Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2022-2023 | 36244 nr. F |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2022-2023 | 36244 nr. F |
Aan de voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Cc: Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Brussel, 25 juli 2023
De Commissie dankt de Eerste Kamer voor de vragen die zij in aanvulling op haar advies van 15 november 2022 heeft gesteld over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van regels ter voorkoming en bestrijding van seksueel misbruik van kinderen {COM (2022) 209 final}.
De Commissie waardeert het dat de Eerste Kamer heeft besloten dit voorstel grondig te beoordelen en geeft graag nadere uitleg in de bijlage bij dit schrijven.
De Commissie hoopt dat zij met deze antwoorden voldoende is ingegaan op de door de Eerste Kamer aan de orde gestelde punten en kijkt ernaar uit de politieke dialoog in de toekomst voort te zetten.
Lid van de Commissie, Stella Kyriakides
De Commissie heeft alle aanvullende vragen van de Eerste Kamer zorgvuldig bestudeerd en wenst de volgende verduidelijkingen onder de aandacht te brengen.
1) De Commissie houdt rekening met de inbreng van alle relevante belanghebbenden en adviesorganen. De standpunten die naar voren zijn gebracht in het gezamenlijk advies van het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB)/de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) en in het advies van de Juridische Dienst van de Raad, zijn aan de orde gesteld in de documenten die de diensten van de Commissie op respectievelijk 8 februari 2023 en 17 mei 2023 aan het secretariaat van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Europees Parlement hebben toegezonden. Het is nu in de eerste plaats aan het Europees Parlement en de Raad, als medewetgevers van de EU, om het voorstel te bespreken en hun standpunt te bepalen.
2) Veeleer dan het begrip «benaderen van kinderen» (ook wel «grooming» genoemd) te definiëren verwijst het voorstel naar de definitie in Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie1. Artikel 6 van de richtlijn verplicht de lidstaten tot het strafbaar stellen van «het doen van een voorstel door middel van informatie- en communicatietechnologie, door een volwassene aan een kind dat nog niet seksueel meerderjarig is, tot ontmoeting met het oogmerk om [met dat kind seksuele handelingen aan te gaan of materiaal betreffende seksueel misbruik van kinderen te vervaardigen] voor zover dit voorstel is gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting leiden», alsook van elke «poging door middel van informatie- en communicatietechnologie om [materiaal betreffende seksueel misbruik van kinderen te verwerven, in bezit te hebben of zich toegang tot dergelijk materiaal te verschaffen], door een volwassene die een kind benadert dat nog niet seksueel meerderjarig is met het oogmerk [materiaal betreffende seksueel misbruik van kinderen] te verschaffen waarin dat kind wordt afgebeeld».
De in artikel 6 van de richtlijn omschreven strafbare feiten vormen een voor alle lidstaten geldende bindende minimumnorm op het gebied van de strafbaarstelling van grooming in de Europese Unie. Aangezien in het voorstel naar deze minimumnorm wordt verwezen, kan de definitie van grooming in het kader van het voorstel niet ruimer zijn dan die welke is vastgelegd in de nationale rechtsstelsels, met inbegrip van het Nederlandse.
3) Bijgevolg is de Commissie van mening dat er in de hele EU een duidelijke en uniforme minimumnorm bestaat met betrekking tot de definitie van grooming. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het voorstel aanbieders niet verplicht om te bepalen of een bepaalde gedraging volgens artikel 6 van Richtlijn 2011/93/EU neerkomt op grooming. De taak om dat te beoordelen is en blijft voorbehouden aan de rechtshandhavingsinstanties in het kader van onderzoeken en, in laatste instantie, aan de rechterlijke macht in het kader van strafprocedures. Aanbieders moeten alleen – als zij daartoe door een rechter of een onafhankelijke administratieve autoriteit worden gelast – potentiële gevallen van grooming opsporen op basis van de uitputtende lijst van indicatoren die hun wordt verstrekt door het EU-centrum ter voorkoming en bestrijding van seksueel misbruik van kinderen (hierna «het EU-centrum» genoemd). Met andere woorden: de bepalingen over de opsporing van grooming door aanbieders zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat deze aanbieders, net als aanbieders van offlinediensten, verantwoordelijkheid nemen voor het kindveilig houden van hun diensten en het melden van mogelijke illegale activiteiten op hun diensten. Aanbieders worden niet verplicht de onwettigheid van de opgespoorde gedragingen te beoordelen. Het EU-centrum moet overigens als filter fungeren zodat de rechtshandhavingsinstanties niet worden overspoeld met kennelijk ongegronde meldingen.
