Algemene Subsidieverordening Gemeente Hattem 2014
 
De raad van de gemeente Hattem;
gelezen het voorstel van het College , no. 201405897, d.d. 15 juli 2014;
gelet op het bepaalde in de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht;
overwegende dat een aantal tekortkomingen in de huidige subsidieverordening maakt dat een aanpassing van deze verordening gewenst is;
b e s l u i t :
vast te stellen de Algemene Subsidieverordening Gemeente Hattem 2014. No.: 66.
Artikel 1. Reikwijdte
  • 1.
    Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door burgemeester en wethouders, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is (artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht).
  • 2.
    Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.
Artikel 2. Subsidieregeling
Burgemeester en wethouders stellen bij nadere regeling (hierna te noemen: subsidieregeling) vast welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin ook bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.
Artikel 3. Europees steunkader
  • 1.
    Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kunnen burgemeester en wethouders bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen.
  • 2.
    Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het toepasselijke steunkader.
  • 3.
    Bij subsidies waar een Europees steunkader op van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.
  • 4.
    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.
  • 5.
    Bij subsidies waarop de de-minimisverordening van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor subsidies die voldoen aan de voorwaarden van de de-minimisverordening.
Artikel 4. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
  • 1.
    Burgemeester en wethouders kunnen subsidieplafonds vaststellen. In dat geval bepalen zij bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de betrokken subsidie.
  • 2.
    Burgemeester en wethouders kunnen een subsidieplafond verlagen:
    • a.
      als het subsidieplafond wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; of
    • b.
      als de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.
  • 3.
    Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging.
  • 4.
    Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij een verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.
Artikel 5. Aanvraag
  • 1.
    Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij burgemeester en wethouders met gebruikmaking van een aanvraagformulier.
  • 2.
    Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt een exemplaar van de oprichtingsakte, de statuten, het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar toe aan de aanvraag.
  • 3.
    In een subsidieregeling kunnen aanvullende regels worden gesteld.
Artikel 6. Aanvraagtermijn
  • 1.
    Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt ingediend tussen 1 april en 1 juni voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.
  • 2.
    Andere aanvragen omsubsidie worden ingediend uiterlijk 12 weken voordat de aanvrager van plan is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.
  • 3.
    In een subsidieregeling kunnen aanvullende regels worden gesteld.
Artikel 7. Beslistermijn
  • 1.
    Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.
  • 2.
    Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 6, tweede lid, binnen 12 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.
  • 3.
    Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.
  • 4.
    Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.
Artikel 8. Weigerings- en intrekkingsgronden
  • 1.
    Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht weigeren burgemeester en wethouders de subsidie in ieder geval:
    • a.
      als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt.
    • b.
      als het gaat om een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als gevolg van een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.
  • 2.
    Onverminderd het vorige lid kunnen burgemeester en wethouders de subsidie verder in ieder geval weigeren:
    • a.
      als de te subsidiëren activiteiten niet of niet voldoende gericht zijn op de gemeente of haar burgers of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar burgers;
    • b.
      als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;
    • c.
      de activiteiten van de aanvrager niet zijn opgenomen in of niet voldoen aan de subsidieregeling.
    • d.
      in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;
    • e.
      als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;
    • f.
      als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;
    • g.
      als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;
    • h.
      in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.
  • 3.
    Burgemeester en wethouders kunnen een subsidie in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
  • 4.
    Burgemeester en wethouders vorderen een subsidie met rente terug als dit nodig is voor de uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.
Artikel 9. Verantwoording
Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregeling, wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidie-ontvanger de besteding van de subsidie moet verantwoorden.
Artikel 10. Algemene verplichtingen van subsidie-ontvanger
  • 1.
    Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidie-ontvanger dat direct aan burgemeester en wethouders.
  • 2.
    Een subsidie-ontvanger informeert burgemeester en wethouders direct schriftelijk over:
    • a.
      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;
    • b.
      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;
    • c.
      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet of niet geheel zullen kunnen worden nagekomen;
    • d.
      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon;
    • e.
      afwijkingen in de financiële situatie of begrote kosten die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de verleende subsidie of kunnen leiden dat buiten de financiële kaders van de subsidieverlening wordt getreden.
Artikel 11. Subsidie aan instellingen gevestigd buiten de gemeente
Subsidieverstrekkingen aan instellingen die niet gevestigd zijn in de gemeente is mogelijk als:
  • a.
    Het activiteiten betreft waaraan inwoners van de gemeente deelnemen, en
  • b.
    de activiteiten niet door een reeds gesubsidieerde instelling (zouden kunnen) worden ondernomen, en
  • c.
    de activiteiten niet reeds (toereikend) worden gesubsidieerd door een ander overheidsorgaan dan wel
  • d.
    de activiteiten zijn gericht op uitwerking van gemeentelijke beleidsdoelstellingen die een regionaal draagvlak vereisen en niet al door een in de gemeente gevestigde instelling (kunnen) worden uitgevoerd.
Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
  • 1.
    Aan een beschikking tot subsidieverlening kunnen verplichtingen worden verbonden met betrekking tot het beheer en gebruik van hetgeen met de subsidie tot stand is gebracht.
