Gemeenteblad van Lochem
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lochem | Gemeenteblad 2014, 31348 | Overige besluiten van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lochem | Gemeenteblad 2014, 31348 | Overige besluiten van algemene strekking |
Samenwerking gemeenten Lochem en Zutphen
De colleges van burgemeester en wethouders na verkregen toestemming van de eigen gemeenteraden, en ieder voor zover zij voor de eigen gemeente hiertoe bevoegd zijn, van de gemeente Lochem en de gemeente Zutphen;
Overwegende, dat de deelnemende gemeenten hun werkzaamheden op het terrein van werk, inkomen, en daaraan gerelateerde zorg gezamenlijk willen oppakken teneinde de efficiency en effectiviteit in de bedrijfsvoering en dienstverlening van de deelnemende gemeenten te bevorderen;
Gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen;
B E S L U I T E N:
tot het wijzigen van de artikelen 1, 4, 5, 6, 7, 10, 13, 19, en 22 van de navolgende gemeenschappelijke regeling
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:
a.Wet: Wet gemeenschappelijke regelingen;
b.Deelnemende gemeenten: de gemeenten Lochem en Zutphen;
c.De regeling: de gemeenschappelijke regeling Het Plein;
d.De dienst: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2;
e.De directeur: de functionaris als bedoeld in artikel 14;
f.Het college of de colleges: het/de college(s) van burgemeester en wethouders van een gemeente/de gemeenten die meedoet/meedoen aan de gemeenschappelijke regeling;
g.[sep.2013: toegevoegd] De takenlijst: lijst met taken die door de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten aan het bestuur van de gemeenschappelijke regeling zijn overgedragen.
Waar in deze regeling gesproken wordt van overeenkomstige toepassing van de Gemeentewet, dient voor de raad, het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester gelezen te worden: algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter.
Er wordt een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, lid 1, van de wet ingesteld tot samenwerking op het terrein van werk en inkomen en daaraan gerelateerde zorg van de deelnemende gemeenten met de naam Het Plein.
Het openbaar lichaam is gevestigd te Zutphen.
Het rechtsgebied van het openbaar lichaam omvat het gezamenlijke grondgebied van de deelnemende gemeenten.
Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit de volgende organen: algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter.
Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het openbaar lichaam.
De dienst heeft als doel taken van de deelnemende gemeenten op het terrein van werk en inkomen en daaraan gerelateerde zorg op efficiënte en effectieve wijze uit te voeren. De dienst creëert daartoe de voorwaarden.
Binnen de doelstelling van het vorige artikel verricht de dienst alle beleidsvoorbereidende en uitvoerende taken, waaronder tevens begrepen zijn de daarmee samenhangende administratieve werkzaamheden, voor de deelnemende gemeenten in het kader van de uitvoering van de in lid 6 genoemde taken en de daaraan gerelateerde zorg.
Gelet op het voorgaande lid dragen de op grond van de genoemde wet bevoegde colleges hun bevoegdheden over aan de betreffende bestuursorganen van het openbaar lichaam met dien verstande dat de bevoegdheid tot beleidsbepaling (beleidsprioritering en het bepalen van ambities) voorbehouden blijft aan de betrokken gemeenteraden.
Indien een gemeenteraad kiest voor eigen beleid dat in de uitvoering meerkosten meebrengt in vergelijking met de kosten van het door de andere deelnemende gemeente vastgestelde beleid, neemt de betreffende gemeente die extra kosten voor haar rekening.
De uitvoering van de taken als bedoeld in het eerste lid wordt jaarlijks door het dagelijks bestuur in een bij de begroting behorend ketenjaarplan nader uitgewerkt en vastgesteld.
De dienstverlening aan de cliënten van de dienst vindt zoveel mogelijk plaats in de vestigingsplaats van de dienst.
[sep.2013: takenlijst gesepareerd van dit document] Alle taken en bevoegdheden, als vermeld in de takenlijst, die op grond van de wetten en regelgeving aan het college toekomen worden, voor zover de wet het toelaat en de wet die het betreft niet is ingetrokken dan wel delegatie van bevoegdheden niet meer mogelijk is, aan het algemeen bestuur van de dienst gedelegeerd.
