Gemeenteblad van Eemnes

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
EemnesGemeenteblad 2014, 79478Verordeningen
Nadere regels Verordening jeugdhulp gemeente Eemnes 2015
 
Hoofdstuk 1: Vormen van jeugdhulp
Burgemeester en Wethouders van Eemnes
gelet op de artikelen 2, derde lid, artikel 4, en artikel 6, derde en vierde lid van de Verordening jeugdhulp gemeente Eemnes 2015,
BESLUIT:
de volgende nadere regelsvast te stellen:
N adere regels Verordening jeugdhulp gemeente Eemnes 2015
Artikel 1. Overige voorzieningen
De volgende overige voorzieningen zijn beschikbaar:
a. Informatie en opvoedadvies;
b. Preventie opvoed- en opgroeiondersteuning individueel;
c. Preventie opvoed- en opgroeiondersteuning groepsgewijs;
d. Ondersteuning via het Jeugd & Gezinteam;
Artikel 2. Individuele voorzieningen
De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:
  • a.
    Specialistische jeugdhulp ambulant;
  • b.
    Specialistische jeugdhulp intramuraal;
  • c.
    Jeugd-GGZ (generalistische basis-GGZ en specialistische GGZ);
  • d.
    Enkelvoudige ernstige dyslexiezorg;
  • e.
    Pleegzorg;
  • f.
    Jeugdzorg-plus;
  • g.
    Specialistische dagbehandeling en verzorging van jeugd met een lichamelijke, verstandelijke en/of zintuigelijke beperking.
Hoofdstuk 2: Toegang jeugdhulp via de gemeente
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag
  • 1.
    Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het Jeugd & Gezinteam Eemnes;
  • 2.
    Het college bevestigt de ontvangst van een melding digitaal of schriftelijk, tenzij de hulpvrager heeft meegedeeld dit niet te wensen.
  • 3.
    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijke een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.
  • 4.
    Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening.
Artikel 4. Vooronderzoek
  • 1.
    Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 5, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. Hierbij brengt het college de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan.
  • 2.
    Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
  • 3.
    Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 5. Gesprek
1.Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:
a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;
  • b.
    het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
  • c.
    het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
  • d.
    de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;
  • e.
    de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening;
  • f.
    de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;
  • g.
    de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;
  • h.
    hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en
  • i.
    de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.
    • 1.
      Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
    • 2.
      In de gevallen bedoeld in artikel 8.2.1 van de Jeugdwet informeert het college de ouders dat een ouderbijdrage is verschuldigd en hoe deze bijdrage wordt geïnd.
    • 3.
      Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken.
    • 4.
      Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek.
Artikel 6. Verslag
1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 5.
2. Het college verstrekt aan de jeugdige of zijn ouders een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen.
3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd.
Artikel 7. Aanvraag
1.Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college.
1.2. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven en het verslag is voorzien van een dagtekening, van de naam, burgerservicenummer, geboortedatum van de jeugdige.
Hoofdstuk 3: Regels voor persoonsgebonden budget
Artikel 8. Wijze waarop de hoogte van het persoonsgebonden budget (pgb) wordt vastgesteld
  • 1.
    Het tarief voor een pgb:
    a. is gebaseerd op een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan over hoe zij het pgb gaan besteden;
    b. is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen, en
    c. bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.
  • 2.
    De hoogte van een pgb is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten.
  • 3.
    Het pgb voor dienstverlening door:
    a. professionals in dienst van een instelling wordt per uur of per resultaat bepaald op basis van het door het college vastgestelde tarief voor het betreffende onderdeel.
    • b.
      professionals niet in dienst van een instelling wordt per uur of per resultaat bepaald op basis van 75% van het door het college vastgestelde tarief voor het betreffende onderdeel.
    • c.
      niet-professionals wordt bepaald op basis van 50% van het door het college vastgestelde tarief voor het betreffende onderdeel.
  • 4.
    Het college stelt het tarief voor de onderdelen genoemd in lid 3 vast in het Financieel Besluit Jeugdwet Eemnes.
  • 5.
    De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden, naast de in het derde lid sub c genoemde voorwaarde voor het tarief, betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk:
    • a.
      dat deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende niet tot overbelasting leidt, en
    • b.
      dat tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit dit pgb mogen worden betaald.