  • 2.
    Het college kan voorwaarden stellen aan de opbouw en hoogte van reserveringen, voorzieningen en vermogen.
  • 3.
    Bij subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.
Artikel 13. Eindverantwoording subsidies tot € 25.000
  • 1.
    Subsidies tot € 25.000 worden door het college:
    • a.
      direct vastgesteld of;
    • b.
      nadat een verantwoording zoals omschreven in het tweede lid is ontvangen.
  • 2.
    Bij een vaststelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan het college de aanvrager verplichten om op de door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen. In dat geval moet de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling indienen bij het college:
  • a.
    bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken nadat de activiteiten zijn verricht;
  • b.
    bij jaarlijkse subsidie, uiterlijk 1 juni van het jaar na afloop van het kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend.
Artikel 14. Eindverantwoording subsidies van € 25.000 tot € 50.000
  • 1.
    Als de subsidieverlening € 25.000 of meer bedraagt, maar minder dan € 50.000, moet de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling indienen bij het college:
  • a.
    bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken nadat de activiteiten zijn verricht;
  • b.
    bij jaarlijkse subsidie, uiterlijk 1 juni van het jaar na afloop van het kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend.
  • 2.
    De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk en financieel verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten zijn verricht.
  • 3.
    Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden worden overgelegd.
Artikel 15. Eindverantwoording subsidies van € 50.000 of meer
  • 1.
    Als de subsidieverlening € 50.000 of meer bedraagt, moet de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling bij het college indienen:
  • a.
    bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken nadat de activiteiten zijn verricht;
  • b.
    bij jaarlijkse subsidie, uiterlijk 1 juni van het jaar na afloop van het kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend.
  • 2.
    De aanvraag tot vaststelling bevat:
  • a.
    een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten zijn verricht;
  • b.
    een overzicht van de verrichtte activiteiten en de inkomsten en uitgaven (financieel verslag of jaarrekening);
  • c.
    een balans van het afgelopen subsidietijdvak met toelichting;
  • d.
    een accountantsverklaring.
  • 3.
    Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden, worden overlegd.
Artikel 16. Subsidievaststelling
  • 1.
    Burgemeester en wethouders stellen de subsidie vast binnen 13 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald.
  • 2.
    Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 4 weken worden verdaagd.
  • 3.
    Bij subsidieregeling kunnen categorieën subsidie-ontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend.
  • 4.
    Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 14, eerste lid en 15, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, is ingediend, kunnen burgemeester en wethouders de subsidie-ontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Wordt de aanvraag niet binnen deze termijn ingediend dan kunnen zij overgaan tot ambtshalve vaststelling.
Artikel 17. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen
  • 1.
    Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij de subsidieregeling of bij de subsidieverlening voorgeschreven berekeningswijze.
  • 2.
    Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van bij de subsidieregeling of bij de subsidieverlening voorgeschreven definities.
  • 3.
    Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.
Artikel 18. Hardheidsclausule
  • 1.
    Burgemeester en wethouders kunnen deze verordening, met uitzondering van de artikelen 1, 2, en 3, in individuele gevallen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover de toepassing van die bepalingen voor de subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen.
  • 2.
    Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit.
Artikel 19. Slotbepalingen
  • 1.
    De Algemene subsidieverordening Gemeente Hattem 2011 wordt ingetrokken.
  • 2.
    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op haar bekendmaking.
  • 3.
    Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor deze datum zijn de bepalingen van de Algemene subsidieverordening uit 2011 van toepassing.
  • 4.
    Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Algemene Subsidieverordening Gemeente Hattem 2014’
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hattem, gehouden op 6 oktober 2014
De raad van de gemeente Hattem,
de griffier, de voorzitter,
Algemene toelichting
Begrippen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
  • -
    algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard („de algemene groepsvrijstellingsverordening”) (PbEU L 214/3) , dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;
  • -
    de-minimisverordening: verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379/5), verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337/35) en verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserijsector en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1860/2004 (PbEU L 193/6) , dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;
  • -
    Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid , 107, 108 en 109 van het Verdrag heeft vastgesteld;
  • -
    onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;
  • -
    Verdrag: Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1. Reikwijdte
Het college krijgt de bevoegdheid toegewezen om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de Algemene subsidieverordening (hierna: ASV) van toepassing is.
Dit betreft in beginsel alle subsidies, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies waar overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen wettelijke grondslag nodig is. Dit geeft het college de bevoegdheid om de ASV (deels) van toepassing te verklaren als daartoe aanleiding bestaat.
Artikel 2. Subsidieregelingen
Het college stelt nadere regels in de vorm van een subsidieregeling. In de subsidieregeling worden regels opgenomen met betrekking tot de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen.
In andere artikelen van ASV worden andere bevoegdheden gedelegeerd die betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregeling: het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie, de wijze van verdelen van het subsidieplafond.
Artikel 3. Europees steunkader
Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd.
Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in subsidieregelingen en -beschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld.
Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (lid 4).
