APV december 2011

Hoofdstuk 1.
Algemene bepalingen

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie:

Gemeente Veere

Officiële naam regeling:

Algemene plaatselijke verordening Veere december 2011

Citeertitel:

Algemene plaatselijke verordening Veere 2011

Versie:

7

Vastgesteld door:

gemeenteraad

Onderwerp:

openbare orde en veiligheid

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

1.artikel 149 Gemeentewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding:

03-02-2012

Terugwerkende kracht t/m:

n.v.t.

Datum uitwerkingtreding:

n.v.t.

Betreft:

Nieuwe regeling

Datum ondertekening:

15-12-2011

Bron bekendmaking:

De Faam, 1 februari 2012

Kenmerk voorstel:

11b.02639

Versie:

Datum inwerkingtreding:

03-02-2012

Terugwerkende kracht t/m:

n.v.t.

Datum uitwerkingtreding:

n.v.t.

Betreft:

Nieuwe regeling

Datum ondertekening:

15-12-2011

Bron bekendmaking:

De Faam, 1 februari 2012

Kenmerk voorstel:

11b.02639

Versie:

Datum inwerkingtreding:

03-02-2012

Terugwerkende kracht t/m:

n.v.t.

Datum uitwerkingtreding:

n.v.t.

Betreft:

Gewijzigde regeling

Datum ondertekening:

13-12-2012

Bron bekendmaking:

De Faam, 13 februari 2013

Kenmerk voorstel:

12b.

Versie:

Datum inwerkingtreding:

03-02-2012

Terugwerkende kracht t/m:

n.v.t.

Datum uitwerkingtreding:

n.v.t.

Betreft:

Gewijzigde regeling

Datum ondertekening:

13-12-2012

Bron bekendmaking:

De Faam, 13 februari 2013

Kenmerk voorstel:

12b.

Versie:

Datum inwerkingtreding:

03-02-2012

Terugwerkende kracht t/m:

n.v.t.

Datum uitwerkingtreding:

n.v.t.

Betreft:

Gewijzigde regeling

Datum ondertekening:

13-12-2012

Bron bekendmaking:

De Faam, 13 februari 2013

Kenmerk voorstel:

12b.

Versie:

Datum inwerkingtreding:

03-02-2012

Terugwerkende kracht t/m:

n.v.t.

Datum uitwerkingtreding:

n.v.t.

Betreft:

Gewijzigde regeling

Datum ondertekening:

13-12-2012

Bron bekendmaking:

De Faam, 13 februari 2013

Kenmerk voorstel:

12b.

Versie:

Datum inwerkingtreding:

01-01-2014

Terugwerkende kracht t/m:

n.v.t.

Datum uitwerkingtreding:

n.v.t.

Betreft:

Gewijzigde regeling

Datum ondertekening:

12-12-2013

Bron bekendmaking:

De Faam, 18 december 2013

Kenmerk voorstel:

13b.02332

Versie:

7

Tekst van de regeling

De raad van de gemeente Veere;

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 20 augustus 2013;

Gelet op het bepaalde in de Gemeentewet, Algemene plaatselijke verordening en (de) artikel (en) 4, eerste tot en met derde lid, (en 25a, 25b, 25c en 25d) van de Drank- en Horecawet

B e s l u i t :

vast te stellen de navolgende wijzigingen van de Algemene plaatselijke verordening.

De reden is de wijziging van de Drank- en horecawet. De Algemene plaatselijke verordening is uitgebreid met hoofdstuk 8A, bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en horecawet.

Artikel 1.1.
Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b;

b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 ;

c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

d. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan de gemeenteraad de grenzen heeft vastgesteld;

e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

f. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening gemeente Veere;

g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet ;

h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

i. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • j.toeristische objectbewegwijzering: bewegwijzering naar groepsaccomodaties, horecavestigingen, recreatievoorzieningen, sportvoorzieningen, verblijfsrecreatie en locale voorzieningen;

  • k.barbecueën: op het strand een barbecue te houden, waaronder wordt verstaan het in de open lucht grillen of opwarmen van etenswaren, ongeacht de wijze van verhitting en ongeacht de brandstof waarmee dat gebeurt;

  • l.waterscooter: een gemotoriseerd watersporttoestel, gebouwd of ingericht om door één of meer personen skiënd door of over het water te worden voortbewogen, dat als waterscooter, jetski, “banzaibootje”, waterbob of jetbike wordt aangeduid of ander soortgelijk toestel.

Artikel 1.2.
Beslistermijn

1

Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2

Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.

3

In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.10, vierde lid of artikel 2:11.

Artikel 1.3.
Indiening aanvraag

1

Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

2

Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.

Artikel 1.4.
Voorschriften en beperkingen

1

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2

Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1.5.
Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

Artikel 1.6.
Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

• a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

• b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

• c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

• d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

• e. indien de houder dit verzoekt.