De taken genoemd onder lid 6 (de takenlijst) worden zoveel mogelijk uitgevoerd in samenwerking met de ketenpartners als bedoeld in de wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Suwi).
De dienst verleent alleen diensten aan gemeenten buiten het in artikel 2 lid 3 genoemde rechtsgebied als het algemeen bestuur hiermee instemt. De diensten worden verleend tegen een door het algemeen bestuur vooraf overeengekomen prijs. Verschuldigde BTW wordt in rekening gebracht.
De dienst is belast met door de colleges aangewezen taken in het kader van de rampenplannen van de gemeenten. De kosten worden verrekend met de getroffen gemeente(n).
De deelnemende gemeenten verlenen hun medewerking aan de uitvoering van besluiten.
De dienst is bevoegd tot het verrichten van diensten, anders dan vermeld in artikel 4 (de takenlijst), voor één van de deelnemende gemeenten, indien deze daarom verzoekt en het algemeen bestuur dit verzoek inwilligt.
De dienstverlening geschiedt op basis van een overeenkomst tussen de dienst en de gemeente die het aangaat. In deze overeenkomst wordt neergelegd welke prestaties de dienst zal leveren, de kosten die bij de gemeente in rekening worden gebracht en de voorwaarden waaronder tot de dienstverlening wordt overgegaan.
De bevoegdheid tot het beslissen op bezwaarschriften, gericht tegen besluiten op het terrein van de taken en bevoegdheden in artikel 4 lid 6 (de takenlijst) van de gemeenschappelijke regeling is, voor zover de wet het toelaat, gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van de dienst.
Het dagelijks bestuur laat zich bij de behandeling van bezwaarschriften adviseren door een onafhankelijke bezwaarschriftencommissie.
De bevoegdheid tot het nemen van een besluit of het doen van een uitvoeringshandeling naar aanleiding van een uitspraak van een administratieve rechter, is met toepassing van artikel 2 lid 3 en artikel 4 lid 6 (de takenlijst) van deze regeling, gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van de dienst.
De bevoegdheid tot het beslissen op klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht, gericht tegen een gedraging van de dienst of gedragingen van personeelsleden van de dienst, is voor zover de wet het toelaat, gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van de dienst.
Het dagelijks bestuur laat zich bij de behandeling van klachten als bedoeld in het eerste lid, adviseren door de directeur. Indien het een klacht over de directeur betreft wordt deze zonder advies voorgelegd.
[sep.2013: ombudscommissie gewijzigd in ombudsman] De behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, naar de wijze waarop het bestuursorgaan zoals genoemd in artikel 2, lid 4 zich jegens verzoeker heeft gedragen, vindt plaats door de ombudsman van de gemeente Zutphen.
Het algemeen bestuur bestaat uit vijf leden.
De colleges van de deelnemende gemeenten wijzen uit hun midden de leden van het algemeen bestuur aan. Het college van de gemeente Lochem wijst twee leden aan, het college van de gemeente Zutphen wijst drie leden aan, waarvan per gemeente één lid het collegelid met de portefeuille werk en inkomen dient te zijn.
De colleges van de gemeenten wijzen uit hun midden minimaal één vervangend algemeen bestuurslid namens hun gemeente aan.
Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt voor portefeuillehouders op het tijdstip waarop zij geen portefeuillehouder meer zijn in de gemeente door wie zij zijn aangewezen.
Het lidmaatschap voor bestuursleden eindigt tevens bij beëindiging van het lidmaatschap van de colleges van burgemeester en wethouders waaruit het lid is aangewezen.
De colleges van burgemeester en wethouders beslissen in de eerste vergadering van hun zittingsperiode over de aanwijzing, bedoeld in het tweede en derde lid.
Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijst het college van de betreffende gemeente zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende bestuursleden bevoegd besluiten te nemen, zolang beide deelnemende gemeenten vertegenwoordigd zijn.
Het algemeen bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of tenminste twee leden van het algemeen bestuur daarom vragen onder schriftelijke opgave van te behandelen onderwerpen.
Op de vergaderingen van het algemeen bestuur is artikel 22 van de wet van toepassing.
