Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | CLXX nr. B |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | CLXX nr. B |
Vastgesteld 21 mei 2025
Het voorstel heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vinden het belangrijk dat er een gedragscode komt voor de omgangsvormen in de Eerste Kamer en hebben het voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal daarom met belangstelling gelezen. De leden hebben enkele vragen over de opzet van de Gedragscode, de benaming, de reikwijdte en enkele overige inhoudelijke vragen.
De leden van de VVD-fractie willen hun dank uitspreken voor het voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer. Het is een belangrijk document dat bijdraagt aan een veilige en respectvolle werkomgeving. De leden hebben met belangstelling naar de inhoud gekeken en zouden graag enkele vragen willen stellen ter verduidelijking en verbetering van bepaalde onderdelen.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel en wensen hierover enkele vragen te stellen.
De leden van de SP-fractie hebben over de Gedragscode een aantal vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer. Naar aanleiding van het voorstel hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel voor een Gedragscode en hebben hierover enkele vragen.
De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van het voorstel en hebben hierover een vraag.
De leden van de fractie van de SGP hebben kennisgenomen van het voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer, zoals dat ontwikkeld is naar aanleiding van artikel 131 van het Reglement van Orde. In zijn algemeenheid is het lastig om commentaar te leveren op een gedragscode over ongewenste omgangsvormen, omdat het daarmee zou kunnen lijken op ontwijken van deze problematiek. Echter, de kwetsbaarheid van klagers en beklaagden, en van het proces dat beschreven wordt, noopt tot zorgvuldige behandeling. Daarom hebben deze leden enkele algemene vragen en ook vragen per artikel.
Voor het wetsvoorstel «Gedragscode tegen ongewenst gedrag» is recent de internetconsultatie afgerond. Deze wet regelt een verplichte gedragscode voor organisaties met meer dan tien medewerkers. Hierover hebben de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA de volgende vragen. In dit wetsvoorstel is als vereiste opgenomen dat in een gedragscode dient te zijn opgenomen «een duidelijke en begrijpelijke omschrijving van voorbeelden van gedragingen die in ieder geval ongewenst zijn». Voldoet de Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal aan deze verplichting? Zo nee, is het wenselijk om hier ook aan te voldoen? Indien dit niet wenselijk is, waarom niet? Voldoet de Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal aan de andere vereisten in dit wetsvoorstel? Zo nee, op welke onderdelen niet? Is het niet wenselijk om ook aan deze vereisten te voldoen? Zo nee, waarom niet?
In de Gedragscode hoofdstuk II, artikel 4, lid 1 staat: «Deze Gedragscode is niet van toepassing op gedragingen en bejegeningen van een Kamerlid die hebben plaatsgevonden in het kader van de plenaire beraadslagingen of in het kader van vergaderingen van commissies.». In de toelichting op dit artikel wordt gemotiveerd dat hiervoor gekozen is omdat «het onwenselijk [is] om hiervoor, naast het reglement van orde, een alternatieve of parallelle proceduremogelijkheid te creëren.». In het Reglement van Orde van de Eerste Kamer (artikel 69 t/m 76) worden andere definities gehanteerd voor gewenste en ongewenste omgangsvormen op basis waarvan, vervolgens ook anders kan worden ingegrepen. Daarmee is er sprake van niet gelijksoortige proceduremogelijkheden. Graag ontvangen deze leden een nadere toelichting op de stelling waarom het niet wenselijk is om gelijktijdig, een andere proceduremogelijkheid te creëren. Welke nadelen worden voorzien?
De leden van de VVD-fractie vragen of de definitie van ongewenste omgangsvormen duidelijker kan worden afgebakend. «Iedere vorm van gedrag en bejegening» die «als ongewenst wordt ervaren» is erg breed en eenzijdig. Ligt het niet voor de hand om uit te sluiten die omgangsvormen die redelijkerwijs kunnen worden gerekend tot normale werkverhoudingen en de spanningen die daarbij kunnen horen, zulks uiteindelijk ter beoordeling van de klachtencommissie? Kan de terugwerkende termijn van een jaar worden verkort tot 6 maanden? Zo nee, waarom niet?
Waarom zou de melder of klager niet eerst, zoals nu al, naar de Kamervoorzitter kunnen gaan voor een gesprek, voordat andere stappen worden genomen, zeker nu daar in de voorbije jaren goede ervaringen mee zijn opgedaan?
Is het mogelijk om onderscheid te maken tussen gasten en medewerkers in termen van procedures, termijnen en bewijslast? Zo nee, wat zijn de redenen hiervoor? In hoeverre is het toepassingsbereik van de Gedragscode duidelijk genoeg omschreven om eventuele misverstanden te voorkomen, en welke aanvullingen zouden kunnen bijdragen aan meer helderheid?
Wordt er een externe audit uitgevoerd om de naleving van de Gedragscode te controleren?
Artikel 1 lid 1 sub a stelt: «In deze Gedragscode wordt verstaan onder: a. ongewenste omgangsvormen: iedere vorm van verbaal, non-verbaal en fysiek gedrag dat en bejegening door een Kamerlid die als ongewenst wordt ervaren vanwege het bedreigende, intimiderende of vernederende karakter ervan, waaronder begrepen pesten, intimidatie, seksuele intimidatie, discriminatie, agressie, geweld en stalken, zoals nader omschreven onder b tot en met h.». Enkele termen hierin zijn vaag en rekkelijk van aard. Graag ontvangen de leden van de PVV-fractie een nadere omschrijving en beoordelingscriteria van wat kan worden verstaan onder «iedere vorm», «non-verbaal», «ongewenst», «wordt ervaren» en «vernederende». Idem bij sub d ten aanzien van een «kwetsende omgeving».
