Beleidsregels handhaving en afstemming WWB, IOAW, IOAZ en Bbz

collegebesluit 120626-11

Aanleiding

De Wet werk en bijstand (WWB) is per 1 januari 2012 gewijzigd. De raad heeft naar aanleiding hiervan begin 2012 een nieuwe verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz vastgesteld. De verzamelverordening is, zoals de naam al zegt, een samenvoeging van een aantal wettelijk verplichte verordeningen.

Het vaststellen van beleidsregels, behorende bij deze verordening, is een bevoegdheid van het college. Dit collegeadvies omvat de beleidsregels die betrekking hebben op het onderdeel handhaving en afstemming. Deze beleidsregels zijn voortgekomen uit het project "strakker handhaven". Binnen dit project zijn naast actualisering van de beleidsdocumenten ook alle werkprocessen en informatiedragers gescreend en wordt de stuurinformatie waar nodig aangepast en aangevuld.

Allereerst ligt er een concept Handhavingsplan, met hierin een uitwerking van het principe van hoogwaardig handhaven binnen de Verzamelverordening.

Daarnaast zijn er de volgende concept beleidsregels:

  • -Handhaving;

  • -Afstemming;

  • -terug- en invordering;

  • -verhaal kosten van bijstand.

Beoogd effect/ bestuurlijk kader

De beleidsruimte van het college binnen de Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2012 wordt ingevuld met de beleidsregels. Deze beleidsregels zijn een richtsnoer voor de uitvoering. Door uitvoering van deze regels komt de gemeente tot strakke handhaving wat een gunstig effect heeft op het I-deel.

Besluit

  • 1.Het college stelt vast:

  • 1.Het handhavingsplan WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2012;

  • 2.De beleidsregels handhaving;

  • 3.De beleidsregels afstemming;

  • 4.De beleidsregels terug- en invordering;

  • 5.De beleidsregels verhaal kosten van bijstand.

  • 2.Het college stelt de ingangsdatum op 1 juli 2012.

  • 3.Het college mandateert de afdelingsmanager Werk & Inkomen om wijzigingen met betrekking tot de uitvoering te verwerken in deze beleidsregels.

Argumenten

Het is aan het college om te bepalen in hoeverre het te voeren beleid daadwerkelijk in beleidsregels en uitvoeringsvoorschriften wordt vastgelegd. Het opstellen van deze regels is geen wettelijke verplichting. In beginsel kunnen burgemeester en wethouders per individuele situatie bepalen of zij van hun bevoegdheden gebruik maken. Wanneer het beleid echter niet in regels of nadere voorschriften is vastgelegd, dan stelt dit hoge eisen aan de motivering van elk individueel besluit. Bij elk besluit zal immers moeten worden aangegeven waarom van de in de wet gegeven bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. Dit kan worden ondervangen door het verwijzen naar beleidsregels. Bovendien biedt het beschrijven van beleid en het publiceren daarvan de beste waarborg tegen willekeurige toepassing van wettelijke bepalingen.

De gemeente moet strakker toezien op de naleving van de verplichtingen door uitkeringsgerechtigden. Dit moet vanwege een aanwijzing van uit het ministerie, maar ook vanuit de stagnering van de uitstroom. Er moet meer gecommuniceerd worden naar de klanten "afspraak is afspraak" en niet nakoming van de afspraken heeft ook consequenties. Niet omwille van het sanctioneren op zich maar om spontane naleving van de verplichtingen te bevorderen.

Toelichting op het voorstel:

De nu voorliggende beleidsstukken zijn niet nieuw. Het huidige beleid van de gemeente Tilburg is als uitgangspunt genomen. Er is rekening gehouden met de geldende jurisprudentie. Ook is de aanschrijving van het ministerie dat toegezien gaat worden op een rechtmatige uitvoering van de wet meegenomen in deze beleidsregels. Doel hiervan is striktere naleving van de verplichtingen te bevorderen.

De volgende regels zijn nieuw c.q. aangescherpt:

Handhaving:

Er komt meer de nadruk te liggen op de preventieve pijler van handhaving. Op allerlei manieren en momenten wordt er gecommuniceerd naar de burger over de rechten en plichten verbonden aan het hebben van een uitkering.

De uitgangspunten van de Wet eenmalige gegevensuitvraag (WEU) zijn verwerkt. In beginsel hoeven klanten geen gegevens aan te leveren waar de gemeente via andere bronnen (real time) over kan beschikken.

Er wordt invulling gegeven aan de wijze waarop de gemeente de rechtmatigheid van de uitkering controleert.

Afstemming:

Een aantal begrippen in de Verzamelverordening worden ingevuld, zoals b.v. wanneer er sprake is van zeer ernstig misdragen richting medewerkers, wanneer een klant kansrijk is ten aanzien van werk:

  • -als er sprake is van een gezin met ten laste komende kinderen, omdat kinderen niet de dupe mogen worden van de gedragingen van de volwassen gezinsleden;

  • -als er sprake is van een minnelijk schuldhulpverleningstraject;

  • -in andere situaties als duidelijk is dat er grote problemen ontstaan zoals b.v. huisuitzettingen.

Er wordt toegelicht wanneer de maatregel van 100% omgezet kan worden naar 2x 50%:

  • a.Als de afstand tot de arbeidsmarkt minder is dan 1 jaar vanwege recente werkervaring;

  • b.Als er een investering is geweest in een re-integratietraject waardoor de afstand tot de arbeidsmarkt is verminderd en klant geacht wordt binnen 1 jaar aan het werk te kunnen.

Verder wordt vastgelegd dat er in beginsel geen ontheffing wordt gegeven van de arbeidsverplichtingen, eventueel wel van de re-integratieverplichting en alleen tijdelijk.

Terug- en invordering:

Dit betreft vooral actualisering van eerder vastgesteld beleid. Grote wijziging hierin is dat we niet meer werken met een kruimelbedrag. Een kruimelbedrag is een vastgesteld bedrag, waaronder we niet meer terugvordering. Dit was € 100,-. Uitgangspunt wordt dat alles wordt teruggevorderd, maar dat we bij invordering wel een kosten/baten analyse maken of de kosten van invordering wel opwegen tegen de opbrengst hiervan.

Verder wordt bepaald dat terugvorderingen ten gevolge van verwijtbaar gedrag (fraudevorderingen) niet meer voor kwijtschelding in aanmerking komen, zoals dat in het huidige beleid wel het geval is na vijf jaar.

Verhaal:

De gemeente kan de onderhoudsbijdrage van ex-partners afdwingen via verhaal. Deze beleidsregels zijn inhoudelijk niet gewijzigd, alleen geactualiseerd op de wetswijziging WWB 2012.

Afstemming

De notities zijn afgestemd met de betrokken afdelingen binnen de gemeente. Externe afstemming heeft plaatsgevonden met de Klantenraad Werk en Bijstand, in een vroeg stadium. Zij hebben meegedacht met de beleidsregels handhaving en afstemming. De Klantenraad gaat akkoord met de beleidsregels, maar vraagt aandacht voor de functie van handhaving: bevorderen spontane naleving. De notities hebben ook deze opzet: primair bevorderen kenbaarheid en bevorderen naleving van de verplichtingen met als doel het bevorderen van uitstroom. Pas bij niet nakoming zal een sanctie overwogen worden, maar daar wordt wel strikt toepassing aan gegeven in de uitvoering.

Kosten en dekking

De beleidsregels passen binnen de regels van de Verzamelverordening en hebben mede ten doel de uitgaven op het I-deel in te perken.

Vervolg

De beleidsregels moeten formeel bekend gemaakt worden in het gemeenteblad en gepubliceerd op de gemeentepagina in het Stadsnieuw.

De uitvoering wordt goed geïnformeerd en geïnstrueerd op het geactualiseerde beleid. De aangescherpte uitgangspunten worden ook gecommuniceerd naar de stad in het algemeen en de intermediairs in het bijzonder. De boodschap hierbij is de volgende: aan het hebben van een uitkering zijn verplichtingen verbonden. Deze verplichtingen moeten nagekomen worden "afspraak is afspraak". Niet nakoming heeft gevolgen. In samenwerking met communicatie wordt deze boodschap verbonden aan rechten, zodat er geen drempel wordt opgeworpen om een uitkering aan te vragen, maar juist duidelijkheid omtrent alle rechten en plichten wordt bevorderd.

Evaluatie

De stuurinformatie is geactualiseerd. De effecten van het beleid inclusief instructie aan de uitvoering worden bijgehouden in het kader van de terugdringing van het tekort op het I-deel.

Bijlagen

  • 1.Het handhavingsplan WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2012;

  • 2.De beleidsregels handhaving;

  • 3.De beleidsregels afstemming;

  • 4.De beleidsregels terug- en invordering;

  • 5.De beleidsregels verhaal kosten van bijstand

Handhavingsplan

WWB/IOAW/IOAZ en Bbz Tilburg

2012

Gemeente Tilburg

1. INLEIDING

Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van een aantal regelingen voor inkomensvoorziening (WWB, IOAW, IOAZ en Bbz voor zelfstandigen). Naast het verstrekken van uitkeringen moet de gemeente ook toezien op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de verstrekking. Met de volledige financiële verantwoordelijkheid voor gemeenten is het belang van het beheersen en bestrijden van fraude vergroot.

De Verzamelverordening WWB e.d. 2012 bevat in § 4 de handhavingsverordening. Hierin heeft de raadbepaald dat gewerkt wordt naar het landelijk model van hoogwaardig handhaven. De verdere uitwerking heeft de raad voorbehouden aan het college. Dit handhavingsplan regelt nader waarom, hoe en onder welke voorwaarden het college gebruik maakt of kan maken van de bevoegdheid om het vastgestelde handhavingsbeleid in te zetten. In de beleidsregels worden de algemene uitgangspunten verder uitgewerkt voor de uitvoering.

Het verschil tussen de beleidsregels en dit handhavingsplan is dus dat in de beleidsregels invulling wordt gegeven aan de beleidsruimte van het college vanuit wet en verordening, terwijl in het handhavingsplan het kader vanuit de verordening wordt aangevuld vanuit bestaand en gewenst beleid.

Handhaving omvat het hele terrein van alle aan de uitkering verbonden verplichtingen, zoals de inlichtingenverplichting, de arbeids- en re-integratieverplichting en de medewerkingsplicht.

Er bestaat behoefte vanuit de uitvoering om het handhavingsbeleid goed en eenduidig te formuleren. Daarnaast vraagt de WWB 2012 om een aanscherping van (de nakoming van) de verplichtingen. Goede dienstverlening staat hierbij centraal. De uitdaging is het dienstverlenend karakter van uitvoering van de regelingen te verstevigen en de rechtmatigheidprocessen effectiever en efficiënter te laten verlopen. Streven hierbij moet zijn om de uitkeringsgerechtigden te bewegen tot spontane naleving van de verplichtingen, waardoor repressief handhaven minder noodzakelijk zal zijn. Maar als er sprake is van niet-nakoming moet dit worden opgespoord en gesanctioneerd.

2. WETTELIJKE BASIS

De gemeenteraad is verplicht om in het kader van het financiële beheer bij verordening regels te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand, alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de aan deze inkomensvoorzieningen gerelateerde wetten. Het gaat hier dus om de regels opgenomen in de WWB, maar ook de IOAW en IOAZ en Bbz. De gemeenteraad heeft in de Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz in paragraaf 4 de kaders van hoogwaardig handhaven opgenomen en heeft het stellen van nadere regels opgedragen aan het college .

De uitgangspunten ten aanzien van preventie en repressie van misbruik van genoemde wetten zijn opgenomen in dit handhavingsplan. Het handhavingsplan wordt dan ook aan het college voorgelegd ter vaststelling.

Onder repressie valt ook het verlagen van de uitkering indien verplichtingen niet zijn nagekomen, in de wet wordt dit "afstemming" genoemd. De situaties en de mate waarin de uitkering wordt verlaagd zijn vastgelegd in paragraaf 3 van de Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz Gemeente Tilburg 2012. Het handhavingsplan wordt aangevuld met beleidsregels op afstemming en handhaving, als leidraad voor de uitvoering.

2.1 Visie op handhaving

Het Handhavingsprogramma 2011- 2014 van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) geeft de landelijke koers aan. In het regeringsakkoord van het (demissionaire) kabinet is een financiële taakstelling opgenomen die het Uitvoeringsorgaan Werknemers Verzekeringen (UWV), Sociale verzekeringsbank (SVB) en gemeenten moet aanzetten tot een intensivering van de bestrijding van uitkeringsfraude. De regering kiest duidelijk voor een harde lijn. De gemeente Tilburg werkt dit uit in haar Verzamelverordening. De landelijke aanscherping is al te zien in de WWB 2012, maar er liggen nog voorstellen van de staatssecretaris om bij herhaalde fraude het recht op uitkering gedurende 3 maanden te ontnemen. De staatssecretaris gaat jaarlijks 6 miljoen extra besteden aan de ondersteuning van de gemeenten bij de aanpak van fraude met uitkeringen. Dit geld zal voornamelijk worden gebruikt om de externe handhavingspartners zoals de Regionale Coördinatie Fraudebestrijding (RCF) en de inspectie SZW te versterken zodat deze partijen de gemeenten beter kunnen faciliteren. Sinds 2011 krijgen de gemeenten zelf geen extra gelden meer voor handhaving. Verdere speerpunten uit het Handhavingsprogramma 2011-2014 van SZW zijn onder andere de (verdere) ontwikkeling van informatie gestuurd handhaven, de harmonisatie van het sanctiebeleid binnen de Sociale Zekerheidswetgeving, de verdere ontwikkeling van risicoprofielen en de inzet van doelgroepgerichte nalevingscommunicatie.

Burgers moeten worden aangemoedigd om zelf bij te dragen aan een hogere nalevingsbereidheid. De verplichtingen en de consequenties van niet naleving zijn bij alle burgers bekend. Zij worden aangemoedigd om spontaan de regels na te leven. Dit betekent dat stevig ingezet moet worden op de communicatie naar de burgers.

Het belangrijkste speerpunt binnen handhaving is preventie: het voorkomen van fraude en voorkomen van niet nakoming van verplichtingen om de schadelast bij zowel de klant als de gemeente te beperken. Daarnaast blijft het uitgangspunt dat fraude niet mag lonen overeind. Indien fraude niet kan worden voorkomen is vroegtijdig opsporen, terug- en invorderen vanuit een strakke aanpak en maatwerk het devies. Deze uitgangspunten zullen niet wijzigen, omdat de teruglopende financiële middelen waaronder de tekorten op het I-deel gemeenten dwingen om strak te handhaven, ook om het draagvlak onder de sociale zekerheid te behouden.

3. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN

Er zijn een aantal toekomstige ontwikkelingen te benoemen, die vooral op hoofdlijnen bekend zijn. De impact ervan voor de uitvoering is nog niet duidelijk. Daarom worden deze ontwikkelingen benoemd, maar nog niet verwerkt in beleidsregels. Het is belangrijk deze ontwikkelingen te volgen zodat de beleidsregels aangepast kunnen worden zodra dit mogelijk en noodzakelijk is.

3.1 Hervorming onderkant arbeidsmarkt

Het kabinet wil komen tot één regeling (Werken naar vermogen) voor de WWB, Wsw en Wajong die gepland stond op 1 januari 2013. Met het vallen van het kabinet zal deze datum niet gehaald worden. Er is wel veel steun voor één regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt (politiek, VNG, Divosa) dus er zal wel een dergelijke wet komen. Hoe deze er nu uit zal gaan zien en welke gevolgen deze nieuwe wetgeving zal hebben voor de uitvoeringspraktijk en op de resultaten van handhaving kan nog niet met zekerheid worden gezegd.

3. 2 Wet Eenmalige gegevens Uitvraag (WEU)

De WEU die moet leiden tot administratieve lastenverlichting voor de klant kent al een lijst met gegevens die de gemeente niet meer mag vragen van de klant die bijstand aanvraagt of reeds ontvangt. Het gaat om gegevens waarvan geacht kan worden dat de gemeente deze al kent. Deze lijst is momenteel beperkt tot een aantal persoonsgegevens uit het GBA en overige gemeentelijke informatie. Er ligt een wetsvoorstel om deze lijst aanzienlijk uit te breiden.

Dit heeft gevolgen voor de balans tussen de inlichtingenverplichting van de klant en de onderzoekplicht van de gemeente. De noodzaak voor de gemeente om zelf gegevens actueel te houden en te reageren op wijzigingen in de persoonlijke situatie van de klant met eventuele gevolgen voor de uitkering neemt hierdoor toe.

Meer e-dienstverlening en WEU

Door deze ontwikkelingen op de WEU maar ook andere landelijke en lokale ontwikkelingen op het gebied van administratieve lastenverlichting zullen de contacten met de klant afnemen. Ook de keuzes die ten gevolge van de bezuinigingen moeten worden gemaakt zullen effecten hebben op het klantencontact. Het UWV Werkbedrijf zet bijvoorbeeld sterk in op e-dienstverlening aan de klanten. Dit betekent dat hun dienstverlening in de toekomst meer via de elektronische weg zal plaatsvinden en er in principe geen face to face contacten meer zullen zijn.

De nadelige effecten van deze ontwikkeling moeten worden gecompenseerd door nog meer in te zetten op risicosturing, themaonderzoeken, steekproefsgewijze controle en het activeren van externe bronnen.

3.3 Verdere ontwikkeling DKD

In het verlengde van hetgeen onder 3.2 is beschreven wordt het Digitaal Klant Dossier (DKD) verder ontwikkeld. Dit is een reeks ict-applicaties die het mogelijk maakt om klantgegevens elektronisch uit te wisselen tussen de verschillende partijen in de keten van werk en inkomen. Het Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten (King) gaat verschillende onderdelen beheren en verder ontwikkelen. Het gaat hierbij om digitale formulieren, intakemodules, antwoordgenerator, signalenservice, uitwisselingsmechanisme, antwoord voor Werkpleinen en financiering. Er wordt in totaal 1,35 miljoen euro beschikbaar gemaakt om het DKD verder te ontwikkelen en om alle Nederlandse gemeente er mee te laten werken. Het geld komt uit het gemeentefonds en gaat naar de VNG, die als opdrachtgever optreedt naar King.

De verdere ontwikkeling van het DKD verbetert de dienstverlening aan de klant en zorgt voor een completer klantbeeld voor alle ketenpartners. Zo wordt zowel het preventieve element van hoogwaardig handhaven (optimalisering van de dienstverlening) als het repressieve element (vroegtijdige opsporing en afhandeling van fraude) versterkt. Een DKD met complete en gevalideerde gegevens betekent ook een administratieve lastenverlichting voor de medewerkers in de keten waardoor meer aandacht aan de klant kan worden besteed.

3.4 Ontsluiting gemeentelijke informatie

Bij de verschillende gemeentelijke afdelingen van de Gemeente Tilburg zijn gegevens bekend die van belang kunnen zijn voor handhaving maar ook voor de dienstverlening aan de burger. Het ontsluiten van deze informatie blijkt geen gemakkelijke opgave. Allerlei technische problemen bij het koppelen van de verschillende systemen en de privacybepalingen maken de koppeling van de systemen minder eenvoudig dan gewenst.

In het Handhavingsprogramma van SZW is opgenomen dat het RCF ondersteuning gaat bieden bij de verbetering en de ontsluiting van gemeentelijke informatie voor handhavingsdoeleinden.

3.5 Wetsvoorstel huisbezoek

In april 2009 is er een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd om gemeenten meer mogelijkheden te bieden voor het controleren van uitkeringsfraude via huisbezoeken. Gemeenten mogen in de nieuwe situatie ook zonder vermoeden van fraude controles door middel van een huisbezoek uitvoeren bij uitkeringsgerechtigden, bijvoorbeeld om na te gaan of iemand wel echt alleenstaand is. Deze extra controlemogelijkheid geldt voor alle sociale uitkeringen waarbij de uitkering gerelateerd is aan de samenstelling van het huishouden.

Het wetsvoorstel huisbezoeken zou op 1 januari 2010 van kracht zou zijn maar is door het demissionaire kabinet Balkenende IV controversieel verklaard. De verwachting is dat het wetsvoorstel 1 juli 2012 van kracht wordt. Over de inhoud van de uiteindelijke wetgeving zal met gemeenten overleg worden gevoerd. De exacte effecten op de controlemogelijkheden van de gemeenten zijn nog niet helemaal duidelijk. In dit plan is nog uitgegaan van de bestaande wetgeving en jurisprudentie. Zodra het wetsvoorstel is aangenomen zullen de regels hierop aangepast worden.

3.6 Lean

De gemeente Tilburg is bezig met het project "Lean in Tilburg", waarbij alle werkprocessen gescreend worden op overbodige stappen. Lean betekent dus dat alle “overbodige” en tijdrovende onderdelen uit de werkprocessen worden gehaald. Dit proces loopt al en bij TNK is inmiddels een pilot voltooid. Goede dienstverlening, duidelijke communicatie draagt zeker bij aan het lean kunnen uitvoeren van de werkprocessen binnen Werk & Inkomen. Aandachtspunt binnen het lean management is de rechtmatigheid. Het streven is om te komen tot slanke werkprocessen waarbij de rechtmatigheid geborgd is. Zo min mogelijk uitvraag en stappen binnen het proces, maar rekening houden met wat noodzakelijk is om rechtmatig een uitkering te kunnen verstrekken.