Alle taken en bevoegdheden die in het kader van deze regeling niet zijn opgedragen aan het dagelijks bestuur, behoren aan het algemeen bestuur.
Tot de taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur, als bedoeld in het derde lid, behoren in ieder geval:
a.Het aanwijzen en zo nodig ontslaan van de leden van het dagelijks bestuur (artikel 10);
b.Het aanwijzen van de voorzitter (artikel 13);
c.Het instellen van een commissie (artikel 16)
d.Het geven van inlichtingen aan de raden van de deelnemende gemeenten (artikel 17);
e.Het vaststellen van de begroting (artikel 23);
f.Het vaststellen van de rekening (artikel 24);
g.Het opstellen van een reglement van orde;
h.Het regelen van de toetreding van andere gemeenten (artikel 27);
i.Het regelen van de uittreding van gemeenten (artikel 28).
j.Het opstellen van een liquidatieplan bij opheffing (artikel 30).
In de vergadering heeft elk lid van het algemeen bestuur één stem.
Besluiten inzake de begroting, rekening en prestatieafspraken worden bij unaniem besluit genomen. De overige besluiten worden genomen bij gewone meerderheid van stemmen. Als de vereiste unanimiteit ontbreekt of als in de overige gevallen de stemmen staken wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
Het dagelijks bestuur bestaat uit drie leden, per deelnemende gemeente de portefeuillehouder werk en inkomen en één lid van buitenaf.
Per deelnemende gemeente wordt uit het algemeen bestuur één lid aangewezen voor het dagelijks bestuur. Bij afwezigheid kan een lid van het dagelijks bestuur worden vervangen door een ander lid van het algemeen bestuur van dezelfde deelnemende gemeente. Dit is niet van toepassing op een lid van buitenaf.
[sep.2013: gewijzigd - bepaling mbt het plaatsvervangend lid van buitenaf is geschrapt] Het algemeen bestuur benoemt één lid van buitenaf.
[sep.2013: nieuw lid] Bij langdurige afwezigheid kan het algemeen bestuur
bbesluiten het lid van buitenaf te vervangen door een nieuw lid van buitenaf.
Degene die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid te zijn van het dagelijks bestuur. Dit is niet van toepassing op een lid van buitenaf.
Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur bezit. In dit geval is het bepaalde in artikel 49 en verder van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
De zittingsperiode van het lid van buitenaf is maximaal 4 jaar. Het lid van buitenaf is ten hoogste eenmaal herbenoembaar.
Alle leden van het dagelijks bestuur hebben elk één stem.
Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht, zulks onder opgave van de te behandelen onderwerpen. Het bestuur stelt een vergaderrooster op.
Het dagelijks bestuur kan de uitoefening van een of meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer leden van dat bestuur.
De opgedragen bevoegdheid wordt uit naam en onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur uitgeoefend.
Het dagelijks bestuur kan te dien aanzien alle aanwijzingen geven die het nodig acht.
Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast, dat ter kennis wordt gebracht van het algemeen bestuur.
Artikel 58 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.
De taak van het dagelijks bestuur is:
1.Het voorbereiden van al wat aan het algemeen bestuur ter overweging en ter beslissing moet worden voorgelegd.
2.Het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur.
3.Het behartigen van de belangen van de dienst bij andere overheden, instellingen, bedrijven of personen waarmee contact voor de dienst van belang is.
4.De benoeming, de schorsing en het ontslag van personeel van de dienst.
5.Het houden van toezicht op het functioneren van de dienst.
[sep.2013: lid 1 vervangen] Het algemeen bestuur benoemt bij unaniem besluit een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter uit haar midden.
[sep.2013: lid 2 vervangen] Een lid van buitenaf kan geen voorzitter zijn.
De zittingsperiode van de voorzitter is gelijk aan de raadsperiode.
De voorzitter van het algemeen bestuur is ook voorzitter van het dagelijks bestuur.
Het voorzitterschap eindigt indien betrokkene ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.
De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.
De voorzitter of zijn daartoe aangewezen plaatsvervanger, tekent de stukken die van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur uitgaan, tenzij hij aan de directeur het tekenen van bepaalde stukken heeft opgedragen.
