Gemeenteblad van Rotterdam

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RotterdamGemeenteblad 2014, 82795Verordeningen
Verordening kinderopvang Rotterdam 2014
De Raad van de gemeente Rotterdam,
  
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 juni 2014 (raadsvoorstel nr. 14MO01); raadsstuk 14bb6995;
  
overwegende, dat het gewenst is in aanvulling op de Wet kinderopvang kwaliteitseisen peuterspeelzalen en de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen nadere eisen te stellen aan de inrichting en kwaliteit van peuterspeelzalen;
  
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;
  
gelet op artikel 1.25 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, artikel 149 van de Gemeentewet en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit tot vaststelling van:
  
de Verordening kinderopvang en peuterspeelzalen Rotterdam 2014
  
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
  • 1.
    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
     
    a. college :
    college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam;
     
    b. peuterspeelzaal:
    voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt, anders dan gastouderopvang of kinderopvang in een kindercentrum;
     
    c. peuterspeelzaalwerk:
    de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uitsluitend bestemd voor kinderen van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs;
     
    d. kinderopvang :
    het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;
     
    e. smi-kinderopvang :
    kinderopvang op grond van een sociaalmedische indicatie;
     
    f. wet:
    Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
     
    g. adequate voorliggende voorziening:
    elke voorziening die geschikt is voor de opvang van het kind en waarop de ouder aanspraak kan maken, inclusief de voorziening bedoeld in artikel 5.
  • 2.
    Waar het in deze verordening gaat over de ouder in relatie tot smi-kinderopvang, wordt tevens bedoeld de andere ouder of partner waarmee de ouder een gezamenlijke huishouding, als bedoeld in de Wet werk en bijstand, voert.
  • 3.
    Waar het in deze verordening gaat over de ouder en partner in relatie tot smi-kinderopvang, worden de ouder en diens partner die tevens ouder is, voor de toepassing van deze verordening geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.
  • 4.
    De begripsbepalingen van de wet zijn op deze verordening van toepassing, tenzij daarvan uitdrukkelijk wordt afgeweken.
HOOFDSTUK 2 RUIMTE EN INRICHTINGSEISEN PEUTERSPEELZALEN
Artikel 2 Binnenspeelruimte
  • 1.
    Per in de peuterspeelzaal aanwezig kind is ten minste 3,5 m2 passend ingerichte binnenspeelruimte beschikbaar.
  • 2.
    Indien uit onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 2.20 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko), blijkt dat niet aan de eisenvan artikel 2 van deze Verordening kinderopvang en peuterspeelzaalwerk wordt voldaan, is het college bevoegd te handhaven conform de handhavingsinstrumenten zoals vastgelegd in de Wko en de Awb.
    Tevens is het college bevoegd dit vereiste mee te wegen bij de besluitvorming inzake registratie- en wijzigingsaanvragen voor het Landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen.
Artikel 3 Buitenspeelruimte
  • 1.
    De peuterspeelzaal beschikt over aangrenzende, voor kinderen veilige en toegankelijke, alsmede op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, waarvan de oppervlakte ten minste 3 m2 speelruimte per in de peuterspeelzaal aanwezig kind bedraagt.
    Deze buitenspeelruimte dient indien mogelijk continu maar ten minste aantoonbaar, per dagdeel, gedurende minimaal een half uur van de opvangtijd beschikbaar te zijn voor de peuterspeelzaalkinderen.
  • 2.
    Indien uit onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 2.20 Wko, blijkt dat niet aan de eisen van artikel 3 van deze Verordening kinderopvang en peuterspeelzaalwerk wordt voldaan, is het college bevoegd te handhaven conform de handhavingsinstrumenten als vastgelegd in de Wko en de Awb.
