Gemeenteblad van Medemblik

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
MedemblikGemeenteblad 2014, 30474Verordeningen

Havenbeheersverordening Medemblik 2014

De raad van de gemeente Medemblik;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 maart 2014, nr. IV-14-03790;

gelet op 149 van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de Havenbeheersverordening Medemblik 2014:

§ Algemene bepalingen

Artikel 1.1
Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • -college: college van burgemeester en wethouders;

  • -exploitant: eigenaar, beheerder, rompbevrachter of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van het schip;

  • -gevaarlijke stoffen: stoffen die gevaar voor explosie, brand, corrosie, vergiftiging, bedwelming of straling kunnen opleveren, zoals vermeld in de IMO Code voor het vervoer van verpakte gevaarlijke stoffen over zee (International Maritime Dangerous Goods Code), de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (International Bulk Chemical Code), de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren (International Gas Carrier Code) en het in de bijlage bij het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over binnenwateren opgenomen Reglement (ADN), met uitzondering van eetbare oliën;

  • -haven: wateren die in het beheer zijn van onze gemeente en die voor de scheepvaart openstaan, alsmede alle daartoe behorende kaden, kunstwerken, meergelegenheden, trappen, scheepshellingen, dokken, scheepsreparatiewerven en los- en laadplaatsen, welke wateren zijn aangegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze verordening;

  • -schipper: degene die de feitelijke leiding over een schip voert;

  • -schip: elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting;

  • -woonschip: schip dat uitsluitend of in hoofdzaak gebezigd wordt of bestemd is voor bewoning, waaronder begrepen woonarken;

  • -tankschip: schip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer van onverpakte vloeibare lading in zijn laadruimten;

- plezierschip: een schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding;

  • -passagiersschip: een schip dat is ingericht en hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen, de bemanning daaronder niet begrepen, niet zijnde een veerboot. Bedrijfsmatig vervoer wil zeggen in uitoefening van een beroep of bedrijf of tegen vergoeding;

  • -charterschip: een schip dat is ingericht en hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen, de bemanning daaronder niet begrepen, ten behoeve van de beroepsmatige chartervaart en die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en waarvoor een Certificaat van Onderzoek als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Binnenvaartwet of Certificaat van deugdelijkheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Schepenwet is afgegeven;

  • -vissersschip: een schip dat vist met netten, lijnen, sleepnetten of ander vistuig, die de manoeuvreerbaarheid beperken.

Artikel 1.2
Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing in de haven, met uitzondering van die gedeeltes welke een openbaar karakter missen.

Artikel 1.3
Beslistermijn

Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

Het college kan deze termijn eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen.

Artikel 1.4
Voorschriften en beperkingen

Het college kan aan een vergunning, vrijstelling en ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden.

Artikel 1.5
Geldigheidsduur

Een vergunning of vrijstelling kan voor een bepaalde tijd worden verleend.

Een ontheffing voor een eenmalige gedraging of handeling wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling, met dien verstande dat de ontheffing voor maximaal zes maanden wordt verleend.

Een ontheffing voor een eenmalige gedraging of handeling kan in spoedeisende gevallen mondeling worden verleend. De ontheffing wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld.

Artikel 1.6
Weigerings-, wijzigings- en intrekkingsgronden

Het college kan een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren, wijzigen of intrekken als:

  • a.dit in het belang van de orde, de veiligheid en het milieu in of in de omgeving van de haven, of de kwaliteit van de dienstverlening in de haven noodzakelijk is;

  • b.de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • c.op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na de verlening daarvan, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan deze is vereist;

  • d.ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • e.hiervan geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

  • f.de houder dit verzoekt.

Artikel 1.7
Verplichtingen van houders van toestemmingen

Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend houdt deze, of een kopie hiervan, aan boord van het schip waarop deze betrekking heeft, tenzij het een schip zonder bemanningsverblijf betreft.

Artikel 1.8
Normadressaat

Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is de schipper verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

Bij afwezigheid van een schipper, is de exploitant verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

Artikel 1.9
Aanwijzing havenmeester

Het college wijst een havenmeester aan.

Artikel 1.10
Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen in het kader van de orde, de veiligheid, de bescherming van het milieu, de kwaliteit van de dienstverlening in of in de omgeving van de haven of ter voorkoming van gevaar, schade of hinder, over:

  • a.de gegevens die aan de havenmeester moeten worden gemeld voordat met een schip een haven wordt aangedaan, voordat ligplaats wordt ingenomen of voordat bepaalde activiteiten worden ondernomen;

  • b.de wijze waarop de melding, bedoeld onder a, dient plaats te vinden;

  • c.de wijze waarop een aanvraag om een vergunning dient plaats te vinden;

  • d.de voorwaarden waaronder schepen zich in een door het college aangewezen gebied mogen bevinden, welke betrekking kunnen hebben op daar te ondernemen activiteiten en op eisen waaraan schepen of bemanning moeten voldoen om deze activiteiten te mogen ondernemen;

  • e.de aanvraag van een vergunning als bedoeld in het artikel 4.1;

  • f.de wijze van afmeren van schepen en het innemen van een ligplaats.

§ Toegang tot de haven

Artikel 2.1
Veilige ligplaats

Het is verboden de haven binnen te varen met een schip, dat een zodanige diepte of zodanige afmetingen heeft, dat een veilige ligplaats in de haven niet kan worden gekozen.

Artikel 2.2
Gebruik zeilen

Het is verboden met een schip, waarvan de lengte gelijk is aan of meer dan 7 m. bedraagt, de (wateren van de) haven in of uit te varen, anders dan met gestreken zeilen.

Artikel2.3 Passeren schepen

In het geval twee schepen elkaar moeten passeren en de ruimte daarvoor onvoldoende is, is de schipper van het schip dat een water van de haven binnenvaart verplicht te wachten totdat het uitvarende schip voorbij is.

§ Orde in en gebruik van de haven

Artikel 3.1
Verkeerstekens

Het college kan in de haven verkeerstekens plaatsen die zijn vermeld in het Binnenvaartpolitiereglement en deze voorzien van nadere aanduidingen.

Het is verboden te handelen in strijd met verkeerstekens of de daarbij behorende nadere aanduidingen.

Het college kan van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 3.2
Ligplaatsenoverzicht

Het college kan een ligplaatsenoverzicht vaststellen, dat in elk geval bevat een kaart van de haven met daarop aangegeven:

  • a.de plaatsen of gebieden die bestemd zijn om ligplaats te nemen;

  • b.indien van toepassing, de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor bepaalde categorieën schepen;

  • c.indien van toepassing, de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor ligplaatsvergunninghouders.

Artikel 3.3
Verbod nemen ligplaats

Het is verboden een schip ligplaats te doen nemen of zich met een schip te bevinden op een plaats die:

  • a.daartoe niet is bestemd;

  • b.is bestemd voor schepen van een andere categorie; of

  • c.is bestemd voor ligplaatsvergunninghouders.

De verboden in het eerste lid, aanhef en onder a en b, gelden niet als dit geschiedt in overeenstemming met de geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen en met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein.

Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor ligplaatsvergunninghouders.

Artikel 3.4
Vrije doorvaartruimte

Het is verboden meer dan vijf schepen naast elkaar af te meren, dan wel de vrije doorvaartruimte te verkleinen tot minder dan 15 meter.

Het college kan in geval van een evenement als bedoeld in de APV Medemblik, voor de duur van het evenement, vrijstelling verlenen van de in het eerste lid gestelde verboden.

Artikel 3.5
Koppelen van schepen

Het is de schipper verboden te varen met naast elkaar gekoppelde of vastgemaakte schepen.

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 3.6
Vaarsnelheid

1. Het is verboden met een schip in de haven te varen met een snelheid van meer dan 6 kilometer per uur (3,2 knopen).

2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen.

Artikel 3.7
Verstoring orde in de haven

Het is verboden de goede orde in de haven te verstoren, onder meer door:

  • a.het slaan of klapperen van vallen en lijnen van schepen;

  • b.op enigerlei andere wijze de rust in de haven te (doen) verstoren tussen 22.00 uur ’s avonds en 07.00 uur ’s morgens.

Artikel 3.8
Verhalen van schepen

Het college kan een exploitant of schipper schriftelijk opdragen een schip te verhalen of te doen verhalen naar een andere ligplaats, als dit in het kader van de bescherming van de orde, de veiligheid of het milieu in of in de omgeving van de haven noodzakelijk is.

Als geen gevolg wordt gegeven aan de opdracht een schip te verhalen kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant verhalen of doen verhalen.

In spoedeisende gevallen of als de exploitant onbekend is, kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant direct verhalen of doen verhalen.

Artikel 3.9
Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven

Het is verboden voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven te gebruiken als het schip:

  • a.aan de grond zit;

  • b.gemeerd, ten anker of op spudpalen ligt; of

  • c.ter hoogte van de kade of oever wordt gaande gehouden of tegen de kade of oever wordt gedrukt, anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren.

Tijdens het gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven is een persoon die bekend is met de bediening van het schip in de stuurhut aanwezig.

Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als het een aan een ander schip gemeerd bunker- of bevoorradingsschip betreft, dat moet bij- of afdraaien ter voorkoming van schade.

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen.

Artikel 3.10Roering
bodem

  • 1.Het is verboden zonder vergunning van het college in de haven te baggeren.

  • 2.Het is verboden in de haven met een beugel, een haak, een dreg, een magneet of met duikmateriaal naar voorwerpen te zoeken, tenzij:

zeker is gesteld dat het zoeken geen schade toebrengt aan de in de onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of oever- of kadeverdedigingswerken en het voornemen daartoe overeenkomstig het tweede lid aan de havenmeester is gemeld.

  • 3.De melding bedoeld in het eerste lid, vindt plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per e-mail.

  • 4.Het college kan van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen.

Artikel 3.11
Vissen in de haven

Het is verboden in de haven te vissen.

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 3.12
Watersportactiviteiten

Het is verboden in de haven te zeilen met een windsurfplank of met jetski’s (waterscooters) te varen.