Artikel 1.7.
Termijnen

De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel 1.8.
Weigeringsgronden

De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

• a. de openbare orde;

• b. de openbare veiligheid;

• c. de volksgezondheid;

• d. de bescherming van het milieu

Artikel 1.9.
Gevolgen niet tijdig beslissen

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor:

• Artikel 5:23: Vergunning organisatie snuffelmarkt.

Artikel 1.10.
Gevolgen niet tijdig beslissen

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:

• - Artikel: 2:25 Vergunning evenementen;

• - Artikel 2:28 Exploitatievergunning horeca;

• - Artikel 2:39: Exploitatievergunning speelgelegenheid;

• - Artikel 4:18: Ontheffing van het verbod tot recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

Hoofdstuk 2.
Openbare orde

Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2.1.
Samenscholing en ongeregeldheden

1

Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

2

Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of hij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

3

Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

4

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

5

Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties .

Afdeling Betoging

Artikel 2.2.
Optochten

[gereserveerd]

Artikel 2.3.
Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

• 1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

• 2. De kennisgeving bevat:

o a. naam en adres van degene die de betoging houdt;

o b. het doel van de betoging;

o c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

o d. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

o e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;

o f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

• 3. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

• 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.

• 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2.4.
Afwijking termijn

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Artikel 2.5.
Te verstrekken gegevens

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2.6.
Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

[gereserveerd]

Afdeling Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2.7.
Feest, muziek en wedstrijd e.d.

[gereserveerd]

Artikel 2.8.
Dienstverlening

[gereserveerd]

Artikel 2.9.
Straatartiest e.d.

[gereserveerd]

Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2.10.
Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan

• 1. Het is verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:

o a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

o b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

• 2. Het is verboden de weg of een weggedeelte te gebruiken voor het uitstallen of uitgestald hebben van goederen of het innemen van een terras. Het College kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van uitstallingen en de Burgemeester ten aanzien van terrassen.

• 3. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht .

• 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

o a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

o b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:19.

• 5. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken , artikel 5 van de Wegenverkeerswet , of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel 2.10a.
Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg overeenkomstig de publieke functie ervan.

1

Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders bewegwijzering te plaatsen.

2

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objectbewegwijzering die voldoet aan de door het college vastgestelde nota toeristische bewegwijzering.

Artikel 2.11.
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

1.• 2. De vergunning wordt verleend

1.o a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;

1.o b. door het college in de overige gevallen.

1.• 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

1.• 4. Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht , de Wet beheer rijkswaterstaatswerken , het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Artikel 2.12.
Maken, veranderen van een uitweg

• 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

o a. een uitweg te maken naar de weg;

o b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

o c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg, zoals bedoeld in artikel 2.2, lid 1, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

• 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

• 3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

o a. indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

o b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

o c. indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

o d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

• 4. Het in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement.

Afdeling Veiligheid op de weg

Artikel 2.13.
Veroorzaken van gladheid

[gereserveerd]

Artikel 2.14.
Winkelwagentjes

[gereserveerd]

Artikel 2.15.
Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

[gereserveerd]

Artikel 2.16.
Openen straatkolken e.d.

[gereserveerd]

Artikel 2.17.
Kelderingangen e.d.

[gereserveerd]

Artikel 2.18.
Rookverbod in bossen en natuurterreinen

[gereserveerd]

Artikel 2.19.
Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

[gereserveerd]

Artikel 2.20.
Vallende voorwerpen

[gereserveerd]

Artikel 2.21.
Voorzieningen voor verkeer en verlichting

• 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

• 2. Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900 , de Onteigeningswet , of de Belemmeringenwet Privaatrecht .

Artikel 2.22.
Objecten onder hoogspanningslijn

[gereserveerd]

Artikel 2.23.
Veiligheid op het ijs

[gereserveerd]

Afdeling Evenementen

Artikel 2.24.
Begripsbepaling

1

In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

o a. bioscoopvoorstellingen;

o b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;

o c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen ;

o d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

o e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties ;

o f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening.

2

Onder evenement wordt mede verstaan:

o a. een herdenkingsplechtigheid;

o b. een braderie;

o c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;

o d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

o e. een klein evenement.

3

Onder klein evenement wordt verstaan een straatfeest of buurtbarbecue op één dag.

Artikel 2.25.
Evenement

1

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren

2

Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.26.
Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2.27.
Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

• a. openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden;

• b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

Artikel 2.28.
Exploitatie openbare inrichting

1

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

• 2. De burgemeester weigert de vergunning indien:

- a. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend bestemmingsplan;

- b. onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

- c. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur;

- d. in het geval de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag kan overleggen van maximaal 3 maanden oud.

