Gemeenteblad van Coevorden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Coevorden | Gemeenteblad 2014, 34688 | Verordeningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Coevorden | Gemeenteblad 2014, 34688 | Verordeningen |
Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Coevorden en de werkgeverscommissie van de gemeenteraad van Coevorden, ieder voor zover betreft zijn bevoegdheden heeft op 15 april 2014 respectievelijk 12 mei 2014 besloten de CAR/UWO (1e wijziging 2014) vast te stellen.
In de CAR/UWO is de rechtspositie en arbeidsvoorwaarden van het gemeentepersoneel geregeld. In de CAR/UWO zijn gewijzigde bepalingen opgenomen over:
•Van werk naar werk trajecten
•Werktijden.
Tegen betaling van de kosten zijn exemplaren van deze stukken verkrijgbaar.
Voor nadere informatie kunt u terecht bij de afdeling Bedrijfsvoering en Ondersteuning, team P&O, mevrouw Felita Brentjes, personeelsconsulent, telefoon 0524-598736.
Wijziging februari 2014 CAR/UWO
Burgemeester en wethouders van Coevorden;
besluiten tot vaststelling van
wijziging februari 2014 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) en uitwerkingsovereenkomst (UWO) gemeente Coevorden.
Artikel 3:2 , wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
De ambtenaar als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste zin.
In artikel 3:2:1, vijfde lid, onderdeel b, wordt de verwijzing naar artikel 4:2:1, derde lid,
vervangen door: 4:5, derde lid.
In artikel 3:2:1, vijfde lid, onderdeel c, wordt tweemaal de verwijzing naar artikel
4:2:1,derde lid, vervangen door: 4:5, derde lid.
Artikel 3:3, eerste lid, wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
De ambtenaar als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op:
a.maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur;
b.zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur;
c.zondag tussen 0.00 en 24.00 uur.
Artikel 3:3:1 wordt geschrapt en na artikel 3:3 wordt een nieuw artikel 3:3A ingevoegd.
Na artikel 3:3 wordt een nieuw artikel 3:3A ingevoegd.
Artikel 3:3A, komt als volgt te luiden:
1.Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting bedoeld in artikel
2:1B, tweede lid, onderdeel c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen
vergoeding wordt toegekend indien uitdrukkelijk is bepaald dat bij de vaststelling
van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting rekening is gehouden.
2.De ambtenaar die valt onder de standaardregeling en die aangewezen is voor het
verrichten van beschikbaarheidsdiensten als bedoeld in artikel 2:1B, tweede lid,
onderdeel c, heeft over de uren buiten het dagvenster dat hij daadwerkelijk arbeid
verricht recht op een buitendagvenstervergoeding.
Artikel 3:4 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de vastgestelde werktijden per week van de ambtenaar als bedoeld in artikel 4:3 en 4:8 anders dan op verzoek van de ambtenaar aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding.
Artikel 3:4:1, eerste lid, wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde werktijd, de werktijden worden verschoven.
Er wordt een nieuw artikel 3:8 toegevoegd:
Artikel 3:8 Buitendagvenstervergoeding
1.De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door
het college aangewezen is om arbeid te verrichten buiten het dagvenster als
bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, heeft recht op een buitendagvenstervergoeding.
2.De buitendagvenstervergoeding bedraagt:
-50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het
dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur;
-75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op
zaterdag;
-100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op
zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid.
3.De ambtenaar die een functie bekleedt waaraan een functieschaal 11 of hoger
verbonden is heeft geen recht op een buitendagvenstervergoeding.
Hoofdstuk 4 wordt gewijzigd en komt, inclusief toelichting, als volgt te luiden:
4 Arbeidsduur en werktijden
Artikel 4:1
Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is.
Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden
Artikel 4:2
1.De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het dagvenster.
2.Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur.
3.De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken
over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de
ambtenaar, voor het komende jaar.
4.Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat
a.hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het college;
b.de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven;
c.de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren,
tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken.
5.Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de werktijden
aangepast worden.
6.De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in relatie tot
de planning van de werkzaamheden.
7.Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd voortzetten van
de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de
arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de
ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding van de
arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de
overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk
teveel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur
vakantieverlof.
8. De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat op
grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar buiten het
dagvenster werkt geldt een buitendagvenstervergoeding als bedoeld in artikel 3:8.
9.Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege
dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing.
10.Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in
overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het dienstbelang
dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In
die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere
regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.
11.Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel
verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de
afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de
ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de
ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de
buitendagvenstervergoeding, zoals omschreven in artikel 3:8, tweede lid, eerste
aandachtstreepje. Artikel 3:8, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
12.Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de
werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om verbetervoorstellen
in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken.
13.Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer
dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft vanaf 1
januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden.
Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden
Artikel 4:3 Werkingssfeer
Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt vastgesteld door het college.
Bijzondere regeling
Artikel 4:4 Vaststelling werktijden
1.Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast.
2.De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.
3.Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college
deze vast in een rooster.
4.Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht genomen:
a.De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend
gemaakt aan de ambtenaar.
b.De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op een
wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken.
Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen
1.De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het
dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts mogelijk voor
ten hoogste 26 zondagen per jaar.
2.Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk
gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke
feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig
mogelijk wordt beperkt.
3.Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is
bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de
tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide
Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd.
4.Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten
aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of
nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die
door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de
gemeente is gesloten
5.Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat
de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige
toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.
Artikel 4:6
Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3, arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.
Artikel 4:7 Nadere regels
Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere regels stellen.
Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters
Artikel 4:8
1.De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die bij de
brandweer werkzaam is in een dienstrooster.
2.Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit artikel een
werktijdenregeling vast.
3.Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor dat de
arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden.
Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid
Artikel 4:9
1.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a.opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het
kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid;
b.kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het
opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een
bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen
geldende uurloon van de ambtenaar.
2.Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het
college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De
ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.
3.De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed.
Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan
enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de
levensloopregeling en waneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op
zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed
gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent
de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde
verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een
volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende
opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden
voldaan.
4.In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde
verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In
overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn
zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het
aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te
verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed
uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.
5.In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8, 8:10 of 8:11 wordt de
ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het
resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is,
wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het
bepaalde in het tiende lid.
6.In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed.
7.In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende
opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.
8.In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met
inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde
verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.
9.In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag
betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt
over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.
10.Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het
op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.
In artikel 6:2:2, tweede lid, wordt de verwijzing naar artikel 4:2:1, derde lid vervangen door:
4:5 lid 3.
(LOGA ECCVA/U201300476 d.d. 4 juli 2013. Deze regeling treedt in werking per 1 januari 2014.)