Artikel 3.13Hond
aan boord

De schipper, die een hond of honden aan boord van zijn schip heeft, is, indien de havenmeester dit verlangt, verplicht om deze hond of honden, bij het betreden van het schip door de havenmeester en gedurende zijn verblijf aan boord, vast te leggen en vastgelegd te houden.

Artikel 3.14
Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade

Bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan of aan boord van een schip die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken aan het schip of de omgeving, worden direct aan de havenmeester gemeld.

De schipper van een schip is verplicht bij het veroorzaken van schade in de haven, ongeacht de vorm en omvang, dit direct te melden aan de havenmeester.

De meldingen bedoeld in het eerste en tweede lid vinden plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per e-mail.

Artikel 3.15
Maatregelen bij ijsgang of dichtgevroren water

Bij ijsgang of dichtgevroren water in de haven is de schipper verplicht, als hij met zijn schip een ligplaats inneemt of verlaat, dan wel een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.8daartoe ontvangt, en hierdoor het ijs wordt gebroken, zodanige maatregelen te nemen dat schade aan andere schepen of aan de haven wordt voorkomen.

Artikel 3.16
Gebruiksdoeleinden

Het is verboden zonder vergunning van het college een schip als opslagplaats, bedrijfsruimte, werkplaats of voor handels- of horecadoeleinden te gebruiken.

Artikel 3.17
Aanwijzen gebieden

Het college kan gebieden aanwijzen waar schepen zich alleen mogen bevinden onder de door het college nader te bepalen voorwaarden, bedoeld in artikel 1.10, onder d.

§ Woonschepen

Artikel 4.1
Ligplaatsvergunning woonschip

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college met een woonschip ligplaats in te nemen of te hebben. De vergunning is persoons,- ligplaats en vaartuig gebonden.

Het college zal slechts voor één woonschip een ligplaatsvergunning verlenen.

Artikel 4.2
Woon- en nachtverblijf anders dan op een woonschip

Het is verboden een schip, geen woonschip zijnde, permanent als woon- en nachtverblijf te gebruiken.

Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing in het geval het verblijf betreft op charterschepen, passagiersschepen en vissersschepen, die daadwerkelijk als zodanig worden gebruikt.

De eigenaren van de schepen genoemd in het tweede lid zijn verplicht om op verzoek van het college aan te tonen dat het schip als zodanig gebruikt wordt.

§ Veiligheid en bescherming milieu in en in de omgeving van de haven

Artikel 5.1
Onveilige schepen

Het is de schippers van de hierna bedoelde schepen verboden met zo'n schip in de haven een ligplaats in te nemen of te hebben of de haven binnen te varen:

  • a.beschadigde schepen;

  • b.schepen, in zinkende toestand verkerend;

  • c.brandende schepen;

  • d.schepen die een teken voeren als bedoeld in artikel 3.14 van het Binnenvaartpolitiereglement of na het vervoer van de in artikel 3.14 van het Binnenvaartpolitiereglement bedoelde stoffen, nog niet van die stof zijn schoongemaakt;

  • e.schepen, die door de toestand van hun lading of uit andere oorzaak gevaar voor de veiligheid in de haven of gevaar voor de omgeving kunnen opleveren.

Het college kan van de in het eerste lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

Artikel 5.2
Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico veroorzakende stoffen

Het is verboden stoffen uit een schip te laten ontsnappen, waardoor gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan.

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.3
Gebruik gevaarlijke stoffen en vuur

Het is verboden, in afwijking van het bepaalde in artikel 5:34 APV Medemblik, aan boord van een schip ontplofbare, licht-ontvlambare of bij ontbranding fel brandende stoffen te smelten, te koken of te verwarmen, dan wel een open of gloeiend vuur te hebben. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3 Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

Artikel 5.4
Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen

Degene door wiens toedoen een voorwerp of stof vrijkomt of in het water terechtkomt, waardoor gevaar, schade of hinder wordt of kan worden veroorzaakt, draagt ervoor zorg dat:

  • a.daarvan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de havenmeester; en

  • b.de stof of het voorwerp onmiddellijk wordt verwijderd, tenzij dit redelijkerwijs niet uitvoerbaar is.

Artikel 5.5
Veilige toegang

Een afgemeerd schip beschikt over een toegang welke geen gevaar of schade aan personen kan veroorzaken.

Het eerste lid geldt niet met betrekking tot schepen waarbij:

  • a.de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt; of

  • b.het afmeren van korte duur is.

Artikel 5.6
Verbod gebruik hoofdmotor

Het is verboden op een afgemeerd schip de hoofdmotor in werking te hebben, met uitzondering van direct voor vertrek van het schip.

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.7
Deugdelijk afmeren

Het innemen van een ligplaats ontheft de schipper niet van zijn verplichting zich er van te overtuigen dat de plaats voor zijn schip veilig is.

De schipper is verplicht er voor te zorgen dat het schip, zolang het een ligplaats inneemt, deugdelijk is vastgemaakt aan de daartoe bestemde ringen of meerpalen, of ingeval van “stapelen” aan het naastliggend schip.

Het is verboden een vaartuig met sloten vast te leggen of vastgelegd te houden.

Het college kan van het in het derde lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen.

Artikel 5.8
Laden en lossen van goederen

Het is verboden in de haven goederen te laden of te lossen of over te slaan, tenzij de goederen bestemd zijn voor eigen gebruik.

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.9
Gebruik mechanische los- of laadinrichtingen

Het is verboden al dan niet mechanische los- of laadinrichtingen op de kade te hebben of in gebruik te nemen.

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.10
Gebruik van ankers

1.Het is verboden een anker te gebruiken, tenzij:

dit geschiedt door een drijvende kraan, waarbij zeker is gesteld dat gebruik van een anker geen schade toebrengt aan de in de onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of oever- of kadeverdedigingswerken en het voornemen daartoe overeenkomstig het tweede lid aan de havenmeester is gemeld.

  • 2.De melding bedoeld in het eerste lid, vindt plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per e-mail.

  • 3.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen.

Artikel 5.11
Gebruik van spudpalen

Het is verboden een spudpaal te gebruiken, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met ter plaatse aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen als bedoeld in artikel 3.1.

Onder spudpaal wordt verstaan een voorziening waarmee een schip zichzelf in de bodem kan verankeren door middel van verticale meerpalen waarmee het schip zelf is uitgerust;

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen.

Artikel 5.12
Gebruik generatoren door schepen

Het is verboden om tussen 22:00 uur ’s avonds en 7:00 uur ’s morgens aan boord van een schip een generator te gebruiken.

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen.

Artikel 5.13
Verrichten van werkzaamheden

  • 1.Het is eenieder verboden om aan, buitenboord of onder een schip of aan een voorwerp aan boord van een schip werkzaamheden te verrichten of doen verrichten, die verband houden met de bedrijfsgereedheid, de aanpassing, het herstel of de verbetering van het schip of het voorwerp, tenzij:

    • a.het schip ligplaats heeft op of bij een scheepswerf of herstellingsinrichting waarvoor een vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; of

    • b.per scheepsbezoek aan de haven de te verrichten werkzaamheden ten hoogste drie dagen in beslag nemen en er door de werkzaamheden geen gevaar, schade of hinder kan ontstaan, en:

1°. als de werkzaamheden plaatsvinden op een tankschip of aan of in een brandstoftank van een schip, er voor de reparatiewerkzaamheden door een gasdeskundige als bedoeld in artikel 4.1 van de Arbeidsomstandighedenregeling een Veiligheids- en Gezondheidsverklaring is afgegeven voor de uit te voeren werkzaamheden;

2°. dat doelmatige brandblusmiddelen en personen die met het gebruik van die middelen bekend zijn beschikbaar zijn, en;

3°. de werkzaamheden plaatsvinden op ten minste 25 meter van gevaarlijke stoffen of brandbaar materiaal.

2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.14
Openen en sluiten sluisdeuren en schuiven

Het is eenieder, met uitzondering van het daartoe aangestelde havenpersoneel, verboden een brug, een sluisdeur of de daarbij behorende schuif dan wel schuiven van afzonderlijke duikers te openen of te sluiten.

§ Handhaving

Artikel 6.1
Aanwijzingen

Het college kan mondeling of schriftelijk aanwijzingen geven in het belang van de orde en veiligheid in de haven, in het bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer, het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder.

Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is gehouden de aanwijzing onmiddellijk op te volgen.

Artikel 6.2
Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 6.3
Toezichthoudende ambtenaren

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de havenmeester en andere door het college aangewezen personen.

Het college kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

Artikel 6.4
Betreden van woonruimten

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

§ en slotbepalingen

Artikel 7.1
Overgangsrecht

De Havenverordening Medemblik 2012 wordt ingetrokken.

Een krachtens de Havenverordening Medemblik 2012 verleende vergunning, ontheffing of vrijstelling geldt als vergunning, ontheffing of vrijstelling verleend krachtens deze verordening. Burgemeester en wethouders kunnen deze ambtshalve vervangen door een vergunning, ontheffing of vrijstelling krachtens deze verordening. Ambtshalve vervanging kan gepaard gaan met een wijziging van beperkingen en voorschriften.

Aanvragen om vergunning of ontheffing die zijn ingediend onder de Havenverordening Medemblik 2012, maar waarop nog niet is beschikt bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld overeenkomstig deze verordening.

Artikel 7.2
Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Havenbeheersverordening Medemblik 2014.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 mei 2014.

De griffier, De voorzitter,

Toelichting

Algemeen

Deze verordening bevat de kaderstellende regels die van toepassing zijn op schepen wanneer deze de haven aandoen. Hiermee worden de gemeentelijke belangen beschermd en tegelijkertijd worden de rechten en plichten van zowel de scheepvaart als de havenbeheerder inzichtelijker gemaakt. Daarbij heeft deze verordening voor ogen dit alles op een overzichtelijke, duidelijke manier te regelen, ontdaan van overbodige regels en administratieve lasten.

