36 470 VI Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2023 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota)

Nr. 3 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 19 december 2023

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 11 december 2023 voorgelegd aan de Minister van Justitie en Veiligheid. Bij brief van 15 december 2023 zijn ze door de Minister van Justitie en Veiligheid beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De fungerend voorzitter van de commissie, Van Nispen

De griffier van de commissie, Brood

Vraag (1):

U heeft een wettelijke aanwijzingsbevoegdheid die ook geldt ten aanzien van de bedrijfsvoering van de partners in de strafrechtketen. U noemde dat eerder een «nucleaire optie», maar vindt u het feit dat criminaliteit blijkbaar gewoon loont niet erger dan de inzet van de door uzelf genoemde «nucleaire optie»?

Antwoord:

Op grond van artikel 127 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie kan de Minister van Justitie en Veiligheid aan het OM algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en de bevoegdheden. Het OM behoort zijn taak echter op afstand van de politiek uit te oefenen. Het strafproces, waaronder het opsporingsonderzoek en de berechting, en de strafrechtelijke sancties die kunnen worden opgelegd, kunnen diep ingrijpen in de grondrechten en het leven van burgers. Het is daarom in het belang van onze rechtstaat dat een aanwijzing alleen in uiterste gevallen wordt gegeven, met name als een dergelijke aanwijzing de beslissingsvrijheid van het OM kan raken. Dit geldt ook voor de aanwijzingsbevoegdheid ten aanzien van de Rechtspraak. Het gaat om een algemene aanwijzing aan de Raad voor de Rechtspraak betreffende de uitvoering van de taken van de Raad voor de Rechtspraak voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een goede bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie.

De Minister van Justitie en Veiligheid onderschrijft niet de veronderstelling in de vraag «dat criminaliteit gewoon loont». Politie, Openbaar Ministerie en andere organisaties in de strafrechtketen zetten zich dag in dag uit ten volle in om criminaliteit te voorkomen en te bestrijden en om door criminaliteit wederrechtelijk verkregen vermogen af te pakken. Een aanwijzing in de sfeer van de bedrijfsvoering zal hier niets aan toevoegen. En de beslissing om strafvervolging in te stellen in individuele zaken is aan het Openbaar Ministerie en dat moet ook zo blijven. De Minister van Justitie en Veiligheid ziet geen enkele aanleiding daar als Minister in te treden door middel van een bijzondere aanwijzing.

Vraag (2):

Kunt u schematisch weergeven hoeveel onderbesteding er in 2024 is geweest vanwege arbeidsmarktproblematiek, waarbij per organisatie wordt uitgesplitst hoe groot de onderbesteding is en hoe groot het aantal openstaande fte’s is dat daarmee samenhangt?

Antwoord:

Gezien de verwijzing naar de pagina’s 5 tot en met 8 van de Memorie van Toelichting 2e suppletoire begroting 2023, gaan wij bij het beantwoorden van de vraag ervan uit dat de vraagsteller doelt op punt 2 van de toelichting: Retour middelen Ondermijnende Criminaliteit.

Meerdere organisaties hebben recent (in 2022) structurele middelen ontvangen voor de versterking van de justitiële keten en de bestrijding van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Deze middelen zijn onder andere voor het uitbreiden van de formatie en zijn, gezien de huidige arbeidsmarkt, helaas niet volledig tot besteding gekomen. Wel zien wij dat de werving van nieuwe medewerkers zijn vruchten afwerpt, waardoor eind 2023 de onderbezetting minder is dan aan het begin van het jaar.

De onderbesteding is, met uitzondering van de MIT-middelen, een gevolg van een lagere bezetting per organisatie en vertraging in voorziene projecten, waarbij ook het ontbreken van personeel bij andere (markt)partijen een rol speelt.

Specifiek per organisatie:

  • De onderbesteding bij DJI betreffende ondermijning is 11,5 miljoen euro en wordt veroorzaakt door wijzigingen in wet- en regelgeving, door ontwikkelingen in projecten, beide gecombineerd met een tekort aan personeel.

  • Het OM retourneert een bedrag van 13 miljoen euro waarvan 9 miljoen euro in verband met arbeidsmarktproblematiek (circa 80 fte).

  • Het NSOC betreft een samenwerkingsverband van zes organisaties. Van de 11 miljoen euro die bij Najaarsnota is geretourneerd, is 6,2 miljoen euro gerelateerd aan arbeidsmarktproblematiek (circa 54 fte).

Voor de resterende 20 miljoen euro geldt wederom dat een lagere bezetting per organisatie en (hierdoor) vertraging in voorziene projecten de oorzaak is voor de onderbesteding; dit betreft bij benadering 120 fte.

Vraag (3):

Hoe verklaart u dat 33,5 miljoen euro van de 43 miljoen euro die is vrijgemaakt voor de versterking van de jeugdbeschermingsketen niet is uitgegeven, zeker gezien de problemen in de jeugdbeschermingsketen? Dit geld is aangekondigd tijdens de Voorjaarsnota, is het daarna wel snel genoeg vrijgegeven vanuit het Rijk of duidelijk geworden hoe dit ingezet diende te worden?

