36 329 Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een certificeringskader van de Unie voor koolstofverwijderingen

C VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 19 april 2023

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 hebben kennisgenomen van het BNC-fiche inzake het voorstel voor een verordening tot vaststelling van een certificeringskader van de Unie voor koolstofverwijderingen.2 De leden van de PvdD-fractie hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen.

Naar aanleiding hiervan is op 30 maart 2023 een brief gestuurd aan de Minister voor Klimaat en Energie.

De Minister heeft op 18 april 2023 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, De Boer

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT / LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Minister voor Klimaat en Energie

Den Haag, 30 maart 2023

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche inzake het voorstel voor een verordening tot vaststelling van een certificeringskader van de Unie voor koolstofverwijderingen.3 De leden van de PvdD-fractie hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de PvdD-fractie vragen wat er gebeurt met de opgevangen CO2. Kunt u bevestigen dat de opgevangen CO2 niet, net zoals in Amerika, hergebruikt zal worden voor enhanced oil recovery (het principe waar CO2 met hoge druk wordt geïnjecteerd in een olieveld waar moeilijk winbare olie wordt losgeweekt)?

Heleen de Coninck, wetenschapper aan de Radboud Universiteit Nijmegen en CO2-deskundige stelt in het Financieele Dagblad het volgende: «het ROAD-project (CO2-afvang, -transport en -opslag bij een kolencentrale in de Rotterdamse Haven) kwam zelfs met een subsidie van meer dan 300 miljoen euro niet van de grond».4Kunt u reflecteren op de voorziene hoge investeringen tegenover de nog onzekere resultaten van daadwerkelijke CO2-vermindering in de atmosfeer?

Bent u het met deze leden eens dat vertrouwen op CO2-opslag of -verwijdering averechts kan werken, in die zin dat grote industrieën zich minder gemotiveerd zullen tonen om minder CO2 uit te stoten? Bent u het ook met deze leden eens dat hiermee de afspraken die in het klimaatakkoord van Parijs zijn gemaakt – namelijk een reductie van 55 procent van CO2 in 2030 – in gevaar kunnen komen?5

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 28 april 2023.

Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, L.P. van der Linden

BRIEF VAN DE MINISTER VOOR KLIMAAT EN ENERGIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 april 2023

Hierbij stuur ik u de antwoorden op de nadere vragen (kenmerk: 172965U) die op 30 maart 2023 zijn gesteld door de leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat/Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangaande de voorgestelde verordening EU-certificering van koolstofverwijderingen.

De Minister voor Klimaat en Energie, R.A.A. Jetten

172965U

Beantwoordin nadere vragen van Eerste Kamer over de voorgestelde verordening EU-certificering van koolstofverwijderingen

De leden van de PvdD-fractie hebben enkele vragen over het voorstel voor een EU-Verordening certificeringskader voor koolstofverwijdering. Ze vragen of de opgevangen CO2 kan worden hergebruikt voor oliewinning.

Momenteel zijn er in Europa geen zogenaamde «enhanced oil recovery»-projecten met gebruikmaking van CO2-afvang actief. Voorts is deze activiteit ook uitgesloten van bepaalde Europese subsidieregelingen, aangezien zij door veel lidstaten als ongewenst wordt beschouwd. Ook de Verordening houdt hier rekening mee. Zoals in het BNC-fiche inzake de Verordening6 wordt gemeld, beoogt de Verordening de ontwikkeling van een vrijwillig certificeringskader om op betrouwbare wijze hoogwaardige koolstofverwijdering te certificeren. Hiervoor worden onder andere vier criteria vastgesteld, die bijvoorbeeld stellen dat exploitanten moeten worden verplicht om risico's van het vrijkomen van verwijderde koolstof te monitoren en mitigeren. Wanneer koolstofopslag niet als «permanent» wordt gezien, wordt de koolstof gezien als «vrijgekomen» na afloop van een monitoringsperiode. Indien er dus certificaten zijn afgegeven voor koolstofopslag, waarbij deze koolstof vervolgens wordt gebruikt voor oliewinning en dus vrijkomt, beoogt de Verordening dat daarmee het onderliggende koolstofcertificaat zou vervallen.

Daarnaast vragen de leden van de PvdD-fractie om te reflecteren over de voorziene hoge investeringskosten en de verwachte emissiereductie van CO2-afvang, waarbij ze als voorbeeld het ROAD-project (CO2-afvang, -transport en -opslag bij een kolencentrale in de Rotterdamse Haven) aandragen.

Het kabinet ziet afvang en opslag van CO2 als een kostenefficiënte techniek om CO2 te reduceren, met name wanneer deze kan worden ingezet waar grote volumes CO2 vrijkomen en er op dit moment geen kosteneffectieve alternatieven voorhanden zijn, bijvoorbeeld bij raffinaderijen en waterstoffabrieken. Het huidige kabinetsbeleid inzake Carbon Capture and Storage (CCS) is gericht op toepassing op industriële installaties, waarvan de investeringskosten voor veel projecten lager zijn dan voor CCS op kolengestookte centrales zoals bij het ROAD-project het geval was. Daarnaast valt de opslag van CO2 uit fossiele bron niet onder de definitie van koolstofverwijdering.

Ten slotte vragen de leden of vertrouwen op CO2-opvang en -verwijdering averechts kan werken en daarmee de doelen van het klimaatakkoord van Parijs in gevaar kunnen komen.

Het mogelijke risico op averechtse werking van koolstofopslag wordt in de Verordening ondervangen door de vier inhoudelijke criteria, waarbij in het bijzonder het tweede criterium (additionaliteit) van belang is. Dit criterium eist dat de gecertificeerde activiteit verder gaat dan de wettelijke vereisten van de Unie en lidstaten en plaatsvindt dankzij het stimulerende effect van certificering. Het kabinet onderstreept het belang van deze additionaliteit als voorwaarde voor certificering. Door stevig Europees en nationaal beleid te voeren op het reduceren van de fossiele uitstoot wordt voorkomen dat het toestaan van CO2-opvang en -verwijdering leidt tot een afzwakking van emissiereducerende activiteiten. Belangrijke vragen hierbij zijn (i) of het klimaatbeleid dat wordt uitgevoerd om te voldoen aan de nationale en Europese Klimaatwet valt onder de genoemde «wettelijke vereisten» en dus niet voor certificering in aanmerking komt, (ii) wat het betekent voor het gelijke speelveld als de mate van additionaliteit verschilt per lidstaat en (iii) wanneer een koolstofverwijderingsactiviteit wordt geacht plaats te vinden door het stimulerende effect van certificering. Het kabinet zal zich daarom inzetten voor een robuuste definitie van additionaliteit.


X Noot
1

Samenstelling:

Koffeman (PvdD), Faber-Van de Klashorst (PVV), Van Strien (PVV), Gerkens (SP), Atsma (CDA) (ondervoorzitter), Pijlman (D66), Schalk (SGP), Klip-Martin (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Vos (VVD), Crone (PvdA), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Huizinga-Heringa (CU), Kluit (GL), Van der Linden (Fractie-Nanninga) (voorzitter), Meijer (VVD), Otten (Fractie-Otten), Prins (CDA), vacant (GL), Van der Voort (D66), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA) en N.J.J. van Kesteren (CDA).

X Noot
2

COM(2022)672.

X Noot
3

COM(2022)672.

Naar boven