Raadsbesluit Uitwerking van de kerntakendiscussie deel I (subsidies)

 

 

volgnummer

:

 

datum raad

:

15 december 2015

agendapunt

:

 

onderwerp

:

Uitwerking van de kerntakendiscussie deel I (subsidies)

De raad van de gemeente Veldhoven;

 

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 november 2015;

 

overwegende dat:

  • -

    de raad in haar vergadering van 24 februari 2015 heeft besloten inzake de Kerntakendiscussie deel I;

  • -

    deze besluiten deels uitgewerkt worden in voorliggend besluit,

     

gelet op artikel 4:23 eerste lid Algemene wet bestuursrecht,

 

b e s l u i t :

 

Vast te stellen de Algemene Subsidie Verordening Veldhoven 2017

 

Algemene Subsidie Verordening Veldhoven 2017

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • b.

    College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veldhoven;

  • c.

    De-minimisverklaring: een door het college vastgestelde verklaring inzake de-minimissteun, zoals bedoeld in Europese regelgeving;

  • d.

    Eenmalige subsidie: een subsidie voor een activiteit met een eenmalig karakter die maximaal 4 jaar voortduurt dan wel een subsidie die slechts eenmaal wordt verstrekt voor een activiteit die langer dan 4 jaar voortduurt;

  • e.

    Raad: raad van de gemeente Veldhoven;

  • f.

    Subsidietijdvak: een periode, langer dan één kalenderjaar en van maximaal 3 jaren waarop één besluit tot subsidieverlening dan wel –vaststelling betrekking kan hebben.

Artikel 2. Reikwijdte verordening

  • 1.

    Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college, op het gebied van de kerndoelen Vitale Samenleving en Goed Woon- en Leefklimaat.

  • 2.

    Deze verordening is nadrukkelijk niet van toepassing op subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen, subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid Awb (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is) en subsidies op het gebied van:

    • a.

      Volkshuisvesting;

    • b.

      Economische zaken;

    • c.

      Loonkostensubsidies;

    • d.

      Duurzaamheid.

  • 3.

    Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

Artikel 3. Subsidieregelingen

Het college stelt bij subsidieregeling(en) vast welke activiteiten, binnen de reikwijdte van artikel 2 lid 1, voor subsidie in aanmerking kunnen komen.

Artikel 4. Rechtspersoonlijkheid

Subsidie op basis van deze verordening wordt verstrekt aan een rechtspersoon of een rechtspersoon in oprichting. Het college kan bij subsidieregeling in afwijking hiervan bepalen dat subsidieverstrekking aan een natuurlijk persoon mogelijk is.

Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1.

    Het college kan subsidieplafonds vaststellen. In dat geval bepaalt het college bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de betreffende subsidie.

  • 2.

    Het college kan een subsidieplafond verlagen, indien het betreffende subsidieplafond is vastgesteld voordat de begroting voor het jaar of de jaren, waarop het subsidieplafond betrekking heeft, is vastgesteld of goedgekeurd; of

  • 3.

    Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd op grond van het tweede lid wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging.

  • 4.

    Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. In de verleningsbeschikking wordt hierop gewezen.

Artikel 6. Aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college met gebruikmaking van een aanvraagformulier.

  • 2.

    Bij de aanvraag om subsidie voegt de aanvrager de volgende gegevens:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelen en de resultaten die met de activiteiten worden nagestreefd en een toelichting hoe de activiteiten daaraan bijdragen. Daarbij wordt vermeld in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente Veldhoven en haar ingezetenen en op de door de gemeente Veldhoven vastgestelde doelen of beleidsterreinen;

    • c.

      een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of bijdragen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • d.

      inzicht in de reservepositie van de aanvrager in het jaar van de aanvraag;

    • e.

      indien de aanvrager een onderneming is:

      1. een opgave van subsidies, vergoeding of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

      2. een de-minimisverklaring.

  • 3.

    Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, voegt een exemplaar van de oprichtingsakte, de statuten en, indien mogelijk, van het jaarverslag en de jaarrekening van het voorgaande jaar toe aan de aanvraag.

  • 4.

    Het college is bevoegd om, al dan niet bij subsidieregeling, van de voorgaande leden af te wijken.

Artikel 7. Aanvraagtermijn

  • 1.

    Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar of subsidietijdvak wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk voor 1 juni van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar of subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2.