Deze verordening bevat de kaderstellende regels die van toepassing zijn op schepen wanneer deze de haven aandoen. Hiermee worden de gemeentelijke belangen beschermd en tegelijkertijd worden de rechten en plichten van zowel de scheepvaart als de havenbeheerder inzichtelijker gemaakt. Daarbij heeft deze verordening voor ogen dit alles op een overzichtelijke, duidelijke manier te regelen, ontdaan van overbodige regels en administratieve lasten.

Artikelsgewijze toelichting

Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.

Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.

Artikelen 1.1 en 1.2

Haven en toepassingsbereik

Het begrip haven omvat die wateren die in het beheer zijn van de gemeente en die voor de scheepvaart open staan, met inbegrip van de daartoe behorende havenwerken (kades, aanmeeraangelegenheden, etc.). Ter afbakening en verduidelijking zijn de wateren van de haven op de kaart in bijlage 1 aangegeven. De haven bestaat uit de Oosterhaven, de Pekelharinghaven, de Westerhaven, de haven van de Stichting Jachthaven Medemblik uitgezonderd, en het Overlekerkanaal (gedeeltelijk). De haven van de Stichting Jachthaven is uitgezonderd, nu dit een private jachthaven is met een eigen havenreglement.

De verordening is van toepassing in de haven, voor zover de haven een openbaar karakter heeft. Gedeeltes van de haven die, bijvoorbeeld door het sluiten van een overeenkomst, aan de openbaarheid zijn onttrokken, vallen niet onder de werking van de verordening.

Haven en toepassingsbereik

Het begrip haven omvat die wateren die in het beheer zijn van de gemeente en die voor de scheepvaart open staan, met inbegrip van de daartoe behorende havenwerken (kades, aanmeeraangelegenheden, etc.). Ter afbakening en verduidelijking zijn de wateren van de haven op de kaart in bijlage 1 aangegeven. De haven bestaat uit de Oosterhaven, de Pekelharinghaven, de Westerhaven, de haven van de Stichting Jachthaven Medemblik uitgezonderd, en het Overlekerkanaal (gedeeltelijk). De haven van de Stichting Jachthaven is uitgezonderd, nu dit een private jachthaven is met een eigen havenreglement.

De verordening is van toepassing in de haven, voor zover de haven een openbaar karakter heeft. Gedeeltes van de haven die, bijvoorbeeld door het sluiten van een overeenkomst, aan de openbaarheid zijn onttrokken, vallen niet onder de werking van de verordening.

Artikel 1.5 Geldigheidsduur

Het tweede lid bepaalt dat een ontheffing, als deze wordt verleend voor een eenmalige gedraging of handeling, wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling, maar niet voor een duur langer dan zes maanden. Een gedraging of handeling die langer duurt dan zes maanden kan worden beschouwd als een activiteit die vergunningplichtig is op grond van de Wet milieubeheer.

Het tweede lid bepaalt dat een ontheffing, als deze wordt verleend voor een eenmalige gedraging of handeling, wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling, maar niet voor een duur langer dan zes maanden. Een gedraging of handeling die langer duurt dan zes maanden kan worden beschouwd als een activiteit die vergunningplichtig is op grond van de Wet milieubeheer.

Artikel 1.6Weigerings-, wijzigings- en intrekkingsgronden

Onder het bepaalde in onderdeel c worden ook beleidswijzigingen bedoeld. Deze kunnen aanleiding zijn voor intrekking of wijziging van een vergunning of ontheffing. Daarbij worden vanzelfsprekend de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen.

Onder het bepaalde in onderdeel c worden ook beleidswijzigingen bedoeld. Deze kunnen aanleiding zijn voor intrekking of wijziging van een vergunning of ontheffing. Daarbij worden vanzelfsprekend de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen.

Artikel 1.8Normadressaat

De schipper is in beginsel verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, tenzij anders is bepaald. Dit laatste heeft bijvoorbeeld betrekking op die artikelen waarin expliciet is bepaald dat ’eenieder’ zich aan dat voorschrift dient te houden.

In het tweede lid is bepaald dat bij afwezigheid van een schipper, de exploitant verantwoordelijk is voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Deze bepaling is opgenomen voor de gevallen waarin een ponton of een ander soort schip is afgemeerd en er geen bemanning (meer) aan boord is.

De schipper is in beginsel verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, tenzij anders is bepaald. Dit laatste heeft bijvoorbeeld betrekking op die artikelen waarin expliciet is bepaald dat ’eenieder’ zich aan dat voorschrift dient te houden.

In het tweede lid is bepaald dat bij afwezigheid van een schipper, de exploitant verantwoordelijk is voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Deze bepaling is opgenomen voor de gevallen waarin een ponton of een ander soort schip is afgemeerd en er geen bemanning (meer) aan boord is.

Artikel 1.9 Aanwijzing havenmeester

In de verordening worden veel bevoegdheden toegekend aan het college. In de praktijk zal het college de bevoegdheden vaak aan een door hem aangewezen havenmeester mandateren. Artikel 1.9 vormt de basis voor deze aanwijzing.

De havenmeester oefent de bevoegdheden in dat geval niet op eigen gezag uit, maar namens het college. In hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht is de verhouding tussen de mandaatgever en de gemandateerde geregeld. In de eerste plaats kan de mandaatgever de gemandateerde per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. Voorts verschaft de gemandateerde de mandaatgever op diens verzoek inlichtingen ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. De mandaatgever blijft bevoegd om de bevoegdheid zelf uit te oefenen. Ook kan de mandaatgever de bevoegdheid te allen tijde intrekken.

In de verordening worden veel bevoegdheden toegekend aan het college. In de praktijk zal het college de bevoegdheden vaak aan een door hem aangewezen havenmeester mandateren. Artikel 1.9 vormt de basis voor deze aanwijzing.

De havenmeester oefent de bevoegdheden in dat geval niet op eigen gezag uit, maar namens het college. In hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht is de verhouding tussen de mandaatgever en de gemandateerde geregeld. In de eerste plaats kan de mandaatgever de gemandateerde per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. Voorts verschaft de gemandateerde de mandaatgever op diens verzoek inlichtingen ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. De mandaatgever blijft bevoegd om de bevoegdheid zelf uit te oefenen. Ook kan de mandaatgever de bevoegdheid te allen tijde intrekken.

Artikel 2.2 Gebruik zeilen

Dit artikel regelt een absoluut verbod voor schepen met een lengte van 7 meter of meer voor het gebruik van zeilen bij het in- of uitvaren van de (verschillende wateren van de) haven. Voor schepen met een kleinere lengte is het gelet op de geringe afmetingen geen probleem dat deze gebruik maken van zeilen. Daarbij komt dat dergelijke kleine schepen niet altijd beschikken over een motor.

Dit artikel regelt een absoluut verbod voor schepen met een lengte van 7 meter of meer voor het gebruik van zeilen bij het in- of uitvaren van de (verschillende wateren van de) haven. Voor schepen met een kleinere lengte is het gelet op de geringe afmetingen geen probleem dat deze gebruik maken van zeilen. Daarbij komt dat dergelijke kleine schepen niet altijd beschikken over een motor.

Artikel 3.1 Verkeerstekens

In het Binnenvaartpolitiereglement (hierna: Bpr) is een voor Nederland uniform systeem van verkeerstekens geregeld. Om dit systeem niet te doorkruisen, is in dit artikel vastgelegd dat dezelfde tekens worden gebruikt ten behoeve van de orde en veiligheid in de haven. Het Bpr regelt de verkeersafhandeling, terwijl de verordening het havengebruik regelt vanuit bepaalde belangen (milieu, orde en veiligheid).

In het Binnenvaartpolitiereglement (hierna: Bpr) is een voor Nederland uniform systeem van verkeerstekens geregeld. Om dit systeem niet te doorkruisen, is in dit artikel vastgelegd dat dezelfde tekens worden gebruikt ten behoeve van de orde en veiligheid in de haven. Het Bpr regelt de verkeersafhandeling, terwijl de verordening het havengebruik regelt vanuit bepaalde belangen (milieu, orde en veiligheid).

Artikel 3.2 Ligplaatsenoverzicht

Door het vaststellen van een ligplaatsenoverzicht kan het college bepalen waar in de haven schepen ligplaats mogen nemen. Zo nodig kan ook bepaald worden dat bepaalde plaatsen of gebieden bestemd zijn voor schepen van bepaalde categorieën of voor ligplaatsvergunninghouders. Het college werkt dit uit op een kaart.

Door het vaststellen van een ligplaatsenoverzicht kan het college bepalen waar in de haven schepen ligplaats mogen nemen. Zo nodig kan ook bepaald worden dat bepaalde plaatsen of gebieden bestemd zijn voor schepen van bepaalde categorieën of voor ligplaatsvergunninghouders. Het college werkt dit uit op een kaart.

Artikel 3.3 Verbod nemen ligplaats

Dit artikel regelt de verboden voor het innemen van een ligplaats. Deze verboden zijn gekoppeld aan het ligplaatsenoverzicht. Het is verboden ligplaats te nemen of zich met een schip op een plaats te bevinden die: daartoe overeenkomstig het ligplaatsenoverzicht niet is bestemd, overeenkomstig het ligplaatsenoverzicht is bestemd voor schepen van een andere categorie of overeenkomstig het ligplaatsenoverzicht is bestemd voor ligplaatsvergunninghouders. Het derde onderdeel van het verbod betreft de vergunningplicht voor het innemen en hebben van een ligplaats met een woonschip.

Van het eerste en tweede onderdeel van het verbod zijn uitgezonderd schepen die ligplaats nemen of waarmee men zich op een plek bevindt in overeenstemming met de geplaatste verkeerstekens en met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein. Het derde onderdeel van het verbod geldt niet voor ligplaatsvergunninghouders.

