1.
Inleiding, doel en leeswijzer. 2
1.
Inleiding, doel en leeswijzer.
Naast de gemeente zelf zijn er binnen Zwijndrecht een aantal instellingen en organisaties actief op het terrein van maatschappelijk en sociaal relevante activiteiten dan wel met activiteiten die in het verlengde liggen van de lokale publieke taak. De uitvoering van deze activiteiten gaat soms gepaard met het doen van investeringen. Indien eigen middelen ontbreken om de betreffende investering te realiseren dient deze extern te worden gefinancierd. In veel gevallen zijn de betreffende instellingen of organisaties daartoe echter niet, of niet goed, in staat.
Indien een activiteit in dat geval naar het oordeel van de gemeente voldoende lokaal belang vertegenwoordigt kan de gemeente in die situaties behulpzaam zijn middels het afgeven van een borgstelling op de door de betreffende organisatie aan te trekken lening. Hierdoor staat de gemeente feitelijk in voor het nakomen van de verplichtingen uit de betreffende lening. Het gevolg hiervan is dat organisaties onder zeer gunstige voorwaarden kunnen financieren, hetgeen vervolgens weer ten goede kan komen aan de uitvoering van die maatschappelijk relevante activiteiten.
Indien de gemeente een borgstelling afgeeft, loopt zij risico. Het risico immers dat de betreffende instelling zijn financiële verplichtingen uit de lening niet meer kan nakomen. In dat geval zal de gemeente aan de bank moeten betalen. Om deze risicopositie te mitigeren zal de gemeente trachten om zo veel en zo goed mogelijke zekerheden te stellen. Maar ondanks de zekerheden blijft sprake van een risico waarbij grote bedragen in het spel kunnen zijn: de totale portefeuille aan door de gemeente gewaarborgde geldleningen, en dus ook haar risicopositie ter zake, beloopt al gauw vele tientallen miljoenen euro’s. Zie hierna de tabel onder 2.3. Deze omvang is zodanig dat een calamiteit bij één of meerdere gewaarborgde leningen het gemeentelijke weerstandvermogen zou kunnen aantasten.
Op dit moment heeft de gemeente Zwijndrecht geen borgstellingenbeleid. Toch beschikt de gemeente over een portefeuille aan gewaarborgde geldleningen en kan niet worden uitgesloten dat de gemeente wordt benaderd voor nieuwe borgstellingen.
Het gevaar van het ontbreken van een relevant beleidskader is dat geen brede inhoudelijke èn financiële toets plaatsvindt. Onduidelijk is dan ook of, en zo ja hoe de diverse belangen, consequenties en risico’s gestructureerd worden afgewogen, of afspraken goed worden vastgelegd en of deze worden nagekomen.
Op deze wijze is het proces onvoldoende geborgd. Aan die borging tracht deze nota een bijdrage te leveren.
Het voorgaande onderstreept de noodzaak tot het formuleren en toepassen van een gedegen beleid rond borgstellingen. Een beleid waarin een gestructureerde en integrale afweging plaatsvindt en waarbij inhoudelijke en financiële belangen van zowel de betrokken partij als die van de gemeente evenwichtig aandacht krijgen.
Deze nota heeft tot doel om daarin te voorzien middels het stellen van heldere kaders voor het al dan niet afgeven van borgstellingen. Deze kaders worden gesteld ten aanzien van:
- 1.
de situaties waarbij borgstellingen wel of niet aan de orde kunnen zijn;
- 2.
- 3.
de beoordelingsprocedure;
- 4.
de besluitvormingsprocedure en
- 5.
de dossiervorming, nazorg, verantwoording en monitoring.
Het garanderen van de afdekking van een exploitatietekort door de gemeente, de zogenoemde garantiesubsidie, valt nadrukkelijk
buiten het doel van deze nota.
Deze beleidsnota valt in hoofdlijnen in twee delen uiteen.