3

De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet indien:

o - a. zich in de 12 maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en –handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, dan wel

o - b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, 2de lid.

4

De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het 3de lid onder a.

5

Er wordt geen vrijstelling verleend voor nachtbedrijven.

6

Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in

o a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

o b. een zorginstelling;

o c. een museum; of

o d. een bedrijfskantine of – restaurant.

Artikel 2.29.
Sluitingstijd

1

Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven tussen 02.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd).

2

Het verbod van lid 1 geldt niet tijdens de nacht van 31 december op 1 januari en tijdens kermisdagen in Domburg en Westkapelle.

3

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in lid 1 tijdens de Koninginnedag of –nacht tot 03.00 uur.

4

Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor Discotheek De Hooizolder te Westkapelle. Deze exploitant van deze openbare inrichting is het verboden de openbare inrichting geopend te hebben, of bezoekers in het horecabedrijf te laten verblijven van 06.00 tot 20.00 uur, waarbij tussen 05.00 en 06.00 uur geen nieuwe bezoekers tot de inrichting worden toegelaten (nachtvergunning).

5

Het verbod lid 1 geldt niet voor openbare inrichtingen die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen op het strand. De exploitanten van deze openbare inrichtingen is het verboden de inrichting geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven van 01.00 tot 06.00 uur (sluitingstijd).

6

De burgemeester kan voor een openbare inrichting als bedoeld in lid 5 ontheffing verlenen van het verbod in lid 5 tot uiterlijk 02.00 uur voor maximaal 12 keer per jaar.

7

Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel

8

Dit artikel is niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

Artikel 2.30.
Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

1

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

2

Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2.31.
Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting

• 1. de orde te verstoren;

• 2. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:29;

• 3. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van de zitplaatsen die aanwezig zijn op het terras;

Artikel 2.32.
Handel binnen openbare inrichtingen

1

In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht .

2

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2.33.
Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Afdeling Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de drank- en horecawet

Artikel 2:34a.
Begripsbepaling

De begripsbepalingen uit artikel 1 van de Drank- en Horecawet zijn op deze afdeling van toepassing.

Artikel 2:34b.
Regulering paracommerciële rechtspersonen

1

Een paracommercieel rechtspersoon, zijnde een sportvereniging, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

a. maandag tot en met vrijdag vanaf 2 uur voor de aanvang tot 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, doch niet eerder dan 12.00 uur en tot uiterlijk 24.00 uur;

b. zaterdag, zondag en algemeen erkende feestdagen vanaf 2 uur voor de aanvang tot 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, doch niet eerder dan 12.00 uur en tot uiterlijk 24.00 uur;

2

Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet, of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

3

De burgemeester kan ontheffing verlenen van lid 1, voor activiteiten die geen direct verband houden met de statutaire doelen van de rechtspersoon.

Artikel 2:34c.
Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven

De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwakalcoholhoudende drank.

Artikel 2:34d

Gereserveerd

Artikel 2:34e

Gereserveerd

Artikel 2:34f

Gereserveerd

Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2.35.
Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft

Artikel 2.36.
Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2.37.
Nachtregister

[gereserveerd]

Artikel 2.38.
Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2.39.
Speelgelegenheden

1

Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

2

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:

o a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;

o b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;

o c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel l, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.

3

De burgemeester weigert de vergunning:

o a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;

o b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan;

o c. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur;

o d. in het geval de aanvrager geen verklaring omtrent goed gedrag kan overleggen van maximaal 3 maanden oud.

Artikel 2.40.
Kansspelautomaten

[gereserveerd]

Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2.41.
Betreden gesloten woning of lokaal

1

Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

2

Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

3

Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2.42.
Plakken en kladden

1

Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2

Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

o a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

o b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

3

Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4

Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

5

Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor bet aanbrengen van handelsreclame.

6

Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

7

De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2.43.
Vervoer plakgereedschap e.d.

1

Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.

2

Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2.44.
Vervoer inbrekerswerktuigen

1

Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

2

Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2.45.
Betreden van plantsoenen e.d.

[gereserveerd]

Artikel 2.46.
Rijden over bermen e.d.

[gereserveerd]

Artikel 2.47.
Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

1

Het is verboden:

o a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

o b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.

2

Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424 , 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.48.
Verboden drankgebruik

1

Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

2

Het bepaalde in liet eerste lid geldt niet voor:

o a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet ;

o b. de plaats niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet .

Artikel 2.49.
Verboden gedrag bij of in gebouwen

[gereserveerd]

Artikel 2.50.
Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2.51.
Neerzetten van fietsen e.d.

[gereserveerd]

Artikel 2.52.
Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2.53.
Bespieden van personen

[gereserveerd]

Artikel 2.54.
Bewakingsapparatuur

[gereserveerd]

Artikel 2.55.
Nodeloos alarmeren

[gereserveerd]

Artikel 2.56.
Alarminstallaties

[gereserveerd]

Artikel 2.57.
Loslopende honden

1

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

o a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;

o b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

o c. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

2

Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt.