4. handhaving en afstemming algemeen

4.1 Begrip

Onder het begrip handhaven worden alle activiteiten van de gemeente verstaan die er op gericht zijn dat betrokkenen zich aan wet- en regelgeving houden. Binnen het kader van de WWB en andere inkomensvoorzieningen zoals de IOAW/Z, Bbz 2004 gaat het erom dat misbruik en oneigenlijk gebruik van de bijstand zoveel mogelijk wordt voorkomen en vroegtijdig opgespoord en gesanctioneerd. Hierbij zijn er twee groepen activiteiten te onderscheiden binnen handhaving, namelijk preventie en repressie. Bij preventie gaat het om de nalevingbereidheid van (potentiële) cliënten te bevorderen. Uitgangspunt is dat mensen uit eigen beweging tijdig de volledige en juiste gegevens verstrekken op basis waarvan de uitvoering het recht op uitkering (correct) kan bepalen. Onder repressie wordt verstaan dat ten onrechte verstrekte uitkering en misbruik in een zo vroeg mogelijk stadium wordt opgespoord en (indien verwijtbaar) bestraft.

4.2 Het doel van Handhaving is:

  • enerzijds gericht op de naleving van wet- en regelgeving ter voorkoming van fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

  • anderzijds gericht op de instandhouding van het maatschappelijke draagvlak voor het sociale zekerheidsstelsel.

4.3 Wat is programmatisch handhaven? Theoretisch kader:

Programmatisch handhaven is een methodiek die helpt om handhaving effectiever te maken. Het geeft informatie over de naleving van regelgeving en over de gevolgen van overtreding. Door gezamenlijk te onderzoeken wie overtreedt, waarom en met welke risico’s tot gevolg, ontstaat een breed gedragen beeld van de werkelijkheid. Op basis van dit beeld kan de gemeente handhaving gericht inzetten. Het is een planmatige werkwijze die geleidelijk wordt ingevoerd volgens min of meer vaste stappen en kan aansluiten bij bestaande beleidscyclus. Kenmerkend is dat programmatisch handhaven het gedrag en de situatie van mensen als uitgangspunt neemt.

De volgende stappen moeten worden doorlopen:

  • a.Risicoanalyse naar priortering

  • b.Doelgroepenanalyse naar interventiestrategie

  • c.Invoering/planning

  • d.Effecten meten en bijstellen

4.4 Stappen

  • a.Met de risicoanalyse kunnen gestructureerd en onderbouwd prioriteiten worden gesteld. De risicoanalyse geeft antwoord op de vraag welke gedragingen van welke doelgroepen het grootste negatieve effect op de rechtsbelangen hebben die de wet- en regelgeving beoogt te beschermen. Uit de risicoanalyse komen enkele doelgroepen en gedragingen naar voren waaraan prioriteit moet worden gegeven in de handhaving. De risicomatrix programmatisch handhaven is een hulpmiddel bij het stellen van prioriteiten

  • b.Op basis van de doelgroepanalyse kan een interventiestrategie worden opgesteld. Afgesproken wordt bij wie de acties op basis van de interventiestrategie worden neergelegd en hoe deze acties worden uitgevoerd. De ervaringen die vervolgens met de uitvoering worden opgedaan bieden de mogelijkheid om te ontdekken welke interventies meer of juist minder effectief zijn. Een effectmeting is daarom een handhavingsinstrument.

  • c.De onderdelen invoering/ planning en meten worden uitgewerkt in de werkprocessen en de stuurinformatie.

  • d.Programmatisch handhaven is een cyclisch geheel. De gemaakte keuzes en de effectiviteit van de interventies worden steeds opnieuw geëvalueerd. De evaluatie levert input voor de volgende cyclus programmatisch handhaven. Dit onderdeel moet in de gemeente Tilburg nog verder ontwikkeld worden en zal op een later tijdstip worden ingevoerd.

4.5 Ambities handhaving

De gemeente heeft een belangrijke maatschappelijke functie en verantwoordelijkheid inzake de uitvoering van de wettelijke sociale zekerheid, die gefinancierd wordt uit de collectieve publieke middelen. De gemeente hecht grote waarde aan het afleggen van verantwoording over de besteding van de publieke middelen. Haar maatschappelijke betrokkenheid en verantwoordelijkheid worden onder meer tot uitdrukking gebracht in een actieve en een open communicatie over de uitvoering van en het verkorten van aanspraken op sociale uitkeringen en voorzieningen, alsmede de re-integratie van uitkeringsgerechtigden.

De ambities op het terrein van handhaving zijn:

a. Rechtmatige uitkeringen

Alle uitkeringen moeten op rechtmatige wijze verstrekt worden. Alleen mensen die er recht op hebben, moeten een uitkering ontvangen.

b. Minder bijstandsfraude

Vermindering van sociale zekerheidsfraude is de tweede belangrijke doelstelling. Hoewel niet objectief is vast te stellen hoe vaak er gefraudeerd wordt, alleen hoe vaak dit wordt geconstateerd, duidelijk is dat elke frauderende klant er één te veel is.

c. Grotere mate van bereidheid tot naleving van de wet

Het streven is erop gericht de klanten optimaal te stimuleren de voor de uitkering noodzakelijke gegevens uit zichzelf te verstrekken en de aan de uitkering verbonden verplichtingen uit zichzelf na te komen.

d. Geen "onnodige" strafzaken

Vermeden moet worden dat klanten in een sanctie-situatie terecht komen. Als de gemeente onvoldoende informeert en/of onvoldoende controleert, verhoogt zij de kans op misbruik en oneigenlijk gebruik terwijl dit voorkomen had kunnen worden.

e. Optimale handhaafbaarheid

Om misbruik effectief te voorkomen of te bestrijden, moet de wet- en regelgeving natuurlijk zo handhaafbaar mogelijk zijn. Ook de uitvoering moet zodanig worden georganiseerd dat er optimaal grip ontstaat op de efficiëntie, de effectiviteit en de fraudebeheersing.

f. Maatschappelijk draagvlak

De gemeente moet laten zien dat alleen zij die recht hebben op een uitkering deze ook daadwerkelijk kunnen krijgen. Hiermee voorkomt zij dat het draagvlak voor de sociale zekerheid afbrokkelt en voorkomt zij stigmatisering van uitkeringsgerechtigden

g. Visie over handhaven uitdragen

De gemeentelijke visie op handhaving is bekend bij onze klanten en bij onze ketenpartners. Ook hiermee wordt beoogd spontane naleving te bereiken.

4.6 Uitgangspunten

  • 1.Het recht op bijstand is altijd verbonden aan een of meerdere verplichtingen voor de belanghebbende.

  • 2.Een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de wet staat voorop.

  • 3.Preventie gaat boven repressie.

  • 4.Het afstemmen niet als doel, maar als instrument tot naleving gebruiken met aandacht voor maatwerk.

  • 5.Aandacht voor alle vormen van fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik.

  • 6.Volledige financiële verantwoordelijkheid voor de gemeente.

4.7 De missie en visie van de Gemeente Tilburg

De gemeente Tilburg stelt in haar coalitieakkoord onder sociale stijging het volgende:

Wij stellen zelfredzaamheid van mensen voorop. Door mensen te prikkelen en uit te dagen om de eigen situatie te veranderen. Wij willen activeren, niet compenseren. De overheid kan en moet verantwoordelijkheden van burgers niet overnemen. Natuurlijk, mensen die echt niet zonder hulp en ondersteuning kunnen, krijgen die onvoorwaardelijk. Anderen kunnen op steun rekenen, maar in ruil daarvoor moeten ze elk op hun eigen wijze hun steentje bijdragen aan de stad.

Iedereen doet dus naar vermogen mee in de Tilburgse samenleving en niemand ontvangt ten onrechte een uitkering. Dat is het ultieme resultaat van de handhaving. Een hoge nalevingsbereidheid houdt het sociale zekerheidsstelsel rechtvaardig en betaalbaar. Elke burger profiteert daarvan mee. Daarom is het niet alleen het belang van de Gemeente Tilburg, maar van alle burgers van de Gemeente Tilburg.

4.8 Hoe wordt deze missie gerealiseerd?

Door handhaving goed te borgen in alle procesonderdelen van poort tot uitgang. Door pragmatisch te werk te gaan volgens de elementen van hoogwaardig handhaven. Door een creatieve, efficiënte en effectieve inzet van middelen, door gebruik te maken van alle informatie waarover je beschikt of kunt beschikken. En door last but not least de inzet van goed gemotiveerde competente medewerkers. Dit wordt alleen bereikt als je een goed beeld hebt van je bestand en de risico’s die daarmee gepaard gaan en daardoor de juiste prioriteiten kunt leggen. En door de medewerkers mee te nemen in de achtergrond en uitgangspunten van handhaving en te investeren in een opleiding met aandacht voor theorie en praktijk.

Het vaststellen van een programmatisch handhavingsbeleid biedt voordelen boven het achterwege laten hiervan. In iedere situatie waarin gebruik gemaakt wordt van de bevoegdheid tot handhaven kan verwezen worden naar het vastgestelde beleid. Er is minder noodzaak tot uitgebreide individuele motivering. Voorts biedt het beschrijven van beleid, en het publiceren hiervan, de beste waarborg tegen een willekeurige toepassing van de wettelijke bepalingen.

4.9 Handhaven is vanzelfsprekend zorg voor het nakomen van afspraken

Uitgangspunt van handhaven is de spontane nalevingbereidheid van uitkeringsgerechtigden te bevorderen en te bewerkstelligen dat aan de juiste personen de juiste uitkering wordt verstrekt. Handhaving staat dus voor alle bewust ondernomen activiteiten, die erop gericht zijn de spontane naleving van wet- en regelgeving te bevorderen. Het vraagt om gedrag waarbij niet telkens de grenzen worden opgezocht van wat wel en niet mag, maar eerder handelen vanuit een bewustzijn van wat maatschappelijk behoorlijk is. Dit betekent dat we samen voor de uitdaging staan om handhaving i.c. de naleving maatschappelijk meer te verankeren in de cultuur “zo doen wij dingen samen” en minder als ordenend instrument (dat mag wel en dat mag niet) waarvoor vooral de overheid verantwoordelijk is. Afspraak is afspraak, dat dragen we allemaal uit en leven we allemaal na.

4.10 Het concept programmatisch hoogwaardig handhaven

Om de hiervoor genoemde ambitie waar te maken, werkt de gemeente naar de uitgangspunten van hoogwaardig handhaven. Dit heeft de Raad ook besloten in de Verzamelverordening 2012. Bij hoogwaardig handhaven is de vormgeving van het handhavingsbeleid samengesteld uit zowel preventieve als repressieve elementen. De preventieve visie-elementen gericht op voorkoming van fraude zijn vroegtijdig informeren en het optimaliseren van de dienstverlening. De repressieve visie elementen gericht op aanpak van fraude zijn de vroegtijdige detectie plus afhandeling en een adequate sanctionering en daadwerkelijke terug- en invordering. Hoogwaardig handhaven kent de volgende vier pijlers:

1.Vroegtijdig informeren

Het vroegtijdig en volledig informeren van de klant is een belangrijk visie-element. Voorkomen moet worden dat onwetendheid tot fraude leidt of dat mensen ongewenst gedrag gaan vertonen door verkeerde verwachtingen. Elke klant moet daarom zo goed mogelijk worden geïnformeerd over de voor hem of haar geldende rechten en plichten. Juiste en tijdige informatie is een noodzakelijke voorwaarde voor een transparante en klantgerichte uitvoeringspraktijk. In de gemeente Tilburg worden alle klanten geïnformeerd via een brochure met hierin een overzicht van de rechten en plichten. Daarnaast worden alle nieuwe klanten mondeling bij de aanvraag geïnformeerd, bij voorkeur in een plenaire bijeenkomst. In ieder geval wordt door een medewerker van de gemeente mondeling toelichting gegeven. Bestaande klanten ontvangen iedere maand een nieuwsbrief bij hun uitkeringsspecificatie met hierin de laatste belangrijke nieuwtjes. En iedere maand leveren de klanten hun inkomstenverklaring in waarop zij zelf in staat worden gesteld de gemeente te informeren over wijzigingen in hun situatie.

2.Optimaliseren dienstverlening

Voor het optimaliseren van de dienstverlening is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de positieve en negatieve ervaringen van de klanten met de dienstverlening van de gemeente. Met het uitvoeren van klanttevredenheidsonderzoeken kunnen de zwakke plekken aangepakt worden en kunnen verbeteringen worden aangebracht in het dienstverleningsconcept. Als aanvullend onderdeel van de klanttevredenheidsonderzoeken zullen klantenpanels worden ingevoerd. Hierbij is het vergroten van het mogelijke gemak voor de klant en het wegnemen van organisatorische belemmeringen van belang. Door het gemak voor de klant te vergroten wordt de duidelijkheid van de uitvoering vergroot en draagvlak tot nakoming gecreëerd. Drempels die onnodig irritaties oproepen, zoals een bepaalde vraag- of benaderingswijze en het zich niet houden aan afspraken door de gemeente, verkleinen de bereidheid tot naleving. De gemeente Tilburg is bezig met het opzetten van een klantenpanel. Een andere optimalisering van de dienstverlening zit in het lean-concept waarbij de werkprocessen “slank” worden gemaakt en alleen nog de noodzakelijke handelingen worden verricht, dit alles in het kader van klantvriendelijkheid in combinatie met rechtmatigheid.

Ook de maatregelen vanuit de WEU optimaliseren de dienstverlening door gegevens niet onnodig meer op te vragen.

3.Vroegtijdige detectie en afhandeling

Gestreefd wordt naar een effectieve en efficiënte controle. Dat betekent dat er tijdig fraudedetectie zal plaatsvinden met een zo efficiënt mogelijke inzet van middelen. Snelle detectie en snelle afhandeling van de fraude(signalen) moeten ertoe bijdragen dat de burger ervaart dat fraude niet loont, omdat de pakkans hoog is. En van dit signaal gaat weer een preventie werking uit, n.l. dat fraude ook daadwerkelijk opgespoord zal worden.

4.Daadwerkelijke sanctionering in geval van geconstateerde fraude

In het kader van de Wet werk en bijstand en overige regelingen formuleert de gemeente een afstemmingsbeleid in de Verzamelverordening 2012, met nadere uitwerking in de beleidsregels in de bijlage van dit plan. De Gemeente Tilburg streeft erna om fraude tot 100% terug te dringen. De klant moet de sanctie voelen en zien als een consequentie van zijn gedrag. De ambitie is om samenhang te creëren tussen deze vier onderdelen door deze zo te positioneren en te implementeren dat onderlinge versterking plaatsvindt. Het gaat in het bijzonder om het realiseren van een balans tussen preventie en repressie. De preventieve elementen starten al bij het UWV werkbedrijf.

Vertaald naar de uitvoering betekent dit dat de gemeente burgers adequaat en vroegtijdig voorlicht en de dienstverlening optimaliseert (preventie), en daarnaast fraude snel en gericht detecteert, en overtredingen metterdaad sanctioneert (repressie). Dit zijn de vier elementen waaruit Hoogwaardige handhaving bestaat.

4.10.1 Het preventieve handhavingsbeleid

Het preventieve handhavingsbeleid richt zich op het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik, op kennis van regels (door voorlichting) en alles wat bijdraagt aan de bereidheid tot naleving van regels. Preventie is belangrijk vanaf de poort, omdat daar het recht op- en de hoogte van de uitkering wordt bepaald en informatie aan de klant wordt verstrekt over diens rechten en plichten.

4.10.2 Het repressieve handhavingsbeleid

Het repressieve handhavingsbeleid richt zich primair op het sanctioneren van misbruik en oneigenlijk gebruik en de terug- en invordering van ten onrechte uitbetaalde bedragen. Om na te gaan of de klant zich aan de regels houdt, moet er controle plaatsvinden. Controle is van belang vanaf de aanvraag tot en met beëindiging van een uitkering.

De kunst van hoogwaardig handhaven is om de preventieve en repressieve elementen in samenhang uit te voeren, zodat ze elkaar wederzijds versterken. Preventieve activiteiten versterken het draagvlak bij de burgers en dit maakt het mogelijk om repressieve activiteiten uit te voeren. Bij hoogwaardig handhaven is er sprake van controle op maat: meer controle in situaties waar het nodig is en minder controle in situaties waar de kans op fraude gering is. Men onderscheidt in deze controlesystematiek reguliere controles (gericht op alle belanghebbenden) en intensieve controles. De intensieve controles worden uitgevoerd op basis van fraudesignalen of naar aanleiding van een verhoogd risico op fraude signaalsturing of risicosturing. Bij signaalsturing worden die bijstandscliënten onderzocht waarbij signalen binnenkomen die op mogelijke fraude wijzen. Op die manier wordt gericht getracht fraude te voorkomen of te beperken. Bij risicosturing worden op basis van standaard gegevens de risico's op fraude op voorhand ingeschat. Op basis hiervan wordt eventuele intensieve(re) controle ingezet.

5. HANDHAVING PREVENTIEF

5.1 Handhavingcommunicatie en –voorlichting (algemeen)

Het vroegtijdig informeren van de klant is binnen hoogwaardige handhaving een belangrijk instrument. Voorkomen moet worden dat fraude door onwetendheid ontstaat of dat mensen ongewenst gedrag gaan vertonen door verkeerde (en dus niet waargemaakte) verwachtingen. Elke klant moet zo vroegtijdig mogelijk geïnformeerd worden over zowel zijn rechten als zijn plichten. Wat kan de WWB voor betrokkene betekenen? Wat mag de klant voor dienstverlening van de gemeente verwachten? Maar ook: wat wordt daarbij van de klant zelf verwacht? 

Wat zijn de spelregels, de ‘dienstverleningscondities’?  Juiste en tijdige informatie is een  noodzakelijke voorwaarde voor een transparante en klantgerichte uitvoeringspraktijk.

De laatste jaren is er meer aandacht voor (vroegtijdig) informeren als wezenlijk onderdeel van de preventieve handhaving gekomen. Lag vroeger het accent vooral op het controleren van regels, nu wordt ook het belang van (vroegtijdig) informeren op het gebied van handhaving uitdrukkelijk onderkend. Indien mensen slecht geïnformeerd zijn, kunnen ze een verkeerd verwachtingspatroon opbouwen – met  alle  risico’s  van  dien.  Voorkomen  moet  worden dat uit eigen aannames of onwetendheid fraude ontstaat. Dat kan door de (potentiële) klant vroegtijdig en volledig te informeren over diens rechten en plichten. Een juiste en tijdige voorlichting vormt een noodzakelijke voorwaarde voor een transparante en rationele handhavingpraktijk, onder het motto:

 “geen  handhaving zonder communicatie  en geen communicatie zonder handhaving”. 

Handhavinginstrument

Alle nieuwe klanten bij de gemeente Tilburg ontvangen schriftelijke informatie met hierin de belangrijkste rechten en plichten verbonden aan een uitkering. De poortwachter informeert de klant mondeling over de verplichtingen die verbonden zijn aan de uitkering. Er wordt naar gestreefd om voor alle nieuwe klanten een plenaire bijeenkomst te organiseren waarin mondeling uitleg gegeven wordt over alle rechten en plichten, dan wel dit in een individueel gesprek uitgebreid toe te lichten.

Jongeren tot 27 jaar ontvangen bij hun melding een duidelijk overzicht van wat er van hun verwacht wordt gedurende de vier weken zoektermijn.

5.2 “Regel en Recht”

In het kader van de preventie is het dus erg belangrijk dat de klant vanaf het moment van de aanvraag beschikt over alle informatie die betrekking heeft op zijn rechten en plichten. De gemeente heeft hiertoe de folder “regel en recht” ontwikkeld. Deze wordt jaarlijks geactualiseerd en meegegeven aan alle nieuwe klanten.

De klant kan er precies in nalezen wat diens rechten en plichten zijn op grond van de WWB en andere inkomens regelingen. Oftewel: wat mag de klant van de afdeling Werk & Inkomen verwachten en omgekeerd wat wordt er van klant verwacht. Deze systematische voorlichting is bedoeld om te bevorderen dat klanten zo zelfstandig en bewust mogelijk op de juiste manier te kunnen handelen. Door de kennisvergroting bij de klant te koppelen aan een imagoverbetering van de afdeling wordt de spontane nalevingbereidheid van regels gestimuleerd. En daarmee wordt mogelijke fraude al in een vroeg stadium voorkómen. Het is de vraag of de folder in deze stijl en omvang blijft bestaan of dat hiervoor een alternatief zal worden ontwikkeld in de nabije toekomst. Het blijft hoe dan ook heel belangrijk om de nieuwe klanten in een zo vroeg mogelijk stadium goed te informeren over de rechten en plichten.

Handhavinginstrument

Informatiemateriaal (geschikt is om te bewaren) over rechten en plichten wordt bij de aanvang van de uitkering aan alle klanten overhandigd.

5.3 Klantenraad Werk en bijstand

Het is van groot belang dat de Klantenraad zo goed mogelijk is geïnformeerd over de informatie die aan de (potentiële) klanten wordt verstrekt. In de praktijk vervult de Klantenraad vaak een voorlichtings- en vraagbaakfunctie, naast hun adviesfunctie voor het bestuur. Een goede terugkoppeling van informatie en uitkomsten van het overleg naar de achterban speelt daarbij een belangrijke rol. Het is noodzakelijk om de Klantenraad hierbij zoveel mogelijk te ondersteunen door informatie-uitwisseling in regelmatig overleg.

