Parkeerverordening 2016

De Raad van de gemeente Harlingen

 

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d.

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994;

 

gezien het advies van de Gezamelijke commissie Mens & bestuur en Omgeving;

 

overwegende dat op deze wijze de voorgestelde maatregelen uit de 'Nota Parkeerbeleid Harlingen 2016' per 1 januari 2016 doorgevoerd kunnen worden;

 

Besluit

1. De Parkeerverordening 2016 vast te stellen;

2. De 'Verordening Parkeerbelasting 2016' inclusief de tarieventabel vast te stellen;

3. Het bedrag van de gemeentelijke kosten ter zake van een naheffingsaanslag parkeerbelastingen voor 2016 vast te stellen op € 60,00.

 

Parkeerverordening 2016

Afdeling I Definities en begripsomschrijvingen

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

 

a. RVV 1990:

het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

 

b. motorvoertuigen:

hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990;

 

c. parkeren:

het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

 

d. houder:

degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de WVW 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven dan wel degene, die middels een leasecontract of werkgeversverklaring aan kan tonen houder te zijn;

 

e. parkeerapparatuur:

parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip van verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

 

f. parkeerapparatuurplaats:

een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven door middel van parkeerapparatuur;

 

g. belanghebbendenplaats:

een parkeerplaats die:

  • a.

    is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of

  • b.

    gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd;

 

h. vergunning:

een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen;

 

i. vergunninghouder:

de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend.

 

Afdeling II. Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en vergunningbewijzen

Artikel 2
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college van burgemeester en wethouders kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3, derde lid.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is toegestaan.

Artikel 3
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning.

  • 3.

    Een vergunning kan worden verleend aan:

    • a.

      de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, te noemen bewonersvergunning;

    • b.

      de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze een beroep of bedrijf uitoefent, terwijl het vestigingsadres ligt in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en aantoont dat het in het belang van diens beroeps- of bedrijfsuitoefening, waarbij op basis van de voorzienbaarheid, planbaarheid, samenvoegbaarheid van het autogebruik ten behoeve van het bedrijf alsmede de aard van de te vervoeren goederen (vies, vers, vuil), noodzakelijk is in dat gebied een voertuig te parkeren, te noemen bedrijfsvergunning;

      • Het college van burgemeester en wethouders neemt in de vigerende 'uitvoeringsbesluiten parkeerverordening 2016 en verordening parkeerbelastingen 2016' een lijst op met branches welke in aanmerking komen voor een bedrijfsvergunning.

    • c.

      degene die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, ten behoeve van het parkeren van het motorvoertuig van degene die hem of haar bezoekt, te noemen bezoekerskaart;

    • d.

      hotels die bedrijfsmatig en tegen betaling nachtverblijf biedt aan personen, ten behoeve van het parkeren van het motorvoertuig van die personen, terwijl het vestigingsadres ligt in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, te noemen toeristenvergunning;

    • e.

      organisaties van openbaar nut, dan wel organisaties of personen die medisch noodzakelijke consulten uitvoeren en die voor de uitoefening van de functie of taak structureel één of meer motorvoertuigen in de gehele gemeente moet bezigen, voor het parkeren op parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen, te noemen dienstenvergunning;

    • f.

      de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze als werknemer werkzaam is bij een bedrijf gevestigd in het gebied waar parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die wil parkeren op parkeerapparatuurplaatsen, te noemen werknemersvergunning;

    • g.

      de eigenaar van een bestaand stallingsbedrijf, die ook als zodanig in het bestemmingsplan is opgenomen, terwijl het vestigingsadres ligt in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, te noemen stallingsbedrijvenvergunning;

    • h.

      de organisator van evenementen, terwijl het evenementenadres ligt in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en aantoont dat het in het belang van het evenement noodzakelijk is in dat gebied een voertuig te parkeren, te noemen evenementenvergunning;

    • i.

      gezelschappen die bij een huwelijk of begrafenis aanwezig willen zijn, te noemen incidentele vergunning;

    • j.

      door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen personen/instanties, te noemen Stadhuisvergunning;

    • k.

      de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze in het bezit is van een op zijn of haar naam staand geldig maand- of jaartrajectabonnement van de treindienst van Arriva of de Nederlandse Spoorwegen, die wil parkeren op een van de voor deze categorie bedoelde parkeerplaatsen bij het Station Harlingen, ten noemen forensenvergunning;

  • 4.

    Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten.

  • 5.

    Het college van burgemeester en wethouders kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Aan een vergunning kan het college van burgemeester en wethouders voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.