Sub e van artikel 1 noemt vormen van discriminatie die reeds wettelijk verboden zijn en daarmee al een plek kennen binnen het juridische systeem, waarom deze dan toch opnemen in een gedragscode? Ook de algemene toelichting stelt op pagina 15: «Het voorkomen van ongewenste omgangsvormen op de werkplek, inclusief het optreden tegen dit gedrag, volgt uit wetgeving. Zo bevat de Grondwet in artikel 1 het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod. Dit is onder andere nader uitgewerkt in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Het in de Awgb neergelegde verbod van onderscheid, waaronder dat naar godsdienst, levensovertuiging, ras of geslacht, houdt bovendien een verbod van intimidatie en seksuele intimidatie in (zie artikel 1a Awgb).». Wat al onder wettelijke bescherming valt en waar de wet dus al in maatregelen voorziet, hoeft niet nog een keer expliciet geregeld te worden in een gedragscode, dus waarom is dit er toch in opgenomen?
Artikel 1 lid 2 sub e noemt een «gast» van de Kamer in relatie tot deze gedragscode. Kan worden aangegeven hoe voorkomen wordt dat bijvoorbeeld een bezoeker van de publieke tribune een (ongefundeerde) klachtenprocedure kan starten om Kamerleden met een andere mening politiek/publiekelijk te beschadigen middels deze gedragscode? Dit met name gelet op vage bepalingen over bijvoorbeeld «non-verbaal» en een «kwetsende omgeving».
Sub k stelt «maatregelen: maatregelen die tot doel hebben dat een slachtoffer van ongewenste omgangsvormen zich veiliger kan voelen of die zijn gericht op gedragsverandering van een Kamerlid dat zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenste omgangsvormen, waaronder begrepen een contactverbod of een verplichte cursus.». Daarnaast stelt de algemene toelichting op pagina 26: «Het opleggen van een sanctie aan een Kamerlid dat zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenste omgangsvormen is juridisch begrensd.». Hier wordt gesproken over «schuldig». Hoe kan hier over schuldigheid worden gesproken – wat een strafrechtelijk begrip is – zónder dat er een rechter aan te pas is gekomen?
De algemene toelichting stelt op pagina 15 «Deze Gedragscode ongewenste omgangsvormen biedt voor griffiemedewerkers, fractiemedewerkers en anderen die in de Eerste Kamer werkzaamheden verrichten waarborgen tegen ongewenst gedrag door Eerste Kamerleden. Deze Kamerregeling beoogt aldus een veiliger werkomgeving voor al die werknemers te creëren.». Dit is ten aanzien van fractiemedewerkers tegenstrijdig met wat op pagina 20 wordt gesteld, namelijk «Gelet op het feit dat fractiemedewerkers in dienst zijn van de fracties, ligt het voor de hand dat de fracties zelf regelingen hebben op grond waarvan een melding en/of klacht kan worden gedaan over ongewenst gedrag door een van hun medewerkers.». Kan worden aangegeven hoe deze Gedragscode zich verhoudt tot fractiemedewerkers, nu deze niet in dienst zijn van de Eerste Kamer, maar bij de fracties zelf?
Er zullen in het verleden casussen zijn geweest, die onder de toekomstige gedragscode vallen. Is de gedragscode, kijkend naar de casussen die er reeds geweest zijn, toereikend, zo vragen de leden van de SP-fractie. De «integriteitskaart» wordt lokaal regelmatig als politiek wapen ingezet, je verdedigen tegen de integriteitskaart is moeilijk. Hoe voorkomen we dat deze Gedragscode als (politiek) wapen ingezet kan worden?
In de artikelsgewijze toelichting geeft het College van Voorzitter en Ondervoorzitters (hierna: het College) aan dat ongewenste omgangsvormen door een Kamerlid alleen verwijtbaar zijn als het Kamerlid voor aanvang van dit gedrag bekend was met de grenzen en gedragsnormen. Dit houdt verband met de kenbaarheid van de te hanteren normen. Terecht merkt het College in de toelichting op dat er uiteenlopende opvattingen kunnen bestaan over grenzen en gedragsnormen. Het begrip «ongewenste omgangsvorm» is tot op zekere hoogte subjectief. Op welke wijze is het College voornemens die subjectiviteit en de noodzakelijke kenbaarheid met elkaar in overeenstemming te brengen, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Deze leden maken uit het voorgestelde artikel 1 lid 2 sub h op dat ook klachten kunnen worden ingediend tegen of door oud-Kamerleden. Daarbij geldt een termijn van maximaal één jaar na beëindiging van het Kamerlidmaatschap. Kan het College de keuze voor deze termijn toelichten en relateren aan soortgelijke regelingen die elders in zwang zijn? In artikel 2 lid 2 wordt gewag gemaakt van «beleid» dat het College maakt. Uit de toelichting lijkt echter te volgen dat het veeleer gaat om het daadwerkelijk bevorderen van een cultuur waarin geen plaats is voor ongewenste omgangsvormen. Kan het College dit bevestigen?
In de Gedragscode worden omgangsvormen geregeld tussen Kamerleden onderling, tussen Kamerleden en medewerkers en tussen Kamerleden en gasten. De leden van de PvdD-fractie vragen zich af of het niet het belangrijkste is om een regeling te treffen die alleen betrekking heeft op de omgang tussen Kamerleden en medewerkers en eventueel tussen Kamerleden onderling? Dat sluit aan bij regelingen die ook elders al gelden voor werksferen.
