Wet van 1 april 2015 tot vaststelling van een nieuwe Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming 2015)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rechtsprekende taak van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming te versterken door de toetsingsgronden voor penitentiaire rechtspraak uit te breiden, de mogelijkheid tot cassatie in het belang der wet in te voeren en de rechtsprekende en adviserende taak van de Raad scherper te scheiden en daartoe de Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming opnieuw vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister:

Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

b. vrijheidsstraf:

gevangenisstraf, hechtenis, vervangende hechtenis, militaire detentie, jeugddetentie en vervangende jeugddetentie;

c. vrijheidsbeperkende straf:

voorwaardelijke vrijheidsstraf en taakstraf;

d. vrijheidsbenemende maatregel:

voorlopige hechtenis, vreemdelingenbewaring, gijzeling, terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging, plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, plaatsing in een justitiële jeugdinrichting of een accommodatie als bedoeld in artikel 29k, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging als bedoeld in artikel 29b en 29c van de Wet op de jeugdzorg, plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders en vrijheidsbeneming die op andere gronden dan de in onderdeel b genoemde gronden plaatsvindt;

e. vrijheidsbeperkende maatregel:

voorwaardelijke vrijheidsbenemende maatregel;

f. de Raad:

de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

HOOFDSTUK 2. DE RAAD IN HET ALGEMEEN

§ 1. Instelling, taak en samenstelling

Artikel 2
  • 1. Er is een Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming.

  • 2. De Raad is gevestigd te ’s-Gravenhage.

Artikel 3

De Raad is belast met de taken die hem bij of krachtens de wet zijn opgedragen.

Artikel 4
  • 1. De Raad wordt gevormd door een voorzitter en ten hoogste vijftien andere leden. De Raad kan uit de andere leden ondervoorzitters aanwijzen.

  • 2. In de Raad kunnen buitengewone leden worden benoemd. De buitengewone leden hebben bij de vervulling van hun taak de bevoegdheden van een lid van de Raad. De buitengewone leden kunnen met bepaalde taken worden belast.

  • 3. Voor de toepassing van deze wet wordt onder leden mede begrepen buitengewone leden, voor zover niet uit enige bepaling anders volgt.

Artikel 5
  • 1. De voorzitter wordt, de Raad gehoord, op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit benoemd. Voor de benoeming van de andere leden doet de Raad een aanbeveling. De aanbeveling wordt gedaan gehoord de afdeling van de Raad waarvan het te benoemen lid deel zal uitmaken.

  • 2. De leden worden bij koninklijk besluit benoemd in de Afdeling advisering of de Afdeling rechtspraak. De benoeming kan worden gewijzigd, met dien verstande dat een benoeming in de Afdeling rechtspraak slechts op verzoek van het lid kan worden beëindigd.

  • 3. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren. Herbenoeming kan tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.

  • 4. Onze Minister draagt zorg voor openbaarmaking van een vacature in de Raad.

Artikel 6
  • 1. De leden van de Raad worden benoemd op grond van de deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in de artikelen 3, 24 en 28 genoemde taken alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring.

  • 2. Van de Raad maken in ieder geval deel uit:

    • a. met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht,

    • b. deskundigen uit de kring van het maatschappelijk werk,

    • c. deskundigen op het gebied van de gedragswetenschappen,

    • d. advocaten, en

    • e. artsen.

  • 3. Voor benoeming als lid komen niet in aanmerking:

    • a. personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister, indien hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid hetzij door hun positie, hetzij door de aard van hun werkzaamheden in het geding zou kunnen komen;

    • b. personen die werkzaam zijn bij of deel uitmaken van een instantie die toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende straffen of maatregelen of op de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet op de jeugdzorg;

    • c. personen tegen wie bezwaren bestaan voor wat betreft de vervulling van de functie, die blijken uit de justitiële gegevens, bedoeld in het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens, of uit politiegegevens, bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens; de bezwaren hebben betrekking op het vertrouwelijk karakter van de functie alsmede de aan de functie verbonden bevoegdheden.