De voorzitter vertegenwoordigt de dienst in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde. Hij doet dat verplicht indien er sprake is van strijdige belangen van de dienst en de gemeente die hij vertegenwoordigt.
Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur worden bijgestaan door een directeur die in de vergaderingen van deze bestuursorganen aanwezig is en een adviserende stem heeft. De directeur is secretaris van beide bestuurorganen.
De aanstelling, de schorsing en het ontslag van de directeur geschiedt door het dagelijks bestuur, de commissie als bedoeld in artikel 16, tweede lid gehoord.
De directeur is belast met de dagelijkse leiding van de dienst.
De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.
De directeur is verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur.
1.Het dagelijks bestuur stelt, de commissie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, gehoord, een directiestatuut vast waarin de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur in hoofdlijnen zijn vastgelegd.
2.Het dagelijks bestuur regelt welke mandaatbevoegdheden de directeur heeft. Het overzicht van deze mandaatbevoegdheden wordt als bijlage aan het directiestatuut gehecht.
3.Jaarlijks houdt de voorzitter een functioneringsgesprek met de directeur. Ter voorbereiding daarvan vraagt de voorzitter advies aan de commissie als bedoeld in artikel 16, tweede lid.
Met inachtneming van artikel 24 van de wet kan het algemeen bestuur vaste commissies van advies instellen.
In ieder geval stelt het algemeen bestuur een commissie van advies in ten behoeve van het dagelijks bestuur, bestaande uit één vertegenwoordiger van het management per deelnemende gemeente. Naast het geven van advies aan het dagelijks bestuur zal deze commissie ook advies geven aan de directeur en fungeren als een klankbord voor deze functionaris.
Daarnaast kan het dagelijks bestuur tijdelijke commissies van advies instellen.
Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verstrekken zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen dertig dagen , schriftelijk aan de raden van de deelnemende gemeenten de door hen, of de door een of meer van hun leden, gevraagde inlichtingen. De leden of plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur leggen verantwoording af aan het college dat hen heeft aangewezen.
Het collegelid met de portefeuille werk en inkomen geeft daarnaast aan de eigen raad en het college van burgemeester en wethouders ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door die bestuursorganen gevoerde beleid nodig is.
Een lid van het algemeen bestuur kan door het college van de gemeente waar dat lid als zodanig functioneert worden ontslagen indien dit lid niet meer het vertrouwen van het college bezit.
De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur of een of meer leden daarvan, verantwoording schuldig voor het door hen gevoerde bestuur.
Zij geven ongevraagd en gevraagd aan het algemeen bestuur of aan een of meer leden daarvan alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.
De leden 1 tot en met 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter.
1.Bij de dienst kan personeel werkzaam zijn.
2.[sep.2013: deel van de bepaling mbt het sociaal statuut is geschrapt] Op het personeel is de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor het gemeentepersoneel, te weten de CAR/UWO, van toepassing.
3.[sep.2013: lid 3 vervangen] De gemeenschappelijke regeling is als zelfstandige deelnemer UWO aangemeld bij de VNG (CvA).
4.De aanstelling, de schorsing en het ontslag van ander personeel dan de directeur geschiedt door het dagelijks bestuur. Alvorens gebruik te maken van
de bevoegdheden zoals vermeld in artikel 12, lid 4, hoort het dagelijks bestuur de directeur.
Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de dienst. Ten aanzien van de archiefbescheiden zijn de voorschriften van de Archiefwet die voor gemeenten gelden van overeenkomstige toepassing.
Bij opheffing van de dienst of van organisatieonderdelen worden de archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente waar de betreffende cliënt woonachtig was of is.
Het dagelijks bestuur bereidt het uitvoeringsverslag als bedoeld in artikel 77 van de Wet werk en bijstand voor ten behoeve van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten.
Het verslag omvat mede een opgave van de door de dienst voor dat college gemaakte kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid van de Wet werk en bijstand, en is voorzien van een verklaring van de accountant, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de getrouwheid van de verstrekte gegevens en de rechtmatigheid van de uitvoering van de wet, alsmede van een oordeel van de gemeenteraad over de uitvoering van de wet.
De inhoud van het verslag is afgestemd op art. 4 hoofdtaken en taken.
