Afdeling: Gemeentewinkel, Belastingen  Leiderdorp,14 december 2015Onderwerp:Actualisering belastingverordening hondenbelasting en aanpassing tarieven 2016   

 

 

De raad van de gemeente Leiderdorp;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 november 2015,

nr. Z/15/020569/39602;

gezien het advies van het politiek forum van 30 november 2015;

gelet op artikel 226 van de Gemeentewet;

b e s l u i t:

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en de invordering

van hondenbelasting 201 6

Artikel 1

Belastbaar feit

Onder de naam hondenbelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het

houden van een hond binnen de gemeente.

Artikel 2

Belastingplicht

  • 1.

    Belastingplichtig is de houder van een hond.

  • 2.

    Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich

heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is.

3.Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het

houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de

Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden.

Artikel 3

Vrijstellingen

1.In dit artikel wordt verstaan onder hondenasiel: aan één locatie gebonden ruimte of

ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend

zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan,

welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren.

  • 1.

    De belasting wordt niet geheven voor honden:

    • a.

      die uitsluitend dienen om blinde personen te leiden;

    • b.

      die door de Stichting Hulphond Nederland als gehandicaptenhond aan een gehandicapte ter beschikking zijn gesteld;

    • c.

      die verblijven in een hondenasiel;

    • d.

      die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting

    • e.

      als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren;

    • f.

      die jonger zijn dan drie maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden;

    • g.

      die door politieambtenaren worden gebezigd bij de uitoefening van hun dienst, mits

hiervoor een certificaat als afgericht politiehond kan worden overgelegd;

a.die in opleiding zijn voor personen genoemd onder a en b.

Artikel 4

Maatstaf van heffing

De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.

Artikel 5

Belastingtarief

  • 1.

    De belasting bedraagt per belastingjaar:

    • a.

      voor een eerste hond € 86,09

    • b.

      voor een tweede hond € 151,66

    • c.

      voor iedere hond boven het aantal van twee € 219,05

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het voorgaande lid bedraagt de belasting voor honden,

gehouden in kennels die zijn geregistreerd bij de Raad van beheer op kynologisch gebied in Nederland, € 514,92 per kennel per jaar.

3.Het tweede lid blijft buiten toepassing indien belastingplichtige schriftelijk verzoekt de

verschuldigde belasting vast te stellen naar het werkelijke aantal honden indien blijkt dat

dit bedrag lager is dan het op voet van het tweede lid bepaalde bedrag.

Artikel 6

Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7

Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 8

Aangifte

1.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak ontstaat dan wel het aantal

honden dat voor de belastingplichtige wordt gehouden wijziging ondergaat, moet de

belastingplichtige binnen veertien dagen na het tijdstip waarop de belastingplicht is

ontstaan of de wijziging van het aantal honden heeft plaatsgevonden, bij het college van

burgemeester en wethouders verzoeken om te worden uitgenodigd tot het doen van

aangifte.

2.De belastingplichtige die niet binnen zes maanden na afloop van het belastingtijdvak is

uitgenodigd tot het doen van aangifte of wie niet binnen zes maanden na afloop van het

belastingtijdvak een aanslag is opgelegd, is gehouden binnen veertien dagen na afloop

van die zes maanden bij de heffingsambtenaar een verzoek in te dienen om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte.

Artikel 9

Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1.De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de

aanvang van de belastingplicht.

2.Indien de belastingplicht in de loop van het jaar aanvangt, dan wel het aantal honden in

de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting, respectievelijk de hogere

belasting ter zake van het toegenomen aantal honden, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.

3.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, dan wel het aantal

honden in de loop van het belastingjaar vermindert, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Belastingaanslagen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd.

  • 5.

    Voor de toepassing van het bepaalde in het vierde lid wordt het totaal van de op een

aanslagbiljet verenigde aanslagen hondenbelasting aangemerkt als een

belastingaanslag.

Artikel 10

Termijnen van betaling

1.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag

worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste

dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is

vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

2.In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 50,00 doch minder is dan € 2.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso van de daartoe door de

belastingplichtige aangewezen bank – of girorekening kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen betaald moeten worden in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3.In afwijking van het tweede lid geldt, dat in geval het totaalbedrag van de op een

aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar een aanslag bevat het

bedrag daarvan, minder is dan € 50,00 en zolang de verschuldigde bedragen door

middel van automatische betalingsincasso van de daartoe door de belastingplichtige

aangewezen bank- of girorekening kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen

betaald moeten worden in drie gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste

dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is

vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

4.De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden

gestelde termijnen.

Artikel 11

Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de

heffing en de invordering van de hondenbelasting.

Artikel 12

Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De “Verordening Hondenbelasting 2015” van 17 november 2014, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de

bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Hondenbelasting 2016.

Vastgesteld in de openbare vergadering van

de raad van Leiderdorp op 7 december 2015,

de griffier,

mevrouw J.C. Zantingh

de voorzitter,

mevrouw L.M. Driessen-Jansen

Naar boven