  • 4. Voor benoeming als lid in de Afdeling rechtspraak komen niet in aanmerking:

    • a. ambtenaren of andere personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister op het terrein van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende straffen of maatregelen;

    • b. de personen, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° en onder 4°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, met uitzondering van de raadsheren in buitengewone dienst en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad;

    • c. bestuursleden, leden van een raad van toezicht, medewerkers of personeelsleden van een instelling als bedoeld in artikel 3.3 van de Wet forensische zorg die werkzaam zijn op het terrein van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende straffen of maatregelen;

    • d. bestuursleden, leden van een raad van toezicht, medewerkers of personeelsleden van een stichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg, bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet op de jeugdzorg;

  • 5. Bij de samenstelling van de Raad wordt gestreefd naar evenredige deelneming van vrouwen en personen behorende tot etnische of culturele minderheidsgroepen.

Artikel 7
  • 1. De leden van de Raad worden op eigen aanvraag bij koninklijk besluit ontslagen.

  • 2. De leden worden voorts door de Raad, bij een met redenen omkleed besluit ontslagen, geschorst of bij ongeschiktheid wegens ziekte met een andere taak belast en de leden worden door de voorzitter van de Raad bij met redenen omkleed besluit, gewaarschuwd overeenkomstig hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met dien verstande dat:

    • in plaats van «de rechterlijk ambtenaar» wordt gelezen: het lid;

    • in plaats van «Hoge Raad» wordt gelezen: Raad;

    • in plaats van «procureur-generaal» wordt gelezen: voorzitter;

    • in plaats van «plaatsvervangend procureur generaal» wordt gelezen: voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak;

    • in plaats van «een gerecht» wordt gelezen: de Raad;

    • in plaats van «functionele autoriteit» wordt gelezen: voorzitter;

    • de Raad de mededeling van beslissingen, bedoeld in artikel 46p, vijfde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, doet aan Onze Minister.

  • 3. De artikelen 46i, vijfde lid, 46k, vijfde lid, en 46l tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wordt gelezen:

    • in plaats van «de rechterlijke ambtenaar»: het lid;

    • in plaats van «Hoge Raad»: Raad.

Artikel 8

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen aan leden van de Raad vastgesteld.

Artikel 9
  • 1. De leden onthouden zich van deelname aan activiteiten van de Raad die, gelet op andere functies die zij vervullen, kan leiden tot een verstrengeling van belangen of verantwoordelijkheden of tot een verlies van onafhankelijkheid of onpartijdigheid van de Raad.

  • 2. De leden van de Afdeling rechtspraak stellen het bestuur van de Raad in kennis van hun overige betrekkingen. Zo mogelijk geschiedt de kennisgeving zodra het voornemen bestaat tot het gaan vervullen van de betrekking. Ook indien zij geen overige betrekkingen vervullen, stellen zij het bestuur daarvan in kennis.

  • 3. De kennisgevingen worden jaarlijks geactualiseerd en gepubliceerd op de website van de Raad.

§ 2. Ondersteuning van de Raad

Artikel 10
  • 1. De Raad heeft een secretaris.

  • 2. De secretaris wordt, na overleg met de voorzitter van de Raad, door Onze Minister benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen.

  • 3. De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de Raad uitsluitend verantwoording schuldig aan de Raad.

  • 4. De secretaris is geen lid van de Raad.

Artikel 11
  • 1. Aan de secretaris kunnen medewerkers worden toegevoegd.

  • 2. Medewerkers worden, na overleg met de secretaris, door Onze Minister benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen.

  • 3. Medewerkers zijn geen lid van de Raad.

Artikel 12

Onze Minister draagt, na overleg met de Raad, zorg voor de nodige voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden van de Raad.

§ 3. Bevoegdheden van de Raad

Artikel 13

De Raad wordt vertegenwoordigd door de voorzitter en de secretaris.

Artikel 14
  • 1. De Raad stelt een bestuursreglement vast. Dit bevat in ieder geval regels over werkwijzen en procedures met het oog op een goede en zorgvuldige uitoefening van de verschillende taken. Daarbij kan worden voorzien in nadere waarborgen tegen vermenging van de adviserende en rechtsprekende taak van de Raad.