Handhavinginstrument

Structureel overleg met de Klantenraad Werk en Bijstand. Contactpartner is de afdeling Werk en Inkomen, maar ook de beleidsafdelingen E&A en Sociaal en de uitvoerende afdeling Dienstverlening zullen incidenteel dan wel structureel bij het overleg betrokken worden. De Klantenraad doet niet aan individuele belangenbehartiging maar signaleert trends en geeft deze door aan de Staf van de afdeling Werk & Inkomen. De signalen worden geanalyseerd en zo nodig opgepakt.

5.4 Nieuwsbrieven

Een geschikt middel om de uitkeringsgerechtigden op de hoogte te stellen van nieuwe ontwikkelingen binnen de WWB en andere uitkeringen die verstrekt worden door de Gemeente Tilburg is een periodieke nieuwsbrief (welke maandelijks uitkomt). Het voordeel hiervan is dat de klant steeds over actuele informatie beschikt inzake de ins en outs van de regelingen en de afdeling Werk & Inkomen. Ook kunnen bepaalde onderwerpen thematisch uitgediept worden.

Handhavinginstrument

Informatie over Hoogwaardig Handhaven (nakoming verplichtingen) met enige frequentie opnemen in de maandelijkse nieuwsbrief, b.v. met voorbeelden of met informatie over de actualiteit. Ook worden de rechten en plichten met enige regelmaat in de nieuwsbrief herhaald om te komen tot spontane naleving.

5.5 Huidige uitvoeringspraktijk Inkomstenverklaringen (IV)

De maandelijkse verwerking van de IV is erg arbeidsintensief. Vele klanten ervaren deze maandelijkse verantwoording als lastig en klantonvriendelijk. Dit laatste vooral indien er niets te melden is. De gedachte is lang geweest dat het afschaffen van deze maandelijkse controle de kans op fraude zou vergroten, waardoor er meer terugvorderingen ontstaan. Een IV voorkomt fraude niet. Immers, indien een klant opgeeft dat er geen wijzigingen zijn, wordt dit op dat moment voor kennisgeving aangenomen. In de praktijk wordt vastgesteld dat het IV meer een mutatie- dan een verantwoordingsformulier is. Verder bestaan er buiten het IV ook andere controlemogelijkheden, zoals het Inlichtingenbureau en Suwi-net, om wijzigingen in de woon- en gezinssituatie en inkomsten te controleren.

5.5 .1 Afschaffen IV

Het is niet wettelijk verplicht om alle uitkeringsgerechtigden maandelijks een inkomstenverklaring in te laten leveren. De budgetten maken adequaat onderzoek naar rechtmatige uitkeringverstrekking noodzakelijk. Op korte termijn zal de IV worden afgeschaft onder invoering van andere onderzoeksmogelijkheden naar de rechtmatige verstrekking van de uitkering. Tot dat moment blijft de maandelijkse IV gehandhaafd als instrument voor onderzoek naar de rechtmatigheid van de verstrekte uitkeringen.

Handhavinginstrument

Zolang de IV nog niet is afgeschaft is de werkwijze als volgt:

Alle klanten leveren maandelijks hun IV op tijd in. Als de IV niet op tijd of onvolledig ingevuld is ontvangen, wordt een hersteltermijn gegeven. De uitkering wordt opgeschort. De gegeven termijn is altijd redelijk, d.w.z. dat de klant ook daadwerkelijk in de gelegenheid is om de IV alsnog in te leveren. Richtlijn is 14 dagen. Levert de klant in, dan wordt de uitkering alsnog betaald. Levert de klant niet in, dan wordt een taak aangemaakt voor de casemanager voor een beëindigingsonderzoek. Als de IV niet alsnog wordt ingeleverd wordt de uitkering beëindigd omdat het recht op uitkering niet langer kan worden vastgesteld. Bij te late inlevering wordt de uitkering betaalbaar gesteld en moet een maatregel overwogen worden vanwege niet tijdige informatieverstrekking.

Op korte termijn wordt de IV afgeschaft en vervalt deze bepaling.

6. HANDHAVING REPRESSIEF

6.1 Signaalsturing en fraude alertheid

Via signaalsturing wordt de kijk op de rechtmatigheid in het voortraject vergroot. Het doel hierbij is uiteindelijk te komen tot minder terugvorderingen en afstemmingen. Signaal gestuurd werken betekent dat medewerkers (fraude) alert moeten zijn. Het is van groot belang dat de medewerkers in staat zijn signalen te herkennen en hier op de juiste manier op te reageren. De rol en de taak van de poortwachter en casemanager in de controleketen is belangrijk: hoe gaan zij om met signalen die mogelijk duiden op onregelmatigheden. Het gaat daarbij om signalering en het bespreekbaar maken van het signaal.

Afhankelijk van het signaal is het voor de poortwachter / casemanager een aanleiding om de klant op te roepen voor een gesprek over het signaal of een onaangekondigd huisbezoek af te leggen. In het gesprek, dat dan plaats vindt, kan het signaal worden weggenomen en door middel van rapportage worden afgehandeld.

Als het signaal blijft bestaan en nadere gegevens nodig zijn, zullen die gegevens worden opgevraagd om het signaal te kunnen onderbouwen. Daarna bestaat alsnog de mogelijkheid dat het signaal wordt weggenomen. Om de signalen en de afwerking daarvan inzichtelijk te maken is het essentieel dat één en ander altijd wordt vastgelegd in een rapportage. Als het signaal uiteindelijk blijft bestaan dan is een nader (intensief) onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door de casemanager in samenwerking met een handhaver van het team handhaving sociale zekerheid.

Fraudealertheid vraagt van medewerkers en ketenpartners een specifieke deskundigheid om in een gesprek en een onderzoek bijzonderheden te signaleren en bespreekbaar te maken. Deze deskundigheid wordt o.a.bevorderd door een training “fraudealertheid” en de aanwezigheid van handhavers op de uitvoerende teams.

Handhavinginstrument

Mogelijkheden t.b.v. “fraudealertheid”  van medewerkers en ketenpartners gemeente Tilburg verhogen dan wel op peil houden via training. Ontwikkelen werkproces bij ontvangen signalen.

6. 2 Inlichtingenbureau

Het Inlichtingenbureau maakt het mogelijk geautomatiseerd gegevens uit te wisselen tussen o.a. sociale diensten, Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV, Informatie Beheer Groep (IBG) en de Belastingdienst (rente en vermogen). De ontvangen gegevens worden vervolgens onderling vergeleken. De vergelijking is er op gericht na te gaan of een persoon in dezelfde periode een WWB uitkering en een andere vorm van inkomen heeft of is ingeschreven bij een instelling van wetenschappelijk onderwijs, of beschikt over vermogen.

De gegevensvergelijking binnen het Inlichtingenbureau vindt plaats op basis van het Burger Service Nummer (BSN). Gegevensvergelijking wordt uitgevoerd voor zowel de hoofduitkeringsgerechtigde als voor de partner als ook voor de inwonende meerderjarige gezinsleden 1e graad. Dit betekent dat ook eventuele inkomsten van de partner en gezinsleden kunnen leiden tot een samenloop signaal.

Het Inlichtingenbureau geeft de mogelijkheid efficiënt en effectief de rechtmatigheidcontrole uit te voeren. Dit geeft voordelen zowel voor de klant als voor de gemeente. Klanten weten op tijd waar ze aan toe zijn. Duidelijk is ook dat het Inlichtingenbureau voordelen heeft wat betreft de bestrijding van fraude. Doordat fraude sneller aan het licht komt heeft dit consequenties voor de medewerkers die zich bezighouden met terugvordering. In veel situaties hoeft de afdeling Werk & Inkomen niet meer terug te vorderen, maar kan volstaan worden met een verrekening met de lopende uitkering (binnen 3 maanden). Incassotrajecten zijn korter. Vorderingen die het gevolg zijn van "zwart" werk, vermogensfraude of samenwoningfraude kunnen door het Inlichtingenbureau niet worden getraceerd. Hiervoor blijven de traditionele opsporingsmethoden van toepassing .

Klanten weten dat er een koppeling bestaat, waardoor er van dit instrument ook een preventieve werking uitgaat op in ieder geval witte fraude.

Handhavinginstrument

Werkproces koppeling gegevens met Inlichtingenbureau.

6 .3 Suwi-net

Suwi-net is de infrastructuur waarlangs organisaties gegevens over klanten uit het domein Werk en Inkomen (incl. gegevens van de Rijksdienst voor het wegverkeer RDW) met elkaar delen. Het is een hulpmiddel om de dienstverlening aan de klant te optimaliseren. Suwi-net is een besloten netwerk waar alleen bevoegde organisaties op aangesloten kunnen worden.

Voor gemeenten en het UWV werkbedrijf is het mogelijk om bij zowel nieuwe als bestaande klanten gegevens rondom werk, inkomen en vermogen te controleren. Denk hierbij aan individuele gegevens rondom inkomsten uit arbeid of uitkering en gegevens over werk en arbeidsverleden. Het UWV werkbedrijf doet deze check standaard bij nieuwe aanvragen. Gemeenten gebruiken Suwi-net vooral bij bestaande klanten.

Met Suwi-net Inkijk kunnen professionals gegevens over hun klanten vinden bij aangesloten partijen en bronnen. De zoeksleutel is doorgaans het Burger Service Nummer van de klant.

Handhavinginstrument:

Werkproces Suwi-net

6. 4 .1 Uitvoeringspraktijk Heronderzoek

Bij een regulier heronderzoek vraagt de casemanager bij alle klanten steeds opnieuw naar dezelfde gegevens. De klant moet het ingevulde heronderzoekformulier (incl. gevraagde stukken) meenemen naar de medewerker waar het gehele formulier gezamenlijk wordt doorgenomen.

Daarna maakt de medewerker hiervan een rapportage en een beschikking. Vaak is het nieuwe rapport ongewijzigd ten opzichte van de vorige. Zowel voor de medewerker als voor de klant is dat een omslachtige en grotendeels overbodige werkwijze. Het gaat er immers alleen maar om te checken of er veranderingen zijn opgetreden in de bekende gegevens.

6 .4 .2 Signaal gestuurd Heronderzoek

Bij onderzoeken naar aanleiding van signalen kan onderscheid worden gemaakt tussen externe signalen en interne signalen.

Bij externe signalen gaat het om:

  • Meldingen van de cliënt zelf, vooral door middel van het door de klant in te leveren IV.

  • De (fraude)signalen die via derden binnen komen (tips, en dergelijke). Deze tips kunnen ook anoniem zijn.

  • Signalen die de afdeling Werk & Inkomen via het Inlichtingenbureau bereiken.

Bij interne signalen valt te denken aan

  • De constateringen van een fraudealerte medewerker.

  • Voorts kunnen vanuit de re-integratieactiviteiten (doelmatigheid) signalen naar voren komen

(bijvoorbeeld het niet meewerken aan de re-integratie- en/of de arbeidsverplichting).

•Tenslotte zijn er de signalen die uit het geautomatiseerde systeem naar voren komen, zoals

wijzigingen in leeftijd van belanghebbenden of gezinsleden.

Voor deze signalen is bij een aanvraag- of heronderzoektraject een primair proces ontworpen. Mocht er tijdens dit onderzoek twijfel omtrent de rechtmatigheid ontstaan, dan wordt het intensieve controle traject gestart. Dit intensieve controle traject wordt uitgevoerd door de casemanager. Belangrijk is dat het doelmatigheidsonderzoek wijzigt naar een rechtmatigheidsonderzoek. Dit is van belang omdat de gevolgen van doelmatigheidsonderzoeken wezenlijk anders zijn dan bij rechtmatigheidsonderzoeken. In principe kan de uitkering alleen bij rechtmatigheidsonderzoeken beëindigd worden omdat het recht op uitkering niet meer vastgesteld kan worden. Bij doelmatigheidsonderzoeken kan in beginsel alleen een maatregel worden opgelegd.

6. 4 .3 Periodiek heronderzoek

In geval van een Bbz 2004 uitkering, blijft een tijdafhankelijk onderzoek gelden van 18 maanden, zoals staat beschreven in het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen. Het zelfde geldt voor de periodieke bijzondere bijstand (12 maanden). Voor dit laatste proces loopt ook een onderzoek naar het lean maken ervan. De frequentie zal hierna wijzigen.

Zolang de cliënt een uitkering ontvangt van de gemeente, dient hij de gemeente spontaan te informeren omtrent zaken als woon- en leefsituatie, inkomenswijzigingen en eventuele wijzigingen in vermogen. Dit wordt door de uitkeringsadministratie gecontroleerd. Bij eventuele inkomsten worden de bewijsstukken aan een controle onderworpen. Zodra het IV volledig is ontvangen en verwerkt wordt de periodieke uitkering op het gebruikelijke tijdstip overgemaakt.

Verder wordt de klant (i.g.v. bovenstaande genoemde uitkeringen) periodiek gesproken over de arbeidsverplichtingen in het kader van het traject. Dan is er aandacht voor zowel de doelmatigheid als de rechtmatigheid. Bij het onderzoek worden relevante bewijsstukken gevraagd als bankafschriften en eventuele bewijsstukken van vermogensbestanddelen. Verder wordt gekeken of de woonsituatie die de cliënt opgeeft nog overeenstemt met de registratie in het GBA. Natuurlijk wordt ook het voldoen aan alle verplichtingen gecontroleerd.

Daarnaast zullen er heronderzoeken worden gepland als zich gebeurtenissen voordoen die dit noodzakelijk maken.

Handhavinginstrument:

Heronderzoeken conf. Bbz en de maandelijkse IV's.

6. 5 Verlagen van de uitkering

In de WWB is bepaald dat de gemeente actief moet controleren of een klant zich enerzijds inspant om uitkeringsonafhankelijk te worden (controle op de inspanningsverplichting) en anderzijds of de aangereikte gegevens volledig zijn, tijdig zijn verstrekt en juist zijn (gegevenscontrole).

Aan een WWB en IOAW/Z -uitkering zijn zeven soorten verplichtingen verbonden, te weten:

-het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het

bestaan;

  • -de plicht tot arbeidsinschakeling;

  • -de plicht tot re-integratie;

  • -de informatieplicht;

  • -de medewerkingplicht;

  • -aanvullende verplichtingen;

  • -de identificatieplicht.

Indien uit een controle blijkt dat een cliënt zijn verplichtingen niet nakomt dan zal, op basis van een gesprek met de cliënt(en) een maatregel opgelegd worden. De betrokkene(n) worden geconfronteerd met de niet nagekomen verplichtingen en om een verklaring gevraagd. De casemanager wijst betrokkene op de gevolgen van de niet nagekomen verplichtingen. In de door de Raad vastgestelde Verzamelverordening 2012 zijn de kaders vastgesteld in welke gevallen een maatregel opgelegd bij niet nakoming van de verplichtingen. Ook de hoogte en de duur van de maatregel zijn in de verordening vastgelegd. Het kan zelfs zo zijn dat men voor een bepaalde periode volledig wordt uitgesloten van een uitkering in het kader van “lik op stuk beleid”. De beleidsruimte in de Verzamelverordening wordt ingevuld via Beleidsregels, die in de bijlage van dit plan zijn opgenomen.

Handhavinginstrument

Verzamelverordening 2012 + de beleidsregels.

6. 6 Huisbezoeken

Een huisbezoek kan snel duidelijk maken of een uitkeringsaanvraag rechtmatig is. Ook de doelmatigheid van een uitkering kan worden meegenomen: is iemand wel of niet in staat om te werken of blijkt uit de thuissituatie dat er problemen zijn. Een huisbezoek biedt de medewerker de mogelijkheid om een beter beeld te krijgen van de situatie van de aanvrager of de bijstandsgerechtigde in diens eigen omgeving.

Handhavinginstrument

Protocol huisbezoek.

7. SAMENVATTING

De gemeente Tilburg pakt fraude en oneigenlijk gebruik van uitkeringen hard aan. Fraude met uitkeringen ondermijnt het maatschappelijk draagvlak voor de sociale wetgeving. Het voorkomen van fraude heeft daarom absolute prioriteit. Kan fraude niet worden voorkomen, dan wordt deze met inzet van alle toegestane middelen opgespoord. Ten onrechte ontvangen uitkering moet tot de laatste cent worden terugbetaald. Fraude wordt bestraft met een verlaging van de uitkering of volledige uitsluiting van het recht op uitkering. Het ontvangen van een uitkering is niet vrijblijvend. Aan de uitkering zijn verplichtingen verbonden, zoals bijvoorbeeld de plicht om mee te werken aan arbeidsinschakeling of participatie. Uitgangspunt is dat werk voor een uitkering gaat.

Het wordt steeds belangrijker om de werkgever nadrukkelijk te betrekken bij onze arbeidsmarktaanpak. De opgave is om werkgelegenheid te creëren en de werkzoekende toe te leiden naar reguliere arbeid. Handhaving is hierbij een onmisbaar instrument. Van de klant wordt volledige medewerking gevraagd en daar zien we scherp op toe.

Deze samenvatting is de strekking van het nieuwe handhavingsplan Werk & Bijstand. Het Handhavingprogramma 2011-2014 van het ministerie SZW is mede input voor dit lokale plan. Misbruik wordt hard gestraft. Het Kabinet verwacht dat door een striktere fraudeaanpak het aantal uitkeringen kan worden teruggebracht. De gemeenten krijgen meer ondersteuning van de Kenniscentra Handhaving (RCF’s. Regionaal Coördinatiepunt Fraudebestrijding) en de inspectie SZW. De staatsecretaris trekt 6 miljoen euro per jaar uit om de RCF’s en de inspectie SZW te versterken. Het handhavingsplan Werk & Bijstand geeft de richting aan van het handhavingsbeleid van de gemeente Tilburg.

Handhaving is nog volop in ontwikkeling. De ontwikkeling zullen worden gevolgd en indien nodig verwerkt in een aanvulling op dit plan of in de beleidsregels.

In het handhavingsplan zijn de vier elementen van Hoogwaardig Handhaven (vroegtijdig informeren, optimalisering dienstverlening, vroegtijdige opsporing en afhandeling en daadwerkelijk sanctioneren) beschreven. Het plan geeft een richting voor de uitvoering en de uitgangspunten worden goed geborgd in de organisatie vanuit het project strakker handhaven. In de afgelopen jaren is er al veel bereikt op handhavingsgebied. Met name de poortwachtersfunctie is sterk verbeterd waardoor onrechtmatig of oneigenlijk gebruik van de WWB en overige uitkeringen kan worden voorkomen. De koers van de gemeente Tilburg is duidelijk. Misbruik van uitkeringen wordt niet getolereerd. Dat geldt ook indien gedrag, houding en kleding belemmerend werken bij het verkrijgen of behouden van werk.

Toekomstige ontwikkelingen zoals de regeling “Werken naar vermogen” zullen gevolgen hebben voor handhaving. Deze ontwikkelingen zullen later vertaald worden in de Verzamelverordening, dit plan en de beleidsregels in de bijlage.

Vervolg

In navolging van dit plan en de bijbehorende beleidsregels zullen de werkprocessen aangepast worden die hierdoor geraakt worden. Daarnaast zal er communicatieplan opgesteld worden, zowel voor de implementatie van het aangescherpte beleid als voor de reguliere communicatiemiddelen en –stromen. De uitvoerende medewerkers worden opgeleid zowel op theorie als op houding en gedrag.

8. HANDHAVINGSINSTRUMENTEN SAMENGEVAT

  • Communicatie meenemen in Communicatieplan van de afdeling Werk & Inkomen. Hiervoor wordt ieder jaar een communicatie schema opgesteld. Minimaal een keer per kwartaal wordt een extern gerichte actie op het gebied van 'nalevingscommunicatie' gerealiseerd. Denk hierbij aan een stuk in de klantennieuwsbrief, krant, internet etc. Voortdurende controle of de communicatie over rechten en plichten is gewaarborgd.

  • Klantinformatie folders actualiseren. De folder Regel en Recht actualiseren met de laatste ontwikkelingen.

  • Het structurele overleg met Klantenraad Werk en Bijstand continueren. De signalen vanuit de Klantenraad worden opgepakt vanuit de Staf van de afdeling Werk en Inkomen.

  • Informatievoorziening Hoogwaardig Handhaven opnemen in de maandelijkse nieuwsbrief.

  • De IV voorlopig handhaven als handhavingsintrument in afwachting van de uitkomst van het nieuwe onderzoek hiernaar.

  • Mogelijkheden t.b.v. “fraudealertheid”  van medewerkers en ketenpartners gemeente Tilburg verhogen dan wel op peil houden.

  • Ontwikkelen programma voor risicosturing

  • Protocol huisbezoek actualiseren

Beleidsregels handhaving WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2012

Inleiding

De Raad van de gemeente Tilburg heeft de Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2012 vastgesteld. Deze verzamelverordening bevat de volgende verordeningen:

  • 1.Re-integratie

  • 2.Afstemming (= maatregelen)

  • 3.Handhaving

  • 4.Toeslagen.