Het eerste deel (hoofdstuk 2) is vooral beschrijvend van aard. Hierin wordt onder andere uiteengezet wat borgstellingen zijn en welke soorten kunnen worden onderscheiden. Daarbij wordt in het bijzonder stilgestaan bij één van de voor gemeente Zwijndrecht meest relevante borgstellingsvarianten, te weten de achtervangpositie in het Waarborgfonds Sociale Woningbouw.
Het nuanceverschil tussen een borgstelling en een verstrekte lening wordt beschreven onder paragraaf 2.4.
In het tweede deel (hoofdstuk 3) worden de relevante beleidskaders uitgewerkt, zoals hierboven onder de punten 1 tot en met 5 weergegeven. Hierbij wordt beschreven waar aanvragen en aanvragers aan moeten voldoen om voor gemeentelijke borgstelling in aanmerking te komen en hoe de interne advisering en besluitvorming hierover tot stand komt. Vervolgens wordt beschreven welke aspecten er verbonden zijn aan het traject van verdere afwikkeling, dit in termen van documenten, dossiervorming, monitoring, verantwoording en dergelijke. Ook worden er enkele bijzondere situaties beschreven. De nota wordt afgesloten met de ingangsdatum van deze beleidsregels en een opmerking over de lopende borgstellingen.
2.
Borgstellingen algemeen.
2.1
Definities en synoniemen in de context van deze nota.
Borg
De gemeente treedt op als borg indien het zich tegenover een schuldeiser, meestal geldgever, van een derde aansprakelijk stelt voor het geval dat deze zijn verplichtingen niet nakomt.
Borgtocht
Borgtocht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de borg, zich tegenover de andere partij, de schuldeiser, verbindt tot nakoming van een verbintenis, die een derde, de hoofdschuldenaar, tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen.
(NB. definitie conform Artikel 7:850 lid 1 BW)
Borgstelling
De daad van het stellen van een borgtocht.
Synoniemen voor borgstelling:
Garantie, garantstelling, gemeentegarantie, gewaarborgde geldlening.
2.2
Het borgstellingsprincipe.
Voor een goed begrip waar het bij borgstellingen om draait allereerst een beknopte uiteenzetting van de werking ervan.
Zoals in de inleiding beschreven gaan activiteiten met een lokaal maatschappelijk belang soms gepaard met investeringen. De organisaties of instellingen die zich met deze activiteiten bezighouden hebben echter niet allemaal even goed toegang tot de kapitaalmarkt. De geldgever, meestal een algemene bank, zal bij het verstrekken van de lening namelijk veelal eisen dat er zekerheden worden gesteld. Niet elke organisatie kan hieraan naar genoegen van de geldgever tegemoet komen. Dit kan er, zeker in het huidige economische tijdsgewricht, toe leiden dat een instelling helemaal geen financiering van haar bank loskrijgt of tegen een dusdanig hoge rente dat de investering te duur wordt.
Indien de gemeente belang hecht aan realisatie daarvan, kan zij in dat geval een borgstelling afgeven. Daarmee gaat zij een overeenkomst aan met de geldgever c.q. bank van de betreffende maatschappelijke organisatie. Hierin garandeert de gemeente dat de leningverplichtingen zullen worden nagekomen. Vanwege de impliciete top-kredietwaardigheid van gemeenten - deze kunnen immers niet failliet gaan - zal de door de geldgever gehanteerde risico-opslag minimaal zijn. Dit stelt organisaties in staat om tegen uiterst gunstige voorwaarden (lees: een lage rente) te financieren.
Met het afgeven van de borgstelling neemt de gemeente dus een risicopositie in. De risicoprofielen, die voor de gemeente aan bepaalde borgstellingen verbonden zijn, kunnen onderling sterk afwijken. Die verschillen kunnen gelegen zijn in de aard van de betrokken organisatie (qua activiteiten, structuur, al dan niet professioneel geleid) of in het soort borgstelling. Zo hebben bijvoorbeeld borgstellingen die aan sportverenigingen zijn verleend over het algemeen een relatief hoog risicoprofiel. Daarnaast is de gemeente aangesloten bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw en bekleedt aldaar een achtervangpositie. Hoewel de op die wijze geborgde bedragen belangrijk hoger zijn mag het risicoprofiel hiervan als lager worden ingeschat.