3

De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

Artikel 2.58.
Verontreiniging door honden en paarden

1

De eigenaar of houder van een hond of paard is verplicht ervoor te zorgen dat dat dier zich niet van uitwerpselen ontdoet.

2

Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a niet geldt.

3

De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond of het paard er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd en de eigenaar een ruimingsmiddel bij zich heeft.

Artikel 2.59.
Gevaarlijke honden

1

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:

o a. anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;

o b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

2

Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.

3

In het eerste lid wordt verstaan onder:

o a. muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel l, onder d, van de Regeling agressieve dieren;

o b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.

4

Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren.

Artikel 2.60.
Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

1

Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:

o a. aanwezig te hebben, of

o b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of

o c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

2

Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven.

3

Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Artikel 2.61.
Wilde dieren

[gereserveerd]

Artikel 2.62.
Loslopend vee

De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2.63.
Duiven

1

De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.

2

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod.

3

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale ophokverordening.

Artikel 2.64.
Bijen

1

Het is verboden bijen te houden:

o a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;

o b. binnen een afstand van dertig meter van de weg.

2

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

3

Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

4

Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement.

5

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 2.65.
Bedelarij

Het is verboden of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere raken.

Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2.66.
Begripsbepaling

[gereserveerd]

Artikel 2.67.
Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

[gereserveerd]

Artikel 2.68.
Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht

[gereserveerd]

Artikel 2.69.
Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

[gereserveerd]

Artikel 2.70.
Handel in horecabedrijven

(Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op horecabedrijven) onder artikel 2:32).

Afdeling Vuurwerk

Artikel 2.71.
Begripsbepaling

[gereserveerd]

Artikel 2.72.
Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

[gereserveerd]

Artikel 2.73.
Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

[gereserveerd]

Afdeling Drugsoverlast

Artikel 2.74.
Drugshandel op straat

[gereserveerd]

Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2.75.
Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de Algemene plaatselijke verordening niet naleven.

Artikel 2.76.
Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2.77.
Cameratoezicht op openbare plaatsen

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

Hoofdstuk 3.
Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.

Afdeling Begripsbepalingen

Artikel 3.1.
Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

• a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

• b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

Artikel 3.2.
Bevoegd bestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 3.3.
Nadere regels

Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

Afdeling Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke

Artikel 3.4.
Seksinrichtingen

1

Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

2

In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

o a. de persoonsgegevens van de exploitant;

o b. de persoonsgegevens van de beheerder en

o c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.

Artikel 3.5.
Gedragseisen exploitant en beheerder

1

De exploitant en de beheerder:

o a. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

o b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en

o c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

2

Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet:

o a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

o b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: - bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen ;

- de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht ;

- de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

- de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

- de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

- de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie .

3

Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:

o a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen , tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;

o b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

4

De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:

o a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

o b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

5

De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.

Artikel 3.6.
Sluitingstijden

1

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

o a. op maandag tot en met zaterdag tussen 20.00 en 08.00 uur;

o b. op zondag.

2

Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.

3

Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn.

4

Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 3.7.
Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting

1

Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:

o a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;

o b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

2

Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht , maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht .

Artikel 3.8.
Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

1

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

2

De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:

o a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht , in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en

o b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Artikel 3.9.
Straatprostitutie

1

Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken:

o a. op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;

o b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.

2

Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

3

Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

4

De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid hij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid.

5

De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

6

Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 3.10.
Sekswinkels

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

Artikel 3.11.
Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

1

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:

o a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

o b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

2

Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet .

Afdeling Beslissingstermijn; weigeringsgronden

Artikel 3.12.
Beslissingstermijn

1

Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

2

Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 3.13.
Weigeringsgronden

1

De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien:

o a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;

o b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;

o c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

2

In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van:

o a. de openbare orde;

o b. het voorkomen of beperken van overlast;

o c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

o d. de veiligheid van personen of goederen;

o e. de verkeersvrijheid of -veiligheid;

o f. de gezondheid of zedelijkheid;

o g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

Afdeling Beëindiging exploitatie; wijziging beheer

Artikel 3.14.
Beëindiging exploitatie

1

De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

2

Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3.15.
Wijziging beheer

1

Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

2

Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

3

In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Afdeling Overgangsbepaling

Artikel 3.16.
Overgangsbepaling

1

Op het exploiteren van een bestaande seksinrichting of escortbedrijf is het gestelde in artikel 3:4, eerste lid, niet van toepassing:

o a. gedurende 2 weken na het in werking treden daarvan;

o b. na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant binnen deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, heeft ingediend, totdat op die aanvraag door het bevoegd bestuursorgaan een besluit is genomen.

