Bomenverordening Dantumadiel 2014

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, een hout­wal, een houtsingel of een gro­tere (lint)­­­­be­groei­ing van struiken;

b. boom: een houtachtig gewas met een stamomtrek van minimaal 31 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meer­stammigheid geldt de stamomtrek van de dik­ste stam. De stamomtrek kan kleiner zijn indien sprake is van een boom in het kader van de herplant- of instandhoudingsplicht;

c struik: iedere houtachtige plant die zich van de grond af vertakt en waarvan de omtrek van de dikste stam op 1,3 meter hoogte vanaf het maaiveld, niet meer bedraagt dan 31 centimeter;

d. houtwal: verhoogde lintvormige smalle beplantingsstrook met daarop op geregelde afstand of aaneengesloten bomen of boom­vor­mers en struiken;

e. houtsingel: lintvormige, veelal langs een sloot gelegen, be­plan­tings­strook van bomen of boom­vormers (door­gaans el­zen) al dan niet in combi­natie met strui­ken (door­gaans meidoorn);

f. groot onderhoud:

bij markante bomen: incidenteel, achterstallig onderhoud, niet zijnde structureel onderhoud, waarbij dode, zwakke of hinderlijke takken worden verwijderd en/of de groeiplaats wordt verbeterd;

bij houtsingels en houtwallen: periodiek geheel afzetten bij wijze van onderhoudsmaatregel van daarvoor geschikte boomsoorten, in de volksmond ook wel aangeduid als afzetten;

g. vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel; het ver­rich­ten van han­delin­gen, zo­wel boven- als on­der­gronds, die de dood of ern­sti­ge bescha­di­ging of ont­sie­ring van houtop­stand tot gevolg kunnen heb­ben;

h. knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als noodzakelijk periodiek onderhoud;

i.. markante boom: een boom of houtopstand die als zodanig is aangewezen op een door burgemeester en wethouders vast te stellen bomenlijst als bedoeld in artikel 4, lid 1;

j. erf: het perceel, of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

k. bebouwde kom; de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid van de Boswet. 

l. cypresachtigen: hieronder vallen de zogenaamde “tuinconiferen”welke onderdeel uitmaken van de navolgende families: Cupressus, Chamaecyparis, Cupressocyparis, Thuja, Thujopsis, Libocedrus en Juniperus;

m. Boomwaarde; de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen.

 

 

Artikel 2 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te doen vel­len.

2. Het verbod geldt niet voor:

a. houtopstand in tuinen of erven behorende bij woningen, met uitzondering van houtwallen en hout­singels , markante bomen en houtopstan­den die zijn ge­plant ingevolge ar­t.7, lid 1 en art. 9, lid 1;

b. het uitvoeren van groot onderhoud aan houtwallen en houtsingels wanneer er sprake is van periodiek onderhoud en wanneer de kap gemeld wordt overeenkomstig artikel 3;

c wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voorzover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;

d. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

e. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

f. kweekgoed;

g. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregi­streerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten de bebouwde kom, tenzij de houtop­stand een zelfstandige eenheid vormt die:

- een kleiner oppervlakte beslaat dan 10 are, of

- in geval van rijbeplan­ting, gerekend over het totale aantal rijen, minder bomen omvat dan 20;

h. houtopstand die moet worden geveld krach­tens de Plantenziekten­wet of krachtens een aanschrijving of last van burgemeester en wethouders, zulks onvermin­derd het bepaalde in art. 7, lid1 of art. 9, lid 1 van deze verordening;

i. het periodiek beknotten of kandelaberen als cultuurmaatregel;

j. bomen die behoren tot de cypresachtigen;

k. verloren gegane houtopstand, waarvan de gemeente de eigenares of de rechthebbende is, wanneer het vellen daarvan gebeurt met het oogmerk de houtopstand op openbaar terrein te vervangen.

3.. De vergunning is zaaksgebonden.

4. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

 

Artikel 3 Meldplicht groot onderhoud houtwallen en houtsingels

1 Het in het eerste lid van artikel 2 gestelde verbod geldt niet voor het plegen van groot onderhoud, hierna aangeduid als afzetten, aan houtwallen of houtsingels indien het voornemen om af te zetten wordt gemeld aan burgemeester en wethouders conform het tweede lid en:

  • 1.het afzetten plaatsvindt aan het einde van een onderhoudscyclus, ook wel eindkap genoemd, van houtsingels en houtwallen, dat is over het algemeen na ongeveer 25 jaar op het moment dat de lengte- en diktegroei van de bomen afneemt;

  • 2.dubbele singels (aan weerszijden van een sloot of greppel) tegelijkertijd worden afgezet om de hergroei van beide singels te bevorderen;

  • 3.de stammen schuin onder een hoek van 10 tot 40 graden op minimaal 15 en maximaal 30 centimeter boven de stobbe (= de laagste vertakking van een boom) worden afgezaagd;

  • 4.maximaal vijf solitaire grote bomen (zoals eiken of essen) per 100 meter worden gespaard mits deze bomen geen gebreken hebben en van boven voor tweederde van de totale lengte regelmatig en evenredig vertakt zijn;

  • 5.maximaal vijf solitaire struiken (zoals meidoorn en vuilboom) per 100 meter worden gespaard.

  • 6.De meldplichtprocedure dient aan de navolgende voorwaarden te voldoen:

    • 1.burgemeester en wethouders dienen in kennis te worden gesteld van het voornemen tot afzetten middels een door of namens burgemeester en wethouders opgesteld meldingsformulier;

    • 2.niet wordt overgegaan tot afzetten voordat de melder namens burgemeester en wethouders een ontvangstbevestiging van de melding heeft ontvangen;

    • 3.niet wordt overgegaan tot afzetten als er 6 maanden zijn verstreken sinds het doen van de kennisgeving.

  • 7.Op de melding als bedoeld in het eerste lid is artikel 6, lid 1 van overeenkomstige toepassing.

 

 

Artikel 4 Markante houtopstanden

1. Burgemeester en wethouders houden een lijst bij (bomenlijst), waarop het houtop­stan­den plaatst, die hij als marklant heeft aangewezen. Burgemeester en wethouders kunnen daarin ambtshalve of op verzoek wijzigingen aanbrengen.

2 Burgemeester en wethouders kunnen een houtopstand op de bomenlijst plaatsen indien deze naar hun oordeel op grond van artikel 6 lid 1 genoemde criteria van bijzondere betekenis is.

3. Burgemeester en wethouders kunnen zelfstandig of op verzoek van een eigenaar en/of beheerder van een markante houtopstand besluiten tot het afvoeren van deze houtopstand van de bomenlijst, indien:

a. de houtopstand is geveld of op andere wijze teniet is gegaan;

b. de houtopstand in een onomkeerbare slechte conditie verkeert;

c. sprake is van dreigend gevaar of schade voor derden;

d. de reden om tot plaatsing op de lijst over te gaan niet meer aanwezig is.

e. er sprake is van een zwaarwegender belang dan de belangen die hebben geleid tot plaatsing van de houtopstand op de bomenlijst.

4. Een ontwerp besluit tot wijziging van de bomenlijst wordt onverwijld meegedeeld aan de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en voorts aan degenen die om wijziging hebben verzocht. Burgmeester en wethouders leggen het ontwerp van het besluit ter inzage gedurende 6 weken. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden en ingezetenen een zienswijze indienen.

5. Met ingang van de datum waar­op de kennisgeving heeft plaatsgevonden tot het moment dat plaatsing op de bomenlijst plaats­vindt, dan­ wel vaststaat dat de houtopstand niet als markant op de lijst wordt geplaatst, vindt het bepaalde in artikel 2, tweede lid onder a geen toepassing.

6. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de aanwijzing binnen acht weken of, indien over het ontwerp tijdig een zienswijze kenbaar is gemaakt, binnen twaalf weken na de termijn van ter inzage legging.

7 De bomenlijst kan drie categorieën van markante bomen en houtopstanden bevatten, namelijk:

  • a.nationale, geregistreerde;

  • b.lokale;

  • c.toekomstige.