In de verordening stelt de Raad de kaders voor het te voeren gemeentelijk beleid. Het college vult deze kaders verder in via beleidsregels en uitvoeringsrichtlijnen. Op sommige plaatsen in de verordening geeft de Raad letterlijk het College de opdracht tot het stellen van nadere regels. Daarnaast geven ook de wetten deze opdracht aan het College. In deze beleidsregels worden de beleidsruimten verder ingevuld ten behoeve van de uitvoering.

Handhaving

Wettelijk kader:

Artikel 8a van de WWB luidt als volgt:

“De gemeenteraad stelt in het kader van het financiële beheer bij verordening regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.”

Dit artikel geldt ook voor handhaving binnen de Bbz.

Artikel 35, eerste lid, aanhef en onderdeel c van de IOAW luidt als volgt:

“De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële beheer.”

Artikel 35, eerste lid, aanhef en onderdeel c van de IOAZ luidt als volgt:

“De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële beheer.”

Onder het begrip handhaving worden alle activiteiten van de gemeente verstaan die er op gericht zijn dat betrokkenen zich aan wet- en regelgeving houden. Misbruik en oneigenlijk gebruik van de bijstand of de uitkering dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Hierbij zijn er twee groepen activiteiten te onderscheiden, namelijk preventie en repressie. Bij preventie gaat het om de spontane bereidheid tot naleving van de regels te bevorderen. Onder repressie wordt verstaan dat geconstateerd misbruik in een zo vroeg mogelijk stadium wordt opgespoord en bestraft.

Het handhavingsbeleid bestaat uit een aantal onderdelen, te weten:

  • preventieve en repressieve fraudebestrijding;

  • terugvordering, invordering en verhaal

De beleidsregels met betrekking tot terug- en invordering en verhaal worden separaat vastgesteld.

De Raad heeft in de Verordening bepaald dat de gemeente Tilburg het voorkomen en bestrijden van uitkeringsfraude, dan wel misbruik en oneigenlijk gebruik van de regelingen WWB, IOAW, IOAZ en Bbz heeft ingericht naar het landelijk model voor hoogwaardig handhaven. Hoogwaardig handhaven kent vier pijlers:

  • 1.Vroegtijdig informeren

  • 2.Optimaliseren dienstverlening

  • 3.Vroegtijdige detectie en afhandeling

  • 4.Daadwerkelijke sanctionering in geval van geconstateerde fraude

1.  Vroegtijdig informeren en onderzoeken

Het doel van vroegtijdig informeren is om spontane naleving van de aan de uitkering verbonden verplichtingen te bevorderen. Dit komt doordat de klanten goed en volledig zijn geïnformeerd, om onwetendheid te voorkomen .

1.1  Het college informeert klanten en overige burgers voldoende en tijdig over de rechten en plichten die aan de uitkering zijn verbonden. Ook wordt informatie gegeven over voorliggende voorzieningen. Dit alles in begrijpelijke taal.

1.2. Bij de toekenning van een uitkering wordt schriftelijke informatie verstrekt met hierin alle relevante informatie over de aan de uitkering verbonden rechten en plichten. De poortwachter checkt tijdens het gesprek of de klant de informatie ook heeft begrepen. Ook wordt zo spoedig mogelijk na de uitkeringsintake een plenaire bijeenkomst met uitkeringsgerechtigden georganiseerd waarin deze rechten en plichten mondeling worden uitgelegd, dan wel wordt in een individueel gesprek nogmaals uitleg gegeven over alle rechten en plichten. Bij de overdracht naar de casemanager wordt hier ook aandacht aan besteed.

  • 1.3  Klanten ontvangen informatie mondeling tijdens de persoonlijke contacten en schriftelijk in individuele besluiten. Daarnaast ontvangen ze maandelijks een nieuwsbrief met hierin alle relevante informatie.

  • 1.4 Vanuit de pilot basiscommunicatie worden de juiste informatiekanalen bij de juiste doelgroepen gezocht. Het college zal de uitkomst van deze pilot ook gebruiken in het kader van preventie op handhaving.

  • 1.5 Bij onderzoeken naar rechtmatigheid zowel in de aanvraagfase als bij heronderzoeken geeft het college duidelijk aan welke gegevens nodig zijn voor de verlening of voortzetting van de bijstand en wanneer en hoe die gegevens door klant moeten worden aangeleverd. Daarnaast maakt het college gebruik van de externe bronnen waartoe zij toegang heeft om zo de gegevensuitvraag bij de klant te beperken tot de gegevens die hierin niet (real time) beschikbaar zijn.

Jongeren tot 27 jaar ontvangen via het UWV bij de melding een overzicht van hun verplichtingen tijdens de zoektijd.

  • 1.6 Het niet verstrekken van de onder punt 1.5 genoemde gegevens of het niet nakomen van de aan de uitkering verbonden verplichting zal negatieve consequenties hebben voor de verlening of voortzetting van de bijstandsuitkering.

  • 1.7  Het college is bevoegd om een onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en kan de aangeleverde documenten of bewijsstukken zowel bij aanvang als tijdens de lopende uitkering valideren bij externe instanties. Verificatie vindt plaats met inachtneming van de wettelijke voorschriften die vastgelegd zijn in de Wet bescherming persoonsgegevens en het college verifieert uitsluitend datgene wat nodig is voor de vaststelling van het recht op een uitkering.

  • 1.8  Het verwijtbaar niet - of onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens, relevant voor de bepaling van het recht op uitkering, wordt gezien als onvoldoende medewerking verlenen en kan aanleiding geven tot het opstarten van een (fraude)onderzoek.

  • 1.9 In voorkomende situaties wordt duidelijk uitleg gegeven over de achtergrond van het ingezette onderzoek (b.v. huisbezoek) en wat de consequenties zullen zijn bij niet naar behoren meewerken.

  • 1.10 Er is continue aandacht voor interne deskundigheidsbevordering omdat de rol van de medewerkers in de informatievoorziening cruciaal is. Het beleid is integraal opgenomen in een digitaal werkboek, Schulinck en is hierin toegankelijk voor alle medewerkers. Dit handboek wordt adequaat bijgehouden. Het Handboek wordt voor externen toegankelijk gemaakt op afspraak.

  • 1.11  Het college maakt in de contracten die met de reïntegratiebedrijven worden afgesloten afspraken over de wijze waarop deze moeten omgaan met (fraude)signalen, zowel in de richting van de klant als naar de gemeente. Dit element wordt meegenomen in het contractbeheer.

  • 1.12 Via de klanttevredenheidsonderzoeken en/of het klantenpanel worden ook vragen gesteld over de bekendheid met de rechten en plichten. De uitkomst hiervan zal gebruikt worden bij de evaluatie van het gevoerde beleid.

  • 1.13 De volgende gegevens worden via de management rapportage toegankelijk:

    • aantal fraudesignalen,

    • aantal fraudeonderzoeken,

    • uitkomst fraudeonderzoeken,

    • aantal afwijzingen en beëindigingen ten gevolge van preventie en fraudeonderzoeken,

    • aantal terugvorderingen n.a.v. onderzoeken en de bedragen.

Deze opsomming betreft de minimaal gewenste sturingsgegevens.

2. Dienstverlening

Het doel van het optimaliseren van de dienstverlening is om de drempel zo laag mogelijk te houden en om spontane naleving van de verplichtingen door de klanten te bevorderen. Optimale dienstverlening hangt nauw samen met het onder 1. opgenomen element van informatievoorziening.

  • 2.1  Alle informatie die verstrekt wordt heeft betrekking op organisatorische of inhoudelijke zaken.

  • 2.2  Het college maakt gebruik van duidelijke werkprocessen en formulieren. De klant hoeft in beginsel maar één keer zijn gegevens te verstrekken. De klant hoeft ook alleen maar die informatie te verstrekken die relevant is voor het recht op uitkering en die de gemeente niet via andere kanalen real time kan inzien (Wet eenmalige gegevensuitvraag WEU).

  • 2.3  Het college stelt de klant in de gelegenheid om tijdig wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op (de hoogte van) de uitkering, te melden door middel van de inkomstenverklaring (IV) dan wel een wijzigingsformulier. Dit is een vorm van dienstverlening aan de uitkeringsgerechtigden om terugvorderingen te voorkomen. Alle reeds bekende gegevens zijn voorbedrukt. Voor de gemeente is het een middel om tussentijds de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking te onderzoeken.

  • 2.4  Het college wijst de klant op de gevolgen van het niet, te laat, onjuist of onvolledig doorgeven van relevante gegevens, via de IV of het wijzigingsformulier. Niet, te late, onjuiste of onvolledig ingevulde IV’s kunnen leiden tot het opschorten van het recht op bijstand of zelfs tot het beëindigen van de uitkering als hierdoor het recht op bijstand niet (langer) vastgesteld kan worden.

  • 2.5 De procedure rondom de IV is als volgt: Klanten ontvangen maandelijks een IV met hierop voorgedrukt de bekende n.a.w. gegevens. De IV moet ingevuld en ondertekend worden door alle belanghebbenden. Op de IV staat de inleverdatum vermeld. Als de IV te laat binnen is gekomen, wordt het recht op uitkering opgeschort. De uitkeringsgerechtigde ontvangt een hersteltermijn van 14 werkdagen om de IV alsnog in te vullen of aan te vullen (bij onvolledigheid). Wordt hieraan voldaan, dan wordt de uitkering alsnog betaald en vindt er geen afstemming plaats. Bij niet inleveren wordt taak aangemaakt inDirigent voor de casemanagers, beëindigingsonderzoek.

3.   Effectief controleren

Doel hiervan is vroegtijdig fraudesignalen te onderkennen om hierop direct adequaat te kunnen reageren. Hiermee wordt de schade voor zowel de klant als voor de gemeente zoveel mogelijk beperkt.

Signaalsturing

  • 3.1 Fraudesignalen kunnen via allerlei kanalen binnen komen, b.v.

    • -IV’s;

    • -anonieme melding;

    • -Inlichtingenbureau;

    • -trajectbegeleider etc.

Alle signalen worden beoordeeld op relevantie en indien relevant onderzocht.

3.1.2 Het college zet hierbij middelen in die van licht naar zwaar kunnen oplopen.

  • a.consult;

  • b.de combinatie dossieranalyse, verificatie en validatie;

  • c.waarneming ter plekke;

  • d.confrontatie;

  • e.huisbezoek.

3.1.3 De bevoegdheid om deze middelen in te zetten ontleent het college aan de artikelen 17 en 53a WWB, respectievelijk de artikelen 13 en 14 van zowel de IOAW als de IOAZ.

3.2.1 De rechtmatigheid van de verstrekte uitkeringen wordt gecontroleerd via de maandelijkse IV, naar aanleiding van fraudesignalen, wijzigingen in de woonsituatie, en andere relevante gebeurtenissen.

3.2.2. Onderzoeken doelmatigheid worden gevoerd :

  • -op basis van signalen van de trajectuitvoerder;

  • -op het moment dat trajecten aflopen:

  • -naar mate van bemiddelbaarheid van de klant: minimaal 1 x per jaar voor bemiddelbare klanten en 1x per 18 maanden voor de niet bemiddelbare klanten.

3.2.3. Als er uit een doelmatigheidsonderzoek een fraudesignaal naar voren komt, is dit reden om een rechtmatigheidsonderzoek op te starten.

  • 3.3 De fraudealertheid van de casemanager en intaker wordt bevorderd door regelmatig terugkerende deskundigheidsbevorderingen. Ook de medewerkers binnen de betrokken afdelingen van de gemeente kunnen een opleiding krijgen om fraudealert te zijn en te blijven.

  • 3.4 Het college maakt gebruik van de faciliteiten van Stichting Inlichtingenbureau voor bestandsvergelijkingen. Daarnaast wordt het instrument huisbezoek toegepast wanneer dit noodzakelijk is voor het vaststellen van het (voortgezet) recht op bijstand. Hierbij wordt het protocol huisbezoek in acht genomen. De klant mag weigeren aan een huisbezoek mee te werken. Echter hij dient op de consequenties hiervan gewezen te worden: als hierdoor het recht op uitkering niet meer vastgesteld kan worden zal de uitkering beëindigd of de aanvraag afgewezen worden.

Risicosturing

  • 3.5 Het college kan door middel van risicoanalyse vooraf bepalen welke groepen een verhoogd risico op fraude hebben. Restrictie hierbij is dat de risicoanalyse niet gebaseerd mag zijn op etniciteit en niet stigmatiserend mag zijn.

  • 3.6 Het college voert een beperkte steekproef met het risicoprofiel uit alvorens het risicoprofiel  breed toe te passen. Uitleg van risicoprofielen is onderdeel van het vroegtijdig informeren.

  • 3.7 Door koppeling van bronbestanden aan het uitkeringssysteem kunnen ook wijzigingen in de woon- en leefsituatie van de klant direct en proactief gesignaleerd worden. Hierdoor kan de uitkering snel en adequaat aangepast worden aan de feitelijke situatie.

Themacontroles

  • 3.8 Het college kan beslissen om themacontroles uit te voeren.

  • 3.9 De controles gebeuren op basis van een objectief thema en kunnen worden onderverdeeld in een administratief en een feitelijk onderzoek.

  • 3.10 Themacontroles zijn altijd aan een bepaalde tijdsduur gebonden.

4. Daadwerkelijk sanctioneren

Doel hiervan is dat enerzijds misbruik wordt bestraft en anderzijds het draagvlak voor de sociale zekerheid gehandhaafd blijft. Het niet nakomen van afspraken wordt gesanctioneerd en misbruik van de sociale voorzieningen wordt bestraft.

  • 4.1 Het college heeft in de Verzamelverordening in paragraaf 3 bepaald welke gedragingen van de klant strijd met de wet opleveren en welke maatregelen dientengevolge worden opgelegd. De beleidsregels hierop zijn separaat vastgelegd.

  • 4.2 Alle ten onrechte of teveel verstrekte uitkering wordt teruggevorderd. Als er sprake is van overschrijding van het kalenderjaar wordt de terugvordering bruto teruggevorderd. De beleidsregels terugvordering en invordering zijn opgenomen in het betreffende beleidskader Terug- en invordering.

  • 4.3 Als er sprake is van terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand voor levensonderhoud en er is ook sprake van verstrekking van bijzondere bijstand in dezelfde periode, dan strekt de terugvordering zich ook uit over deze bijstand. Het kan gaan om individuele bijzondere bijstand maar ook om categoriale bijstand en langdurigheidstoeslag (LDT). Fraude binnen de referteperiode van de LDT waardoor de hoogte van het inkomen resp. vermogen niet kan worden vastgesteld maakt ook dat er geen recht op LDT bestaat.

Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 juli 2012.

Aldus vastgesteld op 26 juni 2012

Beleidsregels afstemming WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2012

Inleiding

De Raad van de gemeente Tilburg heeft de Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2012 vastgesteld. Deze verzamelverordening bevat de volgende verordeningen:

  • 1.Re-integratie

  • 2.Afstemming (= maatregelen)

  • 3.Handhaving

  • 4.Toeslagen.

In de verordening stelt de Raad de kaders voor het te voeren gemeentelijk beleid. Het college vult deze kaders verder in via beleidsregels en uitvoeringsrichtlijnen. Op sommige plaatsen in de verordening geeft de Raad letterlijk het College de opdracht tot het stellen van nadere regels. Daarnaast geven ook de wetten deze opdracht aan het College. In deze beleidsregels worden de beleidsruimten verder ingevuld ten behoeve van de uitvoering.

Maatregelen/ afstemming

Wettelijk kader:

Artikel 8 lid 1 sub b van de WWB luidt als volgt:

“De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:

b.het verlagen van de bijstand als bedoeld in artikel 18, tweede lid.

Artikel 18 lid 2 WWB luidt als volgt:

Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de klant van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet dan wel artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, dan wel indien de klant naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Artikel 35, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de IOAW luidt als volgt:

“De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot de weigering en verlaging, bedoeld in artikel 20.

Artikel 20 IOAW luidt als volgt:

  • 1.Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren naar de mate waarin de klant inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 hebben kunnen verwerven, indien:

    • a.aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de klant ter zake een verwijt kan worden gemaakt;

    • b.de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de klant zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;

    • c.de klant nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of

    • d.de klant door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt

  • 2.Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de klant die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, van een verplichting als bedoeld in artikel 13 of in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdelen a en c, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen.

  • 3.Van een weigering als bedoeld in het eerste lid en een verlaging als bedoeld in het tweede lid wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Artikel 35, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de IOAZ luidt als volgt:

“De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot de de weigering en verlaging, bedoeld in artikel 20.

Artikel 20 IOAZ luidt als volgt:

  • 1.Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren naar de mate waarin de klant inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven, indien:

    • a.aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de klant ter zake een verwijt kan worden gemaakt;

    • b.de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de klant zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;

    • c.de klant nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of

    • d.de klant door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt

  • 2.Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de klant die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, van een verplichting als bedoeld in artikel 13 of in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdelen a en c, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen.

  • 3.Van een weigering als bedoeld in het eerste lid en een verlaging als bedoeld in het tweede lid wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

De wet kent verschillende verplichtingen waar de klanten zich aan moeten houden. Het opleggen van verplichtingen kent voor gemeenten ook de noodzaak om toe te zien op de naleving hiervan. De wettelijke verplichtingen zijn divers maar hebben allemaal tot doel het voorkomen van oneigenlijk of onterecht gebruik van de uitkering. Dit kan zijn door mensen te verplichten werk te gaan zoeken, maar ook door mensen te verplichten alles te melden wat van belang kan zijn voor het recht op uitkering. De Raad heeft in paragraaf 3 van de Verzamelverordening besloten wanneer er welke sanctie moet worden opgelegd bij niet nakoming van de verplichtingen. De maatregelen zijn toegespitst op de soort verplichtingen en het belang hiervan voor de financiële zelfredzaamheid van de klant. Veelal komt het er op neer: hoe dichter bij financiële zelfredzaamheid, hoe zwaarder de sanctie. De Raad geeft het College op meerdere plaatsen de opdracht om nadere regels te stellen.

Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de bijstand af te stemmen op de gedragingen en omstandigheden van klant. Het gaat om de volgende gedragingen:

  • 1.Het niet of onvoldoende nakomen van de plicht tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie. Hieronder valt ook het niet of onvoldoende meewerken aan een activiteit in het kader van de reïntegratie

  • 2.Het niet of onvoldoende nakomen van de reïntegratieplicht door een alleenstaande ouder bij een ontheffing van de arbeidsverplichtingen.

  • 3.Het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht jegens het college of het UWV.

  • 4.Het betonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

  • 5.Het zich jegens het college zeer ernstig misdragen .

  • 6.Het niet of onvoldoende nakomen van de overige verplichtingen die voortvloeien uit de WWB. Deze laatste voorwaarden zijn zeer individueel op te leggen.

1. Overwegingen bij het opleggen van een maatregel (art. 10 Verzamelverordening).

1.1 De ernst van de gedraging:

Het college stemt de maatregel af op de ernst van de gedraging. Hiermee wordt beoordeeld welke verplichting de klant niet nagekomen is.

1.2 De mate van verwijtbaarheid:

Dit is de afweging in hoeverre de niet nakoming aan de klant te verwijten valt. Het gaat hier om de mogelijkheden van de persoon. Als er sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid, dan wordt geen maatregel opgelegd. Onderzocht wordt of de persoon van de klant wist of had kunnen begrijpen wat er van hem of haar werd verwacht. Er hoeft dus niet perse sprake te zijn van een opzet tot niet nakoming, maar of de klant redelijkerwijs op de hoogte was of had kunnen zijn van de verplichtingen.

1.3 Persoonlijke omstandigheden:

Hier gaat het om de directe persoonlijke omstandigheden van de klant. Dit aspect biedt de mogelijkheid tot het leveren van maatwerk. Als de niet nakoming in principe verwijtbaar is, kan er vanuit de omstandigheden binnen de directe omgeving van de klant toch een reden zijn om geen maatregel op te leggen of te volstaan met het geven van een waarschuwing. Hierbij moet gedacht worden aan persoonlijke (psychische) belemmeringen richting uitstroom, verstoorde familie- of gezinsverhoudingen, ziekte in het gezin, te verwachten problemen hierin e.d.

1.4 Horen klant.

De klant wordt altijd in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen (beginsel van hoor en wederhoor) behoudens de volgende situaties:

  • a.de klant heeft zijn of haar zienswijze al eerder kenbaar gemaakt en er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden; of

  • b.binnen de gestelde termijn is niet voldaan aan de inlichtingenverplichting; of

  • c.het horen is niet nodig voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.

Dit horen kan zowel tijdens een spreekkamergesprek als ook telefonisch gebeuren. Vervolgens wordt in de beschikking de opgelegde maatregel gemotiveerd, zodat duidelijk is waarom er een maatregel wordt opgelegd en waarom tot deze hoogte.

2. Verplichtingen gericht op rechtmatigheid

Hieronder worden verstaan alle verplichtingen die betrekking hebben op de rechtmatige verstrekking van de uitkering. Dit zijn de inlichtingenplicht, de verplichting om alles te doen om de uitkering(sduur) te beperken inclusief de plicht om zich hierbij behoorlijk te gedragen, de verplichting om op te komen dagen bij afspraken e.d. De sancties op niet nakoming van deze verplichtingen zijn opgenomen in de artikelen 17 t/m 19 van de Verzamelverordening.