Antwoord:

Het kabinet werkt hard aan het oplossen van de problemen in de jeugdbeschermingsketen waaronder de hoge werkdruk bij de gecertificeerde instellingen (GI’s). Het heeft daartoe in 2023 op landelijk niveau – en vooruitlopend op de totstandkoming van een landelijk tarief – 25 miljoen euro (20 miljoen voor verlaging workload en 5 miljoen voor zij-instroomregeling) voor de GI’s beschikbaar gesteld. Begin oktober 2023 hebben Rijk en gemeenten na een zorgvuldig voortraject een akkoord gesloten over een gezamenlijke investering (en dekking) van structureel 60 miljoen euro in een landelijk tarief. Hiermee wordt van de workload voor jeugdbeschermers en jeugdreclasseringsmedewerkers verlaagd. Het Rijk draagt hieraan structureel 30 miljoen euro bij.

Om nog in 2023 tot een rechtmatige besteding te komen van de middelen die bij voorjaarsnota (VJN) 2023 aan de JenV-begroting zijn toegevoegd, is een voorwaarde dat deze middelen daadwerkelijk in 2023 door de GI’s worden uitgegeven. Gezien de tijd die het vergt om nieuwe medewerkers aan te trekken, te begeleiden en op te leiden, was dat geen realistische optie meer, mede gezien de signalen dat niet alle GI’s de reeds beschikbaar gestelde subsidie voor 2023 volledig konden inzetten. Door de GI’s is aangegeven dat de workloadverlaging, die mogelijk wordt gemaakt door het akkoord over het landelijk tarief, in behapbare realistische stappen («inlooppad») dient plaats te vinden omdat het anders een te grote investering vergt – ook voor de al in dienst zijnde jeugdbeschermers. Afgesproken is om met een realistisch inlooppad van 2 jaar in 2025 in alle jeugdregio’s te komen tot de gewenste workload.

Vraag (4):

Waar is het gedeelte van de 43 miljoen euro voor de versterking van de jeugdbeschermingsketen dat wél is ingezet aan uitgegeven? Kunt u dat uiteenzetten in een tabel?

Antwoord:

Voor 2023 is 9,5 miljoen euro vrijgemaakt voor het terugdringen van wachtlijsten bij de Raad voor de Kinderbescherming.

Zie de tabel in de bijlage.

Bedragen in 1 miljoen euro

 

Kwaliteitsverbetering bij de Raad voor de Kinderbescherming

9,5

Vraag (5):

Welke uitgavenposten kunnen nog dit jaar verhoogd worden en tot uitbesteding komen als het gaat om jeugdbescherming?

Antwoord:

Het is niet mogelijk nog extra – rechtmatige – uitgaven te doen voor jeugdbescherming in 2023. Zie het antwoord op vraag 3.

Vraag (6):

Hoeveel is er uitgegeven aan de subsidieregeling voor workloadverlaging in de jeugdbescherming bij de Gecertificeerde Instellingen (GI’s)?

Antwoord:

In 2022 is door het Rijk 10 miljoen euro uitgegeven aan de subsidieregeling voor de verlaging van de werkdruk bij de GI’s. In 2023 heeft het Rijk hier 20 miljoen euro aan uitgegeven – waarvan 10 miljoen euro is gedekt is door gemeenten.

Vraag (7):

Hoeveel is er uitgegeven aan de zij-instroomregeling voor de GI’s?

Antwoord:

In 2023 is er 4,5 miljoen euro uitgegeven aan de zij-instroomregeling voor de GI’s. Daarnaast is 0,5 miljoen euro besteed aan het ondersteuningsteam dat de GI’s begeleidt bij het opzetten en uitvoeren van deze zij-instroomregeling.

Vraag (8):

Hoeveel GI’s hebben het financieel lastig of staan in de rode cijfers?

Antwoord:

Uit gegevens van de Jeugdautoriteit blijkt dat in 2022 bij 10 van de 14 GI’s sprake was van een negatief resultaat. Dit negatieve resultaat is gedekt uit eigen middelen van de GI’s (reserves).1

GI’s hadden te maken met dalende cliëntenaantallen (minder opbrengsten uit tarieven) en hebben daarnaast zelf extra geïnvesteerd in de verlaging van de werkdruk van de jeugdbeschermers. De cijfers over 2023 zijn nog niet bekend. Op dit moment zijn er bij de Jeugdautoriteit en het Rijk geen signalen bekend over GI’s waarbij als gevolg van de financiële situatie sprake zou zijn van continuïteitsrisico’s.

Vraag (9):

Hoeveel Oekraïense ontheemden hebben zich in 2023 gemeld, gezien het feit dat in de artikelsgewijze toelichting bij 2.1.10 Oekraïense ontheemden staat dat de kosten lager zijn uitgevallen dan verwacht?