8. De bomenlijst omvat in ieder geval een voor een ieder goed herkenbare omschrijving, de stand­plaats, de eige­naar en/of zakelijk ge­rechtigde en de reden van registra­tie van iedere houtop­stand.

9. De gemeente draagt mede zorg voor het groot onderhoud, niet zijnde regulier onderhoud, aan houtop­stan­den van derden die op grond van dit artikel op de bomenlijst zijn ingeschre­ven. Zij verleent daartoe de door haar noodza­ke­lijk geachte dien­sten.

10. De eigenaar en/of zakelijk gerechtigde is verplicht burgemeester en wethouders onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van:

a. eigendomsoverdracht van de markante boom;

b. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de markante boom;

c. de dreiging dat de markante boom geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.

 

 

Artikel 5 Spoedeisend belang

Het bevoegd gezag kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van een ernstige bedrei­ging van de (openbare) veiligheid, noodtoestand of andere uitzonder­lijke situaties.

Artikel 6 Toetsingscriteria

Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning weigeren, dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van onder andere:

  • 1.natuur- en milieuwaarden van de houtopstand;

  • 2.landschappelijke waarden van de houtopstand;

  • 3.cultuurhistorische waarden van de houtopstand;

  • 4.de waarde van de houtopstand voor het dorpsschoon;

  • 5.waarden voor de leefbaarheid van de houtopstand;

  • 6.de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

  • 7.de boomwaarde van de houtopstand.

Zij verwijzen voor hun motivering zoveel mogelijk naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.

 

Artikel 7 Bijzondere vergunningsvoorschriften

  • 1.Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voor­schrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden her­plant.

  • 2.Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbe­planting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 3.Een vergunning wordt verleend onder de standaard voorwaarde van feitelijk niet- gebruik tot zes weken na de dag van bekendmaking van de kapvergunning.

 

 

Artikel 8 Intrekking of wijziging van de vergunning

Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, kan het bevoegd gezag de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken dan wel wijzigen indien:

a. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na  het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;

c. de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zijn of worden nagekomen;

d. de houder of zijn rechtverkrijgende daarom verzoekt.

 

 

Artikel 9 Vervaltermijn vergunning

De vergunning vervalt indien daarvan niet binnen één jaar na het onherroepelijk worden gebruik is gemaakt

 

 

Artikel 10 Herplant-/instandhoudingsplicht

1 Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerech­tigde van de grond waarop de houtop­stand zich bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van de voorzienin­gen bevoegd is, de verplich­ting opleg­gen te herbeplanten overeen­komstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzin­gen binnen een door het bevoegd gezag te stellen ter­mijn.

2 Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opge­legd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplan­ting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervan­gen.

3 Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voort­bestaan wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerech­tigde van de grond waarop zich de houtop­stand be­vindt, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzienin­gen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeen­komstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzienin­gen te treffen, waardoor die bedrei­ging wordt weggeno­men.

4 Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

 

 

Artikel 11 Schadevergoeding

Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de toepassing van artikel 2, artikel 7 of artikel 9, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kennen burgemeester en wethouders hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

 

 

Artikel 12 Bestrijding van iepziekte

1. Dit artikel verstaat onder:

a. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (sym. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moureau);

b. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scoly­tus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.

2. Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oor­deel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren voor ver­sprei­ding van de iep­ziekte of voor ver­meerdering van iepenspintkevers, is de rechtheb­ben­de, indien hij daartoe door burgemeester en wethouders is aange­schreven, ver­plicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

 a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

b. de iepen te ontschorsen en de schors te ver­nietigen;

c. de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernieti­gen of zodanig te behande­len dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

3. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm, voor­-handen of in voorraad te hebben of te vervoeren. Burgemeester en wethouders kunnen onthef­fing verlenen van dit verbod.

 

 

Artikel 13 Afstand van de erfgrenslijn

De afstand van de erfgrenslijn bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.