Voor wat betreft de omgang tussen Kamerleden onderling vragen deze leden zich af of de regeling die betrekking heeft op een ingediende klacht, uitvoerbaar is. De omgang tussen Kamerleden en de gast behoeft wat de leden betreft geen regeling in een gedragscode die betrekking heeft op omgangsvormen. Zoals hierna uit de geschetste situaties blijkt, zijn problemen bij de toepassing te voorzien. Niet goed valt in te zien waarom een intimiderende of vernederende bejegening van een gast wel zou moeten worden geregeld als die persoon zich in het Kamergebouw bevindt, maar niet als die buiten voor de deur zo door het Kamerlid bejegend zou worden. In beide gevallen is het een ongewenste omgangsvorm, en die vorm wordt niet anders als de persoon het Kamergebouw betreedt of verlaat. Bovendien is de Gedragscode op zo’n intimiderende of vernederende bejegening weer niet van toepassing als de gast wordt bejegend in een situatie die in het kader van een vergadering van een commissie of een plenaire vergadering plaatsvindt (artikel 4, eerste lid). Eigenlijk is dat dus in vrijwel alle situaties als de term «in het kader van» ruim wordt geïnterpreteerd. Daar komt nog bij dat de gast geen klacht kan indienen, maar alleen een melding kan doen bij de vertrouwenspersoon. In artikel 1, tweede lid sub i van de voorgestelde Gedragscode is namelijk aangegeven dat onder klacht moet worden verstaan een «schriftelijke klacht (...) door een Kamerlid.», dus een ongewenste omgang met een gast kan alleen leiden tot een melding bij en een optreden door de vertrouwenspersoon.
In artikel 7 zijn de bevoegdheden van de vertrouwenspersoon geregeld. Naar de mening van de leden zijn die echt toegesneden op een melding van een medewerker of van een mede-senator over een ongewenste bejegening door een Kamerlid. Het is niet goed voorstelbaar dat een gast iets opschiet met zijn melding als je ziet wat de vertrouwenspersoon tot taak heeft. Kortom, beperk de Gedragscode tot omgang tussen Kamerleden en medewerkers en tussen Kamerleden onderling.
De leden wensen het College enkele concrete situaties voor te leggen, waarbij de vraag opkomt of de Gedragscode voor omgang met een gast wel heldere en uitvoerbare voorschriften bevat.
Situatie 1: Een journalist volgt kritisch een Kamerlid met wie hij al eens eerder een vete heeft gehad over diens steun aan Poetin. Iedere commissievergadering waarin een onderwerp wordt behandeld dat betrekking heeft op de betrekkingen tussen Europa en Poetin, wordt door de journalist bijgewoond, wat door het Kamerlid als stalking wordt ervaren. In de commissiekamer ontstaat direct na sluiting van de vergadering een woordenwisseling tussen het Kamerlid en de journalist. Het Kamerlid beschuldigt de journalist dat hij zich «als een bloedzuiger gedraagt» en dat hij een onveilige situatie creëert die het Kamerlid noopt om «fikse maatregelen te treffen die hij als zeer onplezierig zal ervaren». Is de journalist gast als bedoeld in de Gedragscode? Vallen de gedragingen van het Kamerlid onder artikel 4, eerste lid, zodat de Gedragscode niet van toepassing is? Maakt het voor de toepassing van de Gedragscode uit of de woordenwisseling plaatsvindt op een moment dat de vergadering nog niet is afgesloten? Valt het gedrag van het Kamerlid onder de Gedragscode wanneer hij tijdens de vergadering een bericht aan de journalist stuurt waarin hij de journalist beschuldigt dat hij zich als een bloedzuiger gedraagt en dat hij een onveilige situatie creëert die het Kamerlid noopt om maatregelen te treffen die hij als zeer onplezierig zal ervaren? Valt het gedrag van het Kamerlid onder de Gedragscode als hij een uur na de vergadering een e-mail aan de journalist stuurt waarin hij de journalist beschuldigt dat hij zich als een bloedzuiger gedraagt en dat hij een onveilige situatie creëert die het Kamerlid noopt om maatregelen te treffen die hij als zeer onplezierig zal ervaren? Valt het gedrag van het Kamerlid onder «ongewenste omgangsvormen» of «intimidatie» als bedoeld in artikel 1 sub a en c?
Situatie 2: Twee vertegenwoordigers van een organisatie «Stop de genocide in Gaza» zijn op bezoek geweest in de fractiekamer van een partij die in de Eerste Kamer is vertegenwoordigd. Doel was om de senatoren te informeren en over te halen de organisatie niet langer in een kwaad daglicht te stellen. Hun actie heeft geen succes. Twee weken later geeft een senator, die bij het gesprek aanwezig was, een interview waarin hij vertelt dat hij bezoek heeft gehad van die twee vertegenwoordigers en waarin hij hen aanmerkt als «een stelletje antisemieten die snel eens een pak rammel verdienen». Opent de Gedragscode voor deze twee vertegenwoordigers de mogelijkheid om een melding te doen? Valt het gedrag van het Kamerlid onder «ongewenste omgangsvormen» of «intimidatie» als bedoeld in artikel 1 sub a en c? Is het antwoord anders wanneer het Kamerlid een dag na het bezoek in een e-mail aan de twee vertegenwoordigers zou hebben meegedeeld «dat ze een stelletje antisemieten zijn die een pak rammel verdienen»?
Het valt de leden van de JA21-fractie op hoeveel aandacht er in de Gedragscode is voor vermeende slachtoffers, maar dat het woord «assertiviteit» niet één keer wordt gebruikt. Zou het niet logisch zijn om als onderdeel van deze Gedragscode ook weerbaar gedrag aan te moedigen, onder andere door jaarlijks een assertiviteits- en/of weerbaarheidscursus aan te bieden voor senatoren en medewerkers? Zo nee, waarom niet?
De leden van de SGP-fractie zijn op de hoogte van het bestaan van de Gedragscode Integriteit voor de leden van de Eerste Kamer. Wat is de motivatie om de Gedragscode omgangsvormen Eerste Kamer niet samen te voegen met de Gedragscode Integriteit, temeer daar in de Gedragscode omgangsvormen Eerste Kamer naar het regime van de Gedragscode Integriteit Eerste Kamer wordt verwezen? In hoeverre overlappen deze gedragscodes? Indien in voorkomende gevallen beide gedragscodes toepasbaar zijn, welke wordt dan toegepast? Is het bij voortschrijdend inzicht denkbaar om de Gedragscode omgangsvormen onderdeel te laten worden van de Gedragscode Integriteit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er dan nodig, naast een eventuele aanpassing van de Gedragscode Integriteit?