Antwoord:

Van 1 januari 2023 t/m 4 december 2023 (peildatum 4 december 2023) hebben zich 35.910 ontheemden uit Oekraïne ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP). Dit aantal is exclusief de zogenoemde derdelanders. Het aantal BRP-inschrijvingen inclusief derdelanders bedraagt 36.810.

Deze aantallen zijn lager dan het aantal waarmee begin 2023 rekening werd gehouden op basis van de prognose instroom, namelijk een instroom van 47.500 Oekraïense ontheemden in 2023.

In 2023 heeft de IND minder uitgegeven dan begroot. Ten eerste omdat het aantal bezwaren lager uitviel, ten tweede omdat er minder O-documenten zijn verstrekt dan begroot. De meeste ontheemden hebben een sticker gekregen als verblijfsbewijs, wat minder arbeidsintensief is.

Vraag (10):

In de artikelsgewijze toelichting bij 2.1.11 Bespoediging afhandeling asielaanvragen valt te lezen dat de projectmatige aanpak van de Bespoediging Afhandeling Asielvragen dit jaar 26,9 miljoen euro lager is uitgevallen; betekent dit dat er minder budget nodig was om de geplande 13.000 extra zaken van Syriërs en Jemenieten weg te werken of dat er minder zaken behandeld zijn dan de doelstelling was door bijvoorbeeld personeelstekorten?

Antwoord:

De projectmatige aanpak bespoediging afhandeling asielaanvragen loopt voor de periode van een jaar en is gestart in mei 2023. Van de totaal 13.000 netto af te handelen zaken in dit jaar, stonden er voor 2023 10.000 zaken en voor 2024 3.000 zaken in de planning.

In 2023 zijn er minder dan de geplande 10.000 extra zaken van Syriërs en Jemenieten afgedaan. Dat heeft onder andere te maken met een latere start van het project en het later kunnen werven en inzetten van de benodigde externe arbeidscapaciteit. Daarnaast is van een deel van nog niet afgedane zaken het voorwerk al gedaan, maar is de zaak nog niet volledig afgerond. Deze zaken worden naar verwachting begin volgend jaar afgedaan.

De prognose voor dit jaar is 6.700 afgedane zaken. De doelstelling blijft gelijk; vanuit het project worden in totaal 13.000 zaken afgedaan.

Vraag (11):

Hoeveel amv’s zijn er in 2023 naar Nederland gekomen, aangezien in de artikelsgewijze toelichting bij 2.1.12 ODA-toekenning staat dat het aantal alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) fors hoger is dan verwacht?

Antwoord:

Voor 2023 zijn er tot en met november ca. 5.410 asielaanvragen door AMV geregistreerd door de IND. Dit zijn er meer dan over dezelfde periode zijn geregistreerd in 2022.2 Deze aantallen zijn echter niet direct te relateren aan de aantallen waar de ODA toerekening zich op baseert.

Voor de toerekening van eerstejaarsasiel aan ODA zijn namelijk afspraken gemaakt tussen JenV en BHOS. Daarbij wordt op basis van de prognoses binnen de migratieketen – de Meerjaren Productie Prognose – geraamd hoeveel van de bezetting van COA toegerekend mag worden aan ODA. Ten aanzien van de AMV’s geldt dat bij de ODA-toerekening van eerstejaarsasiel bij de najaarsnota de verwachting naar boven is bijgesteld. Aangezien de kosten van de opvang van AMV’s fors hoger liggen dan reguliere asielzoekers heeft deze verhoging ook effect op de ODA toerekening.

Vraag (12):

Is het juist dat slechts 6 miljoen euro van artikel 92 «nog onverdeeld» in 2023 is uitgegeven en 64 miljoen euro dus niet? Wat is hiervan de oorzaak? Hoe verhoudt dit zich tot eerdere jaren?

Antwoord:

Ten behoeve van de Rijksbrede dekkingsopgave is er bij de eerste suppletoire begroting 2023 een taakstellende onderuitputting op de artikelen 91 (apparaat) en 92 (nog onverdeeld) van de JenV-begroting ingeboekt. De meevaller die bij Prinsjesdag suppletoire begroting is gemeld (83,7 miljoen euro) is volledig op artikel 92 geboekt. Daarvoor wordt nu gecorrigeerd middels een boeking van artikel 92 naar artikel 91 (57 miljoen euro), zodat de taakstelling die op de artikelen 91 en 92 stond correct wordt ingevuld. Op artikel 92 is dus eigenlijk een onderuitputting van ca. 6 miljoen euro, door reserveringen die (dit jaar) niet tot besteding komen. De overige middelen zijn conform bestemming doorverdeeld naar de beleidsartikelen.