    Een aanvraag om een eenmalige subsidie wordt minimaal 13 weken voor aanvang van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, ingediend.

  • 3.

    Het college is bevoegd om, al dan niet bij subsidieregeling, van de voorgaande leden af te wijken.

Artikel 8. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag om subsidie voor een kalenderjaar of subsidietijdvak uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

  • 2.

    Het college beslist op een aanvraag om eenmalige subsidie binnen 13 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.

  • 3.

    Het college is bevoegd de termijnen als genoemd in lid 1 en 2 te verdagen met een periode van maximaal 4 weken.

  • 4.

    Het college is bevoegd om bij subsidieregeling van de termijnen in de leden 1 en 2 af te wijken.

Artikel 9. Weigeringsgronden en intrekking subsidieverlening

  • 1.

    De aanvraag om subsidie wordt, naast de in artikel 4:25, tweede lid en artikel 4:35 bedoelde gevallen, in ieder geval geweigerd indien:

    • a.

      aantoonbare redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit of zal ontplooien die in strijd zijn met de wet- en regelgeving;

    • b.

      de gevraagde subsidie is aangemerkt als ontoelaatbare staatssteun;

    • c.

      de activiteiten niet zijn benoemd als activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen op grond van een door het college vastgestelde subsidieregeling;

    • d.

      subsidieverstrekking niet past binnen de door de raad vastgestelde beleidskaders en financiële kaders.

  • 2.

    Onverminderd het vorige lid kan het college een aanvraag om subsidie weigeren indien:

    • a.

      de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente Veldhoven en haar ingezetenen;

    • b.

      de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd naar het oordeel van het college geen waardevolle aanvulling vormen op het bestaande aanbod van activiteiten in de gemeente Veldhoven en – indien sprake is van activiteiten met een regionale werking – de regio;

    • c.

      niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

    • d.

      sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    • e.

      de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    • f.

      subsidieverstrekking in strijd zou zijn met enig wettelijk voorschrift;

    • g.

      een van de weigeringsgronden als opgenomen in een door het college vastgestelde subsidieregeling aan de orde is.

  • 3.

    Het college kan een verleende subsidie intrekken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  • 4.

    Het college kan een verleende subsidie intrekken en met rente terugvorderen op basis van een besluit van de Europese Commissie of op grond van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is besloten.

Artikel 10. Subsidieverlening

  • 1.

    In het besluit tot subsidieverlening voor een subsidietijdvak geeft het college aan welke gegevens en bescheiden de subsidieontvanger binnen welke termijn(en) moet indienen.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid geldt dat, indien het subsidiebedrag meer dan € 150.000 per kalenderjaar bedraagt, in ieder geval jaarlijks rekening en verantwoording moet worden overlegd omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten van het voorgaande kalenderjaar, onder toevoeging van een accountantsverklaring. In het besluit tot subsidieverlening wordt bepaald op welk moment dit moet worden overlegd en aan welke eisen de accountantsverklaring dient te voldoen.

  • 3.

    Indien de subsidieontvanger de gegevens en bescheiden als bedoeld in lid 1 en 2 niet heeft ingediend binnen de in het besluit tot subsidieverlening vastgestelde termijn, en het college voor het einde van deze termijn geen uitstel heeft verleend op verzoek van de subsidieontvanger, kan het college besluiten om het besluit tot subsidieverlening te wijzigen, waarbij de volgende systematiek wordt gehanteerd:

    • a.

      indien de subsidieontvanger voor de eerste maal de gegevens en bescheiden niet of niet tijdig indient, kan het college besluiten tot een korting van 1/3 van het totale subsidiebedrag;

    • b.

      indien de subsidieontvanger in het daaropvolgende kalenderjaar of subsidietijdvak wederom de gegevens niet of niet tijdig indient, kan het college besluiten tot een korting van 2/3 van het totale subsidiebedrag.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op subsidieverleningen die minder dan € 5.000 per kalenderjaar bedragen.

  • 5.

    Het college kan verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie en die betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteiten worden verricht, aan het besluit tot subsidieverlening verbinden.

  • 6.

    Het college kan verplichtingen met betrekking tot het beheer van de subsidie, waaronder in ieder geval de reservevorming, aan het besluit tot subsidieverlening verbinden.

Artikel 11. Betaling en bevoorschotting

  • 1.

