaanbieder niet geleverd kan worden of niet passend is, kan de gecontracteerde zorgaanbieder ofwel terugverwijzen naar de huisarts dan wel contact opnemen met de gemeente.

Hoofdstuk 3 Vrij toegankelijke voorziening dyslexie

Artikel 6 Specialistische zorg voor Ernstige Enkelvoudige Dyslexie

  • 1.

    De behandeling van de specialistische zorg voor Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) is een vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening voor kinderen op de basisschool, mits deze wordt geboden door een door het college gecontracteerde zorgaanbieder.

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de gecontracteerde zorgaanbieders over de verlening van behandeling voor de specialistische zorg voor EED:

    • a.

      ouders melden zich voor het aanvragen van een dyslexieonderzoek bij de gemeente. De gemeente geeft een beschikking af indien ouders beschikken over een schooldossier;

    • b.

      met de beschikking voor dyslexieonderzoek kunnen ouders naar een gecontracteerde zorgaanbieder. Een gedragswetenschapper, orthopedagoog of GZ-psycholoog weegt volgens het dyslexiezorg-protocol (PDDB), het dossier. Na positieve screening volgt dyslexieonderzoek;

    • c.

      bij vaststelling van EED verzoekt de gecontracteerde zorgaanbieder, met toestemming van ouders, middels een trajectplan een tweede beschikking bij de gemeente;

    • d.

      de gecontracteerde zorgaanbieder informeert de gemeente over de start en beëindiging van zorg. Ouders worden niet alleen op de hoogte gehouden, maar ook intensief betrokken bij de dyslexiezorg voor hun kind;

    • e.

      de gecontracteerde zorgaanbieders zijn verplicht om gegevens aan te leveren ten behoeve van monitoring.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 7 Inwerkingtreding

Deze nadere regels treden in werking na vaststelling door college van burgemeester en wethouders.

Artikel 8 Citeertitel

Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels Jeugdhulp gemeente Lingewaard 2015.

 

Vastgesteld door het college van B&W op –datum-,

de secretaris,

drs. J. Wijnia

de burgemeester,

M.H.F. Schuurmans-Wijdeven 

Toelichting Nadere Regels Jeugdhulp 2015 Lingewaard  

Algemene toelichting

In deze  nadere regels werkt de gemeente Lingewaard  onderdelen uit van de verordening Jeugdhulp Lingewaard 2015. De regels zijn onderverdeeld in de volgende hoofdstukken:

  • 1.

    Algemene bepalingen

  • 2.

    Toegang jeugdhulpvoorzieningen

  • 3.

    Vrij toegankelijke voorziening dyslexie

  • 4.

    Slotbepalingen

Nadere regels  

De verordening Jeugdhulp is het vertrekpunt van waar deze nadere regels tot stand zijn gekomen. Deze nadere regels vormen, naast verordeningen en wetten, een belangrijke waarborg van het recht op een zorgvuldige procedure voor de hulpvrager, maar waaraan de hulpvrager tevens zelf een essentiële bijdrage in heeft. Op basis van deze beleidsregels worden er werkprocessen opgesteld. Deze werkprocessen laten de werkwijze zien van de route die een klant doorloopt om bij passende hulp te komen. Eenmaal per jaar worden deze werkprocessen en bijbehorende werkafspraken met zorgaanbieders geëvalueerd.

 

Jeugdwet en Wmo 2015

Met ingang van 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor nieuwe taken op het terrein van Jeugd en Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo 2015). Op het terrein van Jeugd gaat het om jeugdzorg en gesloten jeugdzorg (voorheen onder regie van het ministerie van VWS), jeugd-GGZ en de zorg voor lichtverstandelijk gehandicapten jongeren (voorheen de AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) en jeugdbescherming en jeugdreclassering (voorheen onder regie van het ministerie van Veiligheid en Justitie). De taken zijn verankerd in de nieuwe Jeugdwet. Wettelijke (gemeentelijke) taken zijn: preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.

De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten op het Sociaal Domein. Per 1 januari 2015 is de Wmo 2015 gewijzigd. Specifiek voor wat betreft de maatschappelijke ondersteuning zijn een aantal taken vanuit de AWBZ overgeheveld naar de Wmo 2015. Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wmo. Parallel hieraan zijn per 1 januari 2015 de preventietaken voor jeugdigen, voorheen prestatieveld 2, overgeheveld van de “oude Wmo” naar de Jeugdwet.

 

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor wat betreft begripsbepalingen is verwezen naar de bepalingen uit de verordening Jeugdhulp Lingewaard 2015.