2

Gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd bestuursorgaan met her oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het treffen van in die aanschrijving vermelde voorzieningen.

Hoofdstuk 4.
Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling Geluidhinder en verlichting

Artikel 4.1.
Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

• a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer;

• b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit ;

• c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

• d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

• e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

• f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

• g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;

• h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4.2.
Aanwijzing collectieve festiviteiten

1

De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar maximaal 4 aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2

In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente of kern.

3

Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van de collectieve festiviteit bekend.

4

Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

5

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening- uiterlijk om 03.00 uur te worden beëindigd.

Artikel 4.3.
Kennisgeving incidentele festiviteiten

1

Het is een inrichting toegestaan maximaal 8 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste drie werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

2

Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 8 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113 , eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste drie werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

3

Het college stelt een (digitaal) formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

4

De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier als bedoeld in lid 3, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat (digitale) formulier vermeld.

5

De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

6

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid mag het ten gehore brengen van extra geluid in het bebouwde gedeelte van de inrichting –hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening – uitsluitend plaatsvinden tussen 08.00 en 01.00 uur.

7

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid mag het ten gehore brengen van extra geluid in de buitenruimte van de inrichting –hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening – uitsluitend plaatsvinden tussen 08.00 en 00.00 uur.

8

Bij het ten gehore brengen van extra geluid in de inrichting –hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening – blijven tussen 00.00 en 01.00 uur ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

9

Een incidentele festiviteit die maximaal een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur en tot maximaal 01.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als een festiviteit die plaatsvindt op één dag.

Artikel 4.4.
Verboden incidentele festiviteiten

[gereserveerd]

Artikel 4.5.
Onversterkte muziek

1

Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

o a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

o b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

o c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;

o d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

o e. onderstaande Tabel e

23.00-7.00 uur

LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen 40 dB(A)

LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 45 dB(A)

2

Alle dagen van de week, met uitzondering van het bepaalde in de Zondagswet, is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode tot 23.00 uur uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

3

Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.

4

Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is.

Artikel 4.6.
Overig geluidhinder

1

Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2

Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

3

Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.

Artikel 4.6A.
Mosquito

[gereserveerd]

Afdeling Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4.7.
Straatvegen

[gereserveerd]

Artikel 4.8.
Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4.9.
Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Afdeling Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4.10.
Begripsbepalingen

[gereserveerd]

Artikel 4.11.
Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

[gereserveerd]

Artikel 4.12.
Vergunning van rechtswege

[gereserveerd]

Afdeling Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4.13.
Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

1

Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

o a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

o b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

o c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

o d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

2

Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

3

Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

4

Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Verordening Zeeland.

Artikel 4.14.
Stankoverlast door gebruik van meststoffen

Gereserveerd.

Artikel 4.15.
Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

1

Dit artikel verstaat onder:

o a. compost: product als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

o b. geurgevoelig object: gevoelig object als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij;

o c. overige organische mest: overige organische meststoffen als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

o d. oogstrestanten: afvalstoffen als bedoeld in de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond;

o e. vaste mest: dierlijke mest als bedoeld in artikel 1 van het Besluit landbouw milieubeheer;

2

Behoudens het bepaalde in of krachtens de Wet milieubeheer is het verboden vast mest, overige organische mest, zuiveringsslib en oogstrestanten op te slaan indien deze opslag, te rekenen vanaf het tijdstip van eerste aanvoer, langer aanwezig is dan 48 uur maar niet langer dan 14 dagen.

3

Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien op een akkerbouwperceel vaste mest is opgeslagen die bestemd is voor de bemesting van het desbetreffende perceel. Pluimvee- en nertsenmest dient binnen 24 uur na de eerste aanvoer te worden voorzien van een 15 centimeter dikke afdeklaag compost.

4

De in lid 3 aangegeven vrijstelling van het in lid 2 omschreven verbod geldt slechts indien de opslag plaatsvindt op ten minste een afstand van 100 meter van een geurgevoelig object dat is gelegen binnen de bebouwde kom en op ten minste een afstand van 50 meter van een geurgevoelig object dat is gelegen buiten de bebouwde kom.

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

Artikel 4.16.
Vergunningsplicht lichtreclame

[gereserveerd]

Afdeling Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4.17.
Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 2:1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4.18.
Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

1

Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.

2

Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

3

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

4

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

o a. de bescherming van natuur en landschap;

o b. de bescherming van een stadsgezicht.

Artikel 4.19.
Aanwijzing kampeerplaatsen

1

Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4:18, eerste lid niet geldt.

2

Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

Hoofdstuk 5.
Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling Parkeerexcessen

Artikel 5.1.
Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens ( RVV 1990).

Artikel 5.2.
Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

1

Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

o a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

o b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

2

Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

o a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

o b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

3

Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

o a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

o b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

4

Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

Artikel 5.3.
Te koop aanbieden van voertuigen

[gereserveerd]

Artikel 5.4.
Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5.5.
Voertuigwrakken

1

Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2

Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5.6.
Kampeermiddelen of aanhangwagens e.a.