Bezien in relatie tot de investeringsbedragen is met betrekking tot het risicoprofiel dus veelal sprake van een
paradox: ingeval van sportverenigingen is het investeringsbedrag relatief laag en het risico relatief hoog. Voor overige instellingen geldt vaak het omgekeerde.
Om risico’s uit afgegeven borgstellingen geheel of gedeeltelijk af te dekken kunnen zekerheden worden gesteld, zoals hypotheek- of pandrecht. Daarnaast kunnen risico’s worden opgevangen uit een al dan niet specifiek te vormen risicoreserve (garantiefonds).
Zolang de betreffende organisatie haar leningverplichtingen nakomt is er niets aan de hand en merkt de gemeente niets van de afgegeven borgstelling. De gemeente komt als borg echter in beeld wanneer die organisatie zodanig in financiële problemen komt dat deze op enig moment niet meer in staat is om aan de leningverplichtingen te voldoen. In hoofdlijnen kunnen deze financiële problemen worden onderscheiden in:
- •
een tijdelijk liquiditeitsprobleem, waardoor de organisatie niet in staat is om één of enkele leningtermijnen voor rente en aflossing tijdig te voldoen.
- •
een faillissement, waarbij de organisatie in zijn geheel niet meer in staat is om leningtermijnen te voldoen.
In deze gevallen zal de gemeente door de bank worden aangesproken om als borg die verplichtingen alsnog na te komen. Bij een tijdelijk liquiditeitsprobleem wordt de gemeente tenminste aangesproken op de achterstallige leningtermijnen, maar bij een faillissement gaat het dan om de volledige schuldrest van de lening, vermeerderd met renten, boeten en kosten.
Het is overigens niet gezegd dat de gemeente in deze gevallen direct schade leidt ter grootte van het bedrag zoals door de bank opgeëist. Na voldoening aan de bank treedt de gemeente voor die (deel)vordering namelijk in diens rechten. Dat betekent dat de vordering op de betreffende organisatie overgaat op de gemeente. Afhankelijk van de financiële status van de organisatie zal de gemeente er dan alles aan doen om vordering te verhalen, al dan niet door middel van een beroep op de gestelde zekerheden.
Naast de
leningovereenkomst tussen bank en aanvrager gaat het afgeven van een borgstelling gepaard met een tweetal documenten:
Deze regelt de rechten en verplichtingen tussen geldgever en de gemeente (als borg). Dit betreft de overeenkomst zoals onderaan blz. 3 genoemd.
1.een
borgstellingsovereenkomst
Deze regelt de rechten en verplichtingen uit hoofde van de borgstelling tussen de betreffende organisatie (als geldnemer) en de gemeente (borg).
2.3
Soorten borgstelling.
De volgende soorten borgstellingen kunnen worden onderscheiden:
- 1.
Directe borgstellingen. Hierbij loopt de gemeente direct risico indien de instelling ten behoeve waarvan de borgstelling is afgegeven, in financiële problemen raakt. Directe borgstellingen kunnen als volgt nader worden onderverdeeld:
- a.
Specifieke borgstelling. Deze komt, na relevante besluitvorming, tot stand na verzoek van een zekere partij ten behoeve van een zeker doel;
- b.
Borgstelling op basis van aandeelhoudersovereenkomst. Het kan voorkomen dat in de aandeelhoudersovereenkomst van deelnemingen in een N.V. of B.V. bepalingen zijn opgenomen over een garant-rol van de aandeelhouders. Een dergelijk document wordt ook wel garantstellingsovereenkomst of ballotageovereenkomst genoemd. Deze vorm is hierna in hoofdstuk 3, afdeling 7 nader uitgewerkt;
- c.