2.1 Inlichtingenplicht

2.1.1 Iedere klant wordt geacht “onverwijld”alle gegevens te verstrekken die voor de bijstandsverlening relevant kunnen zijn. Onverwijld wil zeggen direct, maar in ieder geval via de eerst volgende IV . Dit moet dus tijd en uit zichzelf gedaan worden.

Er zijn een aantal fasen in de informatieverstrekking te onderscheiden.

2.1.2 Informatieverstrekking in de aanvraagfase door personen ouder dan 27 jaar. De aanvrager verstrekt de noodzakelijke informatie op een hiervoor bedoeld inlichtingenformulier en zorgt voor de noodzakelijke bewijsstukken. In een persoonlijk gesprek worden de gegevens gecontroleerd en worden de rechten en plichten medegedeeld. Indien de aanvrager niet verschijnt voor het gesprek wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.

Indien de aanvrager wel verschijnt op het gesprek maar niet alle gegevens inlevert wordt er een hersteltermijn gegeven. Als deze gegevens niet worden ingeleverd dan wordt de aanvraag ook buiten behandeling gesteld,.

Als de aanvrager verschijnt en alle gegevens inlevert die op dat moment noodzakelijk zijn, dan start de inhoudelijke behandeling van de aanvraag. Als tijdens de beoordeling meer gegevens noodzakelijk zijn, dan worden deze opgevraagd. Levert de aanvrager deze niet tijdig in, dan wordt de aanvraag afgewezen omdat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

2.1.3 Jongeren kunnen niet direct een aanvraag indienen, maar krijgen een wachtperiode van vier weken. Tijdens deze vier weken moet de jongere werk zoeken of onderzoeken of er nog een mogelijkheid bestaat terug naar school te gaan. De jongere ontvang een lijst met verplichtingen waar hij in deze 4 weken aan moet voldoen. Als er na vier weken geen werk of opleiding is kan de jongere een aanvraag indienen. Dezelfde procedure rondom de informatieverstrekking wordt gevolgd zoals bij de 27+ers. Als er niet is voldaan aan de vereisten, gaat er een nieuwe wachttijd in. Als er onvoldoende is gedaan dan zal er een maatregel opgelegd worden door de gemeente.

2.1.4 Informatieverstrekking tijdens de looptijd van de uitkering. Alle klanten moeten onverwijld melding maken van alle relevante feiten en omstandigheden, van belang voor het recht op bijstand. Onder "onverwijld" wordt verstaan: het verstrekken van informatie voor of op het tijdstip waarop de eerstvolgende inkomstenverklaring (IV) moet zijn ingeleverd, dan wel via het eerstvolgend IV na het tijdstip waarop het relevante feit/omstandigheid zich heeft voorgedaan.

2.1.5 Inleveren IV: De IV moet ingeleverd worden op de hierop opgegeven dag. Als de IV niet op tijd wordt ontvangen wordt de uitkering opgeschort. De klant ontvangt een brief met een hersteltermijn. Hij krijgt de mogelijkheid alsnog de IV in te leveren of aan te vullen (bij onvolledigheid). Als binnen deze termijn de IV binnenkomt of wordt aangevuld, dan wordt de uitkering betaald. Dit heeft geen verdere consequenties. Als de IV niet binnen deze termijn binnenkomt dan wordt er een beëindigingonderzoek wordt opgestart door taak in dirigent voor de casemanager. Als de IV alsnog binnen tijdens dit onderzoek wordt ingeleverd dan kan de uitkering alsnog worden betaald en wordt er een maatregel overwogen. Als de klant reageert nadat het beëindigingsonderzoek is afgerond, dan kan de uitkering niet meer worden hersteld maar kan er een nieuwe aanvraag ingediend worden.

2.1.6 Er worden alleen gegevens opgevraagd die relevant zijn voor het recht op uitkering dan wel voor arbeids- en re-integratieactiviteiten. Het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit moeten hierbij in acht genomen worden.

Proportionaliteit: De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer moet in redelijke verhouding staan tot het beoogde doel: het verkrijgen van informatie ten behoeve van de beoordeling van het recht op bijstand.

Subsidiariteit: Als het doel via een andere weg kan worden bereikt, die minder inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer, dan moet die andere weg worden bewandeld.

2.1.7 De aanvrager c.q. klant is verantwoordelijk voor het overleggen van zijn of haar gegevens. Wanneer deze niet meer in het bezit zijn moet hij of zij zorgen voor vervangende exemplaren. Als hij of zij dit niet meer kan, dan moet bezien worden of dit verwijtbaar is. Als een klant om niet verwijtbare redenen bewijsstukken niet meer kan inleveren, zal er een besluit genomen moeten worden aan de hand van de wel aanwezige gegevens.

2.1.8 Bankafschriften. Belangrijke informatie over het recht op uitkering, t.w. inkomen en vermogen, is te vinden op bankafschriften. Bij een aanvraag en (rechtmatigheids)heronderzoek worden standaard de bankafschriften over de laatste 3 maanden opgevraagd. Als er reden is om de bankafschriften over een langere periode op te vragen, dan is dit ook mogelijk. Niet alle bankafschriften hoeven te worden gekopieerd, in ieder geval de laatste waarop het saldo te zien is.

Soms kan uit de uitgaven worden opgemaakt dat er sprake is van een auto, dat er zwart geld is omdat er nooit wordt gepind etc. Het onleesbaar maken van uitgaven dient volgens de CRvB te worden gerespecteerd, tenzij deze gegevens noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand.

Internet bankieren: klanten ontvangen vaak geen papieren bankafschriften meer maar kijken digitaal. Men kan de afschriften dan zelf printen. Computeruitdraaien van bankafschriften worden geaccepteerd als bewijsstuk, tenzij er sprake is van een vermoeden van fraude of van een volledig rechtmatigheidsonderzoek. Als praktische oplossing kan aan de klant gevraagd worden om in de spreekkamer in te loggen bij de bank.

2.1.9 Beperking vanuit de Wet eenmalige gegevens uitvraag. De gemeente vraagt geen gegevens op die ook uit andere bronnen real time inzichtelijk zijn. Dit kan via SUWI Inkijk. Het feit dat dit kan ontslaat de klant niet van de (spontane) inlichtingenplicht.

2.1.10 Rechtmatigheidsheronderzoeken. Gedurende de looptijd van de uitkering zal de gemeente de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking controleren als reactie op gebeurtenissen:

  • -(einde) huwelijk, samenwoning;

  • -geboorte kind in een een-oudergezin

  • -inwoning of vertrek kamerbewoner of kostganger

  • -ontslag en einde inkomsten

  • -maatregel van een andere uitkeringsinstantie

  • -fraudesignaal

Deze lijst is niet uitputtend, er kunnen ook andere redenen zijn om een rechtmatigheidsonderzoek te starten.

2.1.11 Artikel 17 Verzamelverordening bepaalt dat bij ondubbelzinnig of opzettelijk misbruik van de uitkering de duur van de maatregel wordt verdubbeld. Ondubbelzinnig of opzettelijk misbruik ziet op de situaties waarin geen sprake is van een vergissing, maar duidelijk is dat de schending van de inlichtingenplicht bewust heeft plaatsgevonden en tot doel heeft gehad teveel of ten onrechte uitkering te ontvangen.

2.2 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

2.2.1. Dit doet zich o.a. voor als:

  • a.er geen gebruik wordt gemaakt van een voorliggende voorziening waar wel recht op bestaat b.v. alimentatie of andere sociale zekerheidsuitkering;

  • b.geld weggeschonken of te snel ingeteerd is, waardoor er eerder een beroep moet worden gedaan op een uitkering;

  • c.men zich (door eigen toedoen) niet adequaat heeft verzekerd (b.v. tegen ziektekosten of wettelijke aansprakelijkheid of brand).

2.2.2 Versneld interen:

In de praktijk komen drie situaties voor:

  • a.Het vermogen is aantoonbaar verantwoord ingeteerd. Bijstandsverlening kan dus zondermeer plaatsvinden.

  • b.Het vermogen is ingeteerd zonder dat de klant dit redelijkerwijs kan verantwoorden. De jurisprudentie gaat er in beginsel dan vanuit dat de klant nog de beschikking heeft over de gelden, wat leidt tot een beëindiging van de uitkering dan wel het afwijzen van de aanvraag. Maar als klant aantoonbaar geen middelen meer heeft, dan wordt in plaats van beëindiging of afwijzing een maatregel aan de orde, zoals opgenomen in de Verzamelverordening.

  • c.Het aanwezige vermogen is op een onverantwoord snelle wijze ingeteerd waardoor men eerder bijstandsbehoeftig is. Indien wordt geconstateerd dat een klant op een onverantwoorde wijze aantoonbaar een vermogen heeft ingeteerd, wordt een maatregel opgelegd, zoals omschreven in de Verzamelverordening artikel 18 lid 4. De zwaarte van de maatregel (= duur) is hoger naarmate iemand een hoger vermogen had. Over het algemeen is sprake van te snel interen als meer dan 1,5x de norm per maand is opgemaakt te rekenen vanaf het moment dat duidelijk was dat iemand bijstandsbehoeftig zou kunnen worden. Hierbij moet dus vastgesteld worden vanaf welk moment iemand redelijkerwijs kon vermoeden aangewezen te zijn op een bijstandsuitkering. Dit zal vaker aan de orde zijn bij grote bedragen dan bij kleinere vermogens.

2.3. Zeer ernstig misdragen jegens ambtenaren, bestuur, medewerkers UWV, medewerkers re-integratiebedrijven etc. (art. 19 Verzamelverordening)

2.3.1 Er is o.a. sprake van zich zeer ernstig misdragen in de volgende situaties:

  • a.verbale agressie, telefonisch, face to face of via anderen;

  • b.fysieke agressie;

  • c.intimidatie.

2.3.2 Iedere vorm van bovengenoemde gedraging wordt aangemerkt als zeer ernstig misdragen en niet getolereerd. De gedraging wordt zoveel mogelijk geobjectiveerd, zodat het eigen incasseringsvermogen van de behandelend ambtenaar hierbij niet doorslaggevend is. Er is een speciaal team binnen de gemeente dat wordt ingeschakeld en er wordt in principe altijd aangifte gedaan.

2.3.3 Het agressieprotocol wordt geacht onderdeel uit te maken van de beleidsregels.

3. Arbeidsinschakelingsverplichtingen (artikel 9 WWB)

Hierbij is een onderscheid te maken in arbeidsverplichtingen en re-integratieverplichtingen. De eerste verplichtingen zijn gericht op het zoeken naar- en aanvaarden en behouden van werk . De tweede soort verplichtingen zijn gericht op deelname aan scholingsactiviteiten of andere activerende activiteiten, en op langere termijn gericht op arbeid. De maatregelen op niet of onvoldoende nakoming hiervan zijn opgenomen in artikel 20 van de Verzamelverordening.

  • 3.1 In de verzamelverordening worden een aantal gedragingen beschreven, waarvoor een maatregel opgelegd kan worden van 100% gedurende 1 maand. In de volgende situaties wordt deze maatregel geëffectueerd met 50% gedurende 2 maanden:

    • -als er sprake is van een gezin met ten laste komende kinderen, omdat kinderen niet de dupe mogen worden van de gedragingen van de volwassen gezinsleden;

    • -als er sprake is van een minnelijk schuldhulpverleningstraject;

    • -in andere situaties als duidelijk is dat er grote problemen ontstaan zoals b.v. huisuitzettingen.

Deze afwijking op de hoofdregel moet altijd gemotiveerd worden.

  • 3.2 Er wordt een maatregel van 20% of 5% opgelegd gedurende 1 maand in de situaties zoals genoemd in artikel 20 lid 3 en lid 5 van de Verzamelverordening. Het gaat hier om minder “zware” gedragingen ten opzichte van de kansen op de arbeidsmarkt. Maar deze hoogte van de maatregel (dus het percentage en niet de duur) wordt verdubbeld als er sprake is van een korte afstand tot de arbeidsmarkt. In de volgende situaties is er sprake van een korte afstand tot de arbeidsmarkt:

    • a.Als de afstand tot de arbeidsmarkt minder is dan 1 jaar vanwege recente werkervaring;

    • b.Als er een investering is geweest in een re-integratietraject waardoor de afstand tot de arbeidsmarkt is verminderd en klant geacht wordt binnen 1 jaar aan het werk te kunnen.

  • 3.3 Voor een jongere geldt dat de uitkering wordt geweigerd of beëindigd als blijkt dat deze (ondubbelzinnig) niet van plan is de verplichtingen vanuit de WWB na te (gaan) komen. Dit is een wettelijke uitsluitingsgrond. Dit was ook zo in de WIJ: niet meewerken WLA was geen uitkering.

Als sprake is van onvoldoende nakoming van de verplichtingen, dan worden de maatregelen opgelegd zoals opgenomen in de Verzamelverordening.

3.4 Verblijf in het buitenland. Alle klanten jonger dan 65 jaar hebben recht op 4 weken verblijf in het buitenland per jaar. Dit recht geldt individueel. Op grond van de algemene inlichtingenplicht moet de belanghebbende zowel verblijf in het buitenland) als (langdurig) verblijf in Nederland buiten de gemeente melden. Op de dag dat de maximale verblijfsduur in het buitenland is verstreken, wordt het recht op bijstand opgeschort. De klant krijgt een beschikking waarin hij nog zeven dagen de tijd krijgt om zich te melden. Doet hij dit, dan wordt de uitkering hervat per meldingsdatum. Als de klant zich niet komt melden voor deze datum dan wordt de uitkering beëindigd per de 30ste dag na vertrek naar het buitenland.

De klant moet altijd met zijn paspoort en reisdocumenten aantonen hoe lang hij weg is weggeweest en wanneer hij precies is teruggekeerd.

3.5 toestemming voor verblijf buitenland binnen traject.

Op grond van artikel 55 WWB kan aan de bijstand de verplichting worden verbonden om van tevoren toestemming te vragen voor verblijf in het buitenland of (langdurig) verblijf in Nederland buiten de gemeente. Als een re-integratietraject in de weg staat aan verblijf in het buitenland wordt geen toestemming gegeven. Klant dient zijn verblijf uit te stellen of ervan af te zien. Als de klant dit niet doet, kan er een maatregel worden opgelegd vanwege schending van de re-integratieverplichting. De verplichting moet wel expliciet opgelegd zijn in het kader van de re-integratieverplichtingen.

4. ontheffen arbeidsverplichtingen

4.1 Uitgangspunt is dat alle verplichtingen vanuit de WWB voor alle klanten gelden.

4.2. Van de inlichtingenplicht en de plicht tot medewerking en tot het tonen van genoegzaam besef van verantwoordelijkheid wordt geen ontheffing gegeven. Maar er wordt altijd rekening gehouden met de individuele situatie en omstandigheden van de klant bij de beoordeling van de nakoming van de verplichtingen.

  • 4.3 Er wordt in principe geen ontheffing verleend van de re-integratieverplichting tenzij hiervoor zeer dringende redenen zijn, denk hierbij aan ziekte, dringende zorgtaken etc. Een afwijking van de hoofdregel moet gemotiveerd worden.

  • 4.4 De verplichtingen gelden vanuit de wet, ontheffing kan worden gegeven indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De ontheffing is altijd tijdelijk en geldt in beginsel alleen voor de arbeidsverplichtingen. Het gaat dan concreet om de volgende verplichtingen:

    • -de verplichting tot inschrijving bij het UWV als werkzoekende;

    • -de sollicitatieplicht;

    • -de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te behouden.

Van de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden kan nooit een ontheffing worden gegeven.

4.5 De dringende reden moet altijd in (de omstandigheden van) de persoon zitten. Algemene redenen zoals een slechte arbeidsmarkt zijn nooit een reden voor een ontheffing. De ontheffing wordt individueel gegeven.

Medische problemen zijn niet per definitie een reden voor het verlenen van ontheffing. Indien medische redenen worden aangegeven als belemmering voor het voldoen aan de verplichtingen, en er zijn niet reeds medische gegevens aanwezig in het dossier om dit te onderbouwen, dan wordt er een medisch of arbeidsdeskundig onderzoek gevraagd bij een externe deskundige. Als de medische situatie al bekend is en er zijn geen wijzigingen in de situatie, dan kan de ontheffing verlengd worden zonder extern onderzoek.

Uitgangspunt is dat niet wordt onderzocht wat mensen niet kunnen, maar juist wat ze wel kunnen in het licht van hun beperkingen of hun (sociale) omstandigheden. Die verplichtingen worden opgelegd, en van de andere verplichtingen kan een ontheffing worden gegeven

De duur van de ontheffing moet altijd in de beschikking worden opgenomen. Deze is afhankelijk van de duur van de dringende reden waarvoor deze ontheffing wordt gegeven. Maximale duur van de ontheffing is in principe drie jaar, hierna wordt verlenging opnieuw beoordeeld, intern dan wel via een externe deskundige.

4.6 Ontheffing alleenstaande ouders. Een alleenstaande ouder kan om een ontheffing van de arbeidsverplichtingen verzoeken als en zolang deze een kind onder de 5 jaar verzorgt. De duur van deze ontheffing is maximaal 5 jaar, ongeacht het aantal kinderen. De ontheffing geldt niet voor de re-integratieverplichtingen en het college weigert de ontheffing als duidelijk is dat de ouder niet van plan is deze re-integratie verplichtingen na te gaan komen. Er wordt een plan van aanpak opgesteld waarin de afspraken staan tussen de ouder en het college omtrent de re-integratieverplichtingen. Er wordt ieder half jaar een heronderzoek uitgevoerd naar de nakoming van de verplichtingen. Als de ouder de verplichtingen vanuit het plan van aanpak niet is nagekomen wordt er een sanctie opgelegd conform de verzamelverordening. De invulling van het plan van aanpak wordt opgenomen in de beleidsregels re-integratie.

5. De waarschuwing en recidive

De waarschuwing is een nieuwe mogelijkheid tot sanctioneren in Tilburg. De waarschuwing telt mee voor de bepaling of er sprake is van recidive.

  • 5.1 de waarschuwing. Deze kan worden gegeven wanneer er sprake is van schending van de arbeidsverplichtingen waarvoor 20% of 5% sanctie kan worden opgelegd (art. 20 lid 3 en 5 Verzamelverordening). De waarschuwing kan worden opgelegd i.p.v. een financiële sanctie als:

    • a.de niet nakoming onbewust is;

    • b.de casemanager de inschatting heeft juist door het geven van een waarschuwing in plaats van de financiële straf meer te kunnen bereiken.

Bij opzettelijke schending van de verplichtingen wordt nooit een waarschuwing gegeven, maar wordt altijd de financiële maatregel worden opgelegd.

Er wordt binnen 1 kalenderjaar maximaal 1x een waarschuwing opgelegd. Als er binnen dit kalenderjaar wederom sprake is van niet nakoming, ook al gaat het om een andere gedraging waar ook een waarschuwing voor gegeven kan worden, dan wordt altijd een verlaging van de uitkering opgelegd.

5.2. recidive. Als de klant zich binnen 12 maanden schuldig maakt aan dezelfde gedraging, wordt de duur van de maatregel verdubbeld. Het moet wel gaan om gedragingen binnen dezelfde maatregel. Ook de waarschuwing telt mee voor de recidive, het afzien van een maatregel vanwege het ontbreken van verwijtbaarheid niet.

Als er na de recidive wederom sprake is van recidive wordt de duur van de 2e maatregel verdubbeld. Dit betekent b.v. het volgende:

100% 1 maand -> 100% 2 maanden -> 100% 4 maanden. De 12 maanden gaan opnieuw lopen op het moment van opleggen van de maatregel. Zodra er sprake is van 100% maatregel gedurende 4 maanden moet een heronderzoek opgestart worden naar het (voortgezet) recht op uitkering.

6 .Beëindiging van de uitkering

Het college is verantwoordelijk voor de rechtmatige verstrekking van bijstand, waaronder het op het juiste tijdstip beëindigen van de bijstand. Bij beëindiging van de bijstand zal het college, na onderzoek, een besluit moeten nemen met betrekking tot de wederzijds tussen de gemeente en de klant resterende verplichtingen en de afwikkeling daarvan. Men spreekt in dit verband over een beëindigingsonderzoek.

6.1 De WWB kent geen bepalingen rondom de beëindiging, alleen geldt de algemene regel dat het onderzoek binnen een redelijke termijn moet worden uitgevoerd. De gemeente Tilburg streeft er naar om de onderzoeken binnen 3 maanden na de datum van beëindiging gereed te hebben.

De vakantietoeslag (verder vt) dient binnen drie maanden volgend op de maand waarin de algemene bijstand is beëindigd te worden uitbetaald (art. 45 WWB). Gelet op deze wettelijke betalingsplicht dient het beëindigingsonderzoek binnen deze termijn te worden afgerond, vanwege het feit dat een eventuele terugvordering dan nog verrekend kan worden met de openstaande vt.

  • 6.2 Na het beëindigen van een bijstandsuitkering wordt een beëindigingonderzoek opgestart. In dit onderzoek zal in ieder geval aandacht besteed worden aan de volgende punten:

    • Openstaande verplichtingen van de gemeente jegens de klant; dit zijn nog lopende trajecten en nog openstaande financiële rechten.

    • Openstaande verplichtingen van de klant jegens de gemeente; dit zijn nog te verstrekken inlichtingen, in te leveren gegevens of IV en openstaande vorderingen of ontstane vorderingen e.d.