1

Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen.

2

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

3

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.

Artikel 5.7.
Parkeren van reclamevoertuigen

1

Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

2

Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.8.
Parkeren van grote voertuigen

[gereserveerd]

Artikel 5.9.
Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

1

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

2

Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5.10.
Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen

[gereserveerd]

Artikel 5.11.
Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

1

Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

2

Dit verbod is niet van toepassing:

o a. op de weg, niet zijnde de berm/groenstrook;

o b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;

o c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

3

Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.12.
Overlast van fiets of bromfiets

[gereserveerd]

Afdeling Collectoren

Artikel 5.13.
Inzameling van geld of goederen

1

Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

2

Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

3

Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

Afdeling Venten

Artikel 5.14.
Begripsbepaling

1

In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;

2

Onder venten wordt niet verstaan:

o a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet

o b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22;

o c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5.15.
Ventverbod

1

Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

2

Het is verboden te venten tussen 22.00 en 08.00 uur.

3

Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Artikel 5.16.
Vrijheid van Meningsuiting

1

Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

2

Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in te stellen:

o a. op door het college aangewezen openbare plaatsen, of

o b. voor bepaalde dagen en uren.

3

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

Afdeling Standplaatsen

Artikel 5.17.
Begripsbepaling

1

In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te knop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

2

Onder standplaats wordt niet verstaan:

o a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

o b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5.18.
Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

1

Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

2

Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan

3

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

o a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

o b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

Artikel 5.19.
Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5.20.
Afbakeningsbepalingen

1

Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer , de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

2

De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

Artikel 5.21.
Aanhoudingsplicht

[gereserveerd]

Afdeling Snuffelmarkten

Artikel 5.22.
Begripsbepaling

1

In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.

2

Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:

o a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

o b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5.23.
Organiseren van een snuffelmarkt

1

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.

2

Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet .

3

De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.

Afdeling Openbaar water

Artikel 5.24.
Voorwerpen op, in of boven openbaar water

1

Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

2

Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

3

De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

4

Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet , het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Artikel 5.25.
Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

1

Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

2

Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

o a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

o b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

3

Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening Zeeland of de Provinciale landschapsverordening Zeeland.

Artikel 5.26.
Aanwijzingen ligplaats

1

Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

2

De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

3

Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening Zeeland of de Provinciale landschapsverordening Zeeland.

Artikel 5.27.
Verbon innemen ligplaats

Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid bepaalde.

Artikel 5.28.
Beschadigen van waterstaatwerken

1

Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

2

Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregeld onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening Zeeland.

Artikel 5.29.
Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5.30.
Veiligheid op het water

1

Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

2

Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening Zeeland.

Artikel 5.31.
Overlast aan vaartuigen

1

Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

2

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5.31a.
Veiligheid op het water in het Veerse Meer

1

Het is op het Veerse Meer verboden de plankzeilsport te beoefenen binnen de voor snelle motorboten bestemde en daartoe bebakende en/of betonde gebieden;

2

Het is op het Veerse Meer verboden de plankzeilsport te beoefenen binnen de betonde en/of bebakende vaargeul indien er beroepsvaart aanwezig is of nadert;

3

Het is verboden de plankzeilsport te beoefenen in de havens, de sluizen en in de aanloopgebieden naar de havens en de sluizen die direct grenzen aan het Veerse Meer.

Artikel 5.31b.
Aanleggen van vaartuigen

1

Het is een ieder verboden met een vaartuig, waarmee tegen betaling van een vergoeding in welke vorm dan ook, bij wijze van beroep personen en/of goederen worden vervoerd, of plegen te worden vervoerd, ligplaats te hebben aan, of dit vaartuig aan te leggen aan, of touwen, kettingen of staaldraden uit te werpen op of vast te maken aan een van de steigers in beheer en onderhoud bij de gemeente Veere;

2

Het onder lid 1 gestelde verbod geldt mede voor de steigers in de stadshaven, in de jachthaven Oostwatering en in de Betonhaven van Neeltje Jans.

Afdeling Crossterreinen en gemotoriseerd- en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5.32.
Crossterreinen

[gereserveerd]

Artikel 5.33.
Beperking verkeer in natuurgebieden

1

Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.

2

Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

o a. in het belang van het voorkomen van overlast;

o b. in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

o c. in het belang van de veiligheid van het publiek.