Impliciete borgstelling. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien de gemeente deelnemer is in een gemeenschappelijke regeling. Deze vorm wordt ook aangeduid als borgstelling op basis van wettelijke bepalingen. Zie voor de uitwerking hiervan eveneens hoofdstuk 3, afdeling 7.
- 2.
Achtervang. Dit doet zich voor bij waarborgfondsen, zoals het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW). Rond dergelijke fondsen is een zekerheidsstructuur gecreëerd waarbij, veelal met Rijk en gemeenten, een zodanige positie is overeengekomen dat zij pas dan in actie zullen komen indien het betreffende fonds niet meer aan haar verplichtingen dreigt te kunnen voldoen. Vanwege haar bijzondere aard en omvang wordt deze borgstellingsvarariant hierna nader uitgewerkt.
Zoals uit de volgende tabel blijkt bedroeg de restantschuld van de per 31 december 2013 gewaarborgde geldleningen ruim € 139 miljoen, één en ander conform de Staat van Gewaarborgde geldleningen in de jaarrekening.
Tabel 1
Lopende borgstellingen gemeente Zwijndrecht per 31 december 201
3
.
Uit deze tabel blijkt dat het overgrote deel betrekking heeft op de achtervangpositie van de gemeente in het Waarborgfonds Sociale Woningbouw.
Nadere uitwerking
achtervang
.
Het specifieke karakter van achtervang én het feit dat deze categorie blijkens voorgaande tabel ruim 80% van de gemeentelijke borgstellingen vertegenwoordigt rechtvaardigt een aparte uiteenzetting.
Op het terrein van sociale woningbouw zijn binnen de gemeente Zwijndrecht een aantal woningcorporaties actief. Deze corporaties zijn vrijwel allemaal als toegelaten instelling aangesloten bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW).
De doelstelling van het WSW is om er voor te zorgen dat corporaties tegen zo gunstig en voordelig mogelijke condities kunnen lenen op de kapitaalmarkt. In principe borgt het WSW alle leningen die door de betreffende corporaties zijn of worden opgenomen ten behoeve van hun activiteiten in de sociale woningbouw (dus
niet leningen die worden opgenomen voor bijvoorbeeld het realiseren van luxe koopcomplexen waarbij de corporatie veelal als projectontwikkelaar optreedt).
Geldgevers hechten grote waarde aan een door het WSW afgegeven borgstelling, omdat rond het WSW een degelijke zekerheidsstructuur is gerealiseerd. Binnen die zekerheidsstructuur is sprake van een gezamenlijke achtervang door enerzijds het Rijk en anderzijds de gemeente waarbinnen het onroerende goed zich bevindt ten behoeve waarvan de financieringsmiddelen worden aangetrokken, het zogenoemde ‘borgbare bezit’.
Deze zekerheidsstructuur kan als volgt in beeld worden gebracht:
De
primaire zekerheid wordt gevormd door de eigen vermogens van de aangesloten woningcorporaties. Die vermogensposities staan overigens onder periodiek toezicht door het WSW. Ingeval de financiële positie niet meer toereikend is kan een corporatie saneringssteun krijgen van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (CFV).
De
secundaire zekerheid wordt gevormd door het vermogen van het WSW. Tevens moet worden bedacht dat het WSW in ruil voor borging zekerheden (bijv. hypotheek) heeft gesteld op het bezit van de corporatie.
De achtervangposities van Rijk en gemeenten vormen de
tertiaire zekerheid. Indien een situatie ontstaat waarbij de corporatiesector zodanig in financiële problemen raakt dat de hierboven geschetste primaire en secundaire zekerheden ontoereikend zijn, dan wordt op grond van de achtervangovereenkomst door het WSW van Rijk en gemeenten gevraagd dat hulp wordt geboden in de vorm van renteloze leningen.
Het grote belang van de zekerheidsstructuur die op deze wijze tot stand is gekomen gerealiseerd is dat hieraan door internationaal erkende ratingbureaus als Standard & Poors en Moody’s de hoogst haalbare kredietwaardigheidsstatus is toegekend, te weten triple-A. De waardering hiervoor door geldgevers komt tot uitdrukking in de leningvoorwaarden, hetgeen er toe leidt dat corporaties tegen optimale condities (lees: laagst mogelijke risico-opslag) toegang hebben tot de kapitaalmarkt.