In de Tweede Kamer van de Staten-Generaal is geen Gedragscode omgangsvormen ongewenste omgangsvormen vastgesteld. Is overwogen om hierin samen op te trekken? Er bestaat wel een Gedragscode ongewenste omgangsvormen ambtelijke organisatie Eerste Kamer. Waarom is geen volledige aansluiting gezocht bij dit document? Waarom worden bijvoorbeeld de begrippen niet op dezelfde wijze beschreven in de beide Gedragscodes? Wat zijn moverende redenen om twee documenten te hanteren die behoorlijk verschillend zijn? Het gaat toch zowel bij de ambtelijke staf als bij de Kamerleden om menselijke verhoudingen?
In het algemeen hebben deze leden twijfels bij de rechtmatigheid van bepaalde keuzes in dit document, bijvoorbeeld door effectief geen rechtsmiddel open te laten voor de betrokken partijen, of het gebrek aan transparantie omtrent de onpartijdigheid van de Collegeleden, terwijl deze wel tot besluitvorming moeten komen. Op welke wijze is deze Gedragscode getoetst aan de rechtstatelijke, grondwettelijke en algemene beginselen van behoorlijk bestuur? Welke professionele adviezen zijn ingewonnen bij het opstellen van deze Gedragscode? Is er bijvoorbeeld een expert op het gebied van integriteitscode geraadpleegd?
Vervolgens hebben de leden van de fractie van de SGP een aantal vragen bij de artikelen, apart dan wel in samenhang. Bij artikel 1 hebben zij de volgende vraag. De leden constateren dat in de Gedragscode niet alle begrippen worden gedefinieerd. Zo wordt niet toegelicht wanneer sprake is van een «bedreigend», «intimiderend» of «vernederend» karakter van een gedraging in artikel 1 lid 1 sub a. Is het mogelijk om de kwalificerende bewoordingen alsnog te definiëren en operationeel te maken?
In artikel 2 lid 2 krijgt het College een taak toebedeeld, namelijk om beleid te maken. Wat is dat anders dan het invoeren en handhaven van de Gedragscode?
In artikel 3 staat dat ieder Kamerlid een melding of een klacht kan indienen als hij of zij slachtoffer is van een ander Kamerlid. Waarom alleen door een Kamerlid? Een Kamerlid kan toch ook bedreigd, geïntimideerd of vernederd worden door een niet-Kamerlid?
Ook een gast kan een melding doen. In de toelichting wordt aangegeven wat de breedte van dit begrip is, waaronder journalisten. Deze leden staan op het standpunt dat iedereen op een zorgvuldige wijze moet worden benaderd. Toch kan er een situatie ontstaan dat een Kamerlid geen interview wil geven in de «wandelgangen» of dat een interview onplezierig verloopt. Stel dat een journalist genegeerd wordt door een Kamerlid, kan dat als bedreigend, intimiderend of vernederend worden ervaren? Ziet het College met deze leden dat elk Kamerlid zeer kwetsbaar wordt met een dergelijke Gedragscode? Hoe voorkom je willekeur, en hoe bewerkstellig je proportionaliteit? Is het College het met de leden eens dat de kwalificaties «bedreigend», «intimiderend» en «vernederend» subjectief van aard zijn? Wat voor de één intimiderend is, hoeft dat voor een ander niet te zijn. Hoe wordt de subjectieve beleving van gedrag geobjectiveerd?
Artikel 4 lid 1 geeft bijzondere uitzonderingen die niet gemakkelijk te definiëren zijn. Immers, veel gedragingen van Kamerleden zijn te relateren aan plenaire beraadslagingen of commissievergaderingen. Is het duidelijker te omschrijven wat de grenzen zijn van de betreffende omstandigheden?
Lid 2 laat zien dat er blijkbaar een overlap mogelijk is met de Gedragscode integriteit. Is een samenvoeging van deze Gedragscode met de Gedragscode integriteit niet voor de hand liggend? En zo ja, maakt voortschrijdend inzicht het misschien wenselijk om het Reglement van Orde op artikel 131 aan te passen? Of zijn er belangrijke redenen aan te voeren daartegen?
In de Gedragscode hoofdstuk I, artikel 1, lid 2, sub m staat als melder gedefinieerd: «melder: Kamerlid, medewerker of gast bij de Eerste Kamer die zich met een melding inzake ongewenst gedrag door een Kamerlid tot de vertrouwenspersoon wendt.». De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben hierover de volgende vragen. Waarom is de groep die zich kan melden beperkt tot Kamerlid, medewerker of gast van de Eerste Kamer? Burgers, niet zijnde een gast, die te maken krijgen met ongewenste omgangsvormen van een Kamerlid kunnen geen beroep doen op deze Gedragscode. Graag ontvangen de leden een toelichting op de keuze hiervoor.
De leden van de VVD-fractie vragen hoe de onafhankelijkheid van de vertrouwenspersonen wordt gewaarborgd gezien hun rol en verantwoordelijkheden? Worden er voldoende middelen en training beschikbaar gesteld aan vertrouwenspersonen om hun taken effectief uit te voeren?
Is anonimiteit van de melder wenselijk? Is het verstandig om contact op te nemen met het Kamerlid over een melding zonder de identiteit van de melder bekend te maken? Wordt het Kamerlid hiermee niet de mogelijkheid ontnomen om in detail van de melding kennis te nemen en er goed op te reageren? Is het niet juist zo dat het bespreken van de identiteit van de melder kan bijdragen aan het creëren van meer transparantie en wederzijds begrip, terwijl het tegelijkertijd de delicate balans moet bewaren tussen vertrouwelijkheid en rechtvaardigheid? Waarom wordt de melder niet vanaf het begin verzocht om schriftelijk uit te leggen waarom de gedraging als «ongewenst» wordt ervaren?