Artikel 6a:2, Komt te vervallen
Artikel 6a:4 , vierde lid, wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
4.De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet aan de voorwaarden die de Wet op de Loonbelasting 1964 aan deelname stelt.
(LOGA ECCVA/U201300314 d.d. 27 maart 2013. Deze wijzigingen treden met terugwerkende kracht per
1januari 2013 in werking.)
In artikel 6a:6, onderdeel f wordt de verwijzing naar artikel 4:3, derde lid vervangen door:
4:9 lid 3.
(LOGA ECCVA/U201300476 d.d. 4 juli 2013. Deze regeling treedt in werking per 1 januari 2014.)
Artikel 6a:7a komt te vervallen
Artikel 6a:9 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
Opname levenslooptegoed
Artikel 6a:9
Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de opname van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en hoofdstuk 6 meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.
(LOGA ECCVA/U201300314 d.d. 27 maart 2013. Deze wijzigingen treden met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 in werking.)
Hoofdstuk 10d ‘Voorzieningen bij werkloosheid’, wordt in zijn geheel vervangen door een
nieuw Hoofdstuk 10d en komt te luiden:
Hoofdstuk 10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij werkloosheid
Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen
Artikel 10d:1 Werkingssfeer
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van een organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van artikel 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.
Artikel 10d:2 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a.aanvullende uitkering: uitkering tijdens de werkloosheidsuitkering;
b.bezoldiging: het gemiddelde van de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, berekend over
een periode van 12 maanden direct voorafgaand aan de start van de re-integratiefase of
de start van het Van werk naar werk-traject, vermeerderd met de vakantietoelage en de
eindejaarsuitkering; deze wordt geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de
gemeentelijke sector;
c.gemeentelijke sector: de gemeenten en gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van
toepassing hebben verklaard;
d.boventalligheid: de situatie dat een ambtenaar wegens reorganisatie niet kan terugkeren
in de formatie na de reorganisatie;
e.na-wettelijke uitkering: de uitkering na afloop van de werkloosheidsuitkering;
f.werkloosheid: werkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet, waarbij het
arbeidsurenverlies voortvloeit uit de beëindiging van de aanstelling of
arbeidsovereenkomst bij de gemeente;
g.werkloosheidsuitkering: uitkering op grond van de Werkloosheidswet, welke uitkering
voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.
Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken
Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken
1.Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de bepalingen in dit
hoofdstuk.
2.Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn overeengekomen, dan die in dit
hoofdstuk zijn gesteld, bespreken college en vakorganisaties in de Commissie voor
Georganiseerd Overleg wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze lokale
afspraken.
Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
1.Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, treft het college een
passende regeling.
2.De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door het college
gehoord.
3.Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van de paragraaf over
aanvullende uitkering bij ontslag uit dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.
Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)
Artikel 10d:5 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a.re-integratiefase: de fase voorafgaand aan ontslag, waarin door middel van een reintegratieplan
afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van de
ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel
werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen;
b.re-integratieplan: het plan van aanpak waarin de re-integratie-inspanningen van gemeente
en de ambtenaar beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van de
mbtenaar te bevorderen;
Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag
1.De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft recht op een reintegratiefase.
2.De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel 8:6.
3.De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of overhandiging van het
besluit tot ontslag.
4.De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de
gemeente,waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het dienstverband
gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt,
tot de datum van de start van de re-integratiefase.
5.De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband van:
a.2 tot 10 jaar 4 maanden
b.10 tot 15 jaar 8 maanden
c.15 jaar of meer 12 maanden.
Einde re-integratiefase
Artikel 10d:7
1.De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar geldende
termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een
andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt.
2.De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 8:6 gaat direct in,
indien de ambtenaar zich tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
re-integratieplan.
3.Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde reden,
vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.
Artikel 10d:8
1.De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de re-integratiefase
niet houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.
2.De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de oorspronkelijke reintegratiefase.
3.Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de nalatigheid naar de mate
waarin dat mogelijk is.
4.Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte afspraken uit het reintegratieplan van kracht.
Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop
1.De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met maximaal 12 maanden
te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld
in artikel 6:9.
2.Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de reintegratiefase
redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen
en indien:
a.onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur; en
b.de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed opneemt op grond van
de gemeentelijke levensloopregeling; en
c.tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden ondernomen of voortgezet die de re-integratie bevorderen.
3.Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden waaronder
de inspanningen van het college en de ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reintegratieplan, tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden voortgezet.
4.Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 10d:10 Re-integratieplan
1.Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na aanvang van de
re-integratiefase een re-integratieplan op.
2.De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het college gehoord.
3.In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de re-integratie-inspanningen
die van het college en de ambtenaar verlangd worden. In het re-integratieplan staan in
ieder geval afspraken over:
-verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd zijn in het reintegratieplan;
-scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin van die scholing,
het einde van die scholing, de betaling en de te behalen resultaten;
-opstellen arbeidsmarktprofiel;
-sollicitatieactiviteiten.
4.In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de verschillende
activiteiten uit het re-integratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het re-integratieplan
komen, mits redelijk en billijk, volledig voor rekening van het college, met een maximum
van € 7.500,=.
Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid
Algemene bepalingen
Artikel 10d:11 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het college boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft bij de betreffende gemeente.
Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject
De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college besluit tot verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel 10d:22.
Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting
In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig verklaarde ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de uitvoering van het Van werk naar werk-traject. De Van werk naar werk-inspanningen zijn gericht op plaatsing van de ambtenaar in een passende dan wel geschikte functie, of aanvaarding door de ambtenaar van een functie buiten de gemeente.
Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject
Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit tot boventalligverklaring in werking is getreden.
Inhoud Van werk naar werk-traject
Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek
1.Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject onderzoeken college en
ambtenaar gezamenlijk de wensen en ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar,
binnen en buiten de gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de
regionale arbeidsmarkt onderzocht.
2.Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een gecertificeerd loopbaanadviseur
worden ingeschakeld.
3.Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de datum waarop het Van
werk naar werk-traject begint en is uiterlijk binnen een maand na die datum afgerond.
Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract
1.Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar werk-onderzoek stellen college
en ambtenaar een Van werk naar werk-contract op.
2.Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de voorzieningen die nodig zijn
om deze doelen te bereiken, nadere afspraken en daaraan verbonden termijnen.
3.Afspraken kunnen worden gemaakt over:
-het al dan niet toekennen van professionele begeleiding en de tijdsduur daarvan;
-het al dan niet elders opdoen van werkervaring;
-de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk naar werk-traject
verricht;
-het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor beschikbare budget;
-eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken uit het Van werk naar
werk-onderzoek;
-de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor sollicitatieactiviteiten en andere
inspanningen gericht op het vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd bedraagt
tenminste 20% van de omvang van de aanstelling;
-het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende voorzieningen, zoals
bedoeld in het artikel 17:7.