Vraag (13):

In de artikelsgewijze toelichting bij 2.1.14 Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) wordt gesteld dat de gemiddelde bezetting lager is dan geraamd, wat een meevaller is van 207,5 miljoen euro. Anderzijds, vallen de meerkosten voor (crisis)noodopvang hoger uit dan geraamd ad 218 miljoen euro. Hierdoor is er per saldo een tegenvaller van 10,5 miljoen euro. Kunt u toelichten of de negatieve 207,5 miljoen euro verklaarbaar is doordat minder bedden tegen de verwachte prijs beschikbaar waren en de hoge meerkosten voor crisisopvang ontstaan zijn doordat de benodigde bedden hoger uitvielen in prijs?

Antwoord:

Op dit moment wordt er meer gebruik gemaakt van (crisis)noodopvang en daarmee ook tegen hogere kosten. De meevaller van 207,5 miljoen euro komt voort uit een lagere gemiddelde bezetting dan geraamd tegen de kostprijs van reguliere opvang (p x q) afgezet tegen de begroting. De meerkosten van 218 miljoen euro voor (crisis)noodopvang hebben betrekking op opvangplekken die langer nodig blijven dan begroot.

Vraag (14):

Kunt u toelichten hoe het tekort aan amv’s nu wordt ondervangen en kan er uitgesplitst worden wat voor meerkosten dit eventueel met zich meebrengt, aangezien in de artikelsgewijze toelichting bij 2.1.16 Nidos wordt gesteld dat alhoewel de instroom van amv’s hoog blijft, de kosten voor Nidos lager uitvallen doordat de organisatie niet voldoende opvangplekken en personeel aan kan trekken?

Antwoord:

Nidos voert voor alle amv’s de voogdij uit en is voor een deel van deze amv’s verantwoordelijk voor de huisvesting. Zodra een amv een verblijfsstatus ontvangt, stroomt hij vanuit het COA door naar de kleinschalige opvang van Nidos of een van haar contractpartners.

Omdat Nidos niet voldoende opvangplekken kan vinden, is de capaciteit van de kleinschalige opvang momenteel niet voldoende om alle amv’s met een verblijfsstatus die bij het COA worden opgevangen te laten doorstromen naar de kleinschalige opvang van Nidos. Hierdoor is er sprake van een wachtlijst voor de kleinschalige opvang bij Nidos. Jongeren verblijven noodgedwongen langer bij het COA, waardoor de verzorgingskosten van Nidos lager uitvallen dan verwacht. Hoewel de instroom van amv’s hoog blijft, vallen de kosten voor Nidos dit jaar daarom lager uit.

Vraag (15):

Kunt u uitzetten voor welke samenwerkingsverbanden wel middelen vereist zijn, aangezien in de artikelsgewijze toelichting bij 2.1.18 Samenwerkingsverband asiel is te lezen dat deze post lager uit is gevallen doordat er nog weinig afspraken zijn waarvoor middelen vereist zijn?

Antwoord:

Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is voortdurend, samen met het COA, in gesprek met provincies en gemeenten om afspraken te maken over (reguliere) opvangplekken.

Bij de augustusbesluitvorming zijn de middelen voor samenwerkingsverbanden voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid beschikbaar gekomen vanuit de reservering Spreidingswet op de Aanvullende Post. Op dat moment liepen er nog diverse gesprekken met provincies en gemeenten om tot een overeenkomst te komen. Richting de najaarsbesluitvorming is duidelijk geworden dat een aantal van deze gesprekken en de besluitvorming hieromtrent niet nog in 2023 tot een afronding komen. Op de reeds gemaakte afspraken met individuele provincies en gemeenten kan ik niet ingaan.

Vraag (16):

In de artikelsgewijze toelichting over het samenwerkingsverband asiel wordt niet aangegeven of de lager uitgevallen post eventueel nog in 2024 aangewend wordt als er meer afspraken zijn waarvoor middelen vereist zijn; kunt u toelichten of dit budget dat eenmalig op deze hoogte toegekend was zal vervallen of dat de overgebleven middelen op een later moment nog aangewend kunnen worden?

Antwoord:

Het budget voor samenwerkingsverbanden is met de augustusbesluitvorming eenmalig toegekend voor het jaar 2023 en zal met ingang van 2024 komen te vervallen. In 2024 zal blijvende inzet nodig zijn op het realiseren van voldoende opvangplekken. Hiervoor zal het ook noodzakelijk blijven om afspraken te maken met provincies en gemeenten. Voor het beschikbaar komen van de benodigde middelen hiervoor moet bij voorjaarsbesluitvorming 2024 opnieuw een verzoek worden ingediend.

Vraag (17):

Is de verwachting dat de opbrengsten van crimineel vermogen in 2024 alsnog zullen stijgen nu het uitblijven van een grote schikking de oorzaak is dat de opbrengsten in zowel 2022 en 2023 lager uitvielen dan geraamd?