Dit artikel regelt de verboden voor het innemen van een ligplaats. Deze verboden zijn gekoppeld aan het ligplaatsenoverzicht. Het is verboden ligplaats te nemen of zich met een schip op een plaats te bevinden die: daartoe overeenkomstig het ligplaatsenoverzicht niet is bestemd, overeenkomstig het ligplaatsenoverzicht is bestemd voor schepen van een andere categorie of overeenkomstig het ligplaatsenoverzicht is bestemd voor ligplaatsvergunninghouders. Het derde onderdeel van het verbod betreft de vergunningplicht voor het innemen en hebben van een ligplaats met een woonschip.

Van het eerste en tweede onderdeel van het verbod zijn uitgezonderd schepen die ligplaats nemen of waarmee men zich op een plek bevindt in overeenstemming met de geplaatste verkeerstekens en met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein. Het derde onderdeel van het verbod geldt niet voor ligplaatsvergunninghouders.

Artikel 3.6 Vaarsnelheid

Het artikel regelt een maximale snelheid voor schepen in de haven. Dit uit het oogpunt van veiligheid. Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod, bijvoorbeeld in het geval dit nodig mocht zijn vanwege het uitrukken bij calamiteiten door de reddingsboot.

Het artikel regelt een maximale snelheid voor schepen in de haven. Dit uit het oogpunt van veiligheid. Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod, bijvoorbeeld in het geval dit nodig mocht zijn vanwege het uitrukken bij calamiteiten door de reddingsboot.

Artikel 3.8 Verhalen van schepen

In bepaalde gevallen moeten schepen - in verband met de orde, veiligheid of het milieu - verhaald kunnen worden, ook al liggen deze schepen er in overeenstemming met de daarvoor toepasselijke regels of met toestemming van het college.

Teneinde de havengebruiker tegen onnodig optreden te beschermen, is in het eerste lid bepaald dat de beslissing op schrift dient te worden gesteld. Voorts kan uitsluitend van de bevoegdheid gebruik worden gemaakt als dit noodzakelijk is in het kader van de orde of ter bescherming van veiligheids- of milieubelangen. Een voorbeeld van een niet-spoedeisend belang in het kader van de orde van de haven, is het noodzakelijk worden van het plegen van onderhoud aan een kademuur of steiger waaraan reeds voor langere periode een schip gemeerd ligt.

De eigenaar, beheerder of gebruiker van een schip kan op basis van dit artikel schriftelijk worden verzocht binnen een redelijke termijn het schip te verhalen naar een andere ligplaats. Als medewerking wordt geweigerd, kan het schip verhaald worden.

Het derde lid regelt dat schepen in verband met de veiligheid of het milieu met spoed – en voor rekening en risico van de exploitant - verhaald kunnen worden als zich een calamiteit voordoet in de haven of als de exploitant onbekend is. Bij een brand zouden de schepen bijvoorbeeld in de weg kunnen liggen voor een blusboot.

In bepaalde gevallen moeten schepen - in verband met de orde, veiligheid of het milieu - verhaald kunnen worden, ook al liggen deze schepen er in overeenstemming met de daarvoor toepasselijke regels of met toestemming van het college.

Teneinde de havengebruiker tegen onnodig optreden te beschermen, is in het eerste lid bepaald dat de beslissing op schrift dient te worden gesteld. Voorts kan uitsluitend van de bevoegdheid gebruik worden gemaakt als dit noodzakelijk is in het kader van de orde of ter bescherming van veiligheids- of milieubelangen. Een voorbeeld van een niet-spoedeisend belang in het kader van de orde van de haven, is het noodzakelijk worden van het plegen van onderhoud aan een kademuur of steiger waaraan reeds voor langere periode een schip gemeerd ligt.

De eigenaar, beheerder of gebruiker van een schip kan op basis van dit artikel schriftelijk worden verzocht binnen een redelijke termijn het schip te verhalen naar een andere ligplaats. Als medewerking wordt geweigerd, kan het schip verhaald worden.

Het derde lid regelt dat schepen in verband met de veiligheid of het milieu met spoed – en voor rekening en risico van de exploitant - verhaald kunnen worden als zich een calamiteit voordoet in de haven of als de exploitant onbekend is. Bij een brand zouden de schepen bijvoorbeeld in de weg kunnen liggen voor een blusboot.

Artikel 3.9 Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven

Dit artikel beoogt bescherming van de onderwaterinfrastructuur in de haven. In, onder en langs de haven bevinden zich onder meer kunstwerken, kabels, tunnels, pijpleidingen, kades en zinkers. Het gebruik van voortstuwers (schroeven), boegschroeven of hekschroeven kan schade veroorzaken aan deze voorzieningen, als het in andere gevallen wordt gebruikt dan voor het bereiken of verlaten van een ligplaats. Onder gebruik wordt in dit geval verstaan, dat de schroeven een daadwerkelijke waterverplaatsing genereren; als de schroeven dit niet doen, zoals bijvoorbeeld het geval is bij een verstelbare schroef in een neutrale positie, dan is dit artikel niet van toepassing.

Het verbod van dit artikel geldt ook in die situaties waarbij het schip op spudpalen ligt of als men anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren, het schip gaande houdt of tegen de kade of oever drukt waarbij het schip niet met meerdraden is afgemeerd. Reden waarom het verbod wordt ingevoerd ligt in het feit dat wanneer door gebruikers van de haven schepen gaande worden gehouden zeer gevaarlijke situaties kunnen worden veroorzaakt. Voorts kan – met name – het proefdraaien van machines, maar ook het trachten los te komen als een schip aan de grond zit, grote schade veroorzaken. Het bij- of afdraaien door een bunker- of bevoorradingsschip, dat afgemeerd is aan een ander schip, ter voorkoming van schade levert een verwaarloosbaar risico op voor de haveninfrastructuur en is gelet op de vaak moeilijke afmeersituatie ter voorkoming van directe schade aanvaardbaar.

Ten slotte is in het artikel een verplichting opgenomen dat tijdens het in werking zijn van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven een persoon in de stuurhut aanwezig dient te zijn die bekend is met de bediening van het schip. In de praktijk is gebleken dat dit regelmatig niet het geval is. Dit kan tot zeer gevaarlijke en ongewenste situaties leiden.

Dit artikel beoogt bescherming van de onderwaterinfrastructuur in de haven. In, onder en langs de haven bevinden zich onder meer kunstwerken, kabels, tunnels, pijpleidingen, kades en zinkers. Het gebruik van voortstuwers (schroeven), boegschroeven of hekschroeven kan schade veroorzaken aan deze voorzieningen, als het in andere gevallen wordt gebruikt dan voor het bereiken of verlaten van een ligplaats. Onder gebruik wordt in dit geval verstaan, dat de schroeven een daadwerkelijke waterverplaatsing genereren; als de schroeven dit niet doen, zoals bijvoorbeeld het geval is bij een verstelbare schroef in een neutrale positie, dan is dit artikel niet van toepassing.

Het verbod van dit artikel geldt ook in die situaties waarbij het schip op spudpalen ligt of als men anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren, het schip gaande houdt of tegen de kade of oever drukt waarbij het schip niet met meerdraden is afgemeerd. Reden waarom het verbod wordt ingevoerd ligt in het feit dat wanneer door gebruikers van de haven schepen gaande worden gehouden zeer gevaarlijke situaties kunnen worden veroorzaakt. Voorts kan – met name – het proefdraaien van machines, maar ook het trachten los te komen als een schip aan de grond zit, grote schade veroorzaken. Het bij- of afdraaien door een bunker- of bevoorradingsschip, dat afgemeerd is aan een ander schip, ter voorkoming van schade levert een verwaarloosbaar risico op voor de haveninfrastructuur en is gelet op de vaak moeilijke afmeersituatie ter voorkoming van directe schade aanvaardbaar.

Ten slotte is in het artikel een verplichting opgenomen dat tijdens het in werking zijn van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven een persoon in de stuurhut aanwezig dient te zijn die bekend is met de bediening van het schip. In de praktijk is gebleken dat dit regelmatig niet het geval is. Dit kan tot zeer gevaarlijke en ongewenste situaties leiden.

Artikel 3.10 Roering bodem

In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen infrastructurele voorzieningen, zoals bodembescherming, leidingen en kabels. Baggeren en zoeken naar voorwerpen in de haven zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te voorkomen is als uitgangspunt genomen dat het in de haven verboden is te baggeren of te zoeken naar voorwerpen, met uitzondering van de situatie genoemd in het tweede lid.

Voor baggeren kan het college op aanvraag een vergunning verlenen. Op grond van het vierde lid kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod om te zoeken naar voorwerpen.

In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen infrastructurele voorzieningen, zoals bodembescherming, leidingen en kabels. Baggeren en zoeken naar voorwerpen in de haven zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te voorkomen is als uitgangspunt genomen dat het in de haven verboden is te baggeren of te zoeken naar voorwerpen, met uitzondering van de situatie genoemd in het tweede lid.

Voor baggeren kan het college op aanvraag een vergunning verlenen. Op grond van het vierde lid kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod om te zoeken naar voorwerpen.

Artikel 3.11 Vissen in de haven

Dit artikel geeft een verbod voor vissen in de haven. Het verbod is opgenomen ter voorkoming van hinder, gevaar of schade voor de scheepvaart. Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld aan een vereniging voor sportvisserij voor een bepaald gedeelte van de haven.

Dit artikel geeft een verbod voor vissen in de haven. Het verbod is opgenomen ter voorkoming van hinder, gevaar of schade voor de scheepvaart. Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld aan een vereniging voor sportvisserij voor een bepaald gedeelte van de haven.

Artikel 3.14 Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade

Dit artikel bevat de verplichting om alle bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan boord van een schip, die een gevaar voor het schip of de omgeving kunnen opleveren aan de havenmeester te melden. Een voorbeeld hiervan is het niet functioneren van de inert gasinstallatie op een tankschip. De bepaling is van toepassing op alle schepen en is een aanvulling op de meldingsartikelen van de Regeling vervoer gevaarlijke stoffen die alleen van toepassing is op zeeschepen met gevaarlijke stoffen.