4.De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen tot een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten aanzien van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het college een afzonderlijk besluit.
Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract
Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract wordt de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd. Iedere drie maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd. Hiervan wordt een verslag opgemaakt.
Verlenging en einde Van werk naar werk-traject
Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject
Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de ambtenaar - al dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek of ontslag om een andere reden .
Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging
1.Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar plaatsing in een passende of
geschikte functie binnen de gemeente of de aanvaarding van een aangeboden functie
buiten de gemeente weigert.
2.Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging van het Van werk naar
werk-traject en ontslag, indien de ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het Van
werk naar werk-contract.
3.Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in het eerste of tweede lid
genoemde reden, wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8:3 met
ingang van de dag volgend op die waarop het Van werk naar werk-traject is beëindigd. In
dit geval kan het college aangeven dat sprake is van verwijtbare werkloosheid en
vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.
Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur
1.Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden sinds de start ervan
niet met een positief resultaat is afgesloten of om een andere reden is beëindigd, brengt
een gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een maand een advies uit aan het college
over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder geval de evaluatieverslagen als bedoeld in
artikel 10d:17 in acht genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het advies.
2.Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of voortzetting van het Van werk
naar werk-traject zinvol is, gelet op de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin
voortzetting de kans op een passende of geschikte functie binnen afzienbare termijn
vergroot.
3.Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of niet wordt overgenomen.
Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject
1.Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het college over het vervolg
van het Van werk naar werk-traject, en stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing.
2.Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden niet wordt voortgezet
wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8:3.
3.Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop van de Van
werk naar werk-termijn van twee jaar.
Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject
1. Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging van een werkgever, dat binnen een half jaar een functie voor de ambtenaar kan worden gevonden, of indien voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans op het vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar vergroot, kan het college besluiten het Van werk naar werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat een redelijke en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan één keer worden verleend.
2.Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk naar werk-traject niet
tussentijds is beëindigd, verleent het college de ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.
3.Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop van de
periode waarmee het Van werk naar werk-traject is verlengd.
Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract
1.Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij zich niet houdt aan de
afspraken zoals vastgelegd in het Van werk naar werk-contract, maakt deze partij dit aan
de andere partij in een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht gezamenlijk afspraken
te maken over verbetering.
2.Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in het eerste lid in gebreke is
gebleven ten aanzien van de in het Van werk naar werk-contract vastgelegde afspraken
kan de andere partij eisen dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het contract.
Deze partij maakt dit schriftelijk aan de andere partij kenbaar.
3.Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt, kan hij
eisen dat het Van werk naar werk-traject wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een
redelijke termijn, waarbij de periode die door de niet-nakoming verloren is gegaan als
richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging herstelt het college zoveel als
mogelijk de gebreken die bij de uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn
ontstaan.
4.Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt, kan hij het Van
werk naar werk-traject tussentijds beëindigen op grond van artikel 10d:19 tweede lid en
ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.
5.Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar werk-contract of de
mogelijkheden zoals vastgelegd in dit artikel een geschil ontstaat, kunnen partijen dit
geschil voorleggen aan de paritaire commissie.
Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar werk-trajecten
Artikel 10d:24 Paritaire commissie
1.Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die desgevraagd toeziet op de
individuele toepassing van de bepalingen in deze paragraaf.
2.Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de uitvoering van het Van werk
naar werk-contract, als bedoeld in artikel 10d:23, vijfde lid, voorleggen aan deze
commissie.
3.De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil een bindend advies uit.
4.Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling, bevoegdheden en
werkwijze van de commissie worden vastgelegd.
Paragraaf 6 Aanvullende uitkering
Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering
1.Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die:
a.op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:7 tweede en derde lid niet aan de orde is; of
b.op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is;
en
c.recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en deze ook daadwerkelijk ontvangt.
2.Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de ambtenaar ten
aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente
overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende uitkering.
Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag
1.De aanvullende uitkering kent twee fases.
2.Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:
a.voor ambtenaren met een bezoldiging tot een bedrag van € 4.375,= 10% van de
bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;
b.voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,=
20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;
c.voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 5.250,= 30% van de bezoldiging naar
rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.
3.Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:
a.voor ambtenaren met een bezoldiging van € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,=
10% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;
b.voor ambtenaren met een bezoldiging van € 5.250,= tot een bedrag van € 6.560,=
20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;
c.voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 6.560,= 30% van de bezoldiging naar
rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.
Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag
1.De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf de dag na de
dag van ontslag.
2.De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de eerste fase en
duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.
Artikel 10d:28 Sancties
1.Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast op de
werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de aanvullende
uitkering.
2.Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie op grond van het
eerste lid, een sanctiebeleid op.
3.Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast kan het college
besluiten om het recht op na-wettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.
4.Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels op.
Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering
De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.
Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering
Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering
1.De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een na-wettelijke
uitkering indien:
a.de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering voortduurt;
b.hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van
invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn na-wettelijke uitkering.
2.Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het ontslag gelegen is in
omstandigheden binnen de werksfeer.
Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering
1.De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer heeft de hoogte van de
WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet.
2.Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het bedrag van de
uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.
3.De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in verband met arbeid
ontvangt, mag een hoogte van 90% van de oude bezoldiging niet overschrijden. Het
meerdere wordt gekort op de na-wettelijke uitkering.
Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering
De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is
a.1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar
b.2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50 jaar
c.3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.
Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering
1.De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is verstreken.
2.De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid eindigt.
3.De na-wettelijke uitkering eindigt op de eerste dag van de maand volgend op die waarin
de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden bereikt heeft.
Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering
Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het college te informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de na-wettelijke uitkering.
Artikel 10d:35 Afkoop
1.Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op verzoek van de
ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering.
2.Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden waaronder de
afkoop verstrekt wordt.
Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
1.De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die gedurende het derde
ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel
definitief is herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht op een bijzondere uitkering
indien en voor zolang hij arbeid heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze
door UWV definitief is vastgesteld.
2.Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van
iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de
hoogte van zijn bijzondere uitkering.
Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of
definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16
1.De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het totaalinkomen uit of in
verband met arbeid en de bezoldiging voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe
arbeid.
2.Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering gebracht.
Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of
definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16
De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de nieuwe arbeid.
Artikel 10d:39 Overgangsrecht
1.In afwijking van artikel 10d:31 is de duur van de na-wettelijke uitkering voor de ambtenaar
die:
a.op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke sector en
b.ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X-
21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18)
gemaximeerd wordt op 38. Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de
dag van ontslag; factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.
2.De duur van de overgangsuitkering is gelijk aan (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X-21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38.
Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag; factor Y voor de
indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.
(LOGA ECCVA/ECCVA/U201300008 d.d. 9 januari 2013. Deze wijzigingen treden met terugwerkende kracht per 1 april 2013 in werking.)
Hoofdstuk 17 , wordt inclusief koptekst gewijzigd en komt als volgt te luiden
HOOFDSTUK 17 OPLEIDING EN ONTWIKKELING
Ontwikkeling en mobiliteit
Artikel 17:1
1.De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn duurzame
inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor diens positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.
2.In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar zich door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.
3.De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk loopbaanbeleid.
Artikel 17:2
1.Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren en ontwikkelen van
diens inzetbaarheid en mobiliteit.
2.Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid en onderhoudt
loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en organisatieverandering.
3.Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het gemeentelijk
loopbaanbeleid. Individueel loopbaanbudget
Artikel 17:3
1.De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van € 500.-.
2.Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een opleidingsplan heeft vastgesteld
dat gelijkwaardige ruimte biedt aan loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen
over loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan dit opleidingsplan
ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het bepaalde in het eerste lid. Dit na instemming
van de ondernemingsraad.
3.De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van loopbaangerelateerde
activiteiten, zoals opleiding, training, scholing, loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling,
gericht op de vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn arbeidsmarktpotentie ten behoeve
van een andere functie binnen of buiten de organisatie.
4.De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op een reëel
loopbaanperspectief.
5.Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden vastgelegd in een
(aanvulling op het) persoonlijk ontwikkelingsplan.
6.Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de aanspraak is
opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.
7.In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het loopbaanbudget
gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee eenmalig een duurdere activiteit te
financieren. Dit wordt vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk ontwikkelingsplan.
8.Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop van de
overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is benut komt het resterende
budget te vervallen.
9.Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015
Persoonlijk ontwikkelingsplan
Artikel 17:4
1.Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het college en de
ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de afspraken vast over de
loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede
een in dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.
2.Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie jaar opgesteld en
door het college vastgesteld.
3.Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in de doelstellingen,
criteria en budgettaire voorwaarden van het gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals
neergelegd in het door het college vastgestelde opleidingsplan.
4.De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk ontwikkelingsplan
opgenomen opleiding en activiteiten worden door het college vergoed.
5.In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot
benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de
ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.
6.In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot een
of meer van de volgende onderwerpen:
-de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs te maken kosten;
-de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden;
-de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;
-de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden onderbroken of gestopt;
-de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar;
-de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst binnen een te bepalen periode na afronding van de studie;
-eventuele andere ondenverpen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.
Loopbaanadvies
Artikel 17:5
De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij een door het college aangewezen interne of externe deskundige.
Artikel 17:6
In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting en belastbaarheid aan de orde. Zonodig worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.
Flankerend beleid
Artikel 17:7
Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een Van-werk-naar-werk-traject bevinden.
(LOGA ECCVA/U201201556 d.d. 9 januari 2013. Deze wijzigingen treden met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 in werking.)
Artikel 18:1:5, eerste lid, wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
1.De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:
a.een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van breekbare zaken;
b.een bedrag voor dubbele woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van € 292,68 per maand met dien verstande dat de tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt verleend;
c.een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten, met een maximum van € 5.853,12
Artikel 18:1:7, tweede en derde lid, worden gewijzigd en komen als volgt te luiden:
2.De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het bedrag van € 3.708 per jaar.
3.De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen gebruik maakt en in plaats daarvan met eigen vervoer naar dat station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 97,82 op jaarbasis.
(LOGA ECCVA/U201300011 d.d. 14 januari2013. Deze wijzigingen treden met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 in werking.)
Aan artikel 19:14 CAR wordt een derde en een vierde lid toegevoegd, dat luidt:
3.In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136, ter vergoeding van
onkosten die worden gemaakt in verband met de beroepsuitoefening.
4.In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een netto-onkostenvergoeding
opgenomen van € 2 per in het kader van de beroepsuitoefening verrichte activiteit niet
zijnde brandbestrijding of andere hulpverlening.
Aan artikel 19:15 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt:
3. In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers niet zijnde officieren.
Aan artikel 19.16 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt:
3. In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers niet zijnde officieren.
(LOGA ECCVA/U201300288 d.d. 22 april 2013. Deze wijzigingen treden met terugwerkende kracht per 1 juli 2013 in werking.)
Artikel 19:42, lid 1, onder i, vervalt.
Artikel 19a:1, eerste lid wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden
Artikel 19a:1, eerste lid
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer is aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie van bevelvoerder en manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s.
Aan artikel 19a:3 worden een nieuw vijfde, zesde, zevende en achtste lid toegevoegd:
Artikel 19a:3
5.Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de frequentie zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring worden afgenomen.
6.Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het college de medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd van een aantal of het totaal van zijn taken vrijstellen. Deze bepaalde tijd kan in bijzondere gevallen, zolang de mate van ongeschiktheid zich voordoet, worden verlengd.
7.Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige medewerker op zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht op toeslagen en vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden van de medewerker recht hierop geven. Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling wegens ziekte en ongeschiktheid is hoofdstuk 7 onverkort van toepassing.
8.Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps gedurende de tijdelijke vrijstelling van taken andere werkzaamheden opleggen.
(LOGA ECCVA/U201300250 d.d. 19 februari 2013. Deze wijzigingen treden met inwerking per 1 april 2013 in werking.)
Artikel 19b:12, eerste en tweede lid, worden gewijzigd en komen als volgt te luiden:
1.In afwijking van artikel 4:4, lid 2, is op de ambtenaar artikel 5.7 van de
Arbeidstijdenwet van toepassing.
2.In aanvulling op artikel 4:4 lid 3 verstrekt het college zo snel mogelijk maar in
ieder geval binnen twee maanden na ingang van een cursusjaar een rooster van
de in dat cursusjaar te werken uren.
(LOGA ECCVA/U201300476 d.d. 4 juli 2013. Deze regeling treedt in werking per 1 januari 2014.)
Bijlage VIIA
In de inleiding van bijlage VIIA wordt tussen de woorden ‘onderdelen’ en ‘is’ de woorden ‘en de beoordeling hiervan’ toegevoegd.
Bijlage VIIB
In de inleiding van bijlage VIIB wordt tussen de woorden ‘onderdelen’ en ‘is’ de woorden ‘en de beoordeling hiervan’ toegevoegd.
(LOGA ECCVA/U201300250 d.d. 19 februari 2013. Deze wijzigingen treden met inwerking per 1 april 2013 in werking.)