  • 2. Het reglement alsmede elke wijziging daarvan wordt zo spoedig mogelijk gezonden aan Onze Minister en behoeft diens goedkeuring.

Artikel 15

De Raad kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren.

Artikel 16
  • 1. De Raad kan zich doen bijstaan door andere dan de in artikel 15 bedoelde personen, voor zover dat voor de vervulling van zijn taken nodig is.

  • 2. Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17
  • 1. De leden van de Raad hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen in de inrichtingen en instellingen die onder verantwoordelijkheid van Onze Minister een taak uitoefenen in het kader van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen, vrijheidsbeperkende straffen, vrijheidsbenemende maatregelen en vrijheidsbeperkende maatregelen.

  • 2. De leden van de Raad ontvangen van de directeur van de inrichting of de instelling die is belast met de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, een vrijheidsbeperkende straf of een vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende maatregel, of van de personen, werkzaam bij die inrichting of instelling, alle door hen gewenste inlichtingen.

  • 3. De leden van de Raad die bij de uitvoering van hun taak de beschikking krijgen over gegevens waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, zijn verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of uit hun taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

§ 4. Overige bepalingen

Artikel 18

De Raad zendt jaarlijks voor 1 april aan Onze Minister een ontwerp voor de begroting voor het daaropvolgende kalenderjaar van de aan zijn taakvervulling verbonden uitgaven.

Artikel 19
  • 1. De Raad zendt Onze Minister jaarlijks voor 15 november een werkprogramma voor het komende kalenderjaar toe.

  • 2. Onze Minister verstrekt de Raad tijdig een overzicht van de voornemens om advies te vragen.

Artikel 20

De Raad houdt bij het vervullen van zijn taken zo veel mogelijk rekening met het werkprogramma. Onverminderd de Comptabiliteitswet 2001 vervult hij zijn taak met de middelen die ingevolge de desbetreffende begrotingswet ter beschikking zijn gesteld.

Artikel 21

De Raad stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en de doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.

Artikel 22

De Raad verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

HOOFDSTUK 3. DE AFDELING ADVISERING

Artikel 23

  • 1. De Raad kent een Afdeling advisering.

  • 2. De Afdeling advisering bestaat uit:

    • a. de voorzitter van de Raad en

    • b. de leden en buitengewone leden die in de Afdeling advisering zijn benoemd.

  • 3. De voorzitter van de Raad is tevens voorzitter van de Afdeling advisering.

Artikel 24

De Afdeling advisering adviseert Onze Minister desgevraagd of uit eigen beweging over de toepassing en uitvoering van beleid en regelgeving op het terrein van de strafrechtstoepassing en omtrent jeugdigen, mede in het licht van de overige werkzaamheden hem bij of krachtens de wet opgedragen.

Artikel 25

De Afdeling advisering kan zich verdelen in secties en kan de uitoefening van bepaalde taken opdragen aan commissies uit zijn midden.

HOOFDSTUK 4. DE AFDELING RECHTSPRAAK

Artikel 26

  • 1. De Raad kent een Afdeling rechtspraak.

  • 2. De Afdeling rechtspraak bestaat uit de leden en buitengewone leden die in de Afdeling rechtspraak zijn benoemd.

Artikel 27

  • 1. Bij koninklijk besluit wordt, op voordracht van Onze Minister, uit de leden van de Afdeling rechtspraak een voorzitter van de Afdeling rechtspraak benoemd. Voor de benoeming doet de Raad een aanbeveling, de Afdeling rechtspraak gehoord.

  • 2. De benoeming geldt voor de periode gelijk aan die waarin de betrokkene als lid van de Raad is benoemd. Zij kan slechts op verzoek van de voorzitter worden ingetrokken en vervalt in geval van ontslag als lid van de Raad.

  • 3. De voorzitter regelt de werkzaamheden van de Afdeling rechtspraak.

Artikel 28

De Afdeling rechtspraak is belast met rechtspraak die hem bij de wet is opgedragen.

Artikel 29

  • 1. De Afdeling rechtspraak vormt en bezet op voorstel van de voorzitter beroepscommissies.