Is de huidige procedure toegankelijk indien de melder niet wenst deel te nemen aan een gesprek met de beklaagde onder leiding van de Voorzitter en/of de vertrouwenspersoon? In hoeverre is een gesprek onder leiding van de vertrouwenspersoon van toegevoegde waarde en zouden er situaties kunnen zijn waarin de Voorzitter een meer passende rol speelt in dergelijke gesprekken? Welke factoren zouden de keuze tussen deze benaderingen moeten beïnvloeden? Zijn de werkzaamheden van de vertrouwenspersoon, zoals het opvangen en begeleiden van de melder bij het indienen van een klacht, goed afgebakend in de Gedragscode? Waarom begeleidt de vertrouwenspersoon wel de melder, maar niet het Kamerlid in de verdere procedure?
Er lijkt een discrepantie te bestaan tussen artikelen 6 en 7, waar in artikel 6 geheimhouding van de identiteit van de melder wordt vastgesteld en in artikel 7 de vertrouwenspersoon contact kan opnemen met het Kamerlid dat beklaagd wordt. Het is voor de leden van de SGP-fractie niet duidelijk of daarmee de geheimhouding van de identiteit van de klager wordt opgeheven. Kan het College aangeven wat bedoeld wordt? Als geheimhouding van de identiteit blijft bestaan, is dat reëel ten opzichte van een beklaagde, die vervolgens moet gissen naar omstandigheden en persoon? Op welke wijze kan een beklaagde dan het probleem oplossen, in der minne schikken, buiten de vertrouwenspersoon om? Hoe is het informatierecht van de beklaagde gewaarborgd? Eenieder heeft het recht om te weten waarvan hij/zij wordt beschuldigd. Hoe komt dit recht tot uiting indien de identiteit van de klager niet wordt bekendgemaakt bij de beklaagde? Op welke wijze wordt de geheimhouding opgeheven om het verschil tussen artikel 7 lid b en artikel 7 lid c op te heffen? Klopt het dat de vertrouwenspersoon, als lid 7b en 7c niet van toepassing zijn, de melder die nog steeds zijn of haar identiteit geheim wil houden, gaat ondersteunen bij het indienen van een klacht? Wat betekent dit voor de positie van de beklaagde?
Artikel 9 lid 3 stelt: «De commissie is divers samengesteld.». De leden van de PVV-fractie vragen wat wordt verstaan onder «divers» en op basis van welke criteria wordt dit bepaald? Wat zijn voorts de criteria voor «deskundig en ervaren»?
In hoofdstuk VI, artikel 16, lid 2 staat «De hoorzittingen en documenten van de commissie zijn niet openbaar en alle betrokkenen zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen zij in het klachtdossier hebben kunnen lezen of wat zij op de hoorzitting hebben gehoord.». Hierover hebben de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA de volgende vragen. Hoe is deze geheimhouding materieel geborgd? Wat als deze geheimhouding door een van de betrokkenen wordt geschonden? Heeft dit gevolgen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet en wat betekent dit voor de garantie van geheimhouding en bescherming van de melder en beklaagde?
In hoofdstuk VII, artikel 18, lid 1 staat «Wanneer de commissie de klacht deels gegrond of gegrond verklaart, kan zij op grond van artikel 17, vierde lid, onder f, een van beide hierna te noemen sancties aan het College adviseren:
a. een waarschuwing aan beklaagde, zijnde een zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van de omgangsvormen naar voren brengt.
b. een berisping van beklaagde, zijnde een terechtwijzing die de onjuistheid van de omgangsvormen naar voren brengt en hierover een verwijtend oordeel uitspreekt.».
Een berisping is een (veel) zwaardere maatregel dan een waarschuwing. Op basis waarvan kan de commissie bepalen over te gaan tot een waarschuwing of een berisping? Is het niet wenselijk om daar, op basis van ervaringen elders, meer richting aan te geven?
Op welke manier wordt de consistentie van de klachtenafhandeling gegarandeerd, vooral bij complexere meldingen, zo vragen de leden van de VVD-fractie. Wat zijn de criteria om een klacht als «kennelijk ongegrond» te verklaren, en waarom zijn deze niet vooraf helder gedefinieerd?
Deze leden vragen hoe de vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd bij het delen van informatie tussen verschillende betrokken partijen? Waarom wordt niet in de Gedragscode opgenomen dat bij schending van de geheimhouding in beginsel de Rijksrecherche wordt ingeschakeld, tenzij de Kamervoorzitter anders beslist, om zo de verleiding tot lekken te verminderen? Artikel 11 van de Gedragscode integriteit Eerste Kamer vermeldt specifieke sancties voor schending van de geheimhouding (uitsluiting van vergaderingen en/of kennisneming van vertrouwelijke stukken), waarom voorziet de Gedragscode daar niet eveneens in? Welke maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat kwaadwillenden repercussieloos kunnen lekken?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat het horen van klager en beklaagde, buiten elkaars aanwezigheid, voldoet aan het principe van hoor en wederhoor?
Op pagina 17 van de algemene toelichting staat «Ook staat het slachtoffers vrij ervoor te kiezen formeel aangifte te doen van een mogelijk strafbaar feit.». Evenals op pagina 26 van de algemene toelichting «Met betrekking tot het onderwerp sancties moet voorts worden overwogen dat voor gedragingen die zich lijken te kwalificeren als strafbaar feit, bijvoorbeeld zeden- en geweldsdelicten, voor klagers de strafrechtelijke route openstaat en dat zij aangifte kunnen doen.». Waarom zou in strafbare gevallen de Gedragscode aan de orde zijn, waar juist de strafrechtketen aan zet is? Graag ontvangen de leden van de PVV-fractie een nadere onderbouwing. Ook wordt op pagina 17 gesteld «De code is niet uit op juridisering van omgangsvormen.». Kan worden aangegeven of deze beoogde code dat juist niet in de hand werkt?