Aldus besloten in de vergadering van 15 april 2014
Burgemeester en wethouders van Coevorden,
De secretaris, de burgemeester,
M.N.J. Broers B.J.Bouwmeester
Wijziging februari 2014 CAR/UWO
De werkgeverscommissie van Coevorden;
overwegende dat de gemeenteraad op 17 september 2013 besloten heeft de arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Coevorden (CAR-UWO) over te nemen en vast te stellen ten behoeve van de griffier en de medewerkers van de griffie;
dat in het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) afspraken gemaakt zijn tot wijziging van de CAR-UWO;
overwegende dat wijzigingen van de CAR-UWO zoals die op landelijk niveau zijn overeengekomen pas rechtskracht krijgen na vaststelling;
gelet op het gestelde in artikel 107e lid 1 Gemeentewet en titel I I I van de Ambtenarenwet;
besluiten tot vaststelling van
wijziging februari 2014 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) en uitwerkingsovereenkomst (UWO) gemeente Coevorden.
Artikel 3:2 , wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
De ambtenaar als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste zin.
In artikel 3:2:1, vijfde lid, onderdeel b, wordt de verwijzing naar artikel 4:2:1, derde lid, vervangen door: 4:5, derde lid.
In artikel 3:2:1, vijfde lid, onderdeel c, wordt tweemaal de verwijzing naar artikel 4:2:1,derde lid, vervangen door: 4:5, derde lid.
Artikel 3:3, eerste lid, wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
De ambtenaar als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op:
a.maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur;
b.zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur;
c.zondag tussen 0.00 en 24.00 uur.
Artikel 3:3:1 wordt geschrapt en na artikel 3:3 wordt een nieuw artikel 3:3A ingevoegd.
Na artikel 3:3 wordt een nieuw artikel 3:3A ingevoegd.
Artikel 3:3A, komt als volgt te luiden:
1.Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting bedoeld in artikel
2:1B, tweede lid, onderdeel c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen
vergoeding wordt toegekend indien uitdrukkelijk is bepaald dat bij de vaststelling
van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting rekening is gehouden.
2.De ambtenaar die valt onder de standaardregeling en die aangewezen is voor het
verrichten van beschikbaarheidsdiensten als bedoeld in artikel 2:1B, tweede lid,
onderdeel c, heeft over de uren buiten het dagvenster dat hij daadwerkelijk arbeid
verricht recht op een buitendagvenstervergoeding.
Artikel 3:4 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de vastgestelde werktijden per week van de ambtenaar als bedoeld in artikel 4:3 en 4:8 anders dan op verzoek van de ambtenaar aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding.
Artikel 3:4:1, eerste lid, wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde werktijd, de werktijden worden verschoven.
Er wordt een nieuw artikel 3:8 toegevoegd:
Artikel 3:8 Buitendagvenstervergoeding
1.De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door
het college aangewezen is om arbeid te verrichten buiten het dagvenster als
bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, heeft recht op een buitendagvenstervergoeding.
2.De buitendagvenstervergoeding bedraagt:
-50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het
dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur;
-75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op
zaterdag;
-100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op
zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid.
3.De ambtenaar die een functie bekleedt waaraan een functieschaal 11 of hoger
verbonden is heeft geen recht op een buitendagvenstervergoeding.
Hoofdstuk 4 wordt gewijzigd en komt, inclusief toelichting, als volgt te luiden:
4 Arbeidsduur en werktijden
Artikel 4:1
Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van hetgeen in dit
hoofdstuk bepaald is.
Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden
Artikel 4:2
1.De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het dagvenster.
2.Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur.
3.De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken
over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de
ambtenaar, voor het komende jaar.
4.Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat
a.hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het college;
b.de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven;
c.de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren,
tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken.
5.Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de werktijden
aangepast worden.
6.De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in relatie tot
de planning van de werkzaamheden.
7.Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd voortzetten van
de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de
arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de
ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding van de
arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de
overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk
teveel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur
vakantieverlof.
8.De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat op
grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar buiten het
dagvenster werkt geldt een buitendagvenstervergoeding als bedoeld in artikel 3:8.
9.Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege
dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing.
10.Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in
overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het dienstbelang
dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In
die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere
regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.
11.Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel
verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de
afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de
ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de
ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de
buitendagvenstervergoeding, zoals omschreven in artikel 3:8, tweede lid, eerste
aandachtstreepje. Artikel 3:8, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
12.Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de
werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om verbetervoorstellen
in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken.
13.Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer
dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft vanaf 1
januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden.
Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden
Artikel 4:3 Werkingssfeer
Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt
vastgesteld door het college.
Bijzondere regeling
Artikel 4:4 Vaststelling werktijden
1.Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast.
2.De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.
3.Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college
deze vast in een rooster.
4.Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht genomen:
a.De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend
gemaakt aan de ambtenaar.
b.De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op een
wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken.
Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen
1.De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het
dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts mogelijk voor
ten hoogste 26 zondagen per jaar.
2.Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk
gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke
feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig
mogelijk wordt beperkt.
3.Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is
bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de
tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide
Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd.
4.Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten
aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of
nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die
door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de
gemeente is gesloten
5.Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat
de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige
toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.
Artikel 4:6
Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3, arbeid op zaterdag of zondag wordt
verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een
werkdag ter vrije beschikking toegekend.
Artikel 4:7 Nadere regels
Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere regels stellen.
Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters
Artikel 4:8
1.De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die bij de
brandweer werkzaam is in een dienstrooster.
2.Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit artikel een
werktijdenregeling vast.
3.Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor dat de
arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden.
Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid
Artikel 4:9
1.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a.opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het
kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid;
b.kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het
opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een
bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen
geldende uurloon van de ambtenaar.
2.Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het
college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De
ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.
3.De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed.
Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan
enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de
levensloopregeling en waneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op
zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed
gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent
de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde
verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een
volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende
opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden
voldaan.
4.In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde
verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In
overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn
zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het
aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te
verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed
uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.
5.In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8, 8:10 of 8:11 wordt de
ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het
resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is,
wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het
bepaalde in het tiende lid.
6. In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed.
7.In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende
opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.
8.In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met
inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde
verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.
9.In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag
betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt
over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.
10.Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het
op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.
In artikel 6:2:2, tweede lid, wordt de verwijzing naar artikel 4:2:1, derde lid vervangen door:
4:5 lid 3.
(LOGA ECCVA/U201300476 d.d. 4 juli 2013. Deze regeling treedt in werking per 1 januari 2014.)
Artikel 6a:2, Komt te vervallen
Artikel 6a:4 , vierde lid, wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
4.De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet aan de voorwaarden die de Wet op de Loonbelasting 1964 aan deelname stelt.
(LOGA ECCVA/U201300314 d.d. 27 maart 2013. Deze wijzigingen treden met terugwerkende kracht per 1januari 2013 in werking.)