Hoofdstuk 4: Overige bepalingen
Artikel 9. Inwerkingtreding
Deze nadere regels treden in werking op 1 januari 2015.
Vastgesteld in het college van 2 december 2014
De secretaris, de burgemeester
Ing. P.H. van Dijk R. van Benthem RA
PUBLICATIEDATUM:
Toelichting nadere regels Verordening jeugdhulp 2015
Hoofdstuk 1 Vormen van jeugdhulp
Artikel 1Overige voorzieningen
De overige voorzieningen zijn beschikbaar zonder een aanvraagprocedure. De overige voorzieningen bestaan uit het laagdrempelig verlenen van informatie en advies en uit het verstrekken van lichte ambulante hulpverlening. De overige voorzieningen zijn laagdrempelig beschikbaar en moet voorkomen dat de dure individueel hulpverlening wordt ingezet. Daarnaast kunnen de overige voorzieningen een goede ondersteuning bieden bij de inzet van een individuele voorzieningen.
Artikel 2Individuele voorzieningen
De individuele voorziening is een voorziening die alleen via een aanvraag en een beschikking kan worden ingezet. Het is een dure voorziening, die niet vrij toegankelijk is voor ouders en jeugdigen. Het Jeugd & Gezinteam Eemnes heeft het mandaat om een individuele voorziening in te zetten en zal deze procedure zorgvuldig moeten doorlopen. Voorzieningen ter uitvoering van het gedwongen kader zijn hier niet opgenomen omdat deze geen jeugdhulp zijn in de zin van de wet en niet op aanvraag beschikbaar zijn. Het gaat hier om jeugdbescherming en jeugdreclassering. De gemeente is wel verantwoordelijk voor een toereikend aanbod van deze voorzieningen.
Hoofdstuk 2 Toegang jeugdhulp via de gemeenteArtikel 3 lid 1 en 2Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag
De gemeente organiseert de toegang tot de jeugdhulp. We gaan er hiervan uit dat de toegang naar jeugdhulp zo dicht mogelijk bij het kind en gezin wordt georganiseerd. Na bevestiging van hulpvraag wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek, indien mogelijk zal het gesprek zoveel mogelijk bij de ouders en jeugdige thuis plaatsvinden.
Artikel 3 lid 3
Wanneer er sprake is van spoedeisende hulp, kan het Jeugd & Gezinteamlid direct een individuele voorziening inzetten. Dit betekent dat de ouders en jeugdige geen procedure hoeft te doorlopen om de nodige zorg te ontvangen.
Het Jeugd & Gezinteamlid informeert de ouders en jeugdigen over de procedure omtrent het gesprek en informeert de ouders en jeugdigen over hun rechten en plichten. Het kan zijn dat een Jeugd & Gezinteamlid op basis van de gegevens uit het brede gesprek nader onderzoek doet om te bepalen of belanghebbende een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet nodig heeft. Het aanvragen van advies door de expertisepool kan onderdeel uitmaken van het onderzoek. Het is van belang dat de ouders en jeugdigen toestemming geeft voor het uitwisselen van persoonsgegevens.
Artikel 3.4
Ouders en jeugdige kunnen zonder een aanvraag rechtstreeks toegang krijgen tot overige jeugdhulp.. De gemeente communiceert duidelijk naar de inwoners welke voorzieningen direct toegankelijk zijn en welke voorzieningen niet direct toegankelijk zijn.
Vooronderzoek
Artikel 4 lid 1,2, en 3
Na bevestiging van hulpvraag wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek. Op voorhand bepalen de nadere regels niet precies wanneer deze afspraak wordt gemaakt. Afhankelijk van de hulpvraag kan het namelijk zijn dat het Jeugd & Gezinteam eerst gegevens wil verzamelen voor een goede voorbereiding op het gesprek.
Artikel 4 lid 3
Wanneer de gegevens bekend zijn bij het Jeugd & Gezinteam, dan is het niet nodig om het gehele vooronderzoek opnieuw te houden.
Gesprek
Artikel 5 lid 2
Het familiegroepsplan is in artikel 1.1 van de Jeugdwet gedefinieerd als: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. In artikel 4.1.2 van de Jeugdwet is bepaald dat de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling bij het uitvoeren van artikel 4.1.1 Jeugdwet en indien sprake is van vroegsignalering van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als eerste de mogelijkheid biedt om, binnen redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Op grond van artikel 2.1., onder g, Jeugdwet, maakt het familiegroepsplan onderdeel uit van het gemeentelijk beleid.