Het risico dat op basis van bovengeschetste zekerheidsstructuur een beroep op de achtervangers moet worden gedaan mag, mede naar opvatting van de VNG, als klein worden ingeschat.
Gemeenten kunnen zelf bepalen op welke wijze zij hun achtervang vormgeven:
- 1.
Generiek, ofwel voor alle in de gemeente werkzame toegelaten instellingen zonder nadere limiteringen of
- 2.
Gelimiteerd. De gemeente kan drie limiteringen aanbrengen, al dan niet in combinatie met elkaar:
- a.
Limitering in tijd. Dit heeft betrekking op de looptijd van de door de gemeente met het WSW gesloten achtervangovereenkomst.
- b.
Limitering op naam. Hiermee bestaat de mogelijkheid om specifieke corporaties aan te wijzen waarvoor de gemeente een achtervangpositie wenst in te nemen.
- c.
Limitering op bedrag. Hiermee kan de gemeente het per bepaalde periode een maximumbedrag stellen waarvoor zij als achtervang wil fungeren
Het huidige Zwijndrechtse beleid rond de WSW-achtervang is eind 2011 geformuleerd vanuit de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling, tezamen met SCD Teasury. Hierin is de achtervang gelimiteerd:
- •
Op naam: de corporaties Trivire, Woonkracht10 en Woningstichting Heerjansdam;
- •
Op bedrag: per corporatie resp. € 61,5, € 85 en € 10 miljoen;
- •
In tijd: tot 1 januari 2017.
De wijze waarop intern rond achtervangbeleid wordt geadviseerd is hierna uiteengezet in artikel 6.4.
2.4
Borgstelling in relatie tot verstrekte lening.
Ten aanzien van (krediet)risico-aspecten bestaat er in principe niet veel verschil tussen het verstrekken van een geldlening of het afgeven van een borgstelling. Het betreffende onderscheid moet worden gezocht in het directe dan wel indirecte kredietrisico. Indien een gemeente zelf een lening verstrekt loopt zij direct het risico dat een geldnemer haar verplichtingen niet nakomt en dient hierop dan ook zelf actie te initiëren. In geval van een verstrekte borgstelling zal de gemeente echter pas worden aangesproken nadat de geldgever een proces van aanmaning en ingebrekestelling in de richting van de geldnemer heeft doorlopen. Hiertoe zijn professionele geldgevers immers ook beter geëquipeerd dan een gemeente. In dat geval is de kans aanwezig dat de geldnemer het nakomen van haar verplichtingen hervat, zodat de geldgever geen beroep hoeft te doen op de gemeente als borg.
Het verstrekken van leningen vormt geen taak voor een (lokale) overheid. De gemeente dient te vermijden dat zij verstoringen in de reguliere kredietmarkt in de hand werkt. Dit betekent dat op dat gebied uiterste voorzichtigheid moet worden betracht. Het door de gemeente uit eigen middelen verstrekken van geldleningen kan slechts dan plaatsvinden indien maatschappelijk waardevolle instellingen een dusdanige financiële situatie en/of vermogenspositie hebben dat
aantoonbaar geen gebruik kan worden gemaakt van de reguliere kredietverlening door algemene banken.
Eén ander betekent dat door de gemeente Zwijndrecht in principe geen geldleningen (meer) worden verstrekt aan derden. Uitzonderingen dienen te worden gemotiveerd middels specifieke besluitvorming, daarbij rekening houdend met bepalingen inzake ongeoorloofde staatssteun. De bij borgstelling geformuleerde voorwaarden en eisen gelden daarbij onverkort.