In artikel 6a:6, onderdeel f wordt de verwijzing naar artikel 4:3, derde lid vervangen door:
4:9 lid 3.
(LOGA ECCVA/U201300476 d.d. 4 juli 2013. Deze regeling treedt in werking per 1 januari 2014.)
Artikel 6a:7a komt te vervallen
Artikel 6a:9 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
Opname levenslooptegoed
Artikel 6a:9
Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de opname van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en hoofdstuk 6 meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.
(LOGA ECCVA/U201300314 d.d. 27 maart 2013. Deze wijzigingen treden met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 in werking.)
Hoofdstuk 10d ‘Voorzieningen bij werkloosheid’, wordt in zijn geheel vervangen door een
nieuw Hoofdstuk 10d en komt te luiden:
Hoofdstuk 10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij werkloosheid
Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen
Artikel 10d:1 Werkingssfeer
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van een organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van artikel 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.
Artikel 10d:2 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a.aanvullende uitkering: uitkering tijdens de werkloosheidsuitkering;
b.bezoldiging: het gemiddelde van de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, berekend over
een periode van 12 maanden direct voorafgaand aan de start van de re-integratiefase of
de start van het Van werk naar werk-traject, vermeerderd met de vakantietoelage en de
eindejaarsuitkering; deze wordt geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de
gemeentelijke sector;
c.gemeentelijke sector: de gemeenten en gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van
toepassing hebben verklaard;
d.boventalligheid: de situatie dat een ambtenaar wegens reorganisatie niet kan terugkeren
in de formatie na de reorganisatie;
e.na-wettelijke uitkering: de uitkering na afloop van de werkloosheidsuitkering;
f.werkloosheid: werkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet, waarbij het
arbeidsurenverlies voortvloeit uit de beëindiging van de aanstelling of
arbeidsovereenkomst bij de gemeente;
g.werkloosheidsuitkering: uitkering op grond van de Werkloosheidswet, welke uitkering
voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.
Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken
Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken
1.Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de bepalingen in dit
hoofdstuk.
2.Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn overeengekomen, dan die in dit
hoofdstuk zijn gesteld, bespreken college en vakorganisaties in de Commissie voor
Georganiseerd Overleg wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze lokale
afspraken.
Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
1.Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, treft het college een
passende regeling.
2.De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door het college
gehoord.
3.Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van de paragraaf over
aanvullende uitkering bij ontslag uit dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.
Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van onbekwaamheid of
ongeschiktheid (art 8:6)
Artikel 10d:5 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a.re-integratiefase: de fase voorafgaand aan ontslag, waarin door middel van een reintegratieplan
afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van de
ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel
werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen;
b.re-integratieplan: het plan van aanpak waarin de re-integratie-inspanningen van gemeente
en de ambtenaar beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van de
ambtenaar te bevorderen;
Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag
1.De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft recht op een reintegratiefase.
2.De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel 8:6.
3.De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of overhandiging van het
besluit tot ontslag.
4.De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de
gemeente,waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het dienstverband
gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt,
tot de datum van de start van de re-integratiefase.
5.De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband van:
a.2 tot 10 jaar 4 maanden
b.10 tot 15 jaar 8 maanden
c.15 jaar of meer 12 maanden.
Einde re-integratiefase
Artikel 10d:7
1.De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar geldende
termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een
andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt.
2.De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 8:6 gaat direct in,
indien de ambtenaar zich tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
re-integratieplan.
3.Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde reden,
vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.
Artikel 10d:8
1.De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de re-integratiefase
niet houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.
2.De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de oorspronkelijke reintegratiefase.
3.Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de nalatigheid naar de mate
waarin dat mogelijk is.
4.Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte afspraken uit het reintegratieplan van kracht.
Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop
1.De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met maximaal 12 maanden
te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld
in artikel 6:9.
2.Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de reintegratiefase
redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen
en indien:
a.onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur; en
b.de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed opneemt op grond van
de gemeentelijke levensloopregeling; en
c.tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden ondernomen of voortgezet die de re-integratie bevorderen.
3.Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reintegratieplan, tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden voortgezet.
4.Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10d:10 Re-integratieplan
1.Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na aanvang van de
re-integratiefase een re-integratieplan op.
2.De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het college gehoord.
3.In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de re-integratie-inspanningen
die van het college en de ambtenaar verlangd worden. In het re-integratieplan staan in
ieder geval afspraken over:
-verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd zijn in het reintegratieplan;
-scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin van die scholing,
het einde van die scholing, de betaling en de te behalen resultaten;
-opstellen arbeidsmarktprofiel;
-sollicitatieactiviteiten.
4.In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de verschillende
activiteiten uit het re-integratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het re-integratieplan
komen, mits redelijk en billijk, volledig voor rekening van het college, met een maximum
van € 7.500,=.
Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid
Algemene bepalingen
Artikel 10d:11 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het college boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft bij de betreffende gemeente.
Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject
De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college besluit tot verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel 10d:22.
Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting
In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig verklaarde ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de uitvoering van het Van werk naar werk-traject. De Van werk naar werk-inspanningen zijn gericht op plaatsing van de ambtenaar in een passende dan wel geschikte functie, of aanvaarding door de ambtenaar van een functie buiten de gemeente.
Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject
Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit tot boventalligverklaring in werking is getreden.
Inhoud Van werk naar werk-traject
Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek
1.Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject onderzoeken college en
ambtenaar gezamenlijk de wensen en ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar,
binnen en buiten de gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de
regionale arbeidsmarkt onderzocht.
2.Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een gecertificeerd loopbaanadviseur
worden ingeschakeld.
3.Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de datum waarop het Van
werk naar werk-traject begint en is uiterlijk binnen een maand na die datum afgerond.
Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract
1.Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar werk-onderzoek stellen college
en ambtenaar een Van werk naar werk-contract op.
2.Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de voorzieningen die nodig zijn
om deze doelen te bereiken, nadere afspraken en daaraan verbonden termijnen.
3.Afspraken kunnen worden gemaakt over:
-het al dan niet toekennen van professionele begeleiding en de tijdsduur daarvan;
-het al dan niet elders opdoen van werkervaring;
-de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk naar werk-traject
verricht;
-het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor beschikbare budget;
-eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken uit het Van werk naar
werk-onderzoek;
-de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor sollicitatieactiviteiten en andere
inspanningen gericht op het vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd bedraagt
tenminste 20% van de omvang van de aanstelling;
-het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende voorzieningen, zoals
bedoeld in het artikel 17:7.
4.De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen tot een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten aanzien van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het college een afzonderlijk besluit.
Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract
Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract wordt de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd. Iedere drie maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd. Hiervan wordt een verslag opgemaakt.