Daarnaast bevat het artikel de verplichting om in de haven veroorzaakte schades te melden.

Dit artikel bevat de verplichting om alle bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan boord van een schip, die een gevaar voor het schip of de omgeving kunnen opleveren aan de havenmeester te melden. Een voorbeeld hiervan is het niet functioneren van de inert gasinstallatie op een tankschip. De bepaling is van toepassing op alle schepen en is een aanvulling op de meldingsartikelen van de Regeling vervoer gevaarlijke stoffen die alleen van toepassing is op zeeschepen met gevaarlijke stoffen.

Daarnaast bevat het artikel de verplichting om in de haven veroorzaakte schades te melden.

Artikel 3.15 Maatregelen bij ijsgang of dichtgevroren water

Dit artikel bevat de verplichting om, in het geval met het innemen of verlaten van een ligplaats ijs wordt gebroken, maatregelen te nemen om schade te voorkomen. In de praktijk zal het breken van ijs niet altijd kunnen worden voorkomen en soms zelfs noodzakelijk zijn. Het opnemen van een verbod op het breken van ijs ligt dan ook niet in de rede. Van de schipper mag echter zorgvuldig handelen worden verwacht door middel van het nemen van maatregelen.

Dit artikel bevat de verplichting om, in het geval met het innemen of verlaten van een ligplaats ijs wordt gebroken, maatregelen te nemen om schade te voorkomen. In de praktijk zal het breken van ijs niet altijd kunnen worden voorkomen en soms zelfs noodzakelijk zijn. Het opnemen van een verbod op het breken van ijs ligt dan ook niet in de rede. Van de schipper mag echter zorgvuldig handelen worden verwacht door middel van het nemen van maatregelen.

Artikel 3.16 Gebruiksdoeleinden

Dit artikel bevat een vergunningsplicht voor het gebruik van schepen voor de in het artikel genoemde doeleinden. Zonder vergunning van het college is het betreffende gebruik verboden. De genoemde gebruiksdoeleinden betreffen (bedrijfsmatig) gebruik dat afwijkt van het reguliere gebruik van een schip.

Aan de vergunning kunnen voorschriften en beperkingen verbonden worden, bijvoorbeeld ter voorkoming van hinder.

Dit artikel bevat een vergunningsplicht voor het gebruik van schepen voor de in het artikel genoemde doeleinden. Zonder vergunning van het college is het betreffende gebruik verboden. De genoemde gebruiksdoeleinden betreffen (bedrijfsmatig) gebruik dat afwijkt van het reguliere gebruik van een schip.

Aan de vergunning kunnen voorschriften en beperkingen verbonden worden, bijvoorbeeld ter voorkoming van hinder.

Artikel 4.1 Ligplaatsvergunning woonschip

Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het innemen en het hebben van een ligplaats met een woonschip. Op het ligplaatsenoverzicht wordt de plaats aangewezen waar het is toegestaan om een ligplaats in te nemen met een woonschip. Een ligplaatsvergunning is persoons-, ligplaats- en vaartuiggebonden. Dit wil zeggen dat indien een van deze omstandigheden wijzigen, er een nieuwe vergunning dient te worden aangevraagd.

Het college verleent voor maximaal één woonschip een ligplaatsvergunning.

Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het innemen en het hebben van een ligplaats met een woonschip. Op het ligplaatsenoverzicht wordt de plaats aangewezen waar het is toegestaan om een ligplaats in te nemen met een woonschip. Een ligplaatsvergunning is persoons-, ligplaats- en vaartuiggebonden. Dit wil zeggen dat indien een van deze omstandigheden wijzigen, er een nieuwe vergunning dient te worden aangevraagd.

Het college verleent voor maximaal één woonschip een ligplaatsvergunning.

Artikel 4.2 Woon- en nachtverblijf anders dan op een woonschip

Op grond van dit artikel is het verboden om een schip, dat geen woonschip is, permanent als woon- en nachtverblijf te gebruiken. Het woonverbod is niet van toepassing op: charterschepen, passagiersschepen en vissersschepen, die daadwerkelijk zodanig worden gebruikt. De eigenaren van deze schepen moeten kunnen aantonen dat zijn/haar schip wordt gebruikt als één van voornoemde categorieën schepen.

Op grond van dit artikel is het verboden om een schip, dat geen woonschip is, permanent als woon- en nachtverblijf te gebruiken. Het woonverbod is niet van toepassing op: charterschepen, passagiersschepen en vissersschepen, die daadwerkelijk zodanig worden gebruikt. De eigenaren van deze schepen moeten kunnen aantonen dat zijn/haar schip wordt gebruikt als één van voornoemde categorieën schepen.

Artikel 5.1 Onveilige schepen

Uit het oogpunt van veiligheid / ter voorkoming van gevaarlijke situaties bevat dit artikel een verbod voor schepen die vanwege hun lading of de staat van het schip een gevaar kunnen zijn voor de veiligheid in de haven of voor de omgeving. Het verbod betreft het innemen of hebben van een ligplaats en het binnenvaren van de haven.

Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld als dit nodig is voor het bergen van een zwaar beschadigd schip.

Uit het oogpunt van veiligheid / ter voorkoming van gevaarlijke situaties bevat dit artikel een verbod voor schepen die vanwege hun lading of de staat van het schip een gevaar kunnen zijn voor de veiligheid in de haven of voor de omgeving. Het verbod betreft het innemen of hebben van een ligplaats en het binnenvaren van de haven.

Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld als dit nodig is voor het bergen van een zwaar beschadigd schip.

Artikel 5.2 Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico veroorzakende stoffen

Het in het eerste lid gestelde verbod beperkt zich tot handelingen die plaatsvinden aan boord van een schip; handelingen gepleegd aan wal vallen hierbuiten. Het is onder meer verboden om aan boord van een schip, door middel van geperst gas of stoom, het uitlaatgassensysteem van verbrandingsmotoren naar de buitenlucht door te blazen, waardoor roet uit het schip ontsnapt.

Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld als dit bij kan dragen aan het voorkomen van een schoorsteenbrand bij een schip dat al langer stilligt.

Het in het eerste lid gestelde verbod beperkt zich tot handelingen die plaatsvinden aan boord van een schip; handelingen gepleegd aan wal vallen hierbuiten. Het is onder meer verboden om aan boord van een schip, door middel van geperst gas of stoom, het uitlaatgassensysteem van verbrandingsmotoren naar de buitenlucht door te blazen, waardoor roet uit het schip ontsnapt.

Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld als dit bij kan dragen aan het voorkomen van een schoorsteenbrand bij een schip dat al langer stilligt.

Artikel 5.3 Gebruik gevaarlijke stoffen en vuur

Uit het oogpunt van veiligheid bevat dit artikel verboden voor het verhitten van gevaarlijke stoffen en het stoken van vuur. Het is gelet op dit artikel onder meer verboden om aan boord van een schip te barbecueën of een vuurkorf te gebruiken.

Uit het oogpunt van veiligheid bevat dit artikel verboden voor het verhitten van gevaarlijke stoffen en het stoken van vuur. Het is gelet op dit artikel onder meer verboden om aan boord van een schip te barbecueën of een vuurkorf te gebruiken.

Artikel 5.4 Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen

Uit het oogpunt van veiligheid en het voorkomen van belemmeringen van de vaarweg regelt dit artikel dat als stoffen of voorwerpen te water geraken, hiervan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de havenmeester. Deze kennisgeving is niet aan voorschriften verbonden. Vervolgens dient de stof of het voorwerp – voor zover mogelijk – onmiddellijk te worden verwijderd.

Uit het oogpunt van veiligheid en het voorkomen van belemmeringen van de vaarweg regelt dit artikel dat als stoffen of voorwerpen te water geraken, hiervan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de havenmeester. Deze kennisgeving is niet aan voorschriften verbonden. Vervolgens dient de stof of het voorwerp – voor zover mogelijk – onmiddellijk te worden verwijderd.

Artikel 5.5 Veilige toegang

In de havenpraktijk doen zich bij de betreding van schepen regelmatig zeer gevaarlijke en onaanvaardbare situaties voor. Daarom wordt voorgeschreven dat schepen in principe over een toegang dienen te beschikken waardoor – in redelijkheid – geen gevaar of schade voor personen kan ontstaan.

In sommige gevallen is het echter niet mogelijk of zeer onpraktisch om een dergelijke toegang tot het schip mogelijk te maken. Bijvoorbeeld als de feitelijke situatie dit niet toelaat of in het geval een schip maar kort afmeert. In dit soort situaties kan een veilige toegang niet geëist worden.

In de havenpraktijk doen zich bij de betreding van schepen regelmatig zeer gevaarlijke en onaanvaardbare situaties voor. Daarom wordt voorgeschreven dat schepen in principe over een toegang dienen te beschikken waardoor – in redelijkheid – geen gevaar of schade voor personen kan ontstaan.

In sommige gevallen is het echter niet mogelijk of zeer onpraktisch om een dergelijke toegang tot het schip mogelijk te maken. Bijvoorbeeld als de feitelijke situatie dit niet toelaat of in het geval een schip maar kort afmeert. In dit soort situaties kan een veilige toegang niet geëist worden.

Artikel 5.6 Verbod gebruik hoofdmotor

Het komt zeer regelmatig voor dat afgemeerde schepen hun hoofdmotor onnodig laten draaien, anders dan direct voor vertrek van het schip. Dit betekent een onnodige belasting van het milieu en het kan hinder voor omwonenden veroorzaken. Bovendien kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld ten dienste van proefdraaien van de hoofdmotor.

Het komt zeer regelmatig voor dat afgemeerde schepen hun hoofdmotor onnodig laten draaien, anders dan direct voor vertrek van het schip. Dit betekent een onnodige belasting van het milieu en het kan hinder voor omwonenden veroorzaken. Bovendien kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld ten dienste van proefdraaien van de hoofdmotor.