Antwoord:

In de begroting van Justitie en Veiligheid worden voor de incasso meerjarige ramingen opgenomen. De ramingen weerspiegelen verwachte opbrengsten, wetende dat deze per jaar sterk kunnen verschillen. De ramingen zijn dus geen doelstelling. De raming voor 2023 en verdere jaren betreft een vlakke reeks van 384 miljoen euro. In 2023 is er tot op heden door het Openbaar Ministerie geen strafzaak afgedaan met een grote schikking, waardoor de ontvangsten in 2023 naar verwachting veel lager zullen uitvallen dan geraamd. Het is op voorhand niet te voorspellen of zich de komende jaren grote schikkingen zullen voordoen. De inspanningen van JenV blijven echter gericht op het verstoren en voorkomen van de criminele geldstromen en op het afpakken van het criminele vermogen.

Vraag (18):

Wat wordt bedoeld met de zin dat de lagere afpakopbrengsten voornamelijk worden verklaard doordat een grote schikking vooralsnog is uitgebleven?

Antwoord:

In de begroting van Justitie en Veiligheid worden voor de incasso meerjarige ramingen opgenomen op artikel 33 bij de ontvangsten onder de titel «afpakken». De ramingen weerspiegelen verwachte opbrengsten, wetende dat deze per jaar sterk kunnen verschillen. Deze ramingen zijn geen doelstellingen voor het Openbaar Ministerie in de zin van prestatieafspraken en kunnen dat ook niet zijn. De grote verschillen voor de incasso per jaar worden veroorzaakt door grote schikkingen die in het verleden zijn gerealiseerd: bij het opstellen van deze ramingen is er, op basis van ervaringen uit het verleden, vanuit gegaan dat zich ook in de toekomst grote schikkingen zullen voordoen. De ramingen zijn daarmee met een bepaalde onzekerheid omgeven, omdat op voorhand niet bekend is wanneer een grote schikking zich voordoet en wat de omvang ervan zal zijn. In 2023 is er tot op heden door het Openbaar Ministerie geen strafzaak afgedaan met een grote schikking, waardoor de ontvangsten in 2023 naar verwachting veel lager zullen uitvallen dan geraamd.

Vraag (19):

Kan een nadere uitleg worden gegeven van de zeer forse toename in het bedrag dat wordt uitgegeven aan schadeloosstellingen? Is er een aanwijsbare oorzaak?

Antwoord:

De laatste jaren is er een stijging waarneembaar van de uitgaven aan schadeloosstellingen. De toename wordt vooral veroorzaakt door de stijging van de gemiddeld toegekende schadevergoedingen. Ook nemen de uitgaven voor proceskostenvergoedingen bij Mulderzaken (WAHV) toe.

Vraag (20):

Waarom kon het Openbaar Ministerie (OM) niet alle middelen besteden die het heeft ontvangen voor de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit?

Antwoord:

Het Openbaar Ministerie kon niet alle middelen besteden die het heeft ontvangen voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit in 2023, met name vanwege de krapte op de arbeidsmarkt en de tijd die nodig is om personeel op te leiden.

Vraag (21):

Kunt u de meevaller op het budget uitvoering Duurzaam Digitaal Stelsel (DDS) toelichten?

Antwoord:

Per abuis is in de 2de suppletoire begroting een meevaller genoemd van 8,8 miljoen euro.

Het betrof hier een overboeking naar een aantal ketenpartners ter dekking van de kosten die zij hebben gemaakt in het kader van het Duurzaam Digitaal Stelsel.

Vraag (22):

De opbrengsten van afpakken blijven al jaren fors achter bij de winsten die in de criminele sector worden gemaakt, waarom blijft u weigeren de regie te pakken in de strafrechtketen?

Antwoord:

Financieel gewin is hét onderliggende motief van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Financieel gedreven criminelen kunnen onze rechtsstaat en de integriteit van ons financiële stelsel ernstig ondermijnen. Dit heeft enorme negatieve impact op de samenleving. De Minister van Justitie en Veiligheid zet daarom vol in op het verstoren en voorkomen van de criminele geldstromen én op het afpakken van het criminele vermogen, inclusief het maatschappelijk herbestemmen ervan.

De ketenpartners van de afpakketen hebben zich verenigd in het Coördinerend Beraad Afpakketen, dat wordt voorgezeten door het Ministerie van Justitie en Veiligheid. In gezamenlijkheid worden stappen gezet om de afpakresultaten, zowel kwantitatief als kwalitatief, te verbeteren. Daarbij is er enerzijds aandacht voor een goede beheersing van de afpakketen en het oplossen van de nog resterende onvolkomenheden. Anderzijds wordt samen bezien welke maatregelen kunnen worden genomen om meer crimineel vermogen te (laten) ontnemen.