 

Artikel 2 O verige voorzieningen en individuele voorzieningen

Gelet op de wettelijke verplichting worden in het eerste lid van artikel 2 de thans beschikbare overige en individuele voorzieningen voor de jeugdhulp, zoals weergegeven in de leden 1 en 2 van artikel 2 van de verordening, vastgesteld. Op basis van de Jeugdwet is de gemeente verplicht om inzicht te geven in individuele en de overige voorzieningen voor de jeugdhulp (in termen van deze beleidsregels maatwerkvoorzieningen genoemd) . Voor de Wmo bestaat deze verplichting niet. Maar omdat het zowel voor inwoners als consulenten en andere hulpverleners goed is om een overzicht te hebben van de beschikbare voorzieningen is er een actueel overzicht beschikbaar op de website van de gemeente. Dit is per definitie een dynamisch overzicht dat doorlopend verandert.

 

Omdat er zowel op het terrein van de jeugdzorg als dat van de Wmo meerdere functies zijn die regionaal georganiseerd zijn of kunnen worden, hebben de gemeenten Arnhem, Doesburg, Duiven, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Rijnwaarden, Wageningen, Westervoort en Zevenaar zich in een regionaal verband verenigd. Binnen dit regionaal verband is afgesproken dat de basiszorg lokaal wordt georganiseerd en dat specialistische - en maatwerkvoorzieningen regionaal worden opgepakt.

 

Artikel 3 Zeer specialistische functies

De VNG heeft een landelijk transitiearrangement opgesteld waarin afspraken over de inkoop van zeer specialistische zorg staan. De VNG Subcommissie Jeugd besloot om voor een aantal zeer specialistische functies landelijke inkoopafspraken te maken namens alle gemeenten. Hierdoor sluiten vraag en aanbod voor schaarse, landelijk georganiseerde functies effectiever op elkaar aan. Het landelijk transitiearrangement is afgesloten na overleg met de aanbieders die op dit moment de zorg leveren voor de functies. Voor de inkoop van deze zeer specialistische zorg reserveren alle gemeenten 2,2% van het budget.

 

Artikel 4 Vormen van Jeugdhulp; landelijke voorzieningen

De VNG heeft namens alle gemeenten raamcontracten opgesteld op het gebied van de Jeugdwet en de Wmo 2015. Deze landelijk gecontracteerde aanbieders worden door de VNG gefinancierd. Met betrekking tot jeugdhulp gaat het om de volgende vier voorzieningen. Inwoners en/of zorgaanbieders kunnen ook rechtstreeks bij deze instellingen terecht. Stichting Adoptievoorzieningen   Deze organisatie houdt zich bezig met de nazorg en opvoedingsondersteuning aan adoptieouders.     Alleen als ouders geen opvoedingsondersteuning aanvragen, kunnen gemeenten worden ingeseind.

 

Stichting Adoptievoorzieningen

Deze organisatie houdt zich bezig met de nazorg en opvoedingsondersteuning aan adoptieouders. Alleen als ouders geen opvoedingsondersteuning aanvragen, kunnen gemeenten worden ingeseind.

 

Stichting Opvoeden.nl

Een keurmerk over opvoedinformatie verschaft ouders en opvoeders de zekerheid dat de informatie betrouwbaar is. Bijna alle 393 gemeenten zijn aangesloten op de content van Stichting Opvoeden.nl.

 

Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ)  

Het AKJ is een onafhankelijke landelijke organisatie. De vertrouwenspersonen zetten de belangen van   klanten in de jeugdzorg voorop. Met hun expertise en inzet draagt het AKJ bij aan een voortdurende   kwaliteitsverbetering van de jeugdzorg.

 

Artikel 5 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

De Jeugdwet regelt dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de zorgaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de zorgaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige en/of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze zorgaanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de zijn professionele autonomie. De zorgaanbieder legt dit vast in een behandelplan. Het ondertekend plan dient als aanvraag waarop een beschikking afgegeven kan worden.

 

Artikel 6 Specialistische zorg voor Ernstige Enkelvoudige Dyslexie

Vanaf januari 2015 maakt dyslexiezorg, als onderdeel van de specialistische GGZ, deel uit van de Jeugdwet belegd bij gemeenten. Dyslexiezorg is sterk geprotocolleerd van karakter. Voor aanbieders is het hanteren van het protocol dyslexie diagnose en behandeling (PDDB), zoals die opgesteld waren voor de werking van de Vergoedingsregeling Dyslexie, al jarenlang een vanzelfsprekendheid, waarmee dyslexiezorg een fasegewijze uitvoering kent.