    Indien een subsidie minder dan € 2.500 per kalenderjaar bedraagt, vindt de betaling dan wel bevoorschotting van het gehele subsidiebedrag in één termijn plaats.

  • 2.

    Indien een verleende subsidie meer dan € 2.500 per kalenderjaar bedraagt, vindt bevoorschotting per kalenderjaar als volgt plaats:

Subsidiebedrag Termijnen

€ 2.500 - € 5.000 2 gelijke termijnen

€ 5.001 - € 22.500 4 gelijke termijnen

€ 22.501 - € 45.000 6 gelijke termijnen

€ 45.001 en meer 12 gelijke termijnen

  • 3.

    Het college kan bij besluit tot subsidieverlening afwijken van het tweede lid.

  • 4.

    Indien een al betaalde subsidie over enige voorgaande periode op grond van een onherroepelijke beschikking als bedoeld in artikel 4:57 Awb teruggevorderd wordt, wordt het teruggevorderde bedrag indien mogelijk verrekend met de betaalbaar te stellen termijnbedragen.

Artikel 12. Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, niet of niet geheel zullen worden verricht.

  • 2.

    De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college zodra aannemelijk is dat niet of niet geheel zal worden voldaan aan de aan het besluit tot subsidieverlening verbonden verplichtingen.

  • 3.

    De subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:

    • a.

      beslissingen en procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend of die zijn gericht op ontbinding van de rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan het besluit tot subsidieverlening verbonden verplichtingen niet of niet geheel zullen worden nagekomen;

    • d.

      wijziging van de statuten, voor zover het de vorm van de rechtspersoon, de persoon van een bestuurder en het doel van de rechtspersoon betreft.

  • 4.

    De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor handelingen, als bedoeld in artikel 4:71 Awb, indien deze handelingen van invloed zijn op de gesubsidieerde activiteiten.

Artikel 13. Aanvraag tot subsidievaststelling

  • 1.

    Een subsidieontvanger hoeft geen aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen als het subsidiebedrag lager is dan € 5.000 per kalenderjaar. Het college kan in het besluit tot subsidieverlening wel bepalen dat de subsidieontvanger op een door het college aan te geven wijze en moment aantoont dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan het besluit tot subsidieverlening verbonden verplichtingen.

  • 2.

    De aanvraag tot subsidievaststelling van een subsidie van € 5.000 tot € 50.000 per kalenderjaar dient:

    • a.

      voor 1 juni van het jaar na afloop van het kalenderjaar of subsidietijdvak waarop de subsidieverlening betrekking heeft, te worden ingediend;

    • b.

      in geval van een eenmalige subsidie binnen 13 weken na afloop van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, te worden ingediend;

    • c.

      een inhoudelijk verslag te bevatten, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht;

    • d.

      een financieel verslag of een jaarrekening te bevatten, met daarin in ieder geval een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden baten en lasten;

    • e.

      alle overige gegevens en bescheiden te bevatten die in het besluit tot subsidieverlening zijn benoemd.

  • 3.

    De aanvraag tot subsidievaststelling van een subsidie vanaf € 50.000 per kalenderjaar dient:

    • a.

      voor 1 juni van het jaar na afloop van het kalenderjaar of het subsidietijdvak waarop de subsidieverlening betrekking heeft, te worden ingediend;

    • b.

      in geval van een eenmalige subsidie binnen 13 weken na afloop van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, te worden ingediend;

    • c.

      een inhoudelijk verslag te bevatten, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht;

    • d.

      een financieel verslag of een jaarrekening te bevatten, met daarin in ieder geval een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden baten en lasten;

    • e.

      een balans te bevatten van het afgelopen kalenderjaar of subsidietijdvak waarop de subsidie betrekking heeft, met een toelichting daarop;

    • f.

      een accountantsverklaring te bevatten, die voldoet aan de eisen die daarvoor zijn gesteld in het besluit tot subsidieverlening;

    • g.

      alle overige gegevens en bescheiden te bevatten die in het besluit tot subsidieverlening zijn benoemd.

  • 4.

    Bij subsidieregeling kunnen in afwijking van of aanvulling op lid 4 en 5 andere termijnen en gegevens en bescheiden worden opgenomen.

Artikel 14. Subsidievaststelling

  • 1.

    Subsidies die minder dan € 5.000 per kalenderjaar bedragen worden:

    • a.

      direct vastgesteld door het college; of

    • b.

      ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht dan wel na afloop van het kalenderjaar of subsidietijdvak waarop de subsidie betrekking heeft.

  • 2.

    Het college beslist binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 13 lid 2 en 3 over de vaststelling van de verleende subsidie.

  • 3.

    Het college is bevoegd de termijn genoemd in het tweede lid te verdagen met maximaal 4 weken.

  • 4.

    Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet binnen de in artikel 13 lid 2 onder a en lid 3 onder a genoemde termijn is ontvangen, gaat het college zes weken na eenmalig rappel over tot ambtshalve vaststelling.

  • 5.

    Het college is bevoegd de subsidie lager vast te stellen indien de aanvraag tot vaststelling niet of niet tijdig wordt ingediend. Hierbij geldt de volgende systematiek:

    • a.

      indien de subsidieontvanger voor de eerste maal een aanvraag tot vaststelling niet of niet tijdig indient, en evenmin toepassing is gegeven aan artikel 10 lid 3, bedraagt de korting op het totale subsidiebedrag vanwege het niet of niet tijdig indienen van de aanvraag tot vaststelling 1/3 deel van dit bedrag.

    • b.

      indien de subsidieontvanger reeds vaker een aanvraag tot vaststelling niet of niet tijdig heeft ingediend en/of indien toepassing is gegeven aan artikel 10 lid 3, wordt de eerder toegepaste korting verhoogd met 1/3 deel van het totale subsidiebedrag.

Artikel 15. Hardheidsclausule

Het college kan in individuele gevallen afwijken van de bepalingen van deze verordening, en van de bepalingen van de op basis van artikel 3 vastgestelde subsidieregelingen, voor zover de toepassing van die bepalingen voor de subsidieaanvrager of –ontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen.

Artikel 16. Slotbepalingen

  • 1.

    De Algemene Subsidie Verordening Veldhoven, de Deelverordening Amateurkunst, de Deelverordening Jeugdsport, de Deelverordening Jeugdwerk, de Deelverordening Onderwijsranddiensten, de Deelverordening Ouderen, de Deelverordening Theatervoorstellingen Theater De Schalm, de Deelverordening Subsidiëring peuterplaatsen Veldhoven, de Deelverordening Torenuurwerken, de Deelverordening Volksfeesten, de Deelverordening Vrijwilligers, de Deelverordening Vrouwenorganisaties, de Deelverordening Wijk en Buurt, de Deelverordening aangepast sporten, de Deelverordening bevordering ondernemerschap, de Deelverordening culturele evenementen, worden ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op subsidies die betrekking hebben op het jaar 2016.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van bekendmaking.

  • 3.

    Deze verordening is van toepassing op subsidies die betrekking hebben op het jaar 2017 en verder.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als “Algemene Subsidie Verordening Veldhoven 2017”.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Veldhoven in zijn openbare vergadering van 15 december 2015.

mr. G.M.W.M. Wasser drs. J.M.L.N. Mikkers

griffier voorzitter

Toelichting Algemene Subsidie Verordening 2017

Algemeen

In de voorliggende subsidieverordening is een aantal keuzes gemaakt ten opzichte van de Algemene Subsidie Verordening Veldhoven. De belangrijkste keuzes zijn: deregulering en duidelijkheid, ook in de scheiding tussen de rol van de gemeenteraad en de rol van het college.

Deregulering

In aansluiting op de VNG Modelverordening wordt een verdere deregulering doorgevoerd in de voorliggende verordening. Door het verhogen van de bedragen voor de subsidievaststelling en de tussentijdse verantwoording van de subsidie, is een lastenverlichting voor de subsidieontvangers opgenomen. In de Algemene Subsidie Verordening Veldhoven lag bijvoorbeeld het bedrag waarbij de subsidieontvanger geen aanvraag tot vaststelling hoeft in te dienen op € 2.500 subsidie per kalenderjaar. Dit is conform de modelverordening opgehoogd naar € 5.000 per kalenderjaar. Ook de eis om een accountantsverklaring bij te voegen wordt pas bij hogere bedragen gesteld. Dit past binnen de wens om verder te dereguleren.

