Afdeling: Gemeentewinkel, Belastingen  Leiderdorp,14 december 2015Onderwerp:Actualisering belastingverordening OZB en aanpassing tarieven 2016   

 

 

De raad van de gemeente Leiderdorp;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 november 2015,

nr. Z/15/020569/39602;

gelet op het bepaalde in de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;

b e s l u i t:

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 6

Artikel 1

Belastingplicht

  • 1.

    Onder de naam “onroerende-zaakbelastingen” worden ter zake van binnen de gemeente

    gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:

    • a.

      een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een

onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens

eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:

gebruikersbelasting;

  • b.

    een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een

    onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te

    noemen: eigenarenbelasting;

    • 2.

      Bij de gebruikersbelasting wordt:

  • a.

    gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is

    gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven;

    degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te

    verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

  • b.

    het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik, aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.

    • 3.

      Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,

      bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar

      als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip

      geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2

Belastingobject

  • 1.

    Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III

    van de Wet waardering onroerende zaken.

  • 2.

    Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van

    hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die

    onroerende zaak, in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende

    zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 3

Maatstaf van heffing

  • 1.

    De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende

    zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in

    artikel 1.

  • 2.

    Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet

    van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van

    die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of

    krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4

Vrijstellingen

  • 1.

    In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten

    aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat

    artikel bedoelde waarde, de waarde van:

    • a.

      ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,

      daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van

      glasopstanden die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van

      gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;

    • b.

      glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde

grond;

  • c.

    onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of

    voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke

    aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die

    dienen als woning;

  • d.

    één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;

  • e.

    natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;

  • f.

    openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en

    ander met inbegrip van kunstwerken;

  • g.

    waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen,

    instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van

    de delen van zodanige werken die dienen als woning;

  • h.

    werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool - en ander afvalwater en die

    worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke

    rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als

    woning;

  • i.

    werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat

    beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op

    zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.

  • j.

    onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke

    dienst van de gemeente, met uitzondering van zodanige onroerende zaken

    of delen ervan die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;

  • k.

    straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet

    zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van publiek, ten

    dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,

    verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en

    palen;

  • l.

    plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan

    de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met

    uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

  • m.

    begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van

    zodanige onroerende zaken die dienen als woning.

    • 2.

      De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende

      zaken geldt niet voor de eigenarenbelasting voor zover de gemeente van die

      zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

    • 3.

      In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de

      gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de

      onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn

      aan woondoeleinden

      Artikel 5

Belastingtarieven

  • 1.

    Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het

    percentage bedraagt voor:

    • a.

      de gebruikersbelasting 0,2071 %;

    • b.

      de eigenarenbelasting:

  • 1.

    voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1714 %;

  • 2.

    voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,2780 %.

  • 2.

    Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één belastingaanslag verenigde verschuldigde

    bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één

    belastingbedrag.

Artikel 6

Wijze van heffing

De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7

Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen

    worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag

    van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld

    en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet

    verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan,

    meer is dan € 50,00, doch minder is dan € 2.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen

    door middel van automatische incasso van de daartoe door de belastingplichtige

    aangewezen bank– of girorekening kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen

    betaald moeten worden in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag

    van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld

    en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde

    termijnen.

Artikel 8

Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de

heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen.

Artikel 9

Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De Verordening onroerende-zaakbelastingen 5 van 4 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de

    bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 6.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening onroerende-zaakbelastingen 6

Vastgesteld in de openbare vergadering van

de raad van Leiderdorp op 7 december 2015,

de griffier,

mevrouw J.C. Zantingh

de voorzitter,

mevrouw L.M. Driessen-Jansen

Naar boven