4) Het begrip «waarschijnlijk» in artikel 7, lid 6, punt a), en lid 7, punt b), maakt het voor de bevoegde coördinerende autoriteit mogelijk om aan de hand van de voorwaarden van de voorgestelde verordening en in het licht van de specifieke kenmerken van de betrokken dienst geval per geval te bepalen of er een significant risico bestaat dat een dienst wordt gebruikt voor online seksueel misbruik van kinderen. Dit helpt om, mede in het licht van het voorafgaande risicobeoordelings- en risicobeperkingsproces, voor elk specifiek geval een evenredige en evenwichtige oplossing te vinden.
Hoe waarschijnlijk het is dat een dienst wordt gebruikt voor online seksueel misbruik van kinderen, hangt in de praktijk grotendeels af van de doeltreffendheid van de risicobeperkende maatregelen die zijn genomen om belemmeringen te creëren voor mogelijke plegers van online seksueel misbruik (bijvoorbeeld via functionaliteiten die contact tussen volwassenen en niet-verwante kinderen voorkomen) en om beschermingslagen te creëren rond kinderen die het doelwit van dergelijk misbruik kunnen zijn (bijvoorbeeld via bewustmakings- en educatieve instrumenten, instrumenten voor ouderlijk toezicht en beschermende afscherm- en filterfuncties). Indien dat passend en nuttig wordt geacht, is de Commissie bereid de medewetgever te helpen bij het nader omschrijven van de begrippen «waarschijnlijk» en/of «significant risico».
5) Het voorstel om het EU-centrum op te richten heeft precies tot doel de uitvoering van het voorstel door alle relevante actoren te vergemakkelijken. Dat het EU-centrum een faciliterende rol heeft, blijkt uit de taken van het centrum op het gebied van ondersteuning van de aanbieders gedurende het hele opsporings- en meldingsproces en op het gebied van overleg met de coördinerende autoriteiten. Het EU-centrum zal binnen dit wetgevingskader het personeel en de organisatievorm krijgen die het nodig heeft om alle meldingen te verwerken en zijn faciliterende taken uit te voeren.
Het voorstel verplicht de coördinerende autoriteiten niet om meldingen van seksueel misbruik van kinderen te verwerken. Deze autoriteiten krijgen passende termijnen om de risicobeoordeling en de risicobeperkende maatregelen te evalueren en te beslissen of ze om de uitvaardiging van opsporingsbevelen moeten verzoeken. Aangezien ze geen meldingen van mogelijk online seksueel misbruik van kinderen hoeven te verwerken, zijn hun activiteiten minder tijdgevoelig dan de meldingen van aanbieders en de verdere verwerking van de meldingen door het EU-centrum. Het aantal meldingen dat aanbieders naar aanleiding van hun opsporingsactiviteiten indienen bij het EU-centrum, heeft dan ook geen rechtstreeks effect op de coördinerende autoriteiten.
Aanbieders waartegen een opsporingsbevel is uitgevaardigd, zullen tijdens de betrokken periode voor hun opsporingswerk geautomatiseerde technologieën inzetten (met inachtneming van een reeks waarborgen) en gebruikmaken van de uitputtende lijst van indicatoren die hun door het EU-centrum wordt verstrekt. Voor het melden van mogelijk online seksueel misbruik van kinderen op hun diensten moeten ze het model in bijlage III bij het voorstel gebruiken. De meeste handelingen voor het doen van meldingen worden dus onmiddellijk en voor een deel via geautomatiseerde instrumenten uitgevoerd, weliswaar met menselijk toezicht op de werking van die instrumenten en, waar nodig, met menselijke tussenkomst.
Gezien het bovenstaande acht de Commissie het onwaarschijnlijk dat vertraging zal ontstaan wegens problemen bij de behandeling van meldingen door de coördinerende autoriteiten, het EU-centrum of aanbieders.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36244-F.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.