Duidelijkheid

In de voorliggende verordening is ingezet op meer duidelijkheid voor subsidieontvangers. Zo zijn in de modelverordening diverse Europeesrechtelijke begrippen opgenomen. Besloten is om in de verordening alleen de de-minimisverklaring terug te laten komen en het Europeesrechtelijk kader op te nemen in deze toelichting. Ook is in de verordening de keuze opgenomen om enkel activiteiten voor subsidie in aanmerking te laten komen als deze activiteiten zijn benoemd in een subsidieregeling. Op die manier is duidelijk welke activiteiten subsidiabel zijn en is er geen “grijs gebied”. Tot slot is de voorliggende verordening wat ingekort ten opzichte van de Algemene Subsidie Verordening Veldhoven, wat ook de duidelijkheid ervan bevordert.

Naast het bovengenoemde biedt de voorliggende verordening duidelijkheid over de rol van de gemeenteraad en de rol van het college. De gemeenteraad stelt de kaders vast. Allereerst financieel, want bij de vaststelling van de begroting worden de financiële kaders voor de terreinen waarop het instrument subsidie wordt ingezet al vastgesteld. Om bepaalde beleidsdoelen te bereiken staan meerdere instrumenten tot de beschikking van de gemeente. Het college kan invulling geven aan de mate waarin het instrument subsidie wordt ingezet door een subsidieplafond in te stellen. Naast de financiële kaders stelt de raad beleidsmatige kaders vast. Zo wordt in deze verordening nadrukkelijker dan voorheen de reikwijdte van de verordening benoemd. Deze verordening ziet enkel op de twee door de raad vastgestelde kerndoelen: Vitale Samenleving en Goed Woon- en Leefklimaat. In de besluitvorming door de raad heeft de raad aan het college meegegeven wat deze kerndoelen inhouden en welke kaders gelden. Het college kan deze kaders uitwerken in subsidieregelingen. In de voorliggende verordening is nadrukkelijk gekozen om deze bevoegdheid aan het college te beperken tot subsidieregelingen op het gebied van de genoemde kerndoelen. Op die manier wordt geborgd dat het college binnen de kaders van de raad blijft.

Europeesrechtelijk kader

Het Europese recht wordt al jarenlang steeds belangrijker, ook op lokaal niveau. Eén van de gebieden waar het Europese recht van belang is, is subsidierecht- en beleid. Dit is logisch, gelet op de concurrentievervalsende werking die een subsidie kan hebben. Overheden, zowel centraal als lokaal, dienen hier alert op te zijn. Subsidieverstrekking is een vorm van staatssteun. Staatssteun is in principe verboden. Echter, in het Europese recht zijn voorwaarden benoemd waardoor staatssteun toch geoorloofd kan zijn. Bij het verlenen van staatssteun moet dus worden getoetst of aan deze voorwaarden is voldaan.

Geoorloofde staatssteun

Staatssteun is geoorloofd indien de steun niet boven de zogenaamde de-minimisgrens uit komt. Op grond van de Europese de-minimisverordening kunnen decentrale overheden ondernemingen over een periode van 3 belastingjaren tot € 200.000 steunen zonder dat dit ongeoorloofde staatssteun oplevert. Het begrip ‘onderneming’ wordt in Europees recht anders uitgelegd dan wat in het Nederlandse taalgebruik gebruikelijk is. Indien de gemeente een onderneming (Europeesrechtelijke uitleg) wil subsidiëren, dient de onderneming een de-minimisverklaring te overleggen waaruit blijkt dat deze gedurende 3 belastingjaren niet meer dan € 200.000 steun ontvangt (ook niet van andere overheden en ook niet in een andere vorm dan een subsidie).

Naast de geoorloofde de-minimis steun zijn er nog andere mogelijkheden om staatssteun te verstrekken. Het strekt te ver daar in deze toelichting heel uitgebreid op in te gaan. Wel is van belang dat de gemeente mogelijkheden heeft om een subsidie die ongeoorloofde staatssteun oplevert in te trekken en terug te vorderen. Om die reden is dit nadrukkelijk opgenomen in de voorliggende verordening.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In dit artikel worden een aantal in de verordening gehanteerde begrippen geduid.

Artikel 2. Reikwijdte verordening

In het eerste lid wordt heel nadrukkelijk bepaald en daarmee ook begrensd op welke gebieden subsidieverstrekking op basis van de voorliggende verordening van toepassing is. Hiermee worden de door de raad vastgestelde kaders juridisch vastgelegd.