    Tevens is het college bevoegd dit vereiste mee te wegen bij de besluitvorming inzake registratie- en wijzigingsaanvragen voor het Landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen.
HOOFDSTUK 3 OPLEIDINGSEISEN
Artikel 4 Taalniveau
  • 1.
    Per 1 augustus 2014 voldoen beide pedagogisch medewerkers werkzaam op een vve-groep minimaal aan het volgende taalniveau:
    3F: gesprekken voeren en luisteren;
    2F: spreken, lezen, schrijven en taalverzorging.
  • 2.
    Per 1 augustus 2013 voldoet minimaal één pedagogisch medewerker werkzaam op een vve-groep minimaal aan het volgende taalniveau:
    3F: gesprekken voeren en luisteren;
    2F: spreken, lezen, schrijven en taalverzorging.
HOOFDSTUK 4 TEGEMOETKOMING SMI-KINDEROPVANG
Artikel 5 Aanspraak smi-kinderopvang
De in Rotterdam woonachtige ouder die Nederlander is of die in het kader van de Wet werk en bijstand gelijkgesteld wordt met een Nederlander kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten van smi-kinderopvang voor het thuiswonende kind als er naar het oordeel van het college sprake is van zodanige sociaal-medische problematiek van de ouder of van de ouder en het thuiswonende kind, dat zonder die tegemoetkoming een ernstige ontwikkelingsachterstand dreigt te ontstaan bij het kind.
Artikel 6 Weigeringsgronden
Het college weigert de tegemoetkoming in de kosten van smi-kinderopvang te verlenen als:
  • a.
    het kindercentrum of het gastouderbureau niet is opgenomen in het landelijk register, bedoeld in artikel 1.5 van de wet;
  • b.
    de opvang niet zal plaatsvinden of niet adequaat is;
  • c.
    de opvang plaats vindt door een gastouder;
  • d.
    de ouder aanspraak kan maken op een adequate voorliggende voorziening;
  • e.
    door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.
Artikel 7 Ingangsdatum
  • 1.
    Het college stelt de ingangsdatum van de tegemoetkoming in de kosten van smi-kinderopvang vast op de dag dat de kinderopvang begint.
  • 2.
    De in het eerste lid bedoelde ingangsdatum ligt, behoudens bijzondere omstandigheden, niet voor de dag waarop het college de aanvraag in ontvangst heeft genomen.
Artikel 8 Duur
  • 1.
    Het college stelt in nadere regels een maximale duur vast voor de smi-kinderopvang.
  • 2.
    Het college bepaalt de duur van de tegemoetkoming in de kosten van smi-kinderopvang met inachtneming van het bepaalde in de nadere regels smi-kinderopvang.
Artikel 9 Omvang
  • 1.
    Het college stelt in nadere regels de maximale omvang vast voor de smi-kinderopvang.
  • 2.
    Het college bepaalt de omvang van de tegemoetkoming in de kosten van smi-kinderopvang met inachtneming van het bepaalde in de nadere regels smi-kinderopvang.
Artikel 10 Hoogte
  • 1.
    Het college bepaalt de hoogte van de tegemoetkoming in de kosten van smi-kinderopvang per kind met de volgende formule:
    h = (k x u) – o, waarbij:
    h = hoogte van de smi-tegemoetkoming;
    k = werkelijke omvang van de smi-kinderopvang gedurende de gehele toekenningsperiode met inachtneming van de maximale duur zoals vastgelegd in de nadere regels smi;
    u = uurprijs van de smi-kinderopvang;
    o = verschuldigde ouderbijdrage over de gehele toekenningsperiode.
  • 2.
    Het college stelt in nadere regels de maximaal te vergoeden uurprijs voor smi-kinderopvang vast.
  • 3.
    Het college stelt de verschuldigde ouderbijdrage over de gehele toekenningsperiode vast met inachtneming van de in artikel 1.7, zesde lid, van de wet bedoelde algemene maatregel van bestuur.
HOOFDSTUK 5 PROCEDURES SMI-KINDEROPVANG
Artikel 11 Verlening van de tegemoetkoming
Het college kent bij beschikking tot subsidieverlening een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang toe aan de ouder die voldoet aan het bepaalde in artikel 5 voor zover zich geen weigeringsgrond voordoet als bedoeld in artikel 6.
Artikel 12 Verlening van voorschotten
Het college verleent voorschotten met een frequentie van één keer per maand.
Artikel 13 Ambtshalve vaststelling van de tegemoetkoming
  • 1.