Met betrekking tot het financiële beleid, het financiële beheer en de inrichting van de financiële organisatie alsmede de controle op de laatste twee onderwerpen zijn de artikelen 212 en 213 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
[sep.2013: toegevoegd] Het dagelijks bestuur stemt voor aanvang van het nieuwe kalenderjaar de planning en control cyclus af op de cycli van de deelnemende gemeenten, zodat de gemeenten tijdig kunnen beschikken over de benodigde (financiële) gegevens.
Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks voor 1 april een ontwerpbegroting op voor het volgende kalenderjaar en zendt deze, voorzien van een toelichting, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.
De raden van de deelnemende gemeenten kunnen het dagelijks bestuur voor 1 juni hun zienswijze over de ontwerpbegroting kenbaar maken.
Het dagelijks bestuur zendt zo spoedig mogelijk na 1 juni doch uiterlijk 15 juni de opmerkingen van de raden en eventueel een nota van wijzigingen aan het algemeen bestuur.
Het algemeen bestuur stelt de begroting voor 1 juli vast en zendt terstond afschriften aan de gemeenten.
Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli aan Gedeputeerde Staten.
De inkomsten van de dienst bestaan uit de door de deelnemende gemeenten te betalen vergoeding voor de uitvoering van de basistaken van de dienst (conform artikel 4) en uit de vergoeding voor de uitvoering van de aanvullende dienstverlening.
De deelnemende gemeenten staan garant voor de kosten en verplichtingen van de dienst. De hoogte van de bijdrage per gemeente wordt nader bepaald in een besluit van het algemeen bestuur.
Het dagelijks bestuur legt over elk kalenderjaar verantwoording af aan het algemeen bestuur over de inkomsten en uitgaven onder overlegging van de daarbij behorende bescheiden.
Het dagelijks bestuur voegt daarbij een verslag van een onderzoek naar het getrouwe beeld van de baten en lasten en van een onderzoek naar de rechtmatigheid daarvan, ingesteld door de overeenkomstig artikel 213 van de Gemeentewet aangewezen deskundige alsmede hetgeen voor haar verantwoording van belang is.
Het algemeen bestuur zendt overeenkomstig artikel 35 van de wet de ontwerprekening van het voorgaande jaar voor 1 april aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het algemeen bestuur stelt de rekening van het voorafgaande jaar voor 1 juli vast en zendt deze binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli aan Gedeputeerde Staten. Van de vaststelling doet het dagelijks bestuur mededeling aan de raden van de gemeenten.
De vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden.
In de rekening wordt voor elk van de deelnemende gemeenten het bedrag opgenomen dat voor rekening van de desbetreffende gemeente komt, onder verrekening van vergoedingen van eventuele diensten, die deze gemeente aan de dienst heeft geleverd.
Bij besluit van het algemeen bestuur of zolang dat nog niet in functie is van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten zal nader worden bepaald hoe er wordt omgegaan met een batig saldo in de beheers- en apparaatskosten over enig jaar.
Bij besluit van het algemeen bestuur of zolang dat nog niet in functie is van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten zal nader worden bepaald hoe er wordt omgegaan met een batig saldo in de programmakosten (verstrekkingen, regelingen) over enig jaar.
Bij besluit van het algemeen bestuur zal nader worden bepaald hoe er wordt omgegaan met een nadelig saldo in de beheers- en apparaatskosten over enig jaar. Dit met inachtneming van het zevende lid van artikel 23.
Bij besluit van het algemeen bestuur zal nader worden bepaald hoe er wordt omgegaan met een nadelig saldo in de programmakosten over enig jaar. Dit met inachtneming van het zevende lid van artikel 23.
Voorschotten voor de dienstverlening van de kerntaak zoals bedoeld in artikel 4 worden voor de aanvang van elk kwartaal door de dienst aan de gemeenten gefactureerd. De basis hiervoor vormt de begroting van het betreffende jaar.
Facturering van de aanvullende dienstverlening geschiedt achteraf per kwartaal. De basis hiervoor vormt de urenboekhouding die door de dienst ten aanzien van de aanvullende dienstverlening wordt bijgehouden.
De deelnemende gemeenten zullen er steeds voor zorg dragen dat het openbaar lichaam/de dienst over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.