Artikel 5.8 Laden en lossen van goederen

Dit artikel bevat een verbod voor het laden, lossen en overslaan van goederen. Een uitzondering

op het verbod is gemaakt voor goederen die bestemd zijn voor eigen gebruik. Aangezien de haven

met name gebruikt wordt door plezierschepen en charterschepen, komt het in de praktijk niet veel

voor dat er schepen zijn die moeten laden of lossen in de haven. Voor het geval er wel een schip is

dat geladen of gelost moet worden, kan het college op grond van het tweede lid ontheffing verlenen

van het verbod.

Dit artikel bevat een verbod voor het laden, lossen en overslaan van goederen. Een uitzondering

op het verbod is gemaakt voor goederen die bestemd zijn voor eigen gebruik. Aangezien de haven

met name gebruikt wordt door plezierschepen en charterschepen, komt het in de praktijk niet veel

voor dat er schepen zijn die moeten laden of lossen in de haven. Voor het geval er wel een schip is

dat geladen of gelost moet worden, kan het college op grond van het tweede lid ontheffing verlenen

van het verbod.

Artikel 5.10 Gebruik van ankers

In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen infrastructurele voorzieningen, zoals bodembescherming, leidingen en kabels. Het gebruikmaken van ankers zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te voorkomen is als uitgangspunt genomen dat het in de haven verboden is van een anker gebruik te maken, met uitzondering van het geval genoemd in het eerste lid.

In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen infrastructurele voorzieningen, zoals bodembescherming, leidingen en kabels. Het gebruikmaken van ankers zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te voorkomen is als uitgangspunt genomen dat het in de haven verboden is van een anker gebruik te maken, met uitzondering van het geval genoemd in het eerste lid.

Artikel 5.11 Gebruik van spudpalen

In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen infrastructurele voorzieningen, zoals bodembescherming, leidingen en kabels. Het gebruikmaken van spudpalen zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te voorkomen is als uitgangspunt genomen dat het in de haven verboden is van spudpalen gebruik te maken, tenzij dit geschied overeenkomstig de aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen. Daarnaast kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod, voor zover daartoe aanleiding is.

In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen infrastructurele voorzieningen, zoals bodembescherming, leidingen en kabels. Het gebruikmaken van spudpalen zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te voorkomen is als uitgangspunt genomen dat het in de haven verboden is van spudpalen gebruik te maken, tenzij dit geschied overeenkomstig de aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen. Daarnaast kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod, voor zover daartoe aanleiding is.

Artikel 5.12 Gebruik generatoren door schepen

Het is verboden om tussen 22:00 uur ’s avonds en 7:00 uur ’s morgens aan boord van een schip een generator te gebruiken. In het kader van het leveren van een bijdrage aan het verbeteren van de (lokale) luchtkwaliteit worden in de haven bij de openbare ligplaatsen aansluitingen voor de afname van elektriciteit gerealiseerd. Op het moment dat het op een ligplaats dermate druk is met schepen dat geen aansluitingen meer beschikbaar zijn (bijvoorbeeld tijdens kerst of andere feestdagen), of voor schepen die voor hun elektriciteitsvoorziening meer stroom nodig hebben dan de walstroomvoorziening kan leveren, kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod.

Het is verboden om tussen 22:00 uur ’s avonds en 7:00 uur ’s morgens aan boord van een schip een generator te gebruiken. In het kader van het leveren van een bijdrage aan het verbeteren van de (lokale) luchtkwaliteit worden in de haven bij de openbare ligplaatsen aansluitingen voor de afname van elektriciteit gerealiseerd. Op het moment dat het op een ligplaats dermate druk is met schepen dat geen aansluitingen meer beschikbaar zijn (bijvoorbeeld tijdens kerst of andere feestdagen), of voor schepen die voor hun elektriciteitsvoorziening meer stroom nodig hebben dan de walstroomvoorziening kan leveren, kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod.

Artikel 5.13 Verrichten van werkzaamheden

Dit artikel geeft regels over het verrichten van werkzaamheden aan schepen; hieronder vallen ook werkzaamheden die buitenboord of onderwater aan het schip plaatsvinden. Het verbod richt zich tot ‘eenieder’.

Grote reparaties aan schepen vinden doorgaans plaats op of aan een werf of in een dok. Kleine reparaties worden echter vaak aan boord verricht door de eigen bemanning of door buitenstaanders. Het verrichten van reparaties kan onder bepaalde omstandigheden gevaren met zich meebrengen.

Teneinde te voorkomen dat een kleine scheepsreparatie buiten een werf of herstellingsinrichting tot een reparatie van grote omvang, met inherente veiligheidsrisico's en grote tijdsduur uitgroeit, is in het eerste lid, onder b, opgenomen dat de reparatieduur ten hoogste drie dagen mag duren. Als de werkzaamheden langer dan drie dagen in beslag nemen, kan ontheffing worden aangevraagd op grond van het tweede lid.

Dit artikel geeft regels over het verrichten van werkzaamheden aan schepen; hieronder vallen ook werkzaamheden die buitenboord of onderwater aan het schip plaatsvinden. Het verbod richt zich tot ‘eenieder’.

Grote reparaties aan schepen vinden doorgaans plaats op of aan een werf of in een dok. Kleine reparaties worden echter vaak aan boord verricht door de eigen bemanning of door buitenstaanders. Het verrichten van reparaties kan onder bepaalde omstandigheden gevaren met zich meebrengen.

Teneinde te voorkomen dat een kleine scheepsreparatie buiten een werf of herstellingsinrichting tot een reparatie van grote omvang, met inherente veiligheidsrisico's en grote tijdsduur uitgroeit, is in het eerste lid, onder b, opgenomen dat de reparatieduur ten hoogste drie dagen mag duren. Als de werkzaamheden langer dan drie dagen in beslag nemen, kan ontheffing worden aangevraagd op grond van het tweede lid.

Artikel 6.4 Betreden van woonruimten

In artikel 5:15 van de Awb, is bepaald dat een toezichthouder een woning niet mag betreden als de bewoner daar geen toestemming voor geeft. De bevoegdheid tot het binnentreden is gestoeld op artikel 149a van de Gemeentewet. Artikel 149a strekt ertoe dat de gemeenteraad in bepaalde gevallen de bevoegdheid kan verlenen tot het binnentreden in woningen zonder toestemming van de bewoner. Het gaat hier om binnentreden ter uitoefening van toezicht en opsporing in verband met de naleving van voorschriften inzake handhaving van de openbare orde of veiligheid en bescherming van het leven of de gezondheid van personen. Het binnentreden in woningen behoort niet tot de bevoegdheden die afdeling 5.2 van de Awb aan iedere toezichthouder verleent. De bevoegdheid tot uitoefening van bestuursdwang is in de Gemeentewet voor alle gevallen geregeld in artikel 125. De Algemene wet op het binnentreden is ook hier van toepassing, zodat voor binnentreden zonder toestemming van de bewoner een machtiging noodzakelijk is. De Algemene wet op het binnentreden maakt onderscheid tussen het bevoegd zijn tot binnentreden in een woning en het nodig hebben van een machtiging om tot binnentreden in een woning in een concreet geval over te mogen gaan. Artikel 149a attribueert aan de gemeenteraad de bevoegdheid om personen de bevoegdheid, en dus niet de machtiging, te verlenen tot binnentreden. Op grond van art. 5:27, tweede lid, van de Awb is het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het verlenen van deze machtiging. De bevoegdheid tot binnentreden zal slechts uitgeoefend mogen worden voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de taak waarvoor binnen wordt getreden, nodig is.

Opgemerkt wordt dat onder het begrip ‘woning’ tevens een woning aan boord van een schip moet worden verstaan.

In artikel 5:15 van de Awb, is bepaald dat een toezichthouder een woning niet mag betreden als de bewoner daar geen toestemming voor geeft. De bevoegdheid tot het binnentreden is gestoeld op artikel 149a van de Gemeentewet. Artikel 149a strekt ertoe dat de gemeenteraad in bepaalde gevallen de bevoegdheid kan verlenen tot het binnentreden in woningen zonder toestemming van de bewoner. Het gaat hier om binnentreden ter uitoefening van toezicht en opsporing in verband met de naleving van voorschriften inzake handhaving van de openbare orde of veiligheid en bescherming van het leven of de gezondheid van personen. Het binnentreden in woningen behoort niet tot de bevoegdheden die afdeling 5.2 van de Awb aan iedere toezichthouder verleent. De bevoegdheid tot uitoefening van bestuursdwang is in de Gemeentewet voor alle gevallen geregeld in artikel 125. De Algemene wet op het binnentreden is ook hier van toepassing, zodat voor binnentreden zonder toestemming van de bewoner een machtiging noodzakelijk is. De Algemene wet op het binnentreden maakt onderscheid tussen het bevoegd zijn tot binnentreden in een woning en het nodig hebben van een machtiging om tot binnentreden in een woning in een concreet geval over te mogen gaan. Artikel 149a attribueert aan de gemeenteraad de bevoegdheid om personen de bevoegdheid, en dus niet de machtiging, te verlenen tot binnentreden. Op grond van art. 5:27, tweede lid, van de Awb is het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het verlenen van deze machtiging. De bevoegdheid tot binnentreden zal slechts uitgeoefend mogen worden voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de taak waarvoor binnen wordt getreden, nodig is.

Opgemerkt wordt dat onder het begrip ‘woning’ tevens een woning aan boord van een schip moet worden verstaan.

Algemeen

Deze verordening bevat de kaderstellende regels die van toepassing zijn op schepen wanneer deze de haven aandoen. Hiermee worden de gemeentelijke belangen beschermd en tegelijkertijd worden de rechten en plichten van zowel de scheepvaart als de havenbeheerder inzichtelijker gemaakt. Daarbij heeft deze verordening voor ogen dit alles op een overzichtelijke, duidelijke manier te regelen, ontdaan van overbodige regels en administratieve lasten.

Artikelsgewijze toelichting

Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.