De samenwerkende partners bij dyslexiezorg zijn gemeente, scholen en zorgaanbieders. Scholen zijn verantwoordelijk voor de signalering en begeleiding van kinderen met dyslexie. De gemeente is verantwoordelijk voor dyslexiezorg bij Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED); dyslexie zonder bijkomende stoornissen die belemmerend zijn voor de behandeling.

 

Lid 2a. ouders melden zich voor het aanvragen van een dyslexieonderzoek bij de gemeente. De gemeente geeft een beschikking af indien ouders beschikken over een schooldossier;

Om een kind te kunnen aanmelden voor dyslexieonderzoek moet de school een schooldossier aan ouders aanleveren. Het schooldossier bevat de volgende gegevens:

  • 1.

    de basisgegevens uit het leerlingvolgsysteem;

  • 2.

    een beschrijving van het lees- en spellingprobleem;

  • 3.

    signalering van het lees- en spellingproblemen: datum, toets (criteria, score), afgenomen door het onderwijsinstituut;

  • 4.

    omschrijving van de extra begeleiding (doelen, duur, inhoud, organisatievorm, begeleider). Volgens het dyslexiezorg-protocol (PDDB) moet deze begeleiding individueel zijn, eventueel met 1 of 2 andere leerlingen, maar niet groepsgewijs;

  • 5.

    resultaten van de extra begeleiding en beschrijving van gebruikte toetsen en normering;

  • 6.

    vaststelling van toenemende achterstand ten opzichte van de normgroep, met vermelding van gebruikte toetsen en normcriteria;

  • 7.

    argumentatie voor het vermoeden van ernstige dyslexie; het aantonen van didactische resistentie na geboden begeleiding van voldoende intensiteit en kwaliteit;

  • 8.

    indien bekend, vermelding en beschrijving van eventuele andere (leer)stoornissen.

Het dossier wordt getekend door de directeur van de school, namens het bevoegd gezag.

 

Ouders kunnen hun kind telefonisch bij een jeugdconsulent van de gemeente aanmelden voor dyslexieonderzoek. De jeugdconsulent zal ouders telefonisch bevragen waarnaar al dan niet een beschikking afgegeven kan worden. Met deze beschikking kunnen ouders naar een gecontracteerde aanbieder die volgens het dyslexiezorg-protocol (PDDB) aan de slag gaat en het dossier weegt.

De gecontracteerde zorgaanbieders toetsen de aanvraag van ouders:

  • -

    op volledigheid van het schooldossier

  • -

    of het vermoeden van ernstige enkelvoudige dyslexie voldoende is onderbouwd (een definitieve uitspraak daarover volgt na de diagnostiek)

 

Wanneer de diagnose EED is vastgesteld, stelt de gecontracteerde zorgaanbieder volgens een gemeentelijk format een trajectplan op. Dit trajectplan geldt als aanvraag voor een beschikking voor de te vergoede behandeling. Na het afgeven van een beschikking voor behandeling ligt de verantwoordelijkheid voor de behandeling bij de ouders. Zij hebben de regie over het proces en hebben vrije keuze wanneer en bij welke gecontracteerde aanbieder de behandeling wordt afgenomen.

 

Kwaliteitszorg

De kwaliteit van de diagnostiek en behandeling van dyslexie door de specialistische zorgaanbieders wordt door het Kwaliteitsinstituut Dyslexie (KD) en Nationaal Referentiecentrum Dyslexie (NRD) gemonitord. Zij hebben zich onlangs verenigd in een gezamenlijke website en de brancheorganisaties (NIP/NVO). Via de websites van KD (www.kwaliteitsinstituutdyslexie.nl) en NRD (www.nrd.nl) en de gecombineerde website (www.nrd-kd.nl) is te zien welke zorgaanbieders aangesloten zijn bij deze kwaliteitsinstituten. In bijlage 2 wordt overzichtelijk weergegeven welke gecontracteerde zorgaanbieders zijn aangesloten bij het KD of het NRD.

 

Met betrekking tot de monitoring van doorverwijzing naar zorg en de samenwerking tussen onderwijs en zorg rondom dyslexie wordt een actieve rol van de samenwerkingsverbanden in het kader van Passend Onderwijs verwacht.

 

Aan het eind van het jaar wordt er bij de gecontracteerde aanbieders opgevraagd hoe vaak en welke zorg is geleverd aan kinderen die onderwijs volgen op het voortgezet onderwijs. Zo is inzichtelijk hoeveel leerlingen op het voortgezet onderwijs nog behoefte hebben aan dyslexieonderzoek en/of behandeling. Naar aanleiding hiervan wordt bekeken of de doelgroep die in aanmerking komt voor een vergoeding rondom dyslexie wordt aangepast.

 

Artikel 7 Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 8 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.