Indien het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te brengen, doet het onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot overeenkomstige toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.
De afgesproken verdeelsleutel is gebaseerd op het objectief verdeelmodel WWB (inkomensdeel) en wordt jaarlijks door het algemeen bestuur herzien.
Het college van een andere gemeente die wenst toe te treden, richt het verzoek ter zake aan het algemeen bestuur.
Het algemeen bestuur zendt het verzoek als bedoeld in lid 1 binnen drie maanden na ontvangst door aan de colleges onder overlegging van zijn advies omtrent de toetreding en eventueel daaraan te verbinden voorwaarden.
De colleges van de deelnemende gemeenten beslissen omtrent toetreding door andere gemeenten. De gemeenteraden van de deelnemende gemeenten moeten voor de toetreding toestemming verlenen.
Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding.
Aan de toetreding kunnen door het algemeen bestuur nadere voorwaarden worden verbonden.
De toetreding gaat in op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de voor de toetreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden.
De colleges van de deelnemende gemeenten beslissen omtrent uittreding. De gemeenteraden van de deelnemende gemeenten moeten voor de uittreding toestemming verlenen.
Van het besluit als bedoeld in lid 1 wordt uiterlijk drie kalendermaanden vóór het einde van het kalenderjaar kennisgegeven aan het algemeen bestuur.
De uittreding kan slechts plaatsvinden met ingang van de eerste januari van een jaar, met dien verstande dat tenminste een opzegperiode van één jaar na de goedkeuring van het in het eerste lid genoemde besluit in acht wordt genomen.
Het algemeen bestuur regelt de financiële en andere gevolgen van de uittreding.
De financiële gevolgen die door de uittreding aan de dienst zijn toegebracht, worden, inclusief de hierdoor ontstane wachtgeldverplichtingen, aan de uittredende gemeente in rekening gebracht.
Voor de vaststelling van de financiële schade wordt door de dienst en de uittredende gemeente gezamenlijk advies gevraagd aan een onafhankelijke externe deskundige. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend. De kosten voor het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de uittredende gemeente.
In afwijking van het eerste lid van dit artikel kan er in de eerste vijf jaar dat deze regeling van toepassing is geen besluit tot uittreding in procedure worden gebracht, tenzij om reden van een gemeentelijke herindeling.
Zowel het dagelijkse bestuur van de gemeenschappelijke regeling als het college van burgemeester en wethouders van een gemeente kan voorstellen doen tot wijziging van de regeling.
Indien het algemeen bestuur wijziging van de regeling wenselijk acht, doet het dagelijkse bestuur het door het algemeen bestuur vastgestelde voorstel toekomen aan de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten
De colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten beslissen over de wijzigingen. Voordat een wijziging in werking kan treden moeten de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten daarvoor toestemming verlenen.
Een wijziging treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de wijziging tot stand is gekomen en het besluit tot wijziging door het dagelijks bestuur is bekend gemaakt, tenzij het wijzigingsbesluit een latere datum van ingang bevat.
Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente dat van mening is dat door een wijziging van de regeling de belangen van die gemeente ernstig zullen worden geschaad, kan binnen acht weken na de in het vierde lid bedoelde kennisgeving over zijn bezwaren de zienswijze van gedeputeerde staten vragen. Gedeputeerde staten delen hun zienswijze mee aan het algemeen bestuur en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente (analoog aan artikel 35 lid 4 van de wet).
De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van de colleges van de deelnemende gemeenten.
In geval van het opheffen van de gemeenschappelijke regeling stelt het algemeen bestuur een liquidatieplan vast, gehoord hebbende de colleges en gemeenteraden van de deelnemende gemeenten.
Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing.
Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen van de opheffing voor het personeel.
Het algemeen bestuur zal voor de uitvoering van de liquidatie een vereveningscommissie instellen. In het instellingsbesluit worden de taken en bevoegdheden van de commissie nader bepaald.
In de eerste vijf jaar na de inwerkingtreding van deze regeling zal er geen opheffing en liquidatie plaatsvinden.
De organen van de gemeenschappelijke regeling blijven ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid conform artikel 9, lid 3, van de Wet.