Het Ministerie van Justitie en Veiligheid pakt de regierol, door het Coördinerend Beraad bijeen te roepen en zo gestructureerd het gesprek te voeren over de kwaliteit van het afpakproces, de uitdagingen in het ontnemen van crimineel vermogen en de mogelijke oplossingen daarvoor. Ook wordt regelmatig in samenwerking met de betrokken partners besproken wat de voortgang is op deze onderwerpen en welke interventies kunnen helpen om progressie te blijven boeken. In de strafrechtelijke afpakketen wordt nauw samengewerkt door de (bijzondere) opsporingsdiensten, het Openbaar Ministerie en het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Meer specifiek heeft het Openbaar Ministerie samen met de ketenpartners een vermogensdossier ontwikkeld en is de implementatie hiervan begonnen. Het vermogensdossier biedt inzicht in de actuele vermogenspositie van de verdachte, houdt bij welke onderzoekshandelingen reeds hebben plaatsgevonden, wat het resultaat daarvan is geweest en draagt bij aan een efficiëntere en effectievere executie. Een goed opgezet vermogensdossier verhoogt de kans op een uiteindelijke succesvolle incasso door het CJIB. Daarnaast ontwikkelt het CJIB een werkwijze waarbij vermogen continu wordt gemonitord, zodat zoveel mogelijk informatie over en wijzigingen in het vermogen van een veroordeelde zichtbaar worden. Door de informatie uit het te ontwikkelen vermogensdossier te koppelen aan informatie uit de executiefase blijft er van opsporing tot executie zicht op vermogen.

Vraag (23):

Hoeveel is er uitgegeven aan de tegemoetkomingsregeling voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg? Hoe kan het dat er 7,1 miljoen euro minder was vereist dan geraamd? Zijn alle aanvragen al behandeld? Hoeveel aanvragen zijn er toegekend en hoeveel zijn er afgewezen? Hoeveel is in totaal uitgegeven aan de tegemoetkomingsregeling?

Antwoord:

Het bedrag dat in totaal is uitgegeven aan de tegemoetkomingsregeling voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg bedraagt 125.513.497 euro. Van dit bedrag is 112.340.000 euro toegekend aan slachtoffers en is 13.173.497 euro besteed aan de uitvoering van de regeling.

De reden dat er in 2023 minder middelen waren vereist dan geraamd, is gelegen in het feit dat bij de raming van de middelen voor 2023 geen rekening is gehouden met de middelen die voor deze regeling in 2022 al waren overgeboekt. Hierdoor is een deel van het bij VWS gereserveerde bedrag in 2023 vrij komen te vallen.

Van de 27.231 ingediende aanvragen zijn er 22.468 toegekend, 3.939 afgewezen, 48 nog in behandeling. De resterende aanvragen zijn ingetrokken of buiten behandeling gesteld.

Vraag (24):

Hoe komt het dat de verdergaande investeringen in 2023, bovenop bestaande verbetermaatregelen, zoals de subsidieregeling voor workloadverlaging bij de GI’s en de zij-instroomregeling voor de GI’s, niet mogelijk bleken, waardoor het resterende bedrag (33,5 miljoen euro) derhalve vrij valt?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 3.

Vraag (25):

Kunt u een nadere uitwerking geven van de verhoging van de verplichtingen op artikel 37?

Antwoord:

De verplichtingen op artikel 37 zijn opgehoogd met betrekking tot het budget Bijdrage medeoverheden van het Nationaal Programma Oekraïense ontheemden voor de opvang van Oekraïense ontheemden met € 1,15 mld. Bij Najaarsnota is gebleken dat het beschikbare verplichtingenbedrag te laag was voor de omvang van de voorschotten die door de gemeenten worden opgevraagd om de opvang van Oekraïense ontheemden te bekostigen. Naast de opvang gaat dat ook om transitiekosten die de gemeenten kunnen aanvragen voor het gereed maken van vastgoed voor opvang. Zowel de aanvragen met betrekking tot de voorschotten voor opvangkosten als ook de transitiekosten zijn hoger dan eerder ingeschat.

Daarnaast zijn ook de verplichtingen opgehoogd met € 60 miljoen voor de opdrachten met betrekking tot Nationaal Programma Oekraïense ontheemden omdat de verplichting voor zorgkosten hoger uitvalt dan eerder voorzien.

Vraag (26):

In hoeverre gaat het bij de verhoging van de verplichtingen op artikel 37 om reeds aangegane verplichtingen en in hoeverre om nieuwe verplichtingen die u voornemens bent om nu aan te gaan?

Antwoord:

Het gaat bij de verhoging grotendeels om verplichtingen die nog moeten worden aangegaan. Gemeenten hadden tot 1 oktober om een voorschot aan te vragen voor de opvang van Oekraïense

Ontheemden. Deze worden daarna behandeld en dit leidt tot de verplichting en betaling van het voorschot.

Vraag (27):

In hoeverre leidt de verhoging van de verplichtingen op artikel 37 tot uitgaven in 2024 en de jaren daarna?