De leden van de SP-fractie hebben de volgende vraag met betrekking tot artikel 11 van het voorstel. Waarom moet de klacht na bemiddeling worden ingetrokken en niet als afgedaan beschouwd worden? Wat wordt bedoel met lid 2 sub a en 2 sub b in artikel 13?
In artikel 16 lid 2 lezen deze leden dat de documenten niet openbaar zijn. Zijn ze dat ook niet onder de Woo? Hoe zit het met archiefvorming en uiteindelijke openbaarheid van deze archieven?
Uit artikel 16 lid 9 volgt dat de beklaagde niet eerder dan bij de uitnodiging voor de hoorzitting de beschikking krijgt over alle stukken. Klopt dit vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. En zo ja, wat is de reden voor deze keuze? Belemmert dat niet de voorbereiding op de zitting en het bepalen van de rechtspositie van de beklaagde, inclusief diens recht op een deugdelijk onderbouwde en voorbereide verdediging?
Welke ruimte biedt dit reglement aan de commissie en/of aan anderen om een voorval dat geleid heeft tot een klacht of melding op andere wijze dan middels de voorgestelde procedure af te doen? Heeft het College overwogen om bijvoorbeeld de commissie expliciet de bevoegdheid te geven een minnelijke schikking te beproeven?
Het voorgestelde artikel 16 lid 2, maar ook het voorgestelde artikel 24 lid 1 bevat een vergaande geheimhoudingsverplichting. De leden van de ChristenUnie-fractie vrezen dat die belemmerend kan werken op het verlenen van effectieve rechtsbijstand aan klager en beklaagde, maar ook op het functioneren van beklaagde in fractie- en/of Kamerverband. Wat is de achtergrond van deze bepalingen en zou niet kunnen worden volstaan met een minder vergaande geheimhoudingsplicht?
Het voorgestelde artikel 16 lid 7 maakt het mogelijk dat de commissie getuigen en deskundigen uitnodigt. In welke mate en op welke grondslag hebben klager en beklaagde zelfstandig het recht om getuigen en deskundigen te doen horen door de commissie?
Zou in artikel 16 lid 4 het uitgangspunt niet precies omgekeerd moeten zijn, namelijk dat klager en beklaagde in elkaars aanwezigheid gehoord worden, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten? De nu voorgestelde procedure heeft immers het grote risico in zich dat het verwordt tot een papieren werkelijkheid waarbinnen betrokkenen uitsluitend schriftelijk reageren op uitlatingen en standpunten van de ander, die ook nog eens door een derde zijn weergegeven en vastgelegd.
In artikel 14 lid 1 lezen deze leden de SGP-fractie dat de beklaagde in staat wordt gesteld om te reageren op de klacht. Daarbij heeft de beklaagde een recht op informatie. De beklaagde moet immers weten waartegen hij/zij zich verweert. Tegelijk zijn geen richtlijnen gegeven voor het dossier dat aan de beklaagde wordt toegezonden. Op welke wijze wordt de beklaagde goed in de gelegenheid gesteld zich te verweren? Aan welke eisen moet het dossier voldoen dat aan de beklaagde wordt toegezonden? Indien de beklaagde meer tijd nodig heeft om informatie te winnen of bewijsstukken te vergaren, is het dan mogelijk om de reactietermijn te verlengen?
In artikel 15 lid 9 is een geheimhoudingverplichting opgenomen. Mogen betrokkenen in het onderzoek wel met elkaar overleggen, zowel met de klager als met de beklaagde? En mag een Kamerlid wel overleg voeren binnen de eigen fractie, of met collega’s van buiten de fractie? Datzelfde geldt voor de klager, kan die dan wel aan zijn/haar collega’s verzoeken om hem/haar niet alleen te laten? Of schendt dat de geheimhouding?
In de toelichting op artikel 17 wordt bij de belangrijkste onderdelen van het advies van de commissie niet de motivering van het advies vermeldt. Deze is echter verplicht in het licht van de Algemene wet bestuursrecht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit de Gedragscode blijkt niet aan welke vereisten de motivering van een besluit tenminste moet voldoen. Voor zover de leden van de SGP-fractie bekend is, is het gebruikelijk om tenminste enkele richtlijnen te stellen voor de deugdelijke motivering van een besluit. Waarom is ervoor gekozen om geen aandacht aan de motiveringsplicht te besteden? Is het College bereid om de vereisten omtrent motivering toe te voegen?
Artikel 19 beschrijft het «Besluit van het College» en stelt onder andere in lid 5: «Tegen een besluit van het College staat geen bezwaar of beroep open.». Kan worden aangegeven of het College op deze manier niet een soort tribunaalfunctie krijgt, waar het College naar haar aard niet voor bedoeld is, zo vragen de leden van de PVV-fractie. Kan onderbouwd worden hoe deze «rechtersrol» past bij het College? Kan nader worden geduid hoe het uitsluiten van bezwaar of beroep zich verhoudt tot de rechtszekerheid van een beklaagde? Kan tevens worden geduid hoe deze Gedragscode zich verhoudt tot andere vormen van rechtszekerheid van een beklaagde, in hoeverre is het bijvoorbeeld mogelijk om naar een reguliere rechtbank/voorzieningenrechter te stappen om bijvoorbeeld in kort geding maatregelen of aanklachten uit deze Gedragscode aan te vechten?