    • Openstaande verplichtingen van een onderhoudsplichtige jegens de gemeente.

Als er nog openstaande verplichtingen zijn, dan zullen deze afgewikkeld worden of zal de klant hierop aangeschreven worden.

  • 6.3 Soms is er sprake van een korte onderbreking van de uitkering b.v. vanwege detentie. Hierbij zijn de volgende situaties te onderscheiden:

    • a.Er wordt een nieuwe aanvraag ingediend terwijl het beëindigingsonderzoek nog niet is afgerond. Als deze aanvraag inhoudelijk wordt behandeld en het komt tot een toekenning, dan wordt het beëindigingsonderzoek meegenomen in het onderzoek naar de aanvraag.

    • b.Er wordt opnieuw een uitkering aangevraagd terwijl het beëindigingsonderzoek nog loopt. Is er sprake van ongewijzigde omstandigheden, waardoor de aanvraag inhoudelijk niet wordt behandeld, dan wordt het beëindigingsonderzoek verder uitgevoerd. Is er sprake van gewijzigde omstandigheden, maar volgt er toch een afwijzing, dat zal het beëindigingsonderzoek verder worden afgewerkt.

    • c.Het is op voorhand al duidelijk dat de onderbreking van de uitkering tijdelijk zal zijn b.v. vanwege kortdurende detentie of verblijf in het buitenland, dan hoeft de uitkering niet direct beëindigd te worden. Als het een beperkte periode van maximaal één maand betreft, die van tevoren vaststaat, kan worden volstaan met het onderbreken van de uitkering tijdens die periode. Er hoeft dan geen beëindigingsbeschikking te worden gemaakt en na afloop van de periode hoeft niet opnieuw uitkering te worden aangevraagd. Wel moet achteraf de periode worden geverifieerd. De klant ontvangt één beschikking dat over bedoelde periode geen uitkering wordt verstrekt met daarbij vermeld de reden van onderbreking. Dit is een formeel besluit waartegen bezwaar en beroep mogelijk is.

    • d.Staat de periode van onderbreking niet vast of duurt deze langer dan één maand, dan moet de uitkering altijd beëindigd worden. Er dient dan een beëindigingsbeschikking te worden verstuurd. Komt de klant binnen een periode van zes maanden terug met een verzoek om uitkering en zijn alle omstandigheden ongewijzigd, dan kan worden volstaan met de zgn. verkorte procedure. De klant ontvangt een beschikking.

Als de uitkering korter dan 3 maanden geleden is beëindigd, dan kan de aanvraag ingediend worden bij het team waar de klant onder viel voor de beëindiging (hoeft niet via UWV). Datum stopzetting is leidend.

Uitzonderingen:

  • -Aanvragen van mensen jonger dan 27 jaar moeten altijd via het UWV, omdat hier een wachttijd geldt;

  • -Aanvragen levensonderhoud Dienstencentrum Traverse via Team Basisdienstverlening.

    • 6.4 Als de klant niet meewerkt aan het beëindigingsonderzoek kan dat betekenen dat het recht op uitkering over een langere periode niet kan worden vastgesteld. Er wordt bekeken vanaf welk moment wel met zekerheid kan worden vastgesteld dat er recht op uitkering bestond. Betaalde uitkering over de periode hierna zal worden teruggevorderd.

Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 juli 2012.

Aldus vastgesteld op 26 juni 2012

Beleidsregels v erhaal van kosten van bijstand.

Inleiding.

Artikel 61 Wet werk en bijstand (WWB) bepaalt dat het college kosten van bijstand kan verhalen in de situaties zoals genoemd in de wet en alleen volgens de regels van de WWB. Het verhalen van kosten van bijstand is een bevoegdheid van het college. In andere gevallen dan in de wet aangegeven is het college niet bevoegd om de bijstand te verhalen. Het is aan het college om beleid te formuleren of en in welke gevallen het gebruik maakt van de bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen.

Tussen verhaal van bijstand en activering bestaat verder een zekere wisselwerking. Bij het beëindigen van de WWB-uitkering van een onderhoudsgerechtigde i.v.m. het aanvaarden van betaalde arbeid, vervalt voor de onderhoudsplichtige gelijktijdig de rechtsgrond voor het verhaal van kosten van bijstand. Dit geldt ook indien de onderhoudsplichtige zich met vrucht kan beroepen op het tekort schieten van de activeringsplicht van de gemeente voor een onderhoudsgerechtigde WWB uitkeringsgerechtigde. Alle partijen hebben er dus belang bij dat ook hier het principe “werk boven uitkering” goed ingevuld wordt. Ook langs deze weg is invulling te geven aan het debiteurenbeleid, waarbij de doelstelling gericht is en blijft op het terugdringen van zowel het aantal debiteuren als het debiteurensaldo.

De regels over het vaststellen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige zijn vastgelegd in de zogeheten TREMA-normen zoals gepubliceerd in het Tijdschrift voor Rechtelijke Macht. Hierbij wordt vaak volstaan met forfaitaire bedragen, waarbij uitgaven niet behoeven te worden aangetoond.

Algemeen.

Bij de uitvoering van de verhaalsbepalingen zijn de uitvoerende teams verantwoordelijk voor het voortraject:

  • -het signaleren van die bijstandsaanvragen waarbij verhaal een rol speelt of kan spelen en

  • -het aangeven van de eventuele omstandigheden op grond waarvan van verhaal zou moeten

worden afgezien.

De medewerkers verhaal van het team Ondersteuning zijn belast met het al dan niet opleggen van houdt zich voorts bezig met het voeren van noodzakelijke gerechtelijke procedures, wanneer het gaat om verhaal.

Verhaalsgronden.

Verhaal vindt plaats op basis van een van de volgende gronden:

  • 1.op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot niet of niet behoorlijk nakomt;

  • 2.op degene die de onderhoudsplicht jegens zijn minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt;

  • 3.op het minderjarig kind dat de onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt;

  • 4.op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt;

  • 5.op degene die zijn onderhoudsplicht jegens zijn meerderjarig kind van 18 tot 21 jaar, dat bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 12 WWB ontvangt, niet of niet behoorlijk nakomt.

  • 6.bij een schenking aan een derde door de bijstandsgerechtigde, tenzij aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van de bijstandsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien;

  • 7.ingeval er een vordering is die valt in een nalatenschap;

  • 8.bij het ontstaan van een vordering wegens toepassing van de Wet op de Lijkbezorging.

De wet kent in artikel 62b WWB een aparte regeling voor verhaal op degene die zijn onderhoudsplicht overeenkomstig een rechterlijke alimentatie-uitspraak niet nakomt

Afzien van verhaal/ontbreken verhaalstitel.

De gemeente kan geheel of gedeeltelijk van verhaal afzien indien daarvoor, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die bijstand ontvangt of heeft ontvangen dringende redenen aanwezig zijn. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van dringende redenen moet zowel gekeken worden naar de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht als naar de omstandigheden van degene die bijstand ontvangt of heeft ontvangen. Bovendien dienen bij deze beoordeling niet alleen de financiële omstandigheden te worden betrokken, maar ook de niet financiële. Het is ook mogelijk dat er door omstandigheden van betrokkene(n) er geen verhaalsgrond aanwezig is.

Hierbij is te denken aan onder meer:

• het (gaan) samenwonen van de onderhoudsgerechtigde en

• een meer dan theoretische kans van de onderhoudsgerechtigde om door arbeid in loondienst zelfstandig in het levensonderhoud te voorzien.

Indien een onderhoudsplichtige zich beroept op het samenwonen van de gewezen onderhoudsgerechtigde partner wordt hiernaar een onderzoek ingesteld (mede omdat sprake kan zijn van oneigenlijk gebruik van de bijstand).

Geen/afzien van verhaal en onderhoudsplicht.

Er kan worden afgezien van verhaal indien dat voor de onderhoudsgerechtigde of de onderhoudsplichtige onaanvaardbare consequenties heeft. Er moet dan sprake zijn van zeer dringende reden. Mishandeling en incest kunnen zeer dringende redenen zijn om van verhaal af te zien. Het verblijf in een “Blijf van mijn lijfhuis” of toevluchtsoord levert in het algemeen niet zo’n dringende reden op. Is er sprake van verblijf in zo’n tehuis dan dient de procedure wel met de grootste zorgvuldigheid te worden gevoerd. Indien daarvoor gronden aanwezig zijn kan worden besloten tot een afkoelingsperiode van 3 maanden, waarin tijdelijk wordt afgezien van verhaal. Na deze 3 maanden dient opnieuw te worden beoordeeld of overgegaan kan worden tot verhaal.

Uitzondering hierop is als iemand is opgenomen in een blijf van mijn lijfhuis onder geheimhouding. Dan wordt afgezien van verhaal.

Wanneer een kind niet is erkend en/of gewettigd, wordt van verhaal op de vader afgezien. Hierbij zijn de gegevens in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) bepalend.

Afzien van verhaal bij nalatenschap.

Een dringende reden om af te zien van verhaal bij nalatenschap kan gelegen zijn in het binnen redelijke grenzen ontzien van de belangen van de langstlevende echtgenoot en het kind dat ten tijde van het overlijden bij de overledene inwoonde. Ingeval van kennelijke hardheid voor de erfgenamen kan van verhaal op de nalatenschap worden afgezien. Hiervoor gelden dezelfde gronden als bij het afzien van verhaal op grond van dringende redenen.

Verhaal en schuld en .

Wanneer iemand schulden heeft is dit in beginsel geen reden om af te zien van verhaal, zeker niet wanneer het gaat om schulden die ontstaan zijn na de echtscheiding of verlating. Wel kan het zo zijn dat er bij de draagkrachtberekening rekening gehouden wordt met bepaalde aflossingen van (reeds bestaande) schulden.

Verhaal en onderhoudsplicht.

De wettelijke onderhoudsplicht is geregeld in het Burgerlijk Wetboek (BW). Een onderhoudsplichtige is in dit verband degene die in het algemeen verplicht is een bijdrage te leveren inde kosten van levensonderhoud voor een (gewezen) echtgenoot en/of een (erkend) kind, voor zijn of haar ouders. De onderhoudsplicht geldt ook voor een onwettig kind.

Wanneer de onderhoudsplicht niet of niet behoorlijk wordt nagekomen kan de gemeente verhalen. Aan de onderhoudsplicht zijn grenzen gesteld.

  • 1.De eerste grens is dat alleen kosten van bijstand kunnen worden verhaald tot maximaal de verstrekte bruto bijstand.

  • 2.De tweede grens is dat niet meer kan worden verhaald dan wat iemand gezien zijn of haar financiële draagkracht kan bijdragen.

  • 3.De verhaalsbepalingen in de WWB zelf zijn een derde grens aan de door de gemeente uit te voeren onderhoudsplicht. Het BW kent namelijk meer situaties waarin sprake is van onderhoudsplicht, dan die genoemd zijn in de WWB in de artikelen 62 en 62f.

Onderstaand worden de verschillende situaties genoemd waarbij sprake is van een onderhouds- én verhaalsplicht.

Onderhoudsplicht van (ex-)echtgenoten.

(art. 62 WWB ).

Echtgenoten zijn verplicht elkaar (mede) te onderhouden. Wanneer echtgenoten niet meer samenwonen en dit te wijten is aan het onredelijk gedrag van één van hen, vervalt de onderhoudsplicht van degene die onredelijk is bejegend.

Anders gezegd: heeft de vrouw zich onredelijk gedragen ten opzichte van de man, hetgeen heeft geleid tot niet meer samenwonen, dan is de vrouw wel onderhoudsplichtig t.a.v. de man, maar de man niet t.a.v. de

vrouw. Dit geldt echter alleen zolang er nog sprake is van een huwelijk. Na de echtscheidingsprocedure vangt een eventuele onderhoudsplicht aan op grond het BW.

Degene die onvoldoende inkomsten heeft of kan verwerven, kan een vordering instellen voor een vergoeding voor levensonderhoud van de (voormalige) echtgenoot. De rechter kan dit toewijzen bij het echtscheidingsvonnis of bij een latere uitspraak. De rechter kan de vordering toewijzen, maar hij kan de vordering ook matigen of afwijzen. Er is sprake van een grote beoordelingsvrijheid. De rechter gaat hierbij uit van de welvaart binnen het huwelijk.

In het algemeen zal de gemeente het oordeel van de rechter volgen tenzij duidelijk is dat de rechter louter een niet bestreden vordering heeft toegewezen en geen eigen berekening heeft gemaakt of is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. De rechter kan ook een voorlopige uitspraak doen. Dit wordt een voorlopige voorziening genoemd. Het is geen vaststelling van wettelijke onderhoudsplicht, maar slechts een voorlopige uitspraak totdat definitief in de echtscheidingsprocedure of procedure tot scheiding van tafel en bed is beslist.

Afspraken omtrent onderhoudsplicht

Indien de wettelijke onderhoudsplicht is vastgelegd in een overeenkomst tussen (ex)echtgenoten of wanneer onderling wordt afgezien van onderhoudsplicht (een zgn. nihilbeding), dan staat dit een verhaalsactie niet in de weg. De gemeente kan aan een dergelijke overeenkomst voorbijgaan en een eigen berekening maken. Uitgangspunt is altijd dat het belang van de (beperking van de) bijstandsverlening voor gaat. Om kosten van bijstand op de ex-echtgenoot te kunnen verhalen moet er een causaal verband zijn tussen de duurzame scheiding en de bijstandsbehoefte. De bijstandsbehoefte moet rechtstreeks voortvloeien uit het verbroken gezinsverband.

Onderhoudsplicht van ouders jegens hun jongmeerderjarige kinderen

Dit onderdeel slaat op verhaal op de ouders wanneer aan een kind tussen de 18 en 21 jaar een aanvullende bijstandsuitkering (= bijzondere bijstand) moet worden verleend om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien omdat de jongere niet in staat is de ouderlijke onderhoudsplicht te effectueren. Het verhaal blijft in deze gevallen beperkt tot de verstrekte bijzondere bijstand. Tilburg heeft lang het beleid gevoerd dat als kinderen langer dan 1 jaar zelfstandig wonen, er geen verhaalsactie richting de ouders wordt ondernomen. Omdat Tilburg een studentenstad is waar jongeren al vroeg zelfstandig gaan wonen vanwege de studie, is dit eigenlijk geen goed argument. Daarom wordt altijd onderzocht of er een mogelijkheid is verhaal te plegen op de ouders, ook als jongeren al langer zelfstandig wonen. Dit beleid past beter bij het uitgangspunt van de wet (en het beleid) dat het belang van de (beperking van) bijstandsverlening voor gaat. Het past ook in het principe van de gezinsbijstand waar de onderhoudsplicht van ouders voor hun kinderen en vice versa nog verder doorwerkt dan tot 21 jaar.

Verhaalsnormen/alimentatie normen.

Zoals reeds is aangegeven dient voor de vaststelling van de onderhoudsbijdrage te worden bekeken wat de grens is van de onderhoudsplicht. Die grens wordt onder meer bepaald door de financiële draagkracht van de onderhoudsplichtige. Als de kosten van bijstand die kunnen worden verhaald hoger zijn dan de draagkracht van de onderhoudsplichtige dan is diens draagkracht bepalend voor de hoogte van de onderhoudsbijdrage.

Om de financiële draagkracht te berekenen wordt aansluiting gezocht bij de zgn. Trema-normen. De werkgroep “alimentatie” van de Nederlandse Verenging voor rechtspraak, publiceerde in 1976 voor het eerst haar aanbevelingen in het tijdschrift voor de rechtelijke macht (Trema). Aangezien bij de bepaling door de rechters gebruik wordt gemaakt van deze aanbevelingen, is het logisch dat ook de gemeente bij het berekenen van de onderhoudsbijdrage hierbij aansluit. De tremanormen worden regelmatig aangepast. Ook worden de alimentatiebedragen jaarlijks geïndexeerd.

Aanvang en duur onderhoudsbijdrage.

De ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage is in beginsel de datum waarop de onderhoudsgerechtigde voor het eerst een uitkering ontvangt. Bepalend is de datum waarop de aanschrijving ( in de vorm van een beschikking) aan de onderhoudsplichtige uitgaat. Het opleggen van een verhaal-onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht is in strijd met het beginsel van rechtszekerheid.

De duur van de onderhoudsbijdrage is mede afhankelijk van de duur van het huwelijk en van het al of niet aanwezig zijn van kinderen. Voor kinderen bestaat een onderhoudsplicht tot hun 21e levensjaar. Bij studerende kinderen wordt de ouderlijke bijdrage volgens de systematiek van de studiefinanciering gezien als een (gedeeltelijk) voldoen aan de onderhoudsplicht ( heeft gevolgen voor de berekening van de onderhoudsbijdrage voor de ex-echtgenoot). Voor kinderen van 18 tot 21 jaar met een zelfstandig inkomen geldt niet de onderhoudsbijdrage. Onderhoudsbijdrage t.b.v. deze categorie bestaat slechts voor zover bijzondere bijstand wordt verstrekt (zie ook hierboven).

De duur van de onderhoudsplicht is mede afhankelijk van de duur van het huwelijk. Als het huwelijk korter dan 5 jaar heeft geduurd, is de onderhoudsbijdrage gedurende dezelfde periode verplicht als het huwelijk heeft geduurd, tenzij er sprake is van uit het huwelijk geboren kinderen.

Is er sprake van een gewezen huwelijk waaruit kinderen zijn geboren, dan bedraagt de termijn van de onderhoudsbijdrage voor de ex-echtgenoot maximaal 12 jaar. Verder eindigt de termijn van betaling van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van (ex-)echtgeno(o)t(e) wanneer de onderhoudsgerechtigde gaat samenwonen of trouwen. Dit geldt niet voor de onderhoudsplicht t.b.v. de kinderen. Indien de onderhoudsplichtige stelt dat hij niet langer hoeft te betalen, omdat zijn ex-echtgenote samenwoont, terwijl dit bij de gemeente niet bekend is dan zal er eerste een onderzoek plaats moeten vinden door de casemanager en/of team handhaving Sociale Zekerheid naar de rechtmatigheid van de verstrekte uitkering.

Uiteraard eindigt het verhaal op de onderhoudsbijdrage door de gemeente voor de onderhoudsplichtige ook wanneer de ex-echtgenoot niet meer op bijstand is aangewezen.

Onderhoudsbijdrage en schuldbemiddeling en sanering.

In principe kan een onderhoudsbijdrage niet voor schuldbemiddeling/sanering in aanmerking komen, de bijdrage is immers naar draagkracht. Wanneer een klant moet aflossen op schulden die al bestonden tijdens de relatie of die in redelijkheid later zijn gemaakt, dan wordt bij de vaststelling van de hoogte van de onderhoudsbijdrage daar in redelijkheid rekening mee gehouden. Wanneer het nog gaat om een ambtshalve opgelegde bijdrage, kan de klant om een herziening vragen. Ook als de klant de onderhoudsbijdrage niet kan of heeft kunnen betalen, omdat zijn inkomen minder is geworden kan om herziening van de bijdrage worden gevraagd.

Debiteuren- heronderzoek.

Een heronderzoek dient plaats te vinden wanneer de verwachting aanwezig is dat de omstandigheden op korte termijn zullen wijzigen. Deze omstandigheden dienen van wezenlijke invloed te zijn op de reeds opgelegde verhaalsbijdrage. Van wezenlijke invloed wil in dit verband zeggen dat er een aanwijzing moet zijn dat de onderhoudsbijdrage per maand omhoog of omlaag zou moeten.

Is de onderhoudsplichtige van mening dat door een wijziging van omstandigheden de verhaalsbijdrage lager moet zijn, dan kan hij dat op elk moment aangeven en dient er een onderzoek plaats te vinden. Is er een alimentatievonnis, waarin de onderhoudsverplichting is opgenomen, dan wordt in geval van:

  • a.het aantoonbaar ontbreken van draagkracht de bijdrage herzien,

  • b.een aantoonbare draagkracht een herbeoordeling van de rechter gevraagd. De onderhoudsplichtige dient de rechter te verzoeken het vonnis te wijzigen.

Indexering

De door de rechter vastgestelde onderhoudsbijdrage wordt jaarlijks met ingang van 1 januari van rechtswege gewijzigd tenzij de wijziging van rechtswege bij rechtelijke uitspraak is uitgesloten. Bij heronderzoek moet worden bezien of met deze jaarlijkse indexering rekening is gehouden.

Door de gemeente verhaalde bedragen die niet in rechte zijn vastgesteld worden niet geïndexeerd.

Indien de onderhoudsplichtige rechtstreeks de alimentatie betaald aan de onderhoudsgerechtigde dan dient deze laatste er zelf op toe te zien dat het bedrag per 1 januari wordt geïndexeerd. De gemeente kort de geïndexeerde bedragen.

Beleidsrichtlijn opleggen onderhoudsbijdrage.

Algemeen.

De basis voor het opleggen van een onderhoudsbijdrage zijn de normen, ontwikkeld door het tijdschrift voor de rechtelijke macht (TREMA). Omdat in de loop van de tijd door ervaringen, jurisprudentie etc. een eigen beleid is ontwikkeld, volgt hieronder daarvan een beschrijving.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is de vraag of er een onderhoudsverplichting bestaat. Daarbij moeten de volgende vragen beantwoord worden :

  • 1.is er sprake is van causaal verband tussen einde huwelijk en de verstrekking van uitkering;

  • 2.is er sprake is van dringende redenen om af te zien van het opleggen van een bijdrage;

  • 3.is de onderhoudsverplichting om andere redenen is beëindigd.