3

Het verbod in het eerst lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

o a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

o b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

o c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

o d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percclen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

o e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

4

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:

o a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 ;

o b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

5

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Afdeling Verbod vuur te stoken

Artikel 5.34.
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderzins vuur te stoken

[gereserveerd]

Afdeling Verstrooiing van as

Artikel 5.35.
Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein

Artikel 5.36.
Verboden plaatsen

1

Incidentele asverstrooiing is verboden op:

o a. verharde delen van de weg;

o b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

2

Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen en dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

3

Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

Artikel 5.37.
Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Afdeling Strand

Artikel 5.38.
Begripsomschrijving - algemeen

1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

o a. het strand: het zeestrand en het strand aan het Veerse Meer met inbegrip van de duinhellingen of het beloop der duinen, de droogliggende banken en de afritten van wegen en paden welke toegang geven tot het strand.

o b. badseizoen: de periode van 1 mei tot 15 september;

2

Iedereen op het strand is verplicht om gedurende het badseizoen de door middel van borden, vlaggen en de aanwijzingen door de standwachten, in dienst van de SSW.

Artikel 5.39.
Naaktrecreatie

1

Onverminderd het bepaalde in artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op het openbare gedeelte van het strand en in zee:

o a. zich ongekleed te bevinden;

o b. zich om te kleden op zodanige wijze, dat daardoor de eerbaarheid aanstoot wordt gegeven;

2

Burgemeester en wethouders kunnen strand- en zeevakken aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

Artikel 5.40.
Vliegeren op het strand

1

Het is verboden gedurende het badseizoen van 10.00 uur tot 19.00 uur op het strand te vliegeren;

2

Onder vlieger als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een als speelgoed of sportartikel gebruikt voorwerp, bestaande uit een houten, kunststof of andere constructie, bespannen met papier, kunststof of doek, welke met twee of meer lijnen in de lucht wordt bestuurd;

3

Burgemeester en wethouders kunnen strandvakken aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

Artikel 5.41.
Wind-, golf- en kitesurfen

1

Wind- en golfsurfen is verboden gedurende het badseizoen, van 10.00 uur tot 19.00 uur;

2

Van lid 1 zijn de volgende strandvakken uitgezonderd:

- het strandvak in Vrouwenpolder, vanaf de Veerse Gatdam tot en met het strandpaviljoen op het naaktstrand (SSW) in Oostkapelle;

- het strandvak op het Badstrand (100 meter) in Oostkapelle;

- het strandvak op het Badstraat (100 meter) in Domburg;

- het strandvak in Domburg, vanaf het “3e Westerstrand” tot aan de voormalige gemeentegrens Westkapelle;

- het strandvak in Domburg, vanaf halfverwege het “4e Oosterstrand” tot en met halverwege de strandovergang “Berkenbosch”

- het strandvak in Zoutelande ter hoogte van de boulevard,

met dien verstande dat op deze strandvakken uitsluitend het wind- en golfsurfen is toegestaan;

3

Het golfsurfen op het strand ter hoogte van het strandpaviljoen “Noordduine” in Domburg is niet toegestaan in de maanden juli en augustus;

4

Kitesurfen is verboden gedurende het badseizoen van 10.00 uur tot 19.00 uur;

5

van lid 4 zijn de volgende strandvakken uitgezonderd:

- het strandvak in Vrouwenpolder, vanaf overgang “Fort den Haakweg” tot en met de gemeentegrens Veere/Noord-Beveland;

- het strandvak Neeltje Jans, vanaf de zijde van de "Roompotsluis" tot en met de strandovergang ter hoogte van "De Slufter".

Artikel 5.42.
Honden

1

De volgende strandvakken aan te wijzen waar honden gedurende het badseizoen verboden zijn:

-het Veerse Meerstrand

-tussen overgang “Zandput” tot en met de Veerde Gatdam

-kern Domburg, vanaf paalhoofd 16.0 tot overgang “Hoogduin”, en vanaf overgang “Berkenbosch” tot gemeentegrens voormalige gemeente Veere;

2

De volgende strandvakken aan te wijzen waar honden, mits aangelijnd, van gedurende het badseizoen (tussen 10.00 en 19.00 uur) zijn toegestaan:

Alle stranden op het grondgebied van de gemeente Veere, met uitzondering van de stranden zoals genoemd onder I;

3

De volgende strandvakken aan te wijzen waar honden, gedurende het badseizoen voor 10.00 uur en na 19.00 uur en buiten het badseizoen zijn toegestaan: Alle stranden op het grondgebied van de gemeente Veere.

Artikel 5.43.
Paarden

1

Het is verboden gedurende het badseizoen van 10.00 uur tot 19.00 uur op het strand één of meer paarden te hebben;

2

Burgemeester en wethouders kunnen strandvakken aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt;

3

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de politie bij de uitoefening van de opgedragen taken;

4

Burgemeester en wethouders kunnen strandovergangen aanwijzen die gedurende het badseizoen verboden zijn voor paarden.

Artikel 5.44.
Tenten of andere opstallen

1

Het is verboden tussen 20.00 uur en 08.00 uur op het strand tenten of andere opstallen te plaatsen, of geplaatst te hebben;

2

Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen;

3

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het bepaalde in de Kampeerverordening Veere van toepassing is.