  • 2. De samenstelling geschiedt overeenkomstig de door de wet- en regelgeving gestelde eisen.

  • 3. Een lid van de Afdeling rechtspraak dat betrokken is geweest bij de totstandkoming van een advies van de Raad, neemt geen deel aan de behandeling van een geschil over een rechtsvraag waarop dat advies betrekking had.

Artikel 30

Het is de leden van de Afdeling rechtspraak en de ten behoeve van deze afdeling werkzame medewerkers verboden:

  • a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen verder bekend te maken dan voor de uitoefening van hun functie wordt gevorderd;

  • b. de gevoelens te openbaren die in raadkamer zijn geuit; en

  • c. over een voor hen aanhangige zaak of over een zaak die naar zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden, voor hen aanhangig zal worden, op enigerlei bijzondere wijze in contact te treden met partijen, gemachtigden of degene die een partij bijstaat.

Artikel 31

  • 1. Op verzoek van een der partijen kan elk van de leden van de beroepscommissie die de betreffende beroepszaak behandelen dan wel de voorzitter die een schorsingsverzoek behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

  • 2. Wanneer een wrakingsverzoek wordt gedaan, wordt de behandeling van het beroep dan wel de behandeling van het schorsingsverzoek geschorst. Indien het wrakingsverzoek ter zitting wordt gedaan, wordt van het verhandelde een proces-verbaal opgemaakt waarin de reden voor de wraking is vermeld.

  • 3. Het lid wiens wraking is verzocht, kan in de wraking berusten.

  • 4. Het wrakingsverzoek wordt behandeld door een wrakingskamer, waarin het lid wiens wraking wordt verzocht geen zitting heeft.

  • 5. De verzoeker en het lid wiens wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord dan wel hun opmerkingen schriftelijk kenbaar te maken. De wrakingskamer kan ambtshalve of op verzoek van de verzoeker of het lid wiens wraking is verzocht, bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid worden gehoord.

  • 6. Nadat op het verzoek is beslist, kan de wrakingskamer de behandeling van het beroep voortzetten.

  • 7. Een volgend verzoek om wraking in dezelfde beroepszaak van hetzelfde lid van de beroepscommissie wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.

  • 8. In geval van misbruik kan worden bepaald dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding gemaakt.

  • 9. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Artikel 32

  • 1. De Afdeling rechtspraak stelt een regeling vast voor de behandeling van klachten.

  • 2. Klachten zijn niet mogelijk ten aanzien van gedragingen waartegen ingevolge een wettelijk geregelde voorziening een procedure bij een rechterlijke instantie openstaat of heeft opengestaan, dan wel beroep openstaat of heeft opengestaan tegen een uitspraak die in een zodanige procedure is gedaan. Klachten kunnen evenmin een rechterlijke beslissing betreffen.

  • 3. De regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt gepubliceerd op de website van de Raad.

HOOFDSTUK 5. CASSATIE IN HET BELANG DER WET

Artikel 33

  • 1. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kan cassatie in het belang der wet instellen tegen de uitspraken van de Afdeling rechtspraak. Hij handelt in dat geval overeenkomstig artikel 456, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande dat hij zich de stukken van het geding doet opzenden door de Raad. De artikelen 443, 444 en 456, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Artikel 456, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad het aldaar bedoelde afschrift aan de Raad zendt.

HOOFDSTUK 6. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN

Artikel 34

De Penitentiaire beginselenwet wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 2, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel wordt de tenuitvoerlegging hiervan zoveel mogelijk en afhankelijk van het gedrag van de betrokkene dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer in de maatschappij. Bij het verlenen van vrijheden aan gedetineerden wordt rekening gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden.

2. In de artikelen 37, eerste lid, onder g, 69, tweede lid, en 73, eerste lid, wordt na «leden» ingevoegd: of buitengewone leden.

3. In artikel 68, tweede lid, onder b, wordt na «alle in aanmerking komende belangen,» ingevoegd: waaronder de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden,.