Verlenging en einde Van werk naar werk-traject
Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject
Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de ambtenaar - al dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek of ontslag om een andere reden .
Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging
1.Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar plaatsing in een passende of
geschikte functie binnen de gemeente of de aanvaarding van een aangeboden functie
buiten de gemeente weigert.
2.Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging van het Van werk naar
werk-traject en ontslag, indien de ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het Van
werk naar werk-contract.
3.Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in het eerste of tweede lid
genoemde reden, wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8:3 met
ingang van de dag volgend op die waarop het Van werk naar werk-traject is beëindigd. In
dit geval kan het college aangeven dat sprake is van verwijtbare werkloosheid en
vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.
Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur
1.Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden sinds de start ervan
niet met een positief resultaat is afgesloten of om een andere reden is beëindigd, brengt
een gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een maand een advies uit aan het college
over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder geval de evaluatieverslagen als bedoeld in
artikel 10d:17 in acht genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het advies.
2.Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of voortzetting van het Van werk
naar werk-traject zinvol is, gelet op de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin
voortzetting de kans op een passende of geschikte functie binnen afzienbare termijn
vergroot.
3.Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of niet wordt overgenomen.
Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject
1.Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het college over het vervolg
van het Van werk naar werk-traject, en stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing.
2.Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden niet wordt voortgezet
wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8:3.
3.Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop van de Van
werk naar werk-termijn van twee jaar.
Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject
1.Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging van een werkgever, dat
binnen een half jaar een functie voor de ambtenaar kan worden gevonden, of indien
voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans op het vinden van een passende
of geschikte functie aantoonbaar vergroot, kan het college besluiten het Van werk naar
werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat een redelijke en nader gespecificeerde
periode en kan niet meer dan één keer worden verleend.
2.Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk naar werk-traject niet
tussentijds is beëindigd, verleent het college de ambtenaar ontslag op grond van artikel
8:3.
3.Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop van de
periode waarmee het Van werk naar werk-traject is verlengd.
Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract
1.Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij zich niet houdt aan de
afspraken zoals vastgelegd in het Van werk naar werk-contract, maakt deze partij dit aan
de andere partij in een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht gezamenlijk afspraken
te maken over verbetering.
2.Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in het eerste lid in gebreke is
gebleven ten aanzien van de in het Van werk naar werk-contract vastgelegde afspraken
kan de andere partij eisen dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het contract.
Deze partij maakt dit schriftelijk aan de andere partij kenbaar.
3.Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt, kan hij
eisen dat het Van werk naar werk-traject wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een
redelijke termijn, waarbij de periode die door de niet-nakoming verloren is gegaan als
richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging herstelt het college zoveel als
mogelijk de gebreken die bij de uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn
ontstaan.
4.Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt, kan hij het Van
werk naar werk-traject tussentijds beëindigen op grond van artikel 10d:19 tweede lid en
ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.
5.Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar werk-contract of de
mogelijkheden zoals vastgelegd in dit artikel een geschil ontstaat, kunnen partijen dit
geschil voorleggen aan de paritaire commissie.
Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar werk-trajecten
Artikel 10d:24 Paritaire commissie
1.Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die desgevraagd toeziet op de
individuele toepassing van de bepalingen in deze paragraaf.
2.Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de uitvoering van het Van werk
naar werk-contract, als bedoeld in artikel 10d:23, vijfde lid, voorleggen aan deze
commissie.
3.De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil een bindend advies uit.
4.Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling, bevoegdheden en
werkwijze van de commissie worden vastgelegd.
Paragraaf 6 Aanvullende uitkering
Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering
1.Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die:
a.op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:7 tweede en derde lid niet aan de orde is; of
b.op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar werk-traject heeft
doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is;
en
c.recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en deze ook
daadwerkelijk ontvangt.
2.Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de ambtenaar ten
aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente
overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende uitkering.
Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag
1.De aanvullende uitkering kent twee fases.
2.Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:
a.voor ambtenaren met een bezoldiging tot een bedrag van € 4.375,= 10% van de
bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;
b.voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,=
20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;
c.voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 5.250,= 30% van de bezoldiging naar
rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.
3.Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:
a.voor ambtenaren met een bezoldiging van € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,=
10% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;
b.voor ambtenaren met een bezoldiging van € 5.250,= tot een bedrag van € 6.560,=
20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;
c.voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 6.560,= 30% van de bezoldiging naar
rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.
Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag
1.De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf de dag na de
dag van ontslag.
2.De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de eerste fase en
duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.
Artikel 10d:28 Sancties
1.Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast op de
werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de aanvullende
uitkering.
2.Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie op grond van het
eerste lid, een sanctiebeleid op.
3.Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast kan het college
besluiten om het recht op na-wettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.
4.Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels op.
Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering
De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.
Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering
Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering
1.De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een na-wettelijke
uitkering indien:
a.de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering voortduurt;
b.hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van
invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn na-wettelijke uitkering.
2.Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het ontslag gelegen is in
omstandigheden binnen de werksfeer.
Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering
1.De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer heeft de hoogte van de
WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet.
2.Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het bedrag van de
uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.
3.De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in verband met arbeid
ontvangt, mag een hoogte van 90% van de oude bezoldiging niet overschrijden. Het
meerdere wordt gekort op de na-wettelijke uitkering.
Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering
De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is
a.1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar
b.2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50 jaar
c.3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.
Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering
1.De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is verstreken.
2.De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid eindigt.
3.De na-wettelijke uitkering eindigt op de eerste dag van de maand volgend op die waarin
de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden bereikt heeft.
Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering
Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het college te informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de na-wettelijke uitkering.
Artikel 10d:35 Afkoop
1.Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op verzoek van de
ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering.
2.Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden waaronder de
afkoop verstrekt wordt.
Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
1.De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die gedurende het derde
ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel
definitief is herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht op een bijzondere uitkering
indien en voor zolang hij arbeid heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze
door UWV definitief is vastgesteld.
2.Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van
iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de
hoogte van zijn bijzondere uitkering.
Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of
definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16
1.De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het totaalinkomen uit of in
verband met arbeid en de bezoldiging voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe
arbeid.
2.Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering gebracht.
Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of
definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16
De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de nieuwe arbeid.
Artikel 10d:39 Overgangsrecht
1.In afwijking van artikel 10d:31 is de duur van de na-wettelijke uitkering voor de ambtenaar
die:
a.op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke sector en
b.ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X-
21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18)
gemaximeerd wordt op 38. Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de
dag van ontslag; factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.
2.De duur van de overgangsuitkering is gelijk aan (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X-21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38.
Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag; factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.