Alvorens ten aanzien van een geschil, als bedoeld in artikel 28 van de wet, de beslissing van gedeputeerde staten wordt ingeroepen, wordt de zaak voorgelegd aan een geschillencommissie.
Het dagelijks bestuur benoemt deze commissie in overleg met de betrokken gemeente of gemeenten.
De geschillencommissie onderzoekt de mogelijkheden om partijen alsnog tot overeenstemming te brengen en brengt aan partijen advies uit.
Betrokken partijen kunnen van tevoren overeenkomen, dat het in het derde lid bedoelde advies van de geschillencommissie, bindend zal zijn.
Onder geschil wordt hier mede begrepen een aangelegenheid, die door één partij als zodanig wordt beschouwd.
De regeling treedt met inachtneming van artikel 26 van de wet met ingang van 01 januari 2010 in werking. Met dien verstande dat de regeling niet eerder in werking treedt dan met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand, waarin is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Het college van burgemeester en wethouders van Zutphen draagt zorg voor de in artikel 26 van de wet bedoelde inzending van de regeling aan Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland.
De regeling kan worden aangehaald als gemeenschappelijke regeling Het Plein
Ingestemd door de gemeenteraad van de gemeente Lochem, conform het besluit van 24 februari 2014, griffienummer 2013-021338,
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Lochem
d.d. 25 november 2013, griffienummer 2013-021338,
de burgemeester de secretaris
S.W. van ’t Erve R. Starke
Ingestemd door de gemeenteraad van de gemeente Zutphen, conform het besluit van 22 april 2014, griffienummer 2014-0037
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Zutphen,
d.d. 24 februari 2014, collegenummer 18385
de burgemeester de secretaris
J.A. Gerritsen B.P.P. Janssen
Takenlijst van de Gemeenschappelijke Regeling Het Plein ( revisie 25-09- 2013)
Lijst van taken en bevoegdheden conform artikel 4, lid 6 van de gemeenschappelijke regeling Het Plein.
Alle taken en bevoegdheden die op grond van de wetten en regelgeving als hieronder vermeld aan het college toekomen worden, voor zover de wet het toelaat en de wet die het betreft niet is ingetrokken dan wel delegatie van bevoegdheden niet meer mogelijk is, aan het algemeen bestuur van de dienst gedelegeerd. De taken worden voor beide gemeenten uitgevoerd, tenzij anders is vermeld:
a.Wet werk en bijstand (WWB), m.u.v. uitvoering van de Bijzondere Bijstand voor de gemeente Lochem;
b.Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz);
c.Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw);
d.Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz);
e.Wet Inburgering (Wi);
f.Wet Educatie en Beroepsonderwijs (Web);
g.Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp), voor zover het de uitvoering voor vastgestelde doelgroepen betreft;
h.Uitvoering van de gemeentelijke regelingen van de gemeente Zutphen op het gebied van minimabeleid;
i.Uitvoering van de gemeentelijke regelingen van de gemeente Zutphen op het gebied van schulddienstverlening;
j.Uitvoering van regelgeving in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor de gemeente Zutphen:
•de Verordening individuele Wmo voorzieningen gemeente Zutphen;
•het Beleid individuele Wmo voorzieningen gemeente Zutphen;
•het financieel besluit Wmo gemeente Zutphen;
k.Het verlenen van gehandicaptenparkeerkaarten voor de gemeente Zutphen;
l.Uitvoering van de Wet op de lijkbezorging voor de gemeente Zutphen;
m.Uitvoering van het Jongerenloket;
m.Handhaving conform het handhavingsbeleid ten aanzien van de in deze takenlijst genoemde regelingen, inclusief de bijzondere bijstand voor de gemeente Lochem, voor zover een handhavingsbeleid voor de betreffende regeling aan de orde is;
o.Voorzieningen en besluiten van algemene strekking die betrekking hebben op de in deze takenlijst genoemde wetten en overige regelgeving met betrekking tot die wetgeving waarvan de uitvoering aan gemeenten, al dan niet in medebewind, is opgedragen.
Ingestemd door de gemeenteraad van de gemeente Lochem, conform het besluit van 24 februari 2014, griffienummer 2013-021338.
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Lochem d.d. 25 november 2013, griffienummer 2013-021338.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-31348.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.