Antwoord:

De verhoging van de verplichtingen op artikel 37 is om ruimte te krijgen voor het aangaan van verplichting in relatie tot aanvraag van voorschotten door de gemeenten voor de opvang van Oekraïense ontheemden. Dit leidt tot uitbetaling van de voorschotten in 2023. Het vermindert de uitgaven in 2024 omdat er meer voorschotten zijn aangevraagd in 2023 waardoor de afrekening in 2024 lager wordt.

Vraag (28):

Waarom keert de overheid subsidie uit aan Vluchtelingenwerk Nederland? Welke taken voeren zij uit die de overheid niet zelf in handen kan nemen? Wordt dit geld -mede- gebruikt ter bekostiging van lobby- of communicatieactiviteiten die Vluchtelingenwerk Nederland exploiteert?

Antwoord:

Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) richt zich vooral op de ondersteuning rechtsbescherming in de procedure van asielzoekers en hun eventuele aanvraag inzake gezinshereniging. VWN bezit en onderhoudt hiervoor de kennis en expertise en geeft voorlichting aan elke asielzoeker die Nederland binnenkomt. Daarnaast verzorgt VWN tolk- en vertaaldiensten die nodig zijn in de voorlichting of rechtsbescherming van asielzoekers. Binnen de asielketen vervult VWN daarmee een specifieke rol en houdt voor de subsidiering van deze dienstverlening een gescheiden administratie bij. Kosten van lobby- of communicatieactiviteiten zijn hier geen onderdeel van.

Vraag (29):

Hoe waren de kosten van de asielopvang uitgevallen als voor iedereen een plek was in een regulier asielzoekerscentrum (azc) en er geen noodopvang en crisisnoodopvang nodig was geweest?

Antwoord:

In het geval er voor iedere asielzoeker een reguliere asielopvangplaats beschikbaar was, was het begrote reguliere budget voldoende geweest om in de asielopvang te voorzien. Echter, is dit wegens gebrek aan reguliere plekken niet de realiteit.

De kosten van een plek in noodopvang of crisisnoodopvang zijn op basis van ervaringscijfers twee keer zo hoog als een reguliere plek. De verwachte kosten van noodopvang en crisisnoodopvang voor 2023 komen uit op 918 miljoen euro. Het COA streeft naar het realiseren van zo veel mogelijk locaties met reguliere opvangplekken en langdurige afspraken, maar is daarbij afhankelijk van o.a. gemeenten.

Vraag (30):

Kunt u toelichten waarom het budget voor de projectmatige aanpak van de Bespoediging Afhandeling Asielaanvragen niet volledig wordt uitgeput? En wilt u eventueel aangenomen moties of gedane toezeggingen aan de Kamer die hieraan hebben bijgedragen meenemen in het antwoord?

Antwoord:

De projectmatige aanpak bespoediging afhandeling asielaanvragen loopt voor de periode van een jaar en is gestart in mei 2023. Van de totaal 13.000 netto af te handelen zaken in een jaar, stonden er voor 2023 10.000 zaken en voor 2024 3.000 zaken in de planning.

Er zijn dit jaar minder dan de geplande 10.000 extra zaken van Syriërs en Jemenieten afgedaan. Dat heeft onder andere te maken met een latere start van het project en het later kunnen werven en inzetten van de benodigde externe arbeidscapaciteit. Daarnaast is een deel van nog niet afgedane zaken onderhanden en wordt naar verwachting begin volgend jaar afgedaan.

Uw Kamer heeft de motie Brekelmans/Van den Brink aangenomen waarin de regering wordt verzocht schriftelijk horen voor kansrijke asielzoekers af te schaffen en zorg te dragen dat de IND bij kansrijke asielzoekers een fysiek nader gehoor afneemt.3 Uw Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over de uitwerking van de motie.

De prognose voor dit jaar is 6.700 afgedane zaken. De doelstelling blijft gelijk; vanuit het project worden in totaal 13.000 zaken afgedaan.

Vraag (31):

Welke acties zijn wel uitgevoerd onder het project Bespoediging Afhandeling Asielaanvragen? Hoe is dit bevallen en wat wordt er wel en niet doorgezet?

Antwoord:

In 2023 is schriftelijk horen toegepast binnen project Bespoediging Afhandeling Asielaanvragen (BAA). Uw Kamer heeft de motie Brekelmans/Van den Brink4 aangenomen waarin de regering wordt verzocht schriftelijk horen voor kansrijke asielzoekers af te schaffen en zorg te dragen dat de IND bij kansrijke asielzoekers een fysiek nader gehoor afneemt.

Het stoppen met schriftelijk horen heeft als gevolg dat bij de zaken die hiervoor in aanmerking kwamen alsnog fysiek gehoord moeten worden. Een fysiek gehoor kost meer tijd dan schriftelijk horen. Uw Kamer wordt over de uitwerking van de motie binnenkort geïnformeerd.

Ook wordt een gedeelte van het werk door externen uitgevoerd, en een ander gedeelte door ervaren beslismedewerkers van de IND, waardoor in relatief korte tijd meer personeel beschikbaar was om op deze zaken ingezet te worden. Daarnaast worden IV verbeteringen, die efficiënter werken mogelijk moeten maken onderzocht.