1. Causaal verband.

Factoren die bij de bepaling van de causaliteit een rol spelen zijn:

  • a.duur van het huwelijk;

  • b.dienstverband van de bijstandsgerechtigde;

  • c.behoefte van de bijstandsgerechtigde;

  • d.samenwoning van de bijstandsgerechtigde.

a. duur van het huwelijk.

Bij een kinderloos huwelijk dat korter heeft geduurd dan vijf jaar, wordt de onderhoudsverplichting beperkt tot de duur van het huwelijk. Zodra er sprake is van kinderen geldt deze regel niet meer, daar dan wordt aangenomen dat de kansen op de arbeidsmarkt van de bijstandsgerechtigde verminderd zijn door dat huwelijk. Heeft een huwelijk langer dan vijf jaar geduurd, dan wordt de onderhoudsverplichting voor de echtgeno(o)t(e) beperkt tot 12 jaar na inschrijving van de echtscheiding. Voor de kinderen loopt deze verplichting door, zolang zij onderwerp van bijstandsverstrekking zijn, tot maximaal de 21-jarige leeftijd van dat kind.

b. Dienstverband.

Als de bijstand wordt verstrekt nadat de bijstandsgerechtigde enige tijd zelf zijn/haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien, kan het causaal verband met het einde van het huwelijk verdwenen zijn. Dat is het geval indien zelf gedurende één jaar in het onderhoud is voorzien, al of niet via werk of een arbeidsgerelateerde uitkering. In individuele gevallen kan eerder worden aangenomen dat de onderhoudsverplichting is vervallen, rekening houdend met de omstandigheden van dat geval. Indien het huwelijk nog niet is beëindigd loopt de

onderhoudsverplichting door, ook nadat één jaar in eigen onderhoud is voorzien.

c. de behoefte.

Vaak voert de onderhoudsplichtige het verweer dat de bijstandsgerechtigde geen behoefte heeft aan de onderhoudsplicht omdat deze zelf inkomen kan verwerven. Als bijstand wordt verstrekt, wordt er in dit kader van uitgegaan dat de rechtmatigheid van de bijstandsverlening vaststaat. Of er sprake is van behoefte aan bijstand, m.a.w. of van cliënt(e) mag worden verwacht dat hij/zij zelf in het levensonderhoud kan voorzien wordt slechts marginaal getoetst. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij eerst beoordeeld moet worden of verhaal kan plaatsvinden. Te denken valt aan de situatie waarbij de bijstand onder verband van krediethypotheek verstrekt gaat worden of in gevallen waarin uitsluitend sprake is van bijzondere bijstand of leenbijstand. Bij het verstrekken van bijstand onder verband van krediethypotheek wordt eerst verhaald nadat de krediethypotheek is “volgelopen.” Bij uitsluitend bijzondere bijstand wordt geen verhaal gepleegd

tenzij sprake is van bijzondere bijstand aan jong-meerderjarigen. In geval van leenbijstand kan niet

worden verhaald.

d. Samenwoning.

Indien de bijstandsgerechtigde samen gaat wonen met een nieuwe partner, zal er geen sprake zijn van een onderhoudsverplichting door de ex-partner, wél voor de kinderen. Wordt de samenwoning beëindigd, dan zal moeten worden beoordeeld of de onderhoudsverplichting herleeft. Door de invoering van de Wet geregistreerd partnerschap is artikel 1:160 BW over het einde van de onderhoudsverplichting gewijzigd. In dat artikel is nu opgenomen dat de onderhoudsverplichting naast “samenleven met een ander als ware zij gehuwd” tevens eindigt bij “samenleven als hadden zij hun partnerschap laten registreren.” Vanaf 1-1-1998 geldt dus dat bij een volgende samenleving de onderhoudsverplichting van de ex-partner eindigt en dus ook de mogelijkheid tot verhaal op de ex-partner.

2. Dringende reden.

De bijstandswet laat de mogelijkheid open om op grond van dringende reden af te zien van verhaal op een onderhoudsplichtige. Deze bepaling wordt stringent uitgelegd, d.w.z. dat alleen in extreme gevallen een dringende reden wordt aangenomen. Steeds zal een individuele beoordeling moeten plaatsvinden. Er wordt geen dringende reden aangenomen als de onderhoudsplichtige aangeeft emotionele of psychische problemen ten gevolge van de echtscheiding te ondervinden. Een dringende reden kan worden aangenomen indien duidelijk is dat pogingen om tot verhaal te komen zullen leiden tot vergroting van de kans op geweld tussen de ex-echtelieden. E.e.a. zal wel uit het dossier moeten blijken of uit rapporten van het maatschappelijk werk of politie. Ingeval een dringende reden aanwezig wordt geacht, wordt definitief afgezien van verhaal.

3. Overige reden.

Er kan sprake zijn van omstandigheden op grond waarvan de onderhoudsverplichting als opgeschort dan wel als beëindigd kan worden beschouwd. Een algemene regel is in deze niet te geven. Te denken valt aan situaties waarbij er een procedure ontkenning van het vaderschap van een kind loopt.

Relatie met alimentatieprocedure.

De procedure inzake van verhaal van onderhoudsbijdrage krachtens de WWB is nauw verwant aan die van de alimentatieprocedure. De gemeente is gebonden aan een alimentatie-uitspraak. Dit kan betekenen dat moet worden afgezien van verhaal, voorts kan in een alimentatie-uitspraak de duur en de hoogte zijn vastgesteld. In deze gevallen kan slechts een verhaalsactie worden begonnen indien sprake is van gewijzigde omstandigheden of omdat de hoogte van de alimentatie is vastgesteld zonder onderliggende berekening. In dat laatste geval is het de gemeentelijke bevoegdheid om zelf een draagkracht vast te stellen.

Echtscheidingsconvenant.

De gemeente is niet gebonden aan in het echtscheidingsconvenant opgenomen bepalingen betreffende de onderhoudsverplichtingen t.o.v. elkaar. De gemeente zal zelf moeten onderzoeken of er onderhoudsverplichtingen bestaan. Ook zal bezien moeten worden of de bepaling van de hoogte van de alimentatie is gebaseerd op een berekening en of met die berekening kan worden ingestemd. Vaak zijn hier zaken in opgenomen die niet in een draagkrachtberekening worden meegenomen.

Onderhoudsplicht bij verblijf in buitenland.

Indien de onderhoudsplichtige een buitenlander is die in het buitenland verblijft, kan besloten worden om af te zien van een aanschrijving. In een dergelijk geval kan namelijk de Nederlandse wetgeving niet worden toegepast. Hierop wordt een uitzondering gemaakt ingeval twijfels bestaan over de daadwerkelijke verblijfplaats. In dat geval wordt een heronderzoeksdatum op 12 maanden gesteld.

Antilianen.

Bij Antilianen, verblijvend op de Nederlandse Antillen, wordt indien het adres bekend is de onderhoudsplichtige aangeschreven. Mocht blijken dat sprake is van een draagkracht, dan wordt een bijdrage opgelegd die eventueel bij de rechtbank wordt vastgelegd. Indien geen adres bekend is, of indien uit de in het dossier aanwezige gegevens blijkt dat de onderhoudsplichtige geen draagkrachtkan hebben, dan kan van een aanschrijving worden afgezien.

Draagkracht.

Na positieve beantwoording van de vraag of er een onderhoudsverplichting is, volgt een berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Daarbij is de eerste vraag of er een bruto dan wel een netto berekening moet worden gemaakt. In het algemeen kan worden gesteld dat er een bruto berekening wordt gemaakt.

Inkomen.

Onder inkomen wordt verstaan de inkomsten, vakantietoeslag, vaste toelagen en structureel overwerk. Ook een eventuele dertiende maand wordt meegerekend. Bij werknemers in de bouw wordt uitgegaan van de Regeling Tijdspaarfonds. Inkomsten uit verhuur, kostgangerschap en vermogen worden eveneens tot het inkomen gerekend. Ook het inkomen van de eventuele nieuwe partner van de onderhoudsplichtige wordt meegeteld tenzij sprake is van een inkomen op bijstandsniveau.

Bij een bruto berekening dient rekening te worden gehouden met pensioenpremies, vut-premies e.e.a. overeenkomstig de berekening "Aliment", alsmede met de fiscale voordelen, zoals heffingskortingen en aftrek voor hypotheekrente en kosten levensonderhoud. Als een bruto berekening niet mogelijk is, volgt een netto berekening. Bij een netto-berekening wordt rekening gehouden met het fiscale voordeel van het onderhoud van minderjarige kinderen. Eveneens wordt geen rekening gehouden met kinderbijslag en met de eventuele alimentatie inkomsten van de nieuwe partner van de onderhoudsplichtige. Wel wordt rekening gehouden met inkomsten die de onderhoudsplichtige redelijkerwijs zou kunnen verwerven, maar dat niet doet om onder zijn onderhoudsverplichting uit te komen. Beoordeling hiervan dient echter zeer zorgvuldig plaats te vinden. Bij een zelfstandige wordt in principe uitgegaan van zijn winst uit de onderneming.

Onkostenvergoedingen.

Onkostenvergoedingen worden niet meegenomen omdat hier gemaakte kosten tegenover staan. Deze vergoedingen moeten dan wel als zodanig herkenbaar zijn b.v. op de loonstrook en niet van horen zeggen.

Kosten

Woonlasten.

Uitgegaan wordt van de voor de onderhoudsplichtige geldende bijstandsnorm. Bij een huurwoning

worden de huurlasten alsmede de servicekosten voor centrale voorzieningen als lasten

meegenomen. Er wordt slechts rekening gehouden met de werkelijke woonlasten(huur onder

aftrek huurtoeslag). Indien de onderhoudsplichtige een kamer huurt, wordt met de huur van die

kamer rekening gehouden en dus niet met de eventueel in de toekomst te maken woonlasten.

Zodra de onderhoudsplichtige een andere woonruimte betrekt kan een herberekening van de

opgelegde onderhoudsbijdrage plaatsvinden. Indien sprake is van kostgeld of kamerhuur wordt er

van uitgegaan dat de woonlastencomponent daarin de ondergrens van de huursubsidiegrens niet

overschrijdt, tenzij er een gespecificeerd kamerhuurcontract wordt overgelegd.

Bij een eigen woning worden tot de woonlasten gerekend: aflossing- en hypotheekrente, premie

levensverzekering of spaarpremie die is gekoppeld aan de hypotheek en een forfaitair bedrag voor

verzekering, belastingen etc. Op de woonlasten wordt steeds het in het normbedrag van de

bijstandsuitkering opgenomen bedrag voor woonlasten in mindering gebracht. Indien de

onderhoudsplichtige de woonlasten van de bijstandsgerechtigde doorbetaalt, wordt dat beschouwd

als betaalde alimentatie.

Ziektekosten/levensverzekering . .

De premie van de zorgverzekering incl. aanvullende verzekering onder aftrek van de zorgtoeslag wordt in aanmerking genomen. Voor het eigen risico wordt een forfaitair bedrag meegenomen.

Met een premie levensverzekering wordt over het algemeen geen rekening gehouden, omdat deze

leidt tot kapitaalsvorming. Uitzondering hierop vormt de levensverzekering die gekoppeld is aan

een hypotheek. Indien wordt aangetoond dat het een noodzakelijke ouderdomsvoorziening betreft

(bij zelfstandigen of indien te weinig pensioen wordt opgebouwd) mag er wel rekening mee worden

gehouden.

Met de premie voor een WAO hiaat verzekering mag rekening worden gehouden.

Kosten omgangsregeling.

Indien in de verstrekte bijstand kinderen begrepen zijn, wordt rekening gehouden met omgangskosten. Deze zijn gesteld op het bedrag, genoemd op de B-bladzijden (€ 5,- per kind per dagdeel), gebaseerd op één weekend per veertien dagen, tenzij ander aangetoond. Voor het halen en brengen in een andere plaats, mogen reiskosten meegenomen worden. In principe zijn dit de kosten per openbaar vervoer of indien aantoonbaar noodzakelijk, per auto tot maximaal het belastingvrije kilometer bedrag.

Verwervingskosten.

Met reiskosten woon-werkverkeer wordt rekening gehouden voor zover deze de daarvoor ontvangen vergoeding overstijgen. Als kilometerprijs wordt aangehouden het belastingvrije bedrag per kilometer. De toegepaste berekening is als volgt: 220 werkdagen per jaar à het belastingvrije bedrag per kilometer, gedeeld door 12 maanden. Indien wordt aangetoond dat de onderhoudsplichtige een auto nodig heeft voor zijn werk, kan rekening gehouden worden met de hiervoor afgesloten lening. Andere boven forfaitaire verwervingskosten moeten worden aangetoond.

Studiekosten.

Met de kosten van studie die leidt tot een verbetering van de positie op de arbeidsmarkt, mag rekening worden gehouden.

Achterstallige betalingsverplichtingen.

Met daadwerkelijke aflossingen op vorderingen wordt rekening gehouden. Deze kunnen zijn ontstaan vóór of tijdens het huwelijk, of vóór de datum van eerste aanschrijving. De aflossingen moeten worden aangetoond. Het moet gaan om verplichte aflossingen, niet zijnde voor schulden aan familie.

Vorderingen die verband houden met het einde van het huwelijk kunnen ook worden meegenomen. Soms moet de onderhoudsplichtige een woning opnieuw inrichten. Deze directe kosten kunnen meegenomen worden. Maar omdat het hier om eenmalige kosten gaat, zal dit zelden voor langere tijd van invloed zijn op de draagkracht. Aflossingen aan nieuwe schulden worden in principe niet meegenomen om te voorkomen dat mensen expres schulden gaan maken om aan hun onderhoudsverplichting te ontkomen.

Bijzondere kosten.

In een aantal gevallen kan er sprake zijn van bijzondere kosten zoals sociaal-medische kosten, die in mindering dienen te worden gebracht op de draagkracht. Te denken valt ook aan kosten van de eigen bijdrage kinderopvang indien voor de onderhoudsplichtige de een-oudernorm geldt, of extra niet-gedekte kosten in verband met een handicap. Als bijzondere lasten komen ook in aanmerking de eigen bijdrage van de studiefinanciering van kinderen. Deze kosten moeten gezien worden als reeds betaalde alimentatie.

Maximaal te verhalen bedrag

Maximaal kan worden verhaald hetgeen wordt aan bijstand betaald. De bijdrage wordt bepaald door het netto

bedrag van de uitkering plus vakantiegeld. Dus niet het bruto bedrag wordt verhaald. Indien minder bijstand

wordt verstrekt bijvoorbeeld vanwege inkomsten uit arbeid, dan de opgelegde onderhoudsbijdrage,

wordt de bijdrage op het oorspronkelijke niveau gehandhaafd en wordt achteraf een herberekening

gemaakt.

Als er onvoldoende draagkracht is om een onderhoudsbijdrage te betalen voor zowel de ex-partner als voor de kinderen gaat de onderhoudsbijdrage voor de kinderen voor.

Voor de onderhoudsbijdragen voor kinderen wordt aansluiting gezocht bij de bedragen zoals die door de rechterlijke macht zijn vastgesteld binnen de tremanormen.

Jongmeerderjarigen.

Bij jongmeerderjarigen wordt de verstrekte bijzondere bijstand verhaald op de ouders. Dit gebeurt door aanschrijving van de ouders via een speciaal hiertoe ontwikkeld inlichtingenformulier. Daarnaast ontvangen zij bericht over de verstrekte bijstand. Onderzocht zal moeten worden of van cliënt redelijkerwijs verwacht kan worden dat hij een beroep doet op zijn ouders in plaats van op de WWB. Er wordt afgezien van een beroep op de ouders in de volgende situaties:

  • -ouders zijn overleden (hier kan dus feitelijk ook geen beroep op worden gedaan);

  • -ouders verblijven in het buitenland;

  • -er zijn dringende redenen waarom het kind zelfstandig moet wonen.

Schenkingen

Kosten van bijstand worden verhaald op degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan. Onder schenkingen worden verstaan al die rechtshandelingen waarbij vermogen van de bijstandsgerechtigde wordt verminderd ten gunste van een ander en waarbij de bedoeling vrijgevigheid is. Ook bijvoorbeeld bevoordeling van andere erfgenamen door verwerping van de nalatenschap valt hieronder.

Er hoeft niets te worden verhaald, indien de schenker, gelet op alle omstandigheden, het aangewezen zijn op bijstand redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien. Er wordt in het algemeen geen rekening gehouden met schenkingen die 5 jaar of langer geleden zijn gedaan. De schenking moet de bijstandsverlening beïnvloeden, d.w.z. door de gift moet de schenker eerder op bijstandsverlening zijn aangewezen, wil er sprake kunnen zijn van verhaal.

Het voldoen aan natuurlijke verbintenissen ( het voldoen aan een dwingende morele verplichting) of van een reële vordering, wordt niet beschouwd als een schenking. Hierbij ontbreekt namelijk het karakter van vrijgevigheid. Dit laatste is een vereiste, wil er sprake zijn van een schenking. Uiteraard wordt ook in dit verband rekening gehouden met het bescheiden vermogen waarover een uitkeringsgerechtigde vrijelijk mag beschikken.

Nalatenschappen.

De terugbetalingsverplichtingen waaraan de bijstandsgerechtigde bij zijn leven had moeten voldoen vererven. Dit betekent dat openstaande vorderingen uit de nalatenschap voldaan moeten worden. De termijnen van na overlijden, vererven niet. Terugvorderingen op grond de WWB die ontstaan zijn op het tijdstip van de

bijstandsverlening zelf (bv. er zijn bij de aanvraag onjuiste inlichtingen verstrekt) of het tijdstip waarop een gestelde voorwaarde onvervuld is gelaten, zullen indien reeds kenbaar gemaakt tijdens het leven van de uitkeringsgerechtigde, door de erfgenamen uit de nalatenschap moeten worden gehonoreerd. Dit geldt ook voor bijstand verleend in de vorm van geldlening, borgtocht of in de vorm van krediethypotheek. Vorenstaande valt onder de terugvorderingsbepalingen. De erfgenamen volgen de cliënt op in de verplichtingen. Een eventuele gerechtelijke procedure loopt via de Rechtbank.

Berichtgeving van verhaal

Bij verhaal op nalatenschap kunnen alle mededelingen worden gericht tot de langstlevende echtgenoot of één der erfgenamen die geacht worden te zijn betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap.

Invorderingsprocedure.

De invorderingsprocedure is op te splitsen in twee procedures a en b:

Procedure a . (bij het niet nakomen van een aanwezige rechterlijke uitspraak m.b.t levensonderhoud).

De inning kan worden overgenomen door het LBIO of door Werk & Inkomen. Als de klant een melding doet (telefonisch of via IV-opgave) dat de ex-partner geen alimentatie meer betaalt wordt de inkomstenkorting meteen per lopende uitkering stopgezet.

LBIO:

Als er een betalingsachterstand van meer dan 2 maanden is dan wordt aan de klant de voorwaarde opgelegd om binnen 1 maand het LBIO in te schakelen met het verzoek de alimentatie-inning over te nemen (cq invorderen bij ex-partner).

Via W&I:

Bij brief wordt het besluit tot verhaal in overeenstemming met de rechterlijke uitspraak afgegeven met daarin de aanmaning om binnen dertig dagen na verzending van de brief het verschuldigde bedrag te voldoen. Degene op wie wordt verhaald kan binnen de betalingstermijn van dertig dagen januari in verzet komen door het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank. Indien tijdig in verzet wordt gekomen wordt de invordering opgeschort tot het verzet is ingetrokken of ongegrond verklaard. Het verzet kan niet zijn gegrond op de bewering dat de alimentatie ten onrechte is opgelegd of te hoog is vastgesteld. Hiervoor is een herzieningsprocedure bij de rechtbank noodzakelijk. Wordt aan de aanmaning geen gevolg gegeven dan is de gemeente, met uitsluiting van degene die bijstand ontvangt, bevoegd tot invordering over te gaan. Indien betaling door de onderhoudsplichtige uitblijft kan invordering - anders dan een verhaalsbesluit op grond van artikel 62 WWB en artikel 62f WWB - geschieden door middel van een dwangbevel. Alvorens een dwangbevel kan worden uitgevaardigd moet het college eerst nog een aanmaning sturen. Op de tenuitvoerlegging is het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering van toepassing. Dit betekent o.a. betekening en tenuitvoerlegging door een (gemeentelijke) deurwaarder; de mogelijkheid tot vereenvoudigde beslaglegging.

Procedure b (bij ontbreken uitspraak m.b.t. levensonderhoud, bij schenking, nalatenschap en

garantstelling)

Het besluit tot verhaal wordt schriftelijk en met redenen omkleed aan de belanghebbende medegedeeld. In het besluit wordt het te verhalen bedrag vermeld alsmede de termijnen waarbinnen betaald moet worden. Indien de belanghebbende niet bereid is uit eigen beweging de verhaalde gelden te betalen, of hij betaald niet tijdig, dan wordt besloten tot verhaal in rechte. Dit is een apart collegebesluit!