Bij subsidies waarop de de-minimisverordening van toepassing is, kunnen alleen ondernemingen in aanmerking komen die voldoen aan de voorwaarden van de de-minimisverordening (lid 5).
Artikel 4. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
Het college stelt de subsidieplafonds vast (lid 1); bij de bekendmaking daarvan wordt tevens de door hen bepaalde wijze van verdelen vermeld (eerste lid in combinatie met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb) en wordt er, indien van toepassing, gewezen om de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen (tweede en derde lid). De raad stelt uiteraard nog steeds de financiële kaders vast (in de begroting). Het is binnen die kaders dat het college vervolgens de subsidieplafonds kan vaststellen.
Het college, dat via artikel 1 de bevoegdheid gedelegeerd heeft gekregen om te besluiten over het verstrekken van subsidies, is verder verplicht – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik maken van deze gedelegeerde bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken (vierde lid).
Artikel 5. Aanvraag
In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits het college het formulier ook in digitale vorm beschikbaar heeft gesteld. In de subsidieregeling wordt bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag overlegd dienen te worden.
Artikel 6. Aanvraagtermijn
De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid.
Artikel 7. Beslistermijn
Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid (derde lid).
De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindebeslissing heeft genomen (vierde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en vervolgens teruggevorderd dient te worden.
Artikel 8. Weigerings- en intrekkingsgronden
In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld.
Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstelling. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele melding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond onder a). In aanvulling daarop wordt met onderdeel b bepaald dat ondernemingen waartegen een terugvorderingsactie loopt niet in aanmerking komen voor subsidie.
In het tweede lid zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht.
Onderdelen a, c, e en f spreken voor zichzelf. Onderdeel b geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt.
Onderdeel d betreft het geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) niet kan doorstaan. Bij deze weigeringsgrond is niet van belang of de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel zijn. Het gaat hierbij louter om de integriteit van de persoon dan wel rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob geen subsidie wenst te verlenen. Naast subsidie weigeren, kan het college in dergelijke gevallen ook een reeds verleende en vastgestelde subsidies intrekken (derde lid).
Onder g is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel niet ongeoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun. In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd.
Onderdeel h ten slotte geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.
Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om hier uitvoering aan te geven.
Artikel 9. Verantwoording
Geen toelichting.
Artikel 10. Algemene verplichtingen van subsidie-ontvanger
Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede lid) die voor alle subsidie-ontvangers geldt.
Artikel 11. Subsidie aan instellingen gevestigd buiten de gemeente
In beginsel komen alleen instellingen die gevestigd zijn in de gemeente voor subsidie in aanmerking. Dit artikel omschrijft de voorwaarden op grond waarvan instellingen die niet in de gemeente zijn gevestigd voor subsidie in aanmerking kunnen komen.
Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
Dit artikel bevat een aanvullende bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is direct op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb).
De artikelen 4:38 en 4:39 van de Awb maken het verder mogelijk om nog andere verplichtingen aan een subsidie te verbinden, als de verordening daarvoor een grondslag biedt. Die grondslag is in artikel 7 gegeven met betrekking tot verplichtingen in het kader van het beheer en gebruik van datgene wat met de subsidie tot stand is gebracht.
Artikel 13. Eindverantwoording subsidies tot € 25.000
Kenmerkend voor subsidies tot € 25.000 is dat deze op basis van vertrouwen worden verleend. Het college heeft wel de mogelijkheid om een subsidie voorlopig te verlenen, maar waar mogelijk worden subsidies direct vastgesteld. Bij direct vastgestelde subsidies kan achteraf wel controle plaatsvinden bij de subsidie-ontvanger.
Artikel 14. Eindverantwoording subsidies van € 25.000 tot € 50.000
In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidie-ontvangers subsidie van € 25.000 tot € 50.000 aan het college dienen te verantwoorden; er dient een aanvraag tot vaststelling ingediend te worden (eerste lid), deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht (tweede lid). Ingevolge artikel 9 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidie-ontvanger bekend gemaakt.
Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt. Voorts kan het college, overeenkomstig het derde lid, in een subsidieregeling aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag.
Artikel 15. Eindverantwoording subsidies vanaf € 50.000
Bij subsidies van € 50.000 of meer wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies; op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Het derde lid biedt de basis om in een subsidieregeling te bepalen dat er ook andere, waaronder minder, gegevens gevraagd worden.
Artikel 16. Subsidievaststelling
Het eerste lid bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn – voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn – biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging is appellabel.
Artikel 17. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen
Dit artikel schrijft voor dat als het college bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik maakt van uurtarieven, de berekeningswijze hiervan en de voorgeschreven definities in een subsidieregeling of bij de subsidieverlening vastgelegd dienen te worden. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, is het college hierin beperkt tot tarieven en kostenbegrippen die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.
Artikel 18. Hardheidsclausule
In de hardheidsclausule is aangegeven op welke onderdelen van de regeling deze clausule van toepassing is. De te treffen voorziening, die niet in de verordening is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie te passen.
Artikel 19. Slotbepalingen
Geen toelichting.
Naar boven