Artikelen 1.1 en 1.2

Haven en toepassingsbereik

Het begrip haven omvat die wateren die in het beheer zijn van de gemeente en die voor de scheepvaart open staan, met inbegrip van de daartoe behorende havenwerken (kades, aanmeeraangelegenheden, etc.). Ter afbakening en verduidelijking zijn de wateren van de haven op de kaart in bijlage 1 aangegeven. De haven bestaat uit de Oosterhaven, de Pekelharinghaven, de Westerhaven, de haven van de Stichting Jachthaven Medemblik uitgezonderd, en het Overlekerkanaal (gedeeltelijk). De haven van de Stichting Jachthaven is uitgezonderd, nu dit een private jachthaven is met een eigen havenreglement.

De verordening is van toepassing in de haven, voor zover de haven een openbaar karakter heeft. Gedeeltes van de haven die, bijvoorbeeld door het sluiten van een overeenkomst, aan de openbaarheid zijn onttrokken, vallen niet onder de werking van de verordening.

Artikel 1.5 Geldigheidsduur

Het tweede lid bepaalt dat een ontheffing, als deze wordt verleend voor een eenmalige gedraging of handeling, wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling, maar niet voor een duur langer dan zes maanden. Een gedraging of handeling die langer duurt dan zes maanden kan worden beschouwd als een activiteit die vergunningplichtig is op grond van de Wet milieubeheer.

Artikel 1.6Weigerings-, wijzigings- en intrekkingsgronden

Onder het bepaalde in onderdeel c worden ook beleidswijzigingen bedoeld. Deze kunnen aanleiding zijn voor intrekking of wijziging van een vergunning of ontheffing. Daarbij worden vanzelfsprekend de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen.

Artikel 1.8Normadressaat

De schipper is in beginsel verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, tenzij anders is bepaald. Dit laatste heeft bijvoorbeeld betrekking op die artikelen waarin expliciet is bepaald dat ’eenieder’ zich aan dat voorschrift dient te houden.

In het tweede lid is bepaald dat bij afwezigheid van een schipper, de exploitant verantwoordelijk is voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Deze bepaling is opgenomen voor de gevallen waarin een ponton of een ander soort schip is afgemeerd en er geen bemanning (meer) aan boord is.

Artikel 1.9 Aanwijzing havenmeester

In de verordening worden veel bevoegdheden toegekend aan het college. In de praktijk zal het college de bevoegdheden vaak aan een door hem aangewezen havenmeester mandateren. Artikel 1.9 vormt de basis voor deze aanwijzing.

De havenmeester oefent de bevoegdheden in dat geval niet op eigen gezag uit, maar namens het college. In hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht is de verhouding tussen de mandaatgever en de gemandateerde geregeld. In de eerste plaats kan de mandaatgever de gemandateerde per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. Voorts verschaft de gemandateerde de mandaatgever op diens verzoek inlichtingen ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. De mandaatgever blijft bevoegd om de bevoegdheid zelf uit te oefenen. Ook kan de mandaatgever de bevoegdheid te allen tijde intrekken.

Artikel 2.2 Gebruik zeilen

Dit artikel regelt een absoluut verbod voor schepen met een lengte van 7 meter of meer voor het gebruik van zeilen bij het in- of uitvaren van de (verschillende wateren van de) haven. Voor schepen met een kleinere lengte is het gelet op de geringe afmetingen geen probleem dat deze gebruik maken van zeilen. Daarbij komt dat dergelijke kleine schepen niet altijd beschikken over een motor.

Artikel 3.1 Verkeerstekens

In het Binnenvaartpolitiereglement (hierna: Bpr) is een voor Nederland uniform systeem van verkeerstekens geregeld. Om dit systeem niet te doorkruisen, is in dit artikel vastgelegd dat dezelfde tekens worden gebruikt ten behoeve van de orde en veiligheid in de haven. Het Bpr regelt de verkeersafhandeling, terwijl de verordening het havengebruik regelt vanuit bepaalde belangen (milieu, orde en veiligheid).

Artikel 3.2 Ligplaatsenoverzicht

Door het vaststellen van een ligplaatsenoverzicht kan het college bepalen waar in de haven schepen ligplaats mogen nemen. Zo nodig kan ook bepaald worden dat bepaalde plaatsen of gebieden bestemd zijn voor schepen van bepaalde categorieën of voor ligplaatsvergunninghouders. Het college werkt dit uit op een kaart.

Artikel 3.3 Verbod nemen ligplaats

Dit artikel regelt de verboden voor het innemen van een ligplaats. Deze verboden zijn gekoppeld aan het ligplaatsenoverzicht. Het is verboden ligplaats te nemen of zich met een schip op een plaats te bevinden die: daartoe overeenkomstig het ligplaatsenoverzicht niet is bestemd, overeenkomstig het ligplaatsenoverzicht is bestemd voor schepen van een andere categorie of overeenkomstig het ligplaatsenoverzicht is bestemd voor ligplaatsvergunninghouders. Het derde onderdeel van het verbod betreft de vergunningplicht voor het innemen en hebben van een ligplaats met een woonschip.

Van het eerste en tweede onderdeel van het verbod zijn uitgezonderd schepen die ligplaats nemen of waarmee men zich op een plek bevindt in overeenstemming met de geplaatste verkeerstekens en met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein. Het derde onderdeel van het verbod geldt niet voor ligplaatsvergunninghouders.

Artikel 3.6 Vaarsnelheid

Het artikel regelt een maximale snelheid voor schepen in de haven. Dit uit het oogpunt van veiligheid. Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod, bijvoorbeeld in het geval dit nodig mocht zijn vanwege het uitrukken bij calamiteiten door de reddingsboot.

Artikel 3.8 Verhalen van schepen

In bepaalde gevallen moeten schepen - in verband met de orde, veiligheid of het milieu - verhaald kunnen worden, ook al liggen deze schepen er in overeenstemming met de daarvoor toepasselijke regels of met toestemming van het college.

Teneinde de havengebruiker tegen onnodig optreden te beschermen, is in het eerste lid bepaald dat de beslissing op schrift dient te worden gesteld. Voorts kan uitsluitend van de bevoegdheid gebruik worden gemaakt als dit noodzakelijk is in het kader van de orde of ter bescherming van veiligheids- of milieubelangen. Een voorbeeld van een niet-spoedeisend belang in het kader van de orde van de haven, is het noodzakelijk worden van het plegen van onderhoud aan een kademuur of steiger waaraan reeds voor langere periode een schip gemeerd ligt.

De eigenaar, beheerder of gebruiker van een schip kan op basis van dit artikel schriftelijk worden verzocht binnen een redelijke termijn het schip te verhalen naar een andere ligplaats. Als medewerking wordt geweigerd, kan het schip verhaald worden.

Het derde lid regelt dat schepen in verband met de veiligheid of het milieu met spoed – en voor rekening en risico van de exploitant - verhaald kunnen worden als zich een calamiteit voordoet in de haven of als de exploitant onbekend is. Bij een brand zouden de schepen bijvoorbeeld in de weg kunnen liggen voor een blusboot.

Artikel 3.9 Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven

Dit artikel beoogt bescherming van de onderwaterinfrastructuur in de haven. In, onder en langs de haven bevinden zich onder meer kunstwerken, kabels, tunnels, pijpleidingen, kades en zinkers. Het gebruik van voortstuwers (schroeven), boegschroeven of hekschroeven kan schade veroorzaken aan deze voorzieningen, als het in andere gevallen wordt gebruikt dan voor het bereiken of verlaten van een ligplaats. Onder gebruik wordt in dit geval verstaan, dat de schroeven een daadwerkelijke waterverplaatsing genereren; als de schroeven dit niet doen, zoals bijvoorbeeld het geval is bij een verstelbare schroef in een neutrale positie, dan is dit artikel niet van toepassing.

Het verbod van dit artikel geldt ook in die situaties waarbij het schip op spudpalen ligt of als men anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren, het schip gaande houdt of tegen de kade of oever drukt waarbij het schip niet met meerdraden is afgemeerd. Reden waarom het verbod wordt ingevoerd ligt in het feit dat wanneer door gebruikers van de haven schepen gaande worden gehouden zeer gevaarlijke situaties kunnen worden veroorzaakt. Voorts kan – met name – het proefdraaien van machines, maar ook het trachten los te komen als een schip aan de grond zit, grote schade veroorzaken. Het bij- of afdraaien door een bunker- of bevoorradingsschip, dat afgemeerd is aan een ander schip, ter voorkoming van schade levert een verwaarloosbaar risico op voor de haveninfrastructuur en is gelet op de vaak moeilijke afmeersituatie ter voorkoming van directe schade aanvaardbaar.

Ten slotte is in het artikel een verplichting opgenomen dat tijdens het in werking zijn van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven een persoon in de stuurhut aanwezig dient te zijn die bekend is met de bediening van het schip. In de praktijk is gebleken dat dit regelmatig niet het geval is. Dit kan tot zeer gevaarlijke en ongewenste situaties leiden.

Artikel 3.10 Roering bodem

In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen infrastructurele voorzieningen, zoals bodembescherming, leidingen en kabels. Baggeren en zoeken naar voorwerpen in de haven zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te voorkomen is als uitgangspunt genomen dat het in de haven verboden is te baggeren of te zoeken naar voorwerpen, met uitzondering van de situatie genoemd in het tweede lid.

Voor baggeren kan het college op aanvraag een vergunning verlenen. Op grond van het vierde lid kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod om te zoeken naar voorwerpen.

Artikel 3.11 Vissen in de haven

Dit artikel geeft een verbod voor vissen in de haven. Het verbod is opgenomen ter voorkoming van hinder, gevaar of schade voor de scheepvaart. Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld aan een vereniging voor sportvisserij voor een bepaald gedeelte van de haven.

Artikel 3.14 Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade

Dit artikel bevat de verplichting om alle bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan boord van een schip, die een gevaar voor het schip of de omgeving kunnen opleveren aan de havenmeester te melden. Een voorbeeld hiervan is het niet functioneren van de inert gasinstallatie op een tankschip. De bepaling is van toepassing op alle schepen en is een aanvulling op de meldingsartikelen van de Regeling vervoer gevaarlijke stoffen die alleen van toepassing is op zeeschepen met gevaarlijke stoffen.