Artikel 5 lid 3
Wanneer er sprake is van uithuisplaatsing van het kind, is de ouder een ouderbijdrage verschuldigd. Deze ouderbijdrage zal vanaf 1 januari 2015 door het Centraal Administratiekantoor (CAK) worden geheven. Het CAK krijgt informatie van de gemeente. Op basis van deze informatie neemt het CAK al dan niet contact met de ouder op. In de Jeugdwet worden ook enkele situaties benoemd, wanneer de ouder geen bijdrage verschuldigd is, het gaat dan met name om situaties als de ouders geen ouderlijk gezag (meer) hebben, in acute noodsituaties, dit betreft ‘crisisplaatsing’ als sprake is van een acute noodsituatie.
Verslag
Artikel 6
Van het gesprek wordt een schriftelijk verslag opgesteld. Daarin staan het in samenspraak met de ouders en jeugdigen, en indien aanwezig andere personen uit het sociale netwerk, tot stand gekomen oplossingen (een arrangement). In plaats van een verslag kan ook een plan van aanpak worden opgesteld. De inhoud daarvan bevat in ieder geval ook de strekking van de genoemde onderzoeksonderwerpen.
Het verslag vormt de belangrijkste basis voor de beslissing op de aanvraag. Nadat de ouders en jeugdigen beschikt over het verslag is het wel de verantwoordelijkheid van de ouders en jeugdige, al dan niet personen uit het sociale netwerk, zelf te beslissen of een aanvraag wordt ingediend. Als de ouders en jeugdige niet eens is met het opgestelde plan, dan is er altijd een mogelijkheid voor de ouders en jeugdige om aan te geven waarom hij niet akkoord is.
Aanvraag
Artikel 7
Als de ouders en/of jeugdige het plan ondertekent en het plan is voorzien van zijn naam, burgerservicenummer (BSN), geboortedatum en een dagtekening, kan het plan fungeren als aanvraagformulier voor een individuele voorziening of individuele voorziening; als dat (mede) de uitkomst is van het gesprek.
Hoofdstuk 3: Regels voor pgb
Wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld
Een individuele voorziening in de vorm van een PGB wordt alleen verstrekt indien de aanvrager dit gemotiveerd, aan de hand van een opgesteld plan vraagt. De ouders en jeugdige moet motiveren dat het bestaande aanbod van zorg in natura niet passend is. In het plan moet duidelijk worden aangetoond dat de verstrekking van een PGB aantoonbaar leidt tot veilige betere en effectievere ondersteuning. Ook dient de ondersteuning aantoonbaar doelmatiger te zijn.
De gemeente beoordeelt of dit plan voldoet. Door het opstellen van een persoonlijk plan wordt de ouders en jeugdige gestimuleerd na te denken over zijn zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren.
Bij de vaststelling van de tarieven voor dienstverlening wordt een onderscheid gemaakt tussen zorgverlening door professionals in dienst van een instelling, professionals niet in dienst van een instelling en niet professionals (zoals werkstudenten, sociaal netwerk). Het PGB voor dienstverlening door professionals in dienst van een instelling bedraagt 100% van het door het college vast te stellen tarief. Voor dienstverlening door professionals niet in dienst van een instelling (zoals ZZP-ers) wordt uitgegaan van 75% van het vastgestelde tarief omdat deze professionals lagere overheadkosten hebben. Voor de categorie niet professionals hanteert het college een bedrag van 50% van het vastgestelde tarief.
De gemeente keert een “bruto” PGB uit aan het SVB, hierop is geen eigen bijdrage in mindering gebracht.
Wanneer de jeugdhulp die gefinancierd wordt uit het PGB duurder blijkt te zijn dan de hulp in natura, mag het PGB niet op voorhand worden geweigerd. Gemeenten mogen in dit geval ervoor kiezen alleen een budget te verstrekken ter hoogte van het ingekochte ZIN-tarief (zorg in natura). De extra kosten om de jeugdhulp uit het PGB te contracteren, kunnen dan bijbetaald worden door de aanvrager.