Zoals uit het tweede lid blijkt is er een aantal gebieden waar eveneens subsidie wordt verstrekt maar die buiten de reikwijdte van deze algemene subsidieverordening vallen. De reden hiervoor is dat voor deze terreinen afzonderlijke subsidieverordeningen gelden en het niet voor de hand ligt de in de voorliggende verordening opgenomen regels van toepassing te laten zijn op die terreinen.

Tot slot wordt in het derde lid geregeld dat ten aanzien van subsidies waarvoor, volgens de Algemene wet bestuursrecht, geen wettelijke grondslag (lees: verordening) nodig is, het college toch kan bepalen dat de voorliggende verordening (deels) van toepassing is.

Artikel 3. Subsidieregelingen

Allereerst wordt de bevoegdheid tot het vaststellen van subsidieregelingen bij het college neergelegd. Dit is een wijziging ten opzichte van de vorige verordening omdat daarin was bepaald dat deelverordeningen vastgesteld worden door de raad. De bevoegdheid is nu bij het college neergelegd om een tweetal redenen.

Allereerst betreft het vaststellen van subsidieregelingen een uitwerking van de door de raad vastgestelde financiële, beleidsmatige en regelstellende kaders. Met name door de beperking dat het college enkel subsidieregelingen binnen de reikwijdte van de twee kerndoelen Vitale Samenleving en Goed Woon- en Leefklimaat kan vaststellen, maakt de koppeling met de door de raad gestelde beleidsmatige kaders duidelijk.

Daarnaast is het sociaal domein volop in ontwikkeling door diverse gewijzigde wet- en regelgeving. De verwachting is dat deze ontwikkeling voorlopig zal blijven leiden tot wijzigingen, zowel op centraal niveau als op decentraal niveau. Het is, juist nu de gemeente verantwoordelijk is voor vele taken binnen het sociaal domein, van groot belang dat de gemeente snel kan handelen, bijstellen en sturen. Door de bevoegdheid van het vaststellen van subsidieregelingen bij het college te beleggen is het bijvoorbeeld mogelijk om op vrij korte termijn een wettelijke grondslag te creëren voor de subsidiëring van een activiteit die bij uitstek bijdraagt aan de doelstellingen binnen de Vitale Samenleving, maar waar eerder nog geen subsidiemogelijkheid voor gold, omdat het een (ver)nieuwe(nde) activiteit betreft.

Artikel 4. Rechtspersoonlijkheid

Het uitgangspunt blijft dat een subsidieontvanger rechtspersoonlijkheid bezit. De reden hiervoor is dat meer mogelijkheden bestaan voor controle op risico’s als misbruik en oneigenlijk gebruik van de subsidie. Dit is niet mogelijk als de subsidie wordt uitbetaald aan een natuurlijk persoon. Echter, in een aantal gevallen is vooraf duidelijk dat het aangewezen is de subsidie te verstrekken aan een natuurlijk persoon. In die gevallen dient dit expliciet mogelijk gemaakt te zijn in de subsidieregeling.

Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

De gemeenteraad stelt de financiële kaders vast, onder ander de kaders voor bepaalde beleidsterreinen. Om de beleidsdoelstellingen op die terreinen te behalen staan verschillende instrumenten ter beschikking. Eén van de instrumenten is subsidie. Door het vaststellen van een subsidieplafond wordt vastgelegd hoeveel van het totale beschikbare budget maximaal beschikbaar is voor het instrument subsidie. Een belangrijke reden om een subsidieplafond vast te stellen is ook dat de gemeente bij overschrijding van dit plafond een weigeringsgrond heeft, ook indien een aanvraag verder aan alle voorwaarden voldoet. Op die manier kan de gemeente dus voorkomen dat een subsidieaanvrager recht heeft op subsidie terwijl er niet meer voldoende budget beschikbaar is. Het is dus naast een sturingsinstrument ook een belangrijk instrument om te waarborgen dat binnen de financiële kaders wordt gebleven.

Indien het college een subsidieplafond vaststelt, moet duidelijk zijn welke subsidie dit betreft. Daarbij schrijft de wet voor dat de verdelingssystematiek ook moet worden vastgelegd. In het eerste lid wordt voorgesteld in de subsidieregeling de verdelingssystematiek op te nemen. Op die manier is ook duidelijk welke subsidies het betreft.