    Voor zover het college dat noodzakelijk vindt, stelt het college de ouder of, als de ouder machtiging heeft afgegeven voor rechtstreekse betaling aan het kindercentrum of gastouderbureau, het kindercentrum of het gastouderbureau, in de gelegenheid uiterlijk binnen 4 weken na afloop van het berekeningsjaar bewijsstukken in te leveren waaruit blijkt dat de ouder betalingen heeft verricht of waaruit blijkt dat het kindercentrum of gastouderbureau kosten heeft gemaakt voor kinderopvang.
  • 2.
    Het college stelt de tegemoetkoming vast binnen 13 weken:
    • a.
      na afloop van het berekeningsjaar, indien het college het niet noodzakelijk vindt dat de ouder of het kindercentrum of het gastouderbureau bewijsstukken inlevert; of
    • b.
      na afloop van het tijdstip waarop de ouder of het kindercentrum of het gastouderbureau de bewijsstukken inlevert; of
    • c.
      na afloop van de in het eerste lid gestelde termijn, als de ouder of het kindercentrum of het gastouderbureau die termijn ongebruikt heeft laten verstrijken.
HOOFDSTUK 6 INLICHTINGEN- EN MEDEWERKINGSPLICHT
Artikel 14 Inlichtingen- en medewerkingsplicht
  • 1.
    De ouder die een aanvraag heeft ingediend of aan wie een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is verleend is verplicht om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging, mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan de ouder redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de aanspraak op de tegemoetkoming, dan wel op de duur, de omvang of hoogte daarvan.
  • 2.
    De ouder die een aanvraag heeft ingediend of aan wie een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is toegekend, is verplicht om desgevraagd aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet en deze verordening. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
    • a.
      het voldoen aan een oproep om op een aangegeven tijdstip en plaats te verschijnen, dan wel iemand op een van te voren medegedeeld moment toegang tot zijn woning te verlenen;
    • b.
      het meewerken aan de indicatiestelling voor smi-kinderopvang door één of meer daartoe aangewezen deskundigen, daaronder zo nodig begrepen een lichamelijk of ander onderzoek om de belemmeringen te kunnen vaststellen;
    • c.
      het verlenen van medewerking aan een onderzoek naar de besteding van een verleende subsidie.
HOOFDSTUK 7 SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN
Artikel 15 Subsidieplafond
Het college kan voor de tegemoetkoming in de kosten van smi-kinderopvang bij nadere regels een subsidieplafond en verdeelregels vaststellen.
Artikel 16 Hardheidsclausule
  • 1.
    Het college kan de artikelen nrs. 2 en 3 (betreft de artikelen mbt groepsspeelruimte en buitenspeelruimte) buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van kwalitatief verantwoorde opvang voor kinderen in een peuterspeelzaal, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
  • 2.
    Het college kan in bijzondere gevallen in gunstige zin afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening gelet op het belang van de ouder of het kind of beiden tot onbillijkheden van overwegende aard leiden.
Artikel 17 Intrekking voorgaande verordeningen
De Verordening kinderopvang Rotterdam 2012 wordt ingetrokken.
Artikel 18 Overgangsbepaling
Deze verordening is uitsluitend van toepassing op aanvragen voor een tegemoetkoming smi die op of na de datum van inwerkingtreding zijn ingediend.
Artikel 19 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van het gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 20 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kinderopvang Rotterdam 2014.
  
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 27 november 2014.

De griffier,

J.G.A. Paans

De voorzitter,

A. Aboutaleb

Dit gemeenteblad, nummer 173, ligt op werkdagen van 8.30 tot 16.00 uur ter inzage bij het Kenniscentrum Bestuursdienst Rotterdam (KBR), locatie Stadswinkel Centrum, Coolsingel 40 (zijde Doelwater, tegenover hoofdbureau politie)
(Zie ook: www.bis.rotterdam.nl – Regelgeving of Gemeentebladen chronologisch)