Artikel 5.45.
Nachtverblijf in strandhuisje en dergelijke

1

Het is verboden zich in een strandhuisje of -hokje of tent op het strand te bevinden tussen 22.00 uur en 08.00 uur met het kennelijke doel daarin nachtverblijf te houden;

2

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor strandhuisje die door burgemeester en wethouders, de strandexploitant gehoord, als slaaphuisje aangemerkt zijn en ook als zodanig gebruikt worden.

Artikel 5.47.
Gevaar of overlast op strand en in zee

1

Het is verboden op het strand of in zee met een vaartuig, voertuig, door het bedrijven van een (water)sport of zich op enige andere wijze te gedragen dat daardoor gevaar of overlast aan andere strand- en zeegebruikers wordt veroorzaakt. De aanwijzingen van de badmannen die door de SSW zijn aangewezen, dienen hierbij ten allen tijde te worden opgevolgd;

2

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor vissersboten voor het gebruik van de als zodanig aangelegde trailerhelling te Westkapelle.

Artikel 5.48.
Vaartuigen

1

Het is verboden gedurende het badseizoen:

o a met een vaartuig voorzien van een motor zich vanaf het strand in zee te begeven of zich vanaf de zee op het strand te begeven.

o b. met een vaartuig met een snelheid van meer dan 5 kilometer per uur in zee te varen;

o c. vaartuigen op het strand te stallen.

2

Burgemeester en wethouders kunnen strand- en zeevakken aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod onder a/ b of c niet geldt.

Artikel 5:49
Voertuigen

Het is verboden met een voertuig op het strand te rijden of deze aldaar te hebben.

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor motorvoertuigen van openbare lichamen en hulp- en reddingsdiensten.

Artikel 5.50.
Strandzeilen

1

Het is verboden op het strand het strandzeilen te beoefenen;

2

Burgemeester en wethouders kunnen strandvakken aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

Artikel 5.51.
Vuur

Het is verboden open vuur op of nabij het strand te ontsteken of te hebben. Barbecueën is niet toegestaan.

Artikel 5.52.
Duikverbod

1

Burgemeester en wethouders kunnen strand- en zeevakken aanwijzen waarin en waarvan het verboden is te duiken;

2

Onder duiken, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het langdurig onder water verblijven met het gebruik van hulpmiddelen, zoals een persluchtfles.

Hoofdstuk 6.
Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1.
Strafbepaling

1

Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: artikelen 2:1, 2:3, 2:9, 2;10, 2:11,2:12, 2:18, 2:25, 2:28, 2:29, 2:31, 2:32, 2:38, 2:41, 2;43, 2:44, 2:45, 2;46, 2:48, 2:49, 2;53, 2:57, 2:58, 2:59, 2:60, 2:62, 2:63, 2:64, 2:72, 2:73, 2:74, 2:75, 2:76, 2:77, 3:4, 3:6, 3:9. 3:10, 3:11, 3:18, 3:21, 3:26, 4:3, 4:5, 4:6, 4:13, 4:14, 4:15; 4:18, 5:12; 5:13, 5:15, 5:16, 5:18, 5:19; 5:22, 5:23; 5:26; 5:27, 5:28, 5:29, 5:30, 5:31, 5:31, 5:31:1, 5:31:2, 5:32, 5:33, 5:34, 5:38, 5:39, 5:40, 5:41, 5:42, 5:43, 5:44, 5:45, 5:46, 5:47, 5:48, 5:49, 5;50, 5:51, 5:52.

2

Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: artikelen: 2:42, 2:47; 2:50, 2:65; 5:2, 5:3, 5:5, 5:6, 5:7, 5:8, 5:9, 5:11, 5:24, 5:25, 5:37.

Artikel 6.2.
Toezichthouders

1

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: personen die bij bijzondere wetten met opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten worden belast en personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving van die verordeningen, een en ander voor zover het die feiten betreft en de personen zijn beëdigd.

2

Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Artikel 6.3.
Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6.4.
Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

1

De Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Veere 2010 wordt ingetrokken

2

Deze verordening treedt in werking op de tweede dag na die waarop zij is bekendgemaakt.

Artikel 6.5.
Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de Algemene plaatselijke verordening gemeente Veere 2010, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6.6.
Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Veere 2011.

Sluiting

Domburg, 12 december 2013

De raad voornoemd,

De griffier, De voorzitter,

Toelichting

De raad van de gemeente Veere stelde op 12 december 2013 de Algemene plaatselijke verordening vast. De reden is de wijziging van de Drank- en horecawet. De Algemene plaatselijke verordening is uitgebreid met hoofdstuk 8A, bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en horecawet.

Naar boven