Indien een subsidieplafond wordt vastgesteld voordat de begroting is vastgesteld, zou het risico kunnen bestaan dat het subsidieplafond hoger is dan het door de raad beschikbaar gestelde budget. Om de kaderstellende bevoegdheid van de raad leidend te laten zijn, is daarom in het tweede lid bepaald dat het subsidieplafond in dat geval kan worden verlaagd. Dit zal wel moeten worden gemeld bij de eerste vaststelling van het subsidieplafond, zoals bepaald in het derde lid.

Ook een subsidieverlening die ten laste komt van een begroting die nog niet is vastgesteld, kan tot genoemd risico leiden. Om die reden zal in die gevallen altijd een zogenaamd begrotingsvoorbehoud worden opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening. Indien bij de vaststelling van de begroting blijkt dat onvoldoende middelen beschikbaar zijn om de subsidieverlening ongewijzigd in stand te laten, heeft het college een termijn van 10 dagen om de beschikking tot subsidieverlening te wijzigen of in te trekken.

Artikel 6. Aanvraag tot subsidieverlening

In de aanvraagprocedure is in de voorliggende verordening geborgd dat een onderneming die subsidie aanvraagt een overzicht van andere inkomensstromen met staatsgeld en een de-minimisverklaring overlegt. Dit draagt bij aan de controle op en het voorkomen van ongeoorloofde staatssteun.

De overige bepalingen komen overeen met de aanvraagprocedure zoals voor inwerkingtreding van de voorliggende verordening ook van toepassing was.

Artikel 7. Aanvraagtermijn

Tot inwerkingtreding van de voorliggende verordening gold dat een aanvraag om een subsidie voor een kalenderjaar of subsidietijdvak uiterlijk voor 1 mei van het jaar ingediend moest worden. Die termijn was gebaseerd op de Planning- & Controlcyclus van de gemeente. Inmiddels worden subsidies niet meer verleend door de raad en dit betekent dat er meer ruimte zit in de planning. Om het voor aanvragers makkelijker te maken een goede aanvraag in te dienen voor een volgend kalenderjaar of subsidietijdvak wordt de aanvraagtermijn verlengd tot 1 juni.

Artikel 8. Beslistermijn

In dit artikel zijn de beslistermijnen opgenomen voor een (eenmalige) subsidie, met de mogelijkheid om deze termijn maximaal 4 weken te verdagen.

Artikel 9. Weigeringsgronden en intrekking subsidieverlening

De Algemene wet bestuursrecht noemt een aantal situaties waarin een subsidie aanvraag geweigerd wordt of kan worden. Naast die situaties beschrijft het eerste lid in de voorliggende verordening aanvullende situaties waarin een aanvraag ook geweigerd wordt. Het college heeft hierbij geen keuzevrijheid. Als een dergelijke situatie zich voordoet, moet de aanvraag worden geweigerd. Hierin is ook opgenomen dat, indien de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die niet voor subsidie in aanmerking komen op grond van een subsidieregeling (en die dus niet passen binnen de kerndoelen Vitale Samenleving en Goed Woon- en Leefklimaat), de aanvraag geweigerd moet worden. Dit is een nieuwe aanvulling op de weigeringsgronden. Ook nieuw is de weigeringsgrond bij ongeoorloofde staatssteun. Uiteraard is het niet toegestaan ongeoorloofde staatssteun te verstrekken, maar nu is dit ook nadrukkelijk benoemd in de verordening.

In het tweede lid worden situaties benoemd waarin het college kan besluiten een subsidie aanvraag te weigeren. Hier heeft het college dus wel beoordelingsvrijheid, binnen de kaders van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

In het derde lid is geregeld dat, indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbevorderingen, het college een reeds verleende subsidie op die grond kan intrekken. Ook kan het college een verleende subsidie intrekken én met rente terugvorderen indien dit volgt uit een besluit van de Europese Commissie of op grond van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak. In de Algemene wet bestuursrecht zijn nog andere situaties benoemd waarin het college een reeds verleende subsidie kan intrekken of wijzigen.