Daarnaast bevat het artikel de verplichting om in de haven veroorzaakte schades te melden.

Artikel 3.15 Maatregelen bij ijsgang of dichtgevroren water

Dit artikel bevat de verplichting om, in het geval met het innemen of verlaten van een ligplaats ijs wordt gebroken, maatregelen te nemen om schade te voorkomen. In de praktijk zal het breken van ijs niet altijd kunnen worden voorkomen en soms zelfs noodzakelijk zijn. Het opnemen van een verbod op het breken van ijs ligt dan ook niet in de rede. Van de schipper mag echter zorgvuldig handelen worden verwacht door middel van het nemen van maatregelen.

Artikel 3.16 Gebruiksdoeleinden

Dit artikel bevat een vergunningsplicht voor het gebruik van schepen voor de in het artikel genoemde doeleinden. Zonder vergunning van het college is het betreffende gebruik verboden. De genoemde gebruiksdoeleinden betreffen (bedrijfsmatig) gebruik dat afwijkt van het reguliere gebruik van een schip.

Aan de vergunning kunnen voorschriften en beperkingen verbonden worden, bijvoorbeeld ter voorkoming van hinder.

Artikel 4.1 Ligplaatsvergunning woonschip

Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het innemen en het hebben van een ligplaats met een woonschip. Op het ligplaatsenoverzicht wordt de plaats aangewezen waar het is toegestaan om een ligplaats in te nemen met een woonschip. Een ligplaatsvergunning is persoons-, ligplaats- en vaartuiggebonden. Dit wil zeggen dat indien een van deze omstandigheden wijzigen, er een nieuwe vergunning dient te worden aangevraagd.

Het college verleent voor maximaal één woonschip een ligplaatsvergunning.

Artikel 4.2 Woon- en nachtverblijf anders dan op een woonschip

Op grond van dit artikel is het verboden om een schip, dat geen woonschip is, permanent als woon- en nachtverblijf te gebruiken. Het woonverbod is niet van toepassing op: charterschepen, passagiersschepen en vissersschepen, die daadwerkelijk zodanig worden gebruikt. De eigenaren van deze schepen moeten kunnen aantonen dat zijn/haar schip wordt gebruikt als één van voornoemde categorieën schepen.

Artikel 5.1 Onveilige schepen

Uit het oogpunt van veiligheid / ter voorkoming van gevaarlijke situaties bevat dit artikel een verbod voor schepen die vanwege hun lading of de staat van het schip een gevaar kunnen zijn voor de veiligheid in de haven of voor de omgeving. Het verbod betreft het innemen of hebben van een ligplaats en het binnenvaren van de haven.

Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld als dit nodig is voor het bergen van een zwaar beschadigd schip.

Artikel 5.2 Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico veroorzakende stoffen

Het in het eerste lid gestelde verbod beperkt zich tot handelingen die plaatsvinden aan boord van een schip; handelingen gepleegd aan wal vallen hierbuiten. Het is onder meer verboden om aan boord van een schip, door middel van geperst gas of stoom, het uitlaatgassensysteem van verbrandingsmotoren naar de buitenlucht door te blazen, waardoor roet uit het schip ontsnapt.

Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld als dit bij kan dragen aan het voorkomen van een schoorsteenbrand bij een schip dat al langer stilligt.

Artikel 5.3 Gebruik gevaarlijke stoffen en vuur

Uit het oogpunt van veiligheid bevat dit artikel verboden voor het verhitten van gevaarlijke stoffen en het stoken van vuur. Het is gelet op dit artikel onder meer verboden om aan boord van een schip te barbecueën of een vuurkorf te gebruiken.

Artikel 5.4 Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen

Uit het oogpunt van veiligheid en het voorkomen van belemmeringen van de vaarweg regelt dit artikel dat als stoffen of voorwerpen te water geraken, hiervan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de havenmeester. Deze kennisgeving is niet aan voorschriften verbonden. Vervolgens dient de stof of het voorwerp – voor zover mogelijk – onmiddellijk te worden verwijderd.

Artikel 5.5 Veilige toegang

In de havenpraktijk doen zich bij de betreding van schepen regelmatig zeer gevaarlijke en onaanvaardbare situaties voor. Daarom wordt voorgeschreven dat schepen in principe over een toegang dienen te beschikken waardoor – in redelijkheid – geen gevaar of schade voor personen kan ontstaan.

In sommige gevallen is het echter niet mogelijk of zeer onpraktisch om een dergelijke toegang tot het schip mogelijk te maken. Bijvoorbeeld als de feitelijke situatie dit niet toelaat of in het geval een schip maar kort afmeert. In dit soort situaties kan een veilige toegang niet geëist worden.

Artikel 5.6 Verbod gebruik hoofdmotor

Het komt zeer regelmatig voor dat afgemeerde schepen hun hoofdmotor onnodig laten draaien, anders dan direct voor vertrek van het schip. Dit betekent een onnodige belasting van het milieu en het kan hinder voor omwonenden veroorzaken. Bovendien kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld ten dienste van proefdraaien van de hoofdmotor.

Artikel 5.8 Laden en lossen van goederen

Dit artikel bevat een verbod voor het laden, lossen en overslaan van goederen. Een uitzondering

op het verbod is gemaakt voor goederen die bestemd zijn voor eigen gebruik. Aangezien de haven

met name gebruikt wordt door plezierschepen en charterschepen, komt het in de praktijk niet veel

voor dat er schepen zijn die moeten laden of lossen in de haven. Voor het geval er wel een schip is

dat geladen of gelost moet worden, kan het college op grond van het tweede lid ontheffing verlenen

van het verbod.

Artikel 5.10 Gebruik van ankers

In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen infrastructurele voorzieningen, zoals bodembescherming, leidingen en kabels. Het gebruikmaken van ankers zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te voorkomen is als uitgangspunt genomen dat het in de haven verboden is van een anker gebruik te maken, met uitzondering van het geval genoemd in het eerste lid.

Artikel 5.11 Gebruik van spudpalen

In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen infrastructurele voorzieningen, zoals bodembescherming, leidingen en kabels. Het gebruikmaken van spudpalen zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te voorkomen is als uitgangspunt genomen dat het in de haven verboden is van spudpalen gebruik te maken, tenzij dit geschied overeenkomstig de aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen. Daarnaast kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod, voor zover daartoe aanleiding is.

Artikel 5.12 Gebruik generatoren door schepen

Het is verboden om tussen 22:00 uur ’s avonds en 7:00 uur ’s morgens aan boord van een schip een generator te gebruiken. In het kader van het leveren van een bijdrage aan het verbeteren van de (lokale) luchtkwaliteit worden in de haven bij de openbare ligplaatsen aansluitingen voor de afname van elektriciteit gerealiseerd. Op het moment dat het op een ligplaats dermate druk is met schepen dat geen aansluitingen meer beschikbaar zijn (bijvoorbeeld tijdens kerst of andere feestdagen), of voor schepen die voor hun elektriciteitsvoorziening meer stroom nodig hebben dan de walstroomvoorziening kan leveren, kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod.

Artikel 5.13 Verrichten van werkzaamheden

Dit artikel geeft regels over het verrichten van werkzaamheden aan schepen; hieronder vallen ook werkzaamheden die buitenboord of onderwater aan het schip plaatsvinden. Het verbod richt zich tot ‘eenieder’.

Grote reparaties aan schepen vinden doorgaans plaats op of aan een werf of in een dok. Kleine reparaties worden echter vaak aan boord verricht door de eigen bemanning of door buitenstaanders. Het verrichten van reparaties kan onder bepaalde omstandigheden gevaren met zich meebrengen.

Teneinde te voorkomen dat een kleine scheepsreparatie buiten een werf of herstellingsinrichting tot een reparatie van grote omvang, met inherente veiligheidsrisico's en grote tijdsduur uitgroeit, is in het eerste lid, onder b, opgenomen dat de reparatieduur ten hoogste drie dagen mag duren. Als de werkzaamheden langer dan drie dagen in beslag nemen, kan ontheffing worden aangevraagd op grond van het tweede lid.

Artikel 6.4 Betreden van woonruimten

In artikel 5:15 van de Awb, is bepaald dat een toezichthouder een woning niet mag betreden als de bewoner daar geen toestemming voor geeft. De bevoegdheid tot het binnentreden is gestoeld op artikel 149a van de Gemeentewet. Artikel 149a strekt ertoe dat de gemeenteraad in bepaalde gevallen de bevoegdheid kan verlenen tot het binnentreden in woningen zonder toestemming van de bewoner. Het gaat hier om binnentreden ter uitoefening van toezicht en opsporing in verband met de naleving van voorschriften inzake handhaving van de openbare orde of veiligheid en bescherming van het leven of de gezondheid van personen. Het binnentreden in woningen behoort niet tot de bevoegdheden die afdeling 5.2 van de Awb aan iedere toezichthouder verleent. De bevoegdheid tot uitoefening van bestuursdwang is in de Gemeentewet voor alle gevallen geregeld in artikel 125. De Algemene wet op het binnentreden is ook hier van toepassing, zodat voor binnentreden zonder toestemming van de bewoner een machtiging noodzakelijk is. De Algemene wet op het binnentreden maakt onderscheid tussen het bevoegd zijn tot binnentreden in een woning en het nodig hebben van een machtiging om tot binnentreden in een woning in een concreet geval over te mogen gaan. Artikel 149a attribueert aan de gemeenteraad de bevoegdheid om personen de bevoegdheid, en dus niet de machtiging, te verlenen tot binnentreden. Op grond van art. 5:27, tweede lid, van de Awb is het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het verlenen van deze machtiging. De bevoegdheid tot binnentreden zal slechts uitgeoefend mogen worden voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de taak waarvoor binnen wordt getreden, nodig is.

Opgemerkt wordt dat onder het begrip ‘woning’ tevens een woning aan boord van een schip moet worden verstaan.