Artikel 21 lid 4 stelt «Wanneer het College besluit tot berisping van beklaagde, maakt het dit onderdeel van het besluit openbaar door middel van een openbare brief aan de Kamer. In deze brief worden de naam van beklaagde en de ongewenste omgangsvormen die aanleiding hebben gegeven tot deze sanctie genoemd, op zodanige wijze dat de privacy van klager wordt beschermd.». Hoe verhoudt dit zich tot de privacy van de beklaagde, in het bijzonder ook tot onder andere de AVG? Daarbij wordt in de artikelsgewijze toelichting op pagina 27 over artikel 21 gesteld «Besluit het College evenwel tot de sanctie van een berisping, dan wordt de berisping publiek gemaakt met een openbare brief aan de Kamer, met dien verstande dat het grensoverschrijdend gedrag dat aan het Kamerlid wordt verweten zodanig wordt omschreven dat de privacy van klager niet in het geding komt. De naam van het Kamerlid tegen wie de klacht was ingediend wordt wél in die brief genoemd.». Kan worden aangegeven hoe deze werkwijze zicht verhoudt tot het rechtsstatelijke beginsel van de onschuldpresumptie?
Pagina 16 van de algemene toelichting stelt: «Daarnaast kan ervan worden uitgegaan dat als de commissie een klacht (deels) gegrond verklaart en een sanctie en/of maatregelen adviseert aan het College en het College dit advies overneemt, hiervan een signaalfunctie uitgaat, waarmee ongewenste gedragingen in de toekomst worden ontmoedigd of zelfs voorkomen.». Kan worden aangegeven hoe voorkomen wordt dat hier in plaats van een signaalfunctie er een schandpaalfunctie van uit gaat?
Op pagina 17 van de algemene toelichting wordt gesteld «Hoewel een besluit van het College indirecte politieke gevolgen kan hebben voor het Kamerlid tegen wie een klacht was ingediend die uiteindelijk (deels) gegrond werd verklaard, is de beoordeling van ongewenste omgangsvormen – anders dan bijvoorbeeld politieke integriteit – niet primair een politieke aangelegenheid.». Kan worden aangegeven hoe voorkomen wordt dat het een «politieke aangelegenheid» wordt?
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat het voorgestelde artikel 18 onderscheid maakt tussen sancties en maatregelen en veronderstelt daarin een zekere rangorde, vergelijkbaar met die tussen hoofdstraffen en bijkomende straffen. De in het voorgestelde artikel 18 lid 2 voorziene maatregelen lijken echter indringender van aard dan de sancties. Kan het College deze keuze toelichten en bovendien ingaan op de juridische basis en de handhaafbaarheid van de eventueel op te leggen maatregelen?
In het voorgestelde artikel 21 lid 4 wordt aangegeven dat bij een berisping van beklaagde, het besluit openbaar wordt gemaakt door middel van een openbare brief aan de Kamer. In deze brief wordt de naam van beklaagde genoemd alsmede de ongewenste omgangsvormen die aanleiding hebben gegeven tot deze sanctie. Is hier bedoeld dat een zakelijke en beknopte weergave van het voorgevallene wordt gegeven? Deelt het College de visie dat een dergelijke publicatie gezien kan worden als een bijkomende sanctie? En welke juridische kwetsbaarheden – bijvoorbeeld een civielrechtelijke onrechtmatige daad – ziet het College verbonden aan een dergelijke publicatie?
Bij de meldingsprocedure kunnen de handelingen van de vertrouwenspersoon waarover artikel 7 gaat, effectief zijn, maar de toepassing van artikel 18, dat betrekking heeft op sancties na gegrondverklaring van een klacht, roept vragen op bij de leden van de PvdD-fractie. Wat moeten deze leden zich voorstellen bij de mogelijkheid dat het College een «contactverbod» oplegt aan een Kamerlid? En wat als dat lid zich niet houdt aan dat contactverbod? De tuchtrechtelijke sanctiebevoegdheden die in het ambtenarenrecht gelden, ontbreken hier. Kortom, de Gedragscode voor omgang tussen Kamerleden onderling kan nodig zijn – bijvoorbeeld vooral bij omgang tussen Kamerleden bij werkbezoeken (denk aan een week gezamenlijk verblijf bij bezoek aan het Caribisch gedeelte van het Koninkrijk) – maar de vraag is gewettigd of niet met de meldingsprocedure kan worden volstaan.
In de Gedragscode wordt een onderscheid gemaakt tussen een waarschuwing en een berisping. Er is echter geen beoordelingskader dat helder maakt wanneer sprake moet zijn van een waarschuwing of een berisping. De leden van de SGP-fractie vragen het College of het wenselijk is dat dit kader alsnog wordt gegeven om willekeur in de toepassing te voorkomen. In lid 2 van artikel 18 gaat het over de positie van de beklaagde na gegrond of (deels)ongegrond verklaring door de commissie. Kunnen er ook maatregelen ingesteld worden tegen de klager?
Het College neemt een finaal besluit over de klacht, zo staat vermeld in artikel 19. Hoe is de onpartijdigheid van dit College gewaarborgd? In het geval een Kamermedewerker, bijvoorbeeld een plv. griffier, een klacht indient tegen een Kamerlid, welke waarborgen heeft deze klager dat zijn klacht onpartijdig wordt afgehandeld? Immers zijn de Voorzitter en Ondervoorzitters collega-Kamerleden. Welke waarborg heeft een beklaagd Kamerlid voor de onpartijdigheid van de Collegeleden? Hoe is de onpartijdigheid geregeld in die gevallen dat de klagende of de beklaagde partij een fractielid is van één van de Collegeleden?
In artikel 20 is opgenomen dat indien een lid van het College in het geding is, dit lid voor deze zaak word vervangen. Wie is de vervanger in die gevallen dat een Collegelid klager is of als een Collegelid fractiegenoot van de klager of beklaagde is? Hoe functioneert dit als een Collegelid een klacht heeft over een ander Collegelid?
De identiteit van de klager is volledig beschermd. Dat (b)lijkt niet het geval voor de beklaagde. Is openbaarmaking bij een berisping in alle gevallen noodzakelijk en proportioneel? En waarom is dat dan wel of niet het geval bij een waarschuwing?