4. Indien het bij koninklijke boodschap van 15 januari 2014 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in verband met het vervoer, het medisch klachtrecht en enkele andere onderwerpen (Kamerstukken 33 844) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt of is getreden, dan wordt in artikel 71d, eerste lid, na «leden» ingevoegd: of buitengewone leden.

Artikel 35

De Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan artikel 2, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Bij het verlenen van vrijheden aan ter beschikking gestelden wordt rekening gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden.

2. In de artikelen 36, eerste lid, onder g, 67, tweede lid, en 69, tweede lid, wordt na «leden» ingevoegd: of buitengewone leden.

3. In artikel 66, tweede lid, onder b, wordt na «alle in aanmerking komende belangen,» ingevoegd: waaronder de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden,.

Artikel 36

De Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan artikel 2, tweede lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Bij het verlenen van vrijheden aan jeugdigen wordt rekening gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden.

2. In de artikelen 42, eerste lid, onder g, 74, tweede lid, en 78, eerste lid, wordt na «leden» ingevoegd: of buitengewone leden.

3. In artikel 73, tweede lid, onder b, wordt na «alle in aanmerking komende belangen,» ingevoegd: waaronder de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden,.

4. Indien het bij koninklijke boodschap van 15 januari 2014 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in verband met het vervoer, het medisch klachtrecht en enkele andere onderwerpen (Kamerstukken 33 844) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt of is getreden, dan wordt in artikel 76d, eerste lid, na «leden» ingevoegd: of buitengewone leden.

Artikel 37

In artikel 78 van de Wet op de rechterlijke organisatie wordt, onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot zesde en zevende lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. De Hoge Raad neemt kennis van het beroep in cassatie ingesteld «in het belang der wet» tegen uitspraken van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming, bedoeld in artikel 32 van de Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming.

HOOFDSTUK 7. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 38

Indien artikel 11.7 van de Jeugdwet in werking treedt of is getreden, worden in deze wet de volgende artikelen als volgt gewijzigd:

1. In artikel 1, onder d, wordt «een accommodatie als bedoeld in artikel 29k, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging als bedoeld in artikel 29b en 29c van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: een gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2 en 6.1.3 van de Jeugdwet.

2. In artikel 6, derde lid, onder b, wordt «de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: de uitvoering van de jeugdreclassering, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

3. In artikel 6, vierde lid, onder d, wordt «een stichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Jeugdzorg» vervangen door «een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet» en wordt «op de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet op de jeugdzorg» vervangen door: de jeugdreclassering als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Artikel 39

  • 1. Zij die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet lid zijn van de Raad, blijven lid van de Raad gedurende de resterende termijn van hun benoeming. Artikel 4 blijft zo nodig buiten toepassing. Zij zijn lid van de Afdeling advisering en de Afdeling rechtspraak, tenzij bij koninklijk besluit anders wordt bepaald, onverminderd de tweede volzin van artikel 5, tweede lid.

  • 2. Zolang de Raad meer leden telt dan voorzien in artikel 4 kunnen, indien een vacature ontstaat, in afwijking van dat artikel nieuwe leden worden benoemd of leden worden herbenoemd, indien een evenwichtige samenstelling van de Raad, dan wel artikel 6, tweede lid, dit vergt, mits het aantal leden daardoor niet groter wordt dan voor het ontstaan van de vacature. Leden van de Raad die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onderdeel uitmaken van het bestuur van de Raad kunnen na afloop van de resterende termijn van hun benoeming en in afwijking van artikel 4 worden herbenoemd, mits het aantal leden daardoor niet groter wordt dan voordat het bestuurslid werd herbenoemd.

  • 3. Plaatsvervangende leden die zijn benoemd voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, zijn als buitengewoon lid belast met de taak of taken waarmee zij op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet waren belast, tenzij bij koninklijk besluit anders wordt bepaald, onverminderd de tweede volzin van artikel 5, tweede lid.

Artikel 40

De Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming wordt ingetrokken.

Artikel 41

Deze wet wordt aangehaald als: Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming, met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 42

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken, artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te Wassenaar, 1 april 2015

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff

Uitgegeven de tiende april 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 33 970

Naar boven