Artikel 10. Subsidieverlening

In het besluit tot subsidieverlening wordt vermeld voor welke periode subsidie wordt verleend (subsidietijdvak) en wanneer welke gegevens aangeleverd moeten worden. Bij subsidies die jaarlijks meer dan € 150.000 bedragen dient ieder jaar een accountantsverklaring te worden overlegd. In het besluit tot subsidieverlening staat aan welke eisen deze verklaring dient te voldoen, gelet op het feit dat er meerdere types accountantsverklaringen zijn. Zoals gezegd staat in het besluit tot subsidieverlening wanneer welke gegevens aangeleverd moeten worden. De gemeente heeft deze gegevens nodig ten behoeve van de rechtsmatigheidscontrole. Om die reden is in het derde lid een pressiemiddel opgenomen om de gegevens ook daadwerkelijk te ontvangen. Op die manier heeft de gemeente meer grip op het tijdig ontvangen van de juiste benodigde gegevens. Sinds een aantal jaar wordt gewerkt met het middel van het toepassen van een korting bij niet of niet tijdig aanleveren. Wel wordt er voorafgaand aan het toepassen van dit middel contact gezocht met de subsidieontvanger om te voorkomen dat het middel ingezet moet worden.

In het vierde en vijfde lid is bepaald dat het college verplichtingen aan de subsidieverlening kan en mag verbinden. Echter, het college kan niet zomaar verplichtingen verbinden, deze dienen wel betrekking te hebben op de verwezenlijking van het doel van de subsidie, de wijze waarop of de middelen waarmee de activiteiten worden verricht, of op het beheer van de subsidie.

Artikel 11. Betaling en bevoorschotting

Deze wijze van betaling en bevoorschotting wordt al gedurende vele jaren gehanteerd in de gemeente Veldhoven en leidt niet tot bezwaren. Het is overigens wel mogelijk dat het college hiervan afwijkt, maar dat behoort altijd bij het appellabele deel van het besluit. Voor de zekerheid is opgenomen dat bij een rechtspersoon in oprichting pas bevoorschot wordt als de oprichtingsakte is overlegd. Dit is in lijn met artikel 4.

Artikel 12. Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger

Naast de in artikel 10 vierde en vijfde lid genoemde verplichtingen die aan het besluit tot subsidieverlening kunnen worden verbonden gelden voor iedere subsidieontvanger de in dit artikel genoemde algemene verplichtingen. Het heeft met name betrekking op de meldingsplicht van de subsidieontvanger.

Artikel 13. Aanvraag tot subsidievaststelling

Na afloop van het subsidietijdvak dienen subsidieontvangers die een subsidie verleend hebben gekregen van € 5.000 per jaar of meer een aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen. Afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag dienen hierbij bepaalde, in dit artikel genoemde, gegevens en bescheiden te worden gevoegd. Het is van belang er rekening mee te houden dat een subsidieregeling van het in dit artikel genoemde kan afwijken of hierop kan aanvullen.

Artikel 14. Subsidievaststelling

Naar aanleiding van de aanvraag tot subsidievaststelling stelt het college de subsidie vast. Indien een subsidie minder dan € 5.000 per jaar bedraagt kan het college de subsidie direct bij de verlening al vaststellen, of ambtshalve na afloop van de activiteiten dan wel het subsidietijdvak.

Artikel 15. Hardheidsclausule

Het college heeft de mogelijkheid om af te wijken van de bepalingen van deze verordening en/of een subsidieregeling. Dit kan het college enkel doen indien de toepassing van de bepalingen gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen. Het toepassen van de hardheidsclausule zal dus altijd met deze toetsing gepaard gaan en dit zal ook gemotiveerd worden in het besluit. De hardheidsclausule kan enkel worden toegepast in het voordeel van een subsidieaanvrager/subsidieontvanger.

Artikel 16. Slotbepalingen

Gelet op de procedure van aanvragen van subsidieverlening voor volgende kalenderjaren/subsidietijdvakken is het van belang dat deze verordening al geruime tijd voor 2017 in werking treedt. Op die manier ligt het toetsingskader voor de aanvragen die betrekking hebben op 2017 (e.v.) vast. Echter, voor de subsidies die betrekking hebben op 2016 is de Algemene Subsidie Verordening Veldhoven van toepassing. Dit is in de slotbepalingen zo opgenomen. In 2016 kan dus zowel de Algemene Subsidie Verordening Veldhoven als de onderhavige subsidieverordening van toepassing zijn op verschillende subsidies. Om het onderscheid met de Algemene Subsidie Verordening Veldhoven inzichtelijk te maken, wordt de onderhavige verordening aangehaald als “Algemene Subsidie Verordening Veldhoven 2017”.

Naar boven