(LOGA ECCVA/ECCVA/U201300008 d.d. 9 januari 2013. Deze wijzigingen treden met terugwerkende kracht per 1 april 2013 in werking.)
Hoofdstuk 17 , wordt inclusief koptekst gewijzigd en komt als volgt te luiden
HOOFDSTUK 17 OPLEIDING EN ONTWIKKELING
Ontwikkeling en mobiliteit
Artikel 17:1
1.De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn duurzame
inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor diens positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.
2.In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar zich door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.
3.De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk loopbaanbeleid.
Artikel 17:2
1.Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren en ontwikkelen van
diens inzetbaarheid en mobiliteit.
2.Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid en onderhoudt
loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en organisatieverandering.
3.Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het gemeentelijk
loopbaanbeleid. Individueel loopbaanbudget
Artikel 17:3
1.De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van € 500.-.
2.Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een opleidingsplan heeft vastgesteld
dat gelijkwaardige ruimte biedt aan loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen
over loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan dit opleidingsplan
ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het bepaalde in het eerste lid. Dit na instemming
van de ondernemingsraad.
3.De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van loopbaangerelateerde
activiteiten, zoals opleiding, training, scholing, loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling,
gericht op de vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn arbeidsmarktpotentie ten behoeve
van een andere functie binnen of buiten de organisatie.
4.De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op een reëel
loopbaanperspectief.
5.Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden vastgelegd in een
(aanvulling op het) persoonlijk ontwikkelingsplan.
6.Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de aanspraak is
opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.
7.In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het loopbaanbudget
gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee eenmalig een duurdere activiteit te
financieren. Dit wordt vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk ontwikkelingsplan.
8.Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop van de
overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is benut komt het resterende
budget te vervallen.
9.Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015
Persoonlijk ontwikkelingsplan
Artikel 17:4
1.Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het college en de
ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de afspraken vast over de
loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede
een in dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.
2.Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie jaar opgesteld en
door het college vastgesteld.
3.Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in de doelstellingen,
criteria en budgettaire voorwaarden van het gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals
neergelegd in het door het college vastgestelde opleidingsplan.
4.De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk ontwikkelingsplan
opgenomen opleiding en activiteiten worden door het college vergoed.
5.In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot
benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de
ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.
6.In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot een
of meer van de volgende onderwerpen:
-de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs te maken kosten;
-de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden;
-de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;
-de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden onderbroken of gestopt;
-de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar;
-de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst binnen een te bepalen periode na afronding van de studie;
-eventuele andere ondenverpen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.
Loopbaanadvies
Artikel 17:5
De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij een door het college aangewezen interne of externe deskundige.
Artikel 17:6
In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting en belastbaarheid aan de orde. Zonodig worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.
Flankerend beleid
Artikel 17:7
Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een Van-werk-naar-werk-traject bevinden.
(LOGA ECCVA/U201201556 d.d. 9 januari 2013. Deze wijzigingen treden met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 in werking.)
Artikel 18:1:5, eerste lid, wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
1.De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:
a.een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van breekbare zaken;
b.een bedrag voor dubbele woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van € 292,68 per maand met dien verstande dat de tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt verleend;
c.een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten, met een maximum van € 5.853,12
Artikel 18:1:7, tweede en derde lid, worden gewijzigd en komen als volgt te luiden:
2.De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het bedrag van € 3.708 per jaar.
3.De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen gebruik maakt en in plaats daarvan met eigen vervoer naar dat station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 97,82 op jaarbasis.
(LOGA ECCVA/U201300011 d.d. 14 januari2013. Deze wijzigingen treden met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 in werking.)
Aan artikel 19:14 CAR wordt een derde en een vierde lid toegevoegd, dat luidt:
3.In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136, ter vergoeding van
onkosten die worden gemaakt in verband met de beroepsuitoefening.
4.In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een netto-onkostenvergoeding
opgenomen van € 2 per in het kader van de beroepsuitoefening verrichte activiteit niet
zijnde brandbestrijding of andere hulpverlening.
Aan artikel 19:15 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt:
3.In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een netto-onkostenvergoeding
opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers niet zijnde officieren.
Aan artikel 19.16 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt:
3.In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een netto-onkostenvergoeding
opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers niet zijnde officieren.
(LOGA ECCVA/U201300288 d.d. 22 april 2013. Deze wijzigingen treden met terugwerkende kracht per 1 juli 2013 in werking.)
Artikel 19:42, lid 1, onder i, vervalt.
Artikel 19a:1, eerste lid wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden
Artikel 19a:1, eerste lid
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer is aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie van bevelvoerder en manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s.
Aan artikel 19a:3 worden een nieuw vijfde, zesde, zevende en achtste lid toegevoegd:
Artikel 19a:3
5.Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de frequentie zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring worden afgenomen.
6.Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het college de medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd van een aantal of het totaal van zijn taken vrijstellen. Deze bepaalde tijd kan in bijzondere gevallen, zolang de mate van ongeschiktheid zich voordoet, worden verlengd.
7.Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige medewerker op zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht op toeslagen en vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden van de medewerker recht hierop geven. Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling wegens ziekte en ongeschiktheid is hoofdstuk 7 onverkort van toepassing.
8.Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps gedurende de tijdelijke vrijstelling van taken andere werkzaamheden opleggen.
(LOGA ECCVA/U201300250 d.d. 19 februari 2013. Deze wijzigingen treden met inwerking per 1 april 2013 in werking.)
Artikel 19b:12, eerste en tweede lid, worden gewijzigd en komen als volgt te luiden:
1.In afwijking van artikel 4:4, lid 2, is op de ambtenaar artikel 5.7 van de
Arbeidstijdenwet van toepassing.
2.In aanvulling op artikel 4:4 lid 3 verstrekt het college zo snel mogelijk maar in
ieder geval binnen twee maanden na ingang van een cursusjaar een rooster van
de in dat cursusjaar te werken uren.
(LOGA ECCVA/U201300476 d.d. 4 juli 2013. Deze regeling treedt in werking per 1 januari 2014.)
Bijlage VIIA
In de inleiding van bijlage VIIA wordt tussen de woorden ‘onderdelen’ en ‘is’ de woorden ‘en de beoordeling hiervan’ toegevoegd.
Bijlage VIIB
In de inleiding van bijlage VIIB wordt tussen de woorden ‘onderdelen’ en ‘is’ de woorden ‘en de beoordeling hiervan’ toegevoegd.
(LOGA ECCVA/U201300250 d.d. 19 februari 2013. Deze wijzigingen treden met inwerking per 1 april 2013 in werking.)
Aldus besloten in de vergadering van 12 mei 2014
De werkgeverscommissie van Coevorden,
De voorzitter,
K.Roossien
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-34688.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.