In de kaders die van toepassing zijn op borgstellingen kan het volgende onderscheid worden gemaakt:
- •
- •
Eigen (gemeentelijke) kaders
- ∘
Algemene kaders o.a. Financieringsstatuut
- ∘
Inhoudelijke kaders o.a. beschrijving van de situaties waarbij borgstellingen wel of niet aan de orde kunnen zijn;
- ∘
Procedurele kaders ten aanzien van
- •
- •
de beoordeling (toetsing en advisering);
- •
- •
de afwikkeling (overeenkomsten, dossiervorming, nazorg, monitoring, verantwoording)
Wettelijke kaders ten aanzien van borgstellingen zijn te vinden in het Burgerlijk Wetboek, de Gemeentewet en de Wet financiering decentrale overheden. Daarnaast gelden nog Europese bepalingen.
De wettelijke bepalingen rond borgtocht zijn geregeld in het Burgerlijk Wetboek, Boek 7, Titel 14 (Bijzondere overeenkomsten, Borgtocht).
De voor borgstellingen relevante bepalingen zijn te vinden in de artikelen 160 en 169.
Het afgeven van een borgstelling betreft een privaatrechtelijke rechtshandeling. De
bevoegdheid om daartoe besluiten te nemen ligt op grond van de Gemeentewet bij het college van burgemeester en wethouders, dit op grond van artikel 160 lid 1 sub e:
“
Het college is in ieder geval bevoegd:
e.
tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te besluiten [en deze te verrichten];”
Wanneer met een borgstelling substantiële financiële belangen gemoeid (kunnen) zijn dient ook rekening te worden gehouden met hetgeen is bepaald in het 4
e lid van artikel 169 van de Gemeentewet:
“
Zij (het college, red.) geven de raad vooraf inlichtingen over de uitvoering van debevoegdheden, bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de raad daarom verzoekt of indien de uitvoering ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad zijn wensen en bedenkingen ter zake ter kennis van het college heeft kunnen brengen.”
Wet financiering decentrale overheden.
Het verlenen van borgstellingen is toegestaan op grond van artikel 2, lid 1 van de Wet fido:
“Openbare lichamen gaan leningen aan, zetten middelen uit of verlenen garanties uitsluitend ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak.”
Deze wetgeving is relevant in gevallen waarin de gemeente betrokken is bij zogenoemde ‘economische activiteiten’. Daarvan is sprake indien de gemeente zelf of via een overheidsbedrijf in concurrentie met andere ondernemingen goederen of diensten aanbiedt op een markt, dit met uitzondering van activiteiten waarvan de gemeenteraad heeft vastgesteld dat die plaatsvinden in het algemeen belang.
Naast voorgaande nationale wetgeving zijn ook Europese regels van toepassing:
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
In dit verdrag zijn bepalingen opgenomen voor het tegengaan van ongeoorloofde staatssteun. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien een partij als gevolg van de borgstelling belangrijk voordeliger kan financieren dan voor vergelijkbare organisaties realiseerbaar is. De hiertoe relevante bepalingen zijn opgenomen onder artikel 107, waarvan het eerste als volgt luidt:
“Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.”
3.2
Eigen (gemeentelijke) kaders.
In lijn met bovengenoemd artikel 160 lid 1 sub e van de Gemeentewet is in het gemeentelijke Financieringsstatuut bepaald dat de bevoegdheid om te beslissen over het afgeven van borgstellingen bij het College van B en W ligt.
Tegemoetkomend aan het voorschift zoals omschreven in het 4
e lid van artikel 169 van de Gemeentewet is in het Financieringsstatuut bovendien bepaald dat borgstellingen voor wensen en bedenkingen langs de Gemeenteraad zullen worden geleid.
Centraal Zwijndrechts uitgangspunt: voorzichtig beleid.
Een centraal uitgangspunt van de gemeente is dat zij een voorzichtig beleid voert ten aanzien van het afgeven van waarborgen. Indien overwogen wordt medewerking te verlenen aan een borgstelling, dient in elk geval aan de volgende beleidslijnen te worden voldaan. Indien zulks het geval is, is daarmee nog niet automatisch positief beslist over de borgstelling.