Artikel 4
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, regels geven voor het aanvragen en verlenen van een vergunning.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders beslist binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning.

  • 3.

    Het college van burgemeester en wethouders kan de in het tweede lid genoemde termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.

  • 4.

    Een besluit tot afwijzing van een aanvraag is met redenen omkleed. De aanvrager wordt van deze afwijzing schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 5
  • 1.

    Een vergunning wordt voor ten hoogste 1 kalenderjaar verleend.

  • 2.

    De vergunning als bedoeld in artikel 3, lid 3, a tot en met k, bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      de periode waarvoor de vergunning geldt;

    • b.

      het gebied waarvoor de vergunning geldt;

    • c.

      de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend.

Artikel 6

Het college van burgemeester en wethouders kan een vergunning intrekken of wijzigen:

  • a.

    op verzoek van de vergunninghouder;

  • b.

    wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend;

  • c.

    wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;

  • d.

    wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen;

  • e.

    wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan;

  • f.

    wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

  • g.

    wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt;

  • h.

    wanneer de vergunninghouder zijn vergunning vervalst of ter vervalsing heeft aangeboden;

  • i.

    om redenen van openbaar belang.

Afdeling III. Verbodsbepalingen

Artikel 7
  • 1.

    Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:

    • a.

      zonder vergunning;

    • b.

      in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 8

Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen.

Artikel 9
  • 1.

    Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te laten staan:

    • a.

      op een parkeerapparatuurplaats;

    • b.

      op een belanghebbendenplaats.

  • 2.

    Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd.

  • 3.

    Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

     

Afdeling IV. Strafbepaling

Artikel 10

Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de eerste categorie.

Afdeling V. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 11

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen personen.

Artikel 12

Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Parkeerverordening 2016’.

Artikel 13
  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.

  • 2.

    Bij inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Parkeerverordening 2015.

  • 3.

    Vergunningen die zijn verleend krachtens de Parkeerverordening 2015 worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening.

 

Vastgesteld door de raad in zijn vergadering van 11 november 2015

, de voorzitter

, de raadsgriffier

Verordening Parkeerbelastingen 2016

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

 

a. parkeren:

het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

 

b. motorvoertuigen:

hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990;

 

c. houder:

degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de WVW 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven dan wel degene, die middels een leasecontract of werkgeversverklaring aan kan tonen houder te zijn;

 

d. parkeerapparatuur:

parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

 

e. vergunning:

een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een voertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen;

 

f. vergunninghouder:

de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend;

 

g. centrale computer:

computer van het bedrijf en/of stichting waarmee de gemeente Harlingen een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven:

  • a.

    een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

  • b.

    een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

  • 2.

    Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:

    • a.

      degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen;

    • b.

      zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het voertuig, met dien verstande dat:

      • 1.

        indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd;

      • 2.

        indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.

  • 3.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

  • 4.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.

Artikel 4 Vrijstellingen

De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven, indien sprake is van:

  • a.

    als zodanig herkenbare motorvoertuigen van de gemeente Harlingen;

  • b.

    als zodanig herkenbare motorvoertuigen van onderstaande hulpdiensten / instanties:

    • a.

      Ambulance;

    • b.

      Politie;

    • c.

      Brandweer;

    • d.

      Defensie;

    • e.

      Douane;

    • f.

      Marechaussee;

    • g.

      Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

  • c.

    parkeren met een gehandicaptenparkeerkaart. Hierbij dient de gehandicaptenparkeerkaart duidelijk leesbaar en op een zichtbare plaats, bij voorkeur op het dashboard, in het voertuig te zijn geplaatst. Daarnaast moet daarbij met behulp van een parkeerschijf de starttijd van het parkeren aangegeven worden in verband met de maximale parkeerduur;

  • d.

    de volgende evenementen:

    • h.

      Vlootdag, opening seizoen Historische Zeilvloot;

    • i.

      Straatfestival;

    • j.

      Visserijdagen (alleen de zaterdag);

    • k.

      Zoutsloter Kerstmarkt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.

Artikel 6 Wijze van heffing

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.

  • 2.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer;

  • 2.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

Artikel 8 Termijnen van betaling

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren;

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer;

  • 3.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend;

  • 4.

    Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

Artikel 9 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen

De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.

Artikel 10 Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling

  • 1.

    Tot zekerheid van de betaling van een naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, kan aan het voertuig ook een wielklem worden aangebracht.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wijst bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten aan waar de wielklem wordt toegepast.

  • 3.

    Als na het aanbrengen van de wielklem 24 uren zijn verstreken kan het motorvoertuig naar een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen plaats worden overgebracht en in bewaring worden gesteld.