Het is op dit moment nog te vroeg om te bepalen wat wel en wat niet wordt doorgezet vanuit project BAA naar het reguliere IND-werk. Na afloop van het project zal worden geëvalueerd welke ervaringen en werkwijzen geschikt zijn om te behouden binnen het reguliere Asiel besliswerk en welke niet.

Vraag (32):

Waar komt de tegenvaller van 23,4 miljoen euro bij het Nidos terug op de begroting?

Antwoord:

Uit de tweede kwartaalrapportage van dit jaar bleek dat Nidos in 2023 een bedrag van 23,4 miljoen euro zou overhouden. Er is dus sprake van een meevaller. Hierop is dit bedrag afgehaald van het Nidos-kader op de begroting van JenV.

Nidos voert voor alle amv’s de voogdij uit en is voor een deel van deze amv’s verantwoordelijk voor de huisvesting. Zodra een amv een verblijfsstatus ontvangt, stroomt hij vanuit het COA door naar de kleinschalige opvang van Nidos of een van haar contractpartners.

Omdat Nidos niet voldoende opvangplekken kan vinden, is de capaciteit van de kleinschalige opvang momenteel niet voldoende om alle amv’s met een verblijfsstatus die bij het COA worden opgevangen te laten doorstromen naar de kleinschalige opvang van Nidos. Hierdoor is er sprake van een wachtlijst voor de kleinschalige opvang bij Nidos. Jongeren verblijven noodgedwongen langer bij het COA, waardoor de verzorgingskosten van Nidos lager uitvallen dan verwacht. Hoewel de instroom van amv’s hoog blijft, vallen de kosten voor Nidos dit jaar daarom lager uit.

Vraag (33):

Komt de meevaller van 10 miljoen euro op de samenwerkingsverbanden asielketen doordat er weinig afspraken zijn gemaakt of doordat er afspraken zijn gemaakt waar geen/weinig middelen voor nodig bleken? Kunt u een overzicht geven van gemaakte afspraken?

Antwoord:

Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is voortdurend, samen met het COA, in gesprek met provincies en gemeenten om afspraken te maken over (reguliere) opvangplekken.

Bij de augustusbesluitvorming zijn de middelen voor samenwerkingsverbanden voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid beschikbaar gekomen. Op dat moment liepen er nog diverse gesprekken met provincies en gemeenten om tot een overeenkomst te komen. Het zwaartepunt van deze gesprekken lag in de tweede helft van 2023, omdat in deze periode ook een toename in de instroom van asielzoekers is te zien. Richting de najaarsbesluitvorming is duidelijk geworden dat een aantal van deze gesprekken en de besluitvorming hieromtrent niet nog in 2023 tot een afronding komen. Om deze reden is besloten om een deel van de beschikbaar gestelde middelen bij de najaarsnota als onderuitputting aan te melden.

Op de reeds gemaakte afspraken met individuele provincies en gemeenten kan ik niet ingaan.

Vraag (34):

Kunt u toelichten waarom en waardoor er nog weinig afspraken zijn gemaakt, gezien het feit dat in de toelichting op tabel 8 wordt gesteld dat bij de middelen bevorderen opvang, bedoeld om afspraken te maken met gemeenten en provincies om meer reguliere opvang te realiseren een meevaller van 10 miljoen euro is geconstateerd en dat dit wordt veroorzaakt doordat er nog weinig afspraken zijn waarvoor middelen vereist zijn?

Antwoord:

Zie hiervoor het antwoord bij vraag 33.

Vraag (35):

In de toelichting op tabel 15 wordt gesteld dat het verschil tussen de begroting en de stand van de tweede suppletoire begroting gedeeltelijk verklaard wordt door ophoging van het budget dwangsommen met 55 miljoen euro voor 2023 en 2024. Deze ophoging van het budget dwangsommen is in lijn met de eerdere prognose waarbij uitgegaan wordt van de verlengde beslistermijn tot 15 maanden. Kunt u nader verklaren of de uiteindelijke opgenomen 55 miljoen euro als mutatie ook de BNTB-zaken (beroep niet-tijdig beslis-zaken) uit 2022 weergeeft?

Antwoord:

De opgenomen € 55 miljoen heeft betrekking op de te verwachten dwangsommen voor asiel (45 miljoen euro) en nareis (10 miljoen euro) voor 2023 en 2024 samen.

Het bedrag heeft geen betrekking op BNTB-zaken uit 2022.


X Noot
1

Zie rapportage «Onderzoek en kostprijzen en bekostiging GI’s»: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2023Z18118&did=2023D43790

X Noot
2

Bron: IND, Asylum Trends (zie Link). Afgerond op tientallen

X Noot
3

Kamerstuk 36 333, nr. 65

X Noot
4

Kamerstuk 36 333, nr. 65

Naar boven