Het College is bevoegd het Kamerlid aan te spreken. Wat als het betreffende Kamerlid zich aan dit aanspreken niets gelegen laat liggen? Zijn er dan andere sancties of vervolgstappen te nemen?
De leden van de SGP-fractie lezen in artikel 11 lid 3 dat als klager en beklaagde bereid zijn tot bemiddeling de procedure kan worden stopgezet. In de daaropvolgende fase kunnen beiden verzoeken om de procedure weer voort te zetten. Kan dat ook nadat bemiddeling tot een einde gebracht is, en de klager zich binnen een bepaalde termijn (bijvoorbeeld een jaar) bedenkt?
Met betrekking tot de samenhang van artikelen 12, 13 en 19 hebben deze leden de volgende vraag. Het College is, voor zover deze leden bekend, een bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In artikelen 12 lid 5, 13 lid 8 en 19 lid 5 van de Gedragscode wordt bezwaar, en daarmee beroep, uitgesloten. Hiermee wordt effectief ieder rechtsmiddel aan de partijen ontnomen. Hoe ziet het College dit in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel? Welke rechtsmiddelen zijn er wel? Kan worden toegelicht hoe de rechtsmiddelen zijn geregeld ten opzichte van het advies van de commissie?
In artikel 12 lid 3 van de Gedragscode wordt een klacht die betrekking heeft op een handeling van meer dan een jaar geleden van rechtswege niet-ontvankelijk verklaard. Bij traumatische gebeurtenissen, zoals seksuele intimidatie, is het niet onredelijk dat een slachtoffer tijd nodig heeft om zich ertoe te zetten een klacht in te dienen. Sluit de termijn van een jaar aan bij wat de wetenschappelijke literatuur zegt over dergelijke verwerkingstermijnen?
In artikel 13 lid 8 is opgenomen dat tegen een besluit geen bezwaar of beroep kan worden ingesteld. Welk rechtsmiddel hebben de partijen dan? Hoe verhoudt het ontnemen van ieder rechtsmiddel zich tot het rechtstatelijke beginsel dat eenieder toegang heeft tot een onafhankelijke rechter?
In hoofdstuk IX, artikel 23, lid 1 staat «Bij aanvang van de procedure en gedurende de behandeling van de klacht door de commissie en de besluitvormingsprocedure in het College, kan het College, bijgestaan door de Griffier, op verzoek van de commissie voorlopige maatregelen treffen, zoals een direct fysiek en digitaal contactverbod, indien dit voor het welzijn van klager Eerste Kamer, redelijkerwijs noodzakelijk wordt geacht, of als er sprake is van een voor één of meer direct betrokkenen onhoudbare situatie.». Wat als een van de betrokkenen zich niet houdt aan het fysiek en digitaal contactverbod? Heeft dit gevolgen, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet en wat betekent dit voor de effectiviteit van de voorlopige maatregelen?
De fractieleden van de ChristenUnie lezen in het voorgestelde artikel 23 dat het treffen van voorlopige maatregelen mogelijk is. Op welke wijze is daarbij voorzien in effectieve wederhoor en hoe krijgt de rechtsbescherming van de beklaagde vorm in deze fase waarin van een onderbouwd commissieadvies nog (lang) geen sprake is?
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen dat in hoofdstuk 10, artikel 24 een aantal verboden op beïnvloeding is opgenomen. Wat als een van de betrokkenen zich niet houdt aan deze verboden? Heeft dit gevolgen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet en wat betekent dit voor de effectiviteit van de verboden?
In artikel 24 lid 1 wordt aangegeven dat een Kamerlid dat beklaagd wordt op geen enkele wijze mag communiceren met anderen. Overleg met collega’s binnen of buiten de fractie wordt daarmee onmogelijk gemaakt. Wordt hierdoor het belang van de beklaagde gediend? Kan hier een betere duiding worden gegeven van de positie van klager en beklaagde, zo vragen de leden van de SGP-fractie.
In hoofdstuk XI, in artikelen 25 en 26, wordt een aantal zaken rondom geheimhouding beschreven. Wat als een van de betrokkenen zich niet houdt aan de vereiste geheimhouding? Heeft dit gevolgen, vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet en wat betekent dit voor de effectiviteit van de geheimhouding?
Hoe kan de vertrouwelijkheid tijdens en na de procedure waterdicht worden geborgd, gezien de lange doorlooptijd en het groeiend aantal betrokkenen, vragen de leden van de VVD-fractie.
De benaming van de «Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal» roept vragen op bij de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA. Sommige organisaties kiezen voor een gedragscode met daarin ook aandacht voor gewenst gedrag en daarom ook andere benamingen zoals «gedragscode (on)gewenste omgangsvormen». Andere organisaties kiezen voor «gedragscode tegen ongewenste omgangsvormen». Waarom is gekozen voor de huidige benaming?
De leden van de VVD-fractie vragen wat de procedures zijn voor het evalueren en eventueel herzien van de Gedragscode en hoe vaak zullen deze worden uitgevoerd? Hoe wordt de bewustwording en bekendheid van de Gedragscode onder alle betrokkenen bevorderd? Kunnen alle voorbeeldcodes die bij het opstellen van deze Gedragscode zijn gebruikt, alsmede andere eventuele vergelijkbare codes van aanpalende organisaties, gedeeld worden?
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken ziet met belangstelling uit naar de nota naar aanleiding van het verslag.
De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Lagas
De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman
Samenstelling:
Lagas (BBB) (voorzitter), Kroon (BBB),Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Fiers (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Janssen-Van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Roovers (GroenLinks-PvdA), Geerdink (VVD), Van de Sanden (VVD), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Doornhof (CDA), Prins (CDA), Van Toorenburg (CDA), Dittrich (D66), Aerdts (D66), Van Hattem (PVV), Nicolaï (PvdD), Nanninga (JA21), Janssen (SP), Talsma (CU), Dessing (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-CLXX-B.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.