Artikel 11 Kosten

  • 1.

    De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen € 60,00;

  • 2.

    De kosten van het aanbrengen en van het verwijderen van de wielklem bedragen, indien het verwijderden geschiedt:

    • a.

      tussen 08.00 – 18.00 uur: maandag t/m vrijdag € 45,00;

    • b.

      overig op werkdagen, weekend en feestdagen: € 60,00.

  • 3.

    De kosten voor de overbrenging en bewaring bedragen:

    • c.

      voor de overbrenging € 240,00;

    • d.

      indien er sprake is van een onvolledige overbrenging (takelwagen in reeds ter plaatse en de takelwerkzaamheden zijn gestart maar uiteindelijk gaat het voertuig niet naar de plaats van bewaring) €90,00;

    • e.

      voor het bewaren € 15,00 per dag.

  • 4.

    Het bedrag van de ingevolge het tweede en derde lid in rekening te brengen kosten wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld.

Artikel 12 Kwijtschelding

Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 13 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de parkeerbelasting.

Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De 'Verordening parkeerbelastingen 2015' wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan;

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking;

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016;

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening parkeerbelastingen 2016’.

Vastgesteld door de raad in zijn vergadering van 11 november 2015

, de voorzitter

, de raadsgriffier

Tarieventabel

Behorende bij verordening parkeerbelastingen 2016

 

1. Het tarief voor het parkeren als bedoeld in artikel 2, lid a, bedraagt:

a

in gebied A, Waddenpromenade

30 minuten

0,50

b

in gebied B, Voorstraat

uur

1,00

c

in gebied C, Binnenstad

uur

1,00

d

in gebied D, Spoorstraat

dag

2,00

 

 

uur

0,40

e

in gebied E, Station

dag

2,00

 

 

uur

0,40

f

in gebied F, Nieuwe Vissershaven, camper

dag

7,50

 

in gebied F, Nieuwe Vissershaven, auto

dag

5,00

g

in gebied G, Pleintje Noorderhaven

uur

1,00

h

in gebied H, Vignetgebied

uur

0,20

 

2. Het tarief voor het parkeren op een vergunninghoudersplaats als bedoeld in artikel 2, lid b, bedraagt op basis van:

a.

 

een bewonersvergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Parkeerverordening 2016:

 

 

 

I.

gebied B en C, Voorstraat en Binnenstad

maand

2,08

 

 

 

kalenderjaar

25,00

 

II.

gebied H, Vignetgebied

kalenderjaar

2,50

 

III.

gebied I, Vijverbuurt

maand

2,08

 

 

 

kalenderjaar

25,00

b.

een bedrijfsvergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b, van de Parkeerverordening 2016

 

 

 

 

dag

5,00

 

 

week

20,00

 

 

maand

45,00

 

 

kalenderjaar

375,00

c.

 

een bezoekerskaart als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, van de Parkeerverordening 2016:

 

 

 

I.

Bezoekerskaart Binnenstad

per stuk / dag

2,00

 

II.

Bezoekerskaart Vignetgebied

per stuk / dag

0,50

d.

 

een toeristenvergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel d, van de Parkeerverordening 2016:

 

 

 

 

 

 

 

 

I.

gebied B en C, Voorstraat en Binnenstad

per stuk / dag

5,00

 

II.

gebied H, Vignetgebied

per stuk / dag

1,00

e.

 

een dienstenvergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel e, van de Parkeerverordening 2016:

 

 

 

 

 

maand

10,00

 

 

 

kalenderjaar

100,00

 

 

 

 

 

f.

 

een werknemersvergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel f, van de Parkeerverordening 2016:

 

 

 

I.

Werknemers A

maand

10,00

 

 

 

kalenderjaar

100,00

 

II.

Werknemers B

kalenderjaar

30,00

 

III.

Werknemers C

kalenderjaar

30,00

g.

een stallingsbedrijvenvergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel g, van de Parkeerverordening 2016

kalenderjaar

75,00

h.

 

een evenementenvergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel h, van de Parkeerverordening 2016:

 

 

 

I.

gebied C, Binnenstad

per stuk / dag

5,00

 

II.

gebied H, Vignetgebied

per stuk / dag

1,00

i.

een incidentele vergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel i, van de Parkeerverordening 2016

per stuk / dag

1,00

 

 

 

 

j.

Een forensenvergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel k van de Parkeerverordening 2016

maand

10,00

 

 

kalenderjaar

100,00

 

Vastgesteld door de raad in zijn vergadering van 11 november 2015

, de voorzitter

, de raadsgriffier

Naar boven