 

 

Artikel 14 Aanvraag vergunning

  • 1.De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  • 2.Wanneer het bevoegd gezag in het kader van de Boswet aan burgemeester en wethouders een afschrift heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwen burgemeester en wethouders dit afschrift mede als een vergunningaanvraag uitgezonderd wanneer de aanvraag bedoeld is voor de aanleg van dammen in houtsingels en houtwallen tot 10 meter breedte met als doel het verbinden van 2 landbouwpercelen.

 

Artikel 15 Bescherming openbare bomen

  • 1.Het is verboden om houtopstanden, welke gemeentelijk eigendom zijn:

- te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

- daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door of in opdracht van de gemeentelijke ambtenaren ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak.

  • 1.Het is verboden om een of meer voorwerpen aan een openbare houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens vergunning van burgemeester en wethouders.

 

Artikel 16 Strafbepaling 1. Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 4,6, 7 of 10 is gegeven, alsmede diens rechtsopvolger, is gehouden dienovereenkomstig te handelen. 2. Hij die handelt in strijd met artikel 2, dan wel een voorschrift onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in het eerste lid niet nakomt, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. Tevens kan een rechterlijke veroordeling op grond van dit artikel openbaar gemaakt worden. Bij de strafmaatbepaling kan rekening worden gehouden met de boomwaarde. 3. De op grond van dit artikel ingestelde strafvervolging laat onverlet de mogelijkheid tot het instellen door burgemeester en wethouders van een privaatrechtelijke vordering tot schadevergoeding wegens schade aan bomen en houtopstanden.

 

Artikel 17 Toe zicht en opsporing

Met het toezicht op de naleving van deze verordening dan wel de opsporing van de in deze verordening strafbaar gestelde feiten zijn behalve de ambtenaren, genoemd in artikel 141 van het wetboek van strafvordering, belast de daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

 

Artikel 18 Betreden van gebouwen en terreinen

Zo dikwijls als de zorg voor de naleving van enig voorschrift van deze verordening dit vereist, wordt hierbij aan hen die met de zorg voor de naleving daarvan zijn belast of daaraan moeten meewerken, de last verstrekt gebouwen, niet zijnde woningen, en terreinen te betreden, desnoods tegen de wil van de rechthebbende.

 

Artikel 19 Inwerkingtredin g

  • 1.Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.

  • 2.Op dat tijdstip wordt afdeling drie van hoofdstuk vier “Het bewaren van houtopstanden” (artikelen 4:10 tot en met 4:19) van de Algemene Plaatselijke Dantumadiel 2011 zoals laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 17 december 2013, ingetrokken.

 

Artikel 20 Overgangsbepaling

  • 1.Vergunningen, verleend krachtens de ingetrokken afdeling “Het bewaren van houtopstanden” worden - indien en voorzover het verbod waarop de vergunning betrekking heeft, ook is vervat in deze verordening - geacht vergunningen in de zin van deze verordening te zijn.

  • 2.Voorschriften en verplichtingen opgelegd krachtens de ingetrokken afdeling “Het bewaren van houtopstanden” blijven - indien en voorzover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en verplichtingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening - van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.

  • 3.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag of verzoek om vergunning, schadevergoeding of anderszins op grond van de ingetrokken afdeling “Het bewaren van houtopstanden” is ingediend waarop voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt - indien en voorzover de bepalingen ingevolge welke de aanvraag of het verzoek is ingediend, ook zijn vervat in deze verordening - de ingetrokken afdeling “Het bewaren van houtopstanden” toegepast, tenzij de aanvrager of verzoeker de wens te kennen geeft dat de bepalingen van deze verordening worden toegepast.

  • 4.Op een aanhangig bezwaar- of beroepschrift, betreffende een vergunning bedoeld in het eerste lid of een voorschrift of verplichting bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening is ingekomen binnen de voordien geldende termijn, wordt beslist met toepassing van de ingetrokken afdeling “Het bewaren van houtopstanden”.

 

 

Artikel 21 Ci teertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Bomenverordening Dantumadiel 2014.

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Dantumadiel, gehouden in het gemeentehuis te Damwâld op 22 april 2014.

De raad voornoemd,

 

 

S. Heldoorn, voorzitter.

 

 

 

C. Vos, griffier.

 

 

Naar boven