Verhaal in recht vindt plaats d.m.v. het verzoekschrift, in te dienen bij de rechtbank. De uitspraak

van de rechtbank levert een executoriale titel op.

Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 juli 2012.

Aldus vastgesteld op 26 juni 2012

Beleidsregels terug- en invordering Tilburg 2012

Inleiding.

Met de invoering van de Wet werk en bijstand per 1 januari 2004 is de verplichting om teveel

betaalde uitkering terug te vorderen komen te vervallen. Terugvordering is een bevoegdheid van het college. Wanneer het college van de wettelijke bevoegdheden gebruik gaat maken, dan dient hiertoe in ieder geval een collegebesluit te worden genomen.

Het is aan het college om te bepalen in hoeverre het terugvorderingsbeleid daadwerkelijk in beleidsregels en uitvoeringsvoorschriften wordt vastgelegd. Het opstellen van deze regels is geen wettelijke verplichting. In beginsel kunnen burgemeester en wethouders per individuele situatie bepalen of zij van hun bevoegdheid tot terugvordering gebruik maken. Hiertoe kunnen zij volstaan met te besluiten dat van de in de wet gegeven bevoegdheid gebruik zal worden gemaakt. Wanneer het beleid echter niet in regels of nadere voorschriften is vastgelegd, dan stelt dit hoge eisen aan de motivering van elk individueel besluit. Bij elk besluit zal immers moeten worden aangegeven waarom van de in de wet gegeven bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. Dit kan

worden ondervangen door het verwijzen naar beleidsregels. Bovendien biedt het beschrijven van beleid en het publiceren daarvan de beste waarborg tegen willekeurige toepassing van wettelijke bepalingen.

De WWB kent geen regels m.b.t. het afzien van terugvordering en het kwijtschelden van bijstandsschulden, zoals de oude bijstandswet (Abw) deze wel kende. Dit betekent dat het formuleren van met name een kwijtscheldingsbeleid noodzakelijk is.

De gemeente Tilburg heeft in 2004 voor het eerst beleidsregels opgesteld bij de WWB. Hierin heeft de gemeente besloten om in bepaalde omstandigheden gebruik te maken van de mogelijkheden af te zien van terugvordering en van de mogelijkheid tot kwijtschelding van schulden. En dan vooral voor debiteuren in relatie tot het bevorderen van uitstroom en tot het verlenen van schuldhulp als onderdeel van het lokaal

minimabeleid. Deze aanpak paste binnen de opzet voor schuldhulpverlening in Tilburg en het polismodel, gericht op het vergroten van de activerende werking van de WWB door het leveren van maatwerk via het daaraan gekoppelde casemanagement (regie op klantniveau).

De wetgever heeft in 2012 de regels van de WWB aangescherpt. Er is (nog) geen verplichting in opgenomen tot terug- en invordering, maar een dergelijke regel is al wel aangekondigd. Daar komt nog bij dat het budget dat gemeenten ontvangen voor de betaling van de bijstandsuitkeringen (= I-deel) enorm onder druk is komen te staan. Gemeenten kunnen bij een bepaalde overschrijding van dit budget een aanvullende uitkering vragen bij het ministerie van SZW. Deze gaat er echter wel van uit dat de gemeente zelf alles heeft gedaan om de schadelast te beperken. En daar wordt o.a. ook onder verstaan het opsporen van fraude, het terugvorderen van ten onrechte betaalde bijstand en ook het invorderen van de openstaande schulden. Deze landelijke ontwikkeling komt niet overeen met het in Tilburg geformuleerde beleid. Dit spanningsveld en ook de grote financiële risico’s die Tilburg hiermee loopt maken aanpassing en ook aanscherping van het beleid op terugvordering en verhaal noodzakelijk. Hieraan moet verder bijdragen een effectief incassobeleid, zoals vastgelegd in het werkproces voor debiteurenbeheer.

Rond het thema terugvordering speelt verder de introductie van het model voor hoogwaardige handhaving in de bedrijfsvoering een rol. Dat model moet onder meer voorkomen, dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand wordt verleend. Naast het verbeteren van de dienstverlening dient een hoge mate van fraudealertheid te worden betracht. Hiertoe wordt nog een risicosturings-instrument ontwikkeld. Via uitwisseling met de Stichting Inlichtingenbureau (SIB) is verificatie van vermogen en inkomen vereenvoudigd. Via het SIB zijn uitkeringsgegevens te vergelijken met de belastingdienst, DUO (studiefinanciering), het UWV en de ziektekostenverzekeraars.

De gegevensuitwisseling met SIB draagt bij aan het terugdringen van de witte fraude. Witte fraude is fraude in de bijstand via legaal werk dat niet wordt opgegeven en dat administratief is op te sporen. Een structurele bijstandsvergelijking, naast het intensiveren van de voorlichting moet de witte fraude voorkomen of bemoeilijken. Verder ligt er het voornemen om te gaan werken met een risicosturingssysteem, waarbij een risicoanalyse op fraude in een zo vroeg mogelijk stadium, aan de poort, wordt uitgevoerd. Ofwel hoe hoger het risico, hoe zwaarder de controle. Deze preventieve aanpak is mede in het belang van de uitkeringsgerechtigde zelf. Hoogwaardige handhaving voorkomt dat minima via misbruik of oneigenlijk gebruik van de bijstand worden geconfronteerd met hoge terugvorderingen. Ook hier geldt: voorkomen is beter dan genezen.

Om de terugvorderingsmogelijkheden te vergroten wordt ook gezocht naar mogelijkheden om spoorloze debiteuren op te sporen. Daarnaast wordt de stuurinformatie verbeterd om ook hier strakker te handhaven.

Algemeen.

De WWB maakt onderscheid in terugvordering en verhaal van kosten van bijstand. Terugvordering heeft betrekking op het terughalen van teveel of ten onrechte verleende bijstand. De bijstand wordt teruggevorderd van degene aan wie de bijstand is uitbetaald, dus van de klant zelf. Met de invoering van de gezinsbijstand (1-1-2012) wordt de bijstand teruggevorderd van alle in de gezinsbijstand betrokken gezinsleden.

Bij verhaal van bijstand gaat het om het terugkrijgen van de kosten van bijstand die is/wordt verleend aan klanten waarvoor een andere persoon (derde) onderhoudsplichtig is. Verhaal wordt dus toegepast op deze derde, dat is een ander persoon dan de klant zelf, bijvoorbeeld i.v.m. de onderhoudsplicht voor ex-partners en/of kinderen bij verlating, echtscheiding, beëindiging geregistreerd partnerschap. In deze notitie worden de regels m.b.t. terug- en invordering opgenomen. De regels m.b.t. verhaal worden in een aparte notitie verwerkt.

Terugvordering van verleende bijstand is in de WWB aan de orde in de volgende gevallen:

  • 1.Er is ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand verleend (o.a. fraude).

  • 2.De bijstand is verleend in de vorm van een geldlening en belanghebbende voldoet niet (meer) aan zijn aflosverplichtingen.

  • 3.De bijstand vloeit voort uit gestelde borgtocht.

  • 4.De bijstand is verleend als voorschot en nadien is vastgesteld dat er geen recht op bijstand bestond.

  • 5.Belanghebbende kan achteraf beschikken over middelen die aan de periode van bijstandverlening moeten worden toegerekend.

  • 6.Belanghebbende heeft achteraf een vergoeding gekregen voor kosten waarvoor bijstand is verleend.

  • 7.De bijstand is abusievelijk verleend.

De terugvordering van bijstand geschiedt bruto, door het terug te vorderen bedrag aan bijstand te verhogen met de afgedragen belasting en premies. Indien het college de belasting en premies nog kan verrekenen met de Belastingdienst en het UWV, dient het college enkel het netto bedrag terug te vorderen. Het college maakt in het lopende kalenderjaar geen gebruik van zijn bevoegdheid om het terugvorderingbedrag te bruteren. Over afgesloten boekjaren vindt altijd terugvordering plaats van de bruto bijstand tenzij het aan de gemeente te wijten is dat niet eerder is verrekend of belanghebbende niet eerder is aangeschreven. De belanghebbende kan voor teruggave van de door bruto terugvordering teveel betaalde loonheffing en premies een verzoek indienen bij de belastingdienst. Een dergelijk verzoek kan echter pas gehonoreerd worden voor zover de belanghebbende ook daadwerkelijk zijn terugvorderingschuld aan de gemeente heeft voldaan

Terugvordering heeft per definitie betrekking op ten onrechte verleende bijstand. De terugvordering zorgt ervoor dat de belanghebbende per saldo datgene krijgt waar hij wettelijk recht op heeft, niet meer en niet minder. Dit betekent dat bij de bepaling van de hoogte van de terugvordering rekening gehouden moet worden met de wettelijke vrijlatingen. Er kan dus niet meer worden teruggevorderd dan hetgeen teveel aan bijstand is verstrekt.

Het college van de gemeente Tilburg is van mening dat alle ten onrechte verstrekte uitkering ten gevolge van fraude en verwijtbaar handelen van belanghebbende terug moet worden betaald. Slechts om dringende redenen kan hiervan worden afgezien of kan een vordering worden kwijtgescholden. Het moet dan om een zodanige bijzondere situatie gaan dat terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de belanghebbende en diens gezin. Of het moet gaan om levensbedreigende omstandigheden.

Beleidsregels en uitvoeringsvoorschriften

1. Gebruikmaking van de w ettelijke bevoegdheid.

Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot:

  • a.het herzien of intrekken van het toekenningbesluit ingevolge artikel 54 lid 3 van de Wet werk en bijstand;

  • b.het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand als neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de WWB.

2. Herziening of intrekking van toekenningsbesluit.

Een besluit tot toekenning van bijstand wordt herzien of ingetrokken indien:

  • a.het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17 lid 1 WWB, of de artikelen 28 lid 2 en 29 lid 1 van de Wet Suwi, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

  • b.anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Van het nemen van een herzienings-of intrekkingsbeschikking kan slechts op grond van dringende redenen worden afgezien.

3. Terugvordering.

Bijstand wordt in beginsel altijd teruggevorderd met uitzondering van de situaties waarin dit in deze beleidsregels is vastgelegd.

3.1 Verjaring.

  • a.De bevoegdheid tot terugvordering verjaart na 20 jaar. Echter, in het geval van abusievelijk verleende bijstand vervalt de bevoegdheid tot terugvordering na twee jaar.

  • b.Op basis van de zogenaamde 'zesmaanden-jurisprudentie' kan de gemeente de bevoegdheid tot terugvordering niet meer uitoefenen op betalingen die gedaan zijn meer dan zes maanden na de ontvangst van een signaal waaruit het uitvoeringsorgaan had moeten afleiden, dat ten onrechte of te veel wordt betaald tenzij de belanghebbende zelf niet of niet volledig aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan.

3.2 Terugvordering ten onrechte verleende bijstand.

Ten onrechte verstrekte bijstand wordt teruggevorderd van belanghebbenden. Het uitgangspunt is dat het ten onrechte verstrekte bedrag volledig moet worden terugbetaald.

3.3 Terugvordering van gezinsleden.

Als er sprake is van verlening van bijstand aan gehuwden of hiermee gelijkgestelden, zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele vordering. Ook als er sprake is van verzwegen partners die niet in de bijstand betrokken zijn. In de praktijk betekent dit dat het gehele ten onrechte uitbetaalde bedrag van elke (verzwegen) partner kan worden teruggevorderd.

4. Afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit.

Het college ziet af van het nemen van een terugvorderingbesluit indien hiervoor een zeer dringende reden aanwezig is.

5. kwijtschelden van de terugvordering

In afwijking van hetgeen is gesteld in artikel 3 kan het college besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand indien er sprake is van onverschuldigde betaling en er geen sprake is van dwanginvordering door de gemeente en:

  • a.redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen (behoudens een vordering die gedekt wordt door pand of hypotheek) van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en

  • b.de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van schuldeisers van gelijke rang.

  • c.verzoek tot medewerking aan een schuldsanering/bemiddeling moet worden ingediend door een bij het NVVK aangesloten schuldbemiddelingsorganisatie.

  • d.door de schuldregeling ontstaat voor de klant perspectief voor de toekomst,

  • e.de klant heeft de afgelopen periode van minimaal twee jaar een duidelijke gedragsverandering getoond,

  • f.de klant heeft zelf duidelijk initiatief genomen,

  • g.de verhouding van de vordering van de gemeente Tilburg ten opzichte van derden mag niet onevenredig groot zijn. Wanneer dit wel het geval is kan de gemeente Tilburg een regeling treffen waarbij de aflossing aan de gemeente Tilburg gedurende een beperkte periode lager wordt vastgesteld, zodat de schuld met derden kan worden geregeld

5.1 Geen kwijtscheld ing

Van kwijtschelding wordt altijd afgezien indien:

  • a.de terugvordering van de bijstand het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende;

  • b.de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, tenzij de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

5.2 Inwerkingtreding besluit tot afzien terugvordering wegens schuldenproblematiek

Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering treedt in werking nadat voldaan is aan de punten m.b.t. een schuldregeling zoals bedoeld in artikel 5.

5.3 Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek.

Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere

terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:

  • a.niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen;

  • b.de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

  • c.onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

6. Kwijtschelding na het (gedeeltelijk) voldoen aan de betalingsverplichting en afkoop .

  • 1.Met uitzondering van fraudevorderingen waarvoor geen kwijtschelding wordt verleend, kan op verzoek van de belanghebbende van verdere terugvordering worden afgezien indien de belanghebbende:

    • a.gedurende drie jaar te berekenen vanaf het verzoek (36 termijnen) volledig aan zijn vastgestelde betalingsverplichtingen heeft voldaan, waarbij het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475 d van het Wetboek van burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, en 75% van de openstaande schuld is afbetaald;

    • b.gedurende deze drie jaar niet volledig aan zijn vastgestelde betalingsverplichtingen heeft voldaan, waarbij het gemiddeld inkomen van belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, maar het achterstallig bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten alsnog heeft betaald. En 75% van de nog openstaande schuld ineens heeft betaald.

    • c.de periode genoemd onder a en b wordt verlengd met de periode

      • waarin de debiteur gedetineerd is geweest en/of

      • waarin een maatregel is opgelegd, waardoor de aflossingsverplichting niet kon worden nagekomen.

    • d.3 termijnen van de opgelegde betalingsverplichting heeft voldaan en aansluitend of tegelijkertijd 75% van het dan resterende bedrag van alle terugvorderingen ineens betaald ;

    • e.In zeer bijzondere situaties kan in overleg met de teammanager afgeweken worden van bovenstaande regels.

  • 2.Geen kwijtschelding vindt plaats ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.

6.1 Verplichting met betrekking tot de invordering.

  • a.Het terugvorderingbedrag, zoals dat is medegedeeld in het terug- of invorderingsbesluit geldt als de totale terugbetalingsverplichting, ineens te betalen binnen 6 weken (Awb).

  • b.Er kan op verzoek van de debiteur een betalingsregeling in termijnen worden afgesproken waarbij voor de hoogte van de aflossing rekening gehouden wordt met de totale terugbetaling in verhouding tot het aantal maanden. We hanteren hiervoor o.a. een glijdende schaal.

  • c.Als de debiteur aangeeft geen betalingscapaciteit te hebben, dient er onderzoek te worden verricht naar de hoogte van het inkomen. We hanteren hiervoor het VA formulier. Indien het inkomen daartoe aanleiding geeft wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. De frequentie van dit onderzoek is vastgelegd in het heronderzoeksplan debiteuren.

6.2 Geen kwijtschelding na voldoen aan betalingsverplichting

Kwijtschelding zoals bedoeld in artikel 6 e.v. vindt niet plaats ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, tenzij ze niet op deze goederen kunnen worden verhaald. Ook kan er nooit kwijtschelding verleend worden nadat voldaan is aan de betalingsverplichting.

6.3 terugbetaling leenbijstand duurzame gebruiksgoederen

  • 1.Leenbijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt terugbetaald binnen een periode van maximaal 36 maanden, waarbij de terugbetalingscapaciteit naar draagkracht wordt berekend.

  • 2.Voor mensen met een inkomen op bijstandniveau bedraagt de terugbetalingscapaciteit 6% van de norm (reserveringscapaciteit).

  • 3.Als het inkomen hoger is dan bijstandsniveau dan bedraagt de terugbetalingscapaciteit 6% + het meer-inkomen.

  • 4.Als er na 36 maanden terugbetaling naar vermogen nog een restschuld bestaat, dan wordt deze kwijtgescholden.

  • 5.Als er leenbijstand wordt verleend omdat er sprake is van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid, dan gelden de normale terugbetalingsregelingen (10% + geen kwijtschelding na 36 maanden).

7. Terugvorderingsbesluit

In het terugvorderingsbesluit wordt aan de belanghebbende medegedeeld:

  • het bedrag dat wordt teruggevorderd, en

  • de termijn waarbinnen betaling wordt verlangd (termijn van tenminste 6 weken artikel 4:87 lid 1 Awb)

  • Wat de reden is van de terugvordering (dit kan in voorkomende gevallen een herzienings- of intrekkingsbesluit zijn) met vermelding van de wettelijke grondslag (artikel(en), inclusief de toepasselijke leden) ;

  • Of er al dan niet sprake is van redenen om van terugvordering af te zien.

7.1 Samenloop met maatregel.

In geval van verrekenen vindt er een terugbetaling plaats tot 10% van de normuitkering (incl. vakantietoeslag). Wanneer op de uitkering een maatregel wordt toegepast is verrekenen of beslag nog slechts mogelijk voor zover de maatregel het 10% aandeel van de normuitkering niet te boven gaat. Is er geen ruimte meer voor verrekening of beslaglegging dan wordt de invordering voor de duur van de maatregel opgeschort.

8. Verrekening en beslaglegging.

Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling of een

eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt het terugvorderingbesluit

ten uitvoer gelegd door middel van

  • 1.verrekening met de maandelijks verleende bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand, op grond van artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek, of bij het ontbreken van deze mogelijkheid

  • 2.een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479 b tot en met 479 g, behoudens artikel 479 e lid 2 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering, of

  • 3.beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering.

9. invorderingskosten.

  • 1.Wanneer de belanghebbende de betalingsverplichtingen niet nakomt, dan dienen voor de hierboven genoemde vormen van dwanginvordering kosten te worden gemaakt. Deze kosten worden in beginsel vastgesteld op een percentage van het openstaande saldo, wanneer Tilburg zelf vereenvoudigd derden beslag gaat leggen. Dit percentage is vastgesteld op 15% met een maximum van € 750,-- en een minimum van € 37,50.

  • 2.Als later weer een vordering ontstaat en weer niet betaald wordt, dan worden opnieuw 15% kosten opgevoerd. Indien de vordering wordt overgedragen aan een derde dan worden de door deze derde te maken kosten en rente, doorberekend aan de debiteur. Als meteen al duidelijk is dat een vordering uit handen moet worden gegeven aan een deurwaarder, bijvoorbeeld bij een zelfstandig ondernemer, dan worden niet eerst de 15% kosten voor incasso opgevoerd.

  • 3.In geval verrekend kan worden met de WWB uitkering, zullen geen invorderingskosten aan de debiteur in rekening worden gebracht.

10. Brutering.

In de WWB is het bruteren van de bijstandsvordering over het algemeen na afloop van het kalenderjaar, als bevoegdheid geformuleerd in artikel 58 lid4 WWB. De gemeente Tilburg maakt gebruik van deze mogelijkheid. Hiermee wordt tot uiting gebracht dat in alle gevallen waarin de vordering niet binnen het kalenderjaar kan worden terugbetaald, deze zal worden gebruteerd. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt inhoudingsplichtig is kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de belastingdienst en het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

11. Paspoortsignalering.

Indien een debiteur met een vordering van meer dan € 5000,-- nalatig is in het nakomen van zijn betalingsverplichting en het gegronde vermoeden bestaat dat hij in het buitenland woonachtig is, voorziet de Paspoortwet in artikel 22 in de mogelijkheid het paspoort te weigeren dan wel vervallen te verklaren. Een verzoek tot opneming in het Register Paspoortsignalering kan worden ingediend bij het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR, een agentschap van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. Na opname in het register Paspoortsignaleringen wordt de aanvraag om een nieuw Nederlands paspoort aangehouden en wordt de betrokkene doorverwezen naar de signalerende instantie om een regeling te treffen voor het aflossen van de schuld(en). De opname in het Register Paspoortsignalering blijft twee jaar van kracht. Via een heronderzoek wordt eventuele continuering na afloop van deze twee jaar bewaakt.

De gemeente Tilburg maakt gebruik van deze mogelijkheid en zal altijd een verzoek tot opneming in het register indienen als er een schuld openstaat van meer dan € 5000,-.

12. Invordering

De gemeente Tilburg kent geen kruimelbedrag, ieder bedrag wordt teruggevorderd. Van invordering kan worden afgezien bij een openstaand bedrag van € 100,- of lager als deze niet via verrekening kan worden ingevorderd.

13. Nadere invulling beleid

Met dit beleidskader terug- en invordering heeft het college van de gemeente Tilburg nadere regels vastgesteld waarmee invulling wordt gegeven aan de beleidsruimte binnen de WWB. Dit kader moet gezien worden als beleidskader inclusief beleidsregels.

14. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 juli 2012.

Aldus vastgesteld op 26 juni 2012

Naar boven