36 146 Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937

A VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 26 oktober 2022

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking1 hebben kennisgenomen van de brief van 7 april 2022,2 inzake het BNC-fiche over het voorstel voor een Richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid.3 De leden van de fracties van GroenLinks en D66 hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen gesteld.

Naar aanleiding hiervan heeft de commissie op 24 juni 2022 een brief gestuurd aan de Minister van Buitenlandse Zaken.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft op 21 oktober 2022 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, DEFENSIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Minister van Buitenlandse Zaken

Den Haag, 24 juni 2022

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 7 april 2022,4 inzake het BNC-fiche over het voorstel voor een Richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid.5 De leden van de fracties van GroenLinks en D66 hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks

De leden van de fractie van GroenLinks verzoeken het kabinet om een appreciatie te geven van de keuzen, reikwijdte en uitvoerbaarheid van de richtlijn in het licht van de klimaatcrisis. Deze leden vragen of u erkent dat dit voorstel van de Europese Commissie tekortschiet in het licht van Europese opgaven en ambities bij het aanpakken van klimaatverandering. Voorts vragen zij of u onderschrijft dat de OESO-richtlijnen de ondergrens moeten zijn van het wereldwijde kader en dat het voorstel van de Europese Commissie daar minimaal aan zou moeten voldoen. Bent u het met deze leden eens dat het in Nederlands belang is om het wereldwijde kader, zeer zeker via het Europese kader, zo groen mogelijk te beïnvloeden?

U heeft in het commissiedebat van 31 mei jl. toegezegd op een rij te zetten wat de bouwstenenbrief en het BNC-fiche behelzen en wat de inzet is van de ons omringende landen.6 De leden van de fractie van GroenLinks vragen wanneer de Kamer dit kan verwachten. Voorts vragen deze leden hoe het staat met het smeden van allianties van landen in Europa om dit voorstel fundamenteel te verbeteren? Kunt u toelichten wat er tot nu toe op dat gebied is gebeurd en wat men nog voornemens is te doen op dat gebied? Kunt u bevestigen dat in de genoemde analyse zal worden ingegaan op welke inhoudelijke verschillen er bestaan tussen de bouwstenenbrief en het BNC-fiche en, respectievelijk, de OESO-richtlijnen en het huidige voorstel van de Europese Commissie? Kunt u mede toezeggen dat de bepalingen over de gepaste zorgvuldigheidsverplichting in het nationale wetsvoorstel in lijn zullen zijn met de OESO-richtlijnen?

Volgens de leden van de fractie van GroenLinks bent u van mening dat een verschuiving van verantwoordelijkheid via het gebruik van contractclausules voorkomen moet worden. Leidt de inzet van ongewenste contractclausules om ondernemingen met 50 tot 250 ondernemers niet onder de richtlijn te laten vallen, echter niet juist tot naleving van de Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) standaarden? Zal deze inzet ook richtinggevend zijn bij nationale wetgeving? Deze leden ontvangen graag een toelichting hierop en verzoeken u om het advies van de Sociaaleconomische Raad (SER) en de bouwstenen hierin mee te nemen.

Een ander argument voor het ontzien van ondernemingen met 50 tot 250 werknemers is het beperken van de administratieve lasten. Heeft u zicht op het aantal mkb-bedrijven dat al ervaring heeft met het toepassen van gepaste zorgvuldigheid en daardoor minder aanpassingen hoeft door te voeren na inwerkintreding van huidig voorstel? Uit een onderzoek in opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat tot nu toe niet is gebleken dat ondernemingen die aan de verwachtingen van IMVO-wetgeving voldoen een competitief nadeel ervaren. Heeft u zicht op de competitieve voordelen van IMVO-wetgeving voor bedrijven? Bent u bereid om dit nader uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?

U pleit voor een «gelijk speelveld» en dus voor dezelfde criteria voor ondernemingen die niet in Europa zijn gevestigd en ondernemingen die dat wel zijn. De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe dit standpunt zich verhoudt tot de aanpassingstermijn van twee jaar die van toepassing is op niet in Europa gevestigde grote ondernemingen in de hoog-risico-sectoren? Welke risico’s op «weglekeffecten» of het omzeilen van de richtlijn via niet in Europa gevestigde ondernemingen brengt dit met zich mee? Deelt u de opvatting van deze leden dat juist de adoptie van de richtlijn door deze bedrijven een grote positieve impact heeft op IMVO-standaarden wereldwijd? Deze leden ontvangen graag een toelichting waarom u op dit punt afwijkt van het SER-advies en de bouwstenen.

Het kabinet verzoekt de Europese Commissie om een verduidelijking en onderbouwing van de eisen die in het Commissievoorstel aan de financiële sector worden opgelegd en wil inzetten op aanscherping van de conformiteit van het voorstel met internationale raamwerken. Kunt u deze inzet nader toelichten? Vindt u een uitzonderingspositie van de financiële sector wegens gerelateerde regelgeving wenselijk gezien de doelstelling van de richtlijn om versnippering in regelgeving tegen te gaan? Deelt u de mening van de leden van de fractie van GroenLinks dat de due diligence-verplichting voor de financiële sector in lijn moet zijn met de OESO-richtlijnen en de bestaande handreikingen van de OESO voor de financiële sector? Hoe verhoudt het conceptvoorstel voor een nationale wet zich tot deze richtlijnen? Bent u bereidt een zwaarder regime voor due diligence-regels voor bedrijven met 50 tot 250 werknemers in te voeren, conform het SER-advies wanneer blijkt dat deze bedrijven niet via contractbepalingen aan de eisen voor due diligence voldoen? Op welke termijn wenst u dit te evalueren en welke criteria hanteert u hierbij? Kunt u verduidelijken op welke manier een dergelijke wijziging wordt vormgegeven in de nationale wet? Deze leden ontvangen graag een toelichting.

Kunt u toezeggen dat u zich inzet voor gender-sensitieve gepaste zorgvuldigheid, leefbaar loon en inkomen, vrijheid van vakvereniging en het recht op collectieve onderhandeling in lijn met het Nederlandse beleid voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking? De Europese Commissie heeft ervoor gekozen een annex op te nemen met een limitatieve lijst van verdragen en conventies waarop de Europese richtlijn van toepassing is. Deelt u de zorgen van de leden van de fractie van GroenLinks dat verwijzingen naar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het Handvest van de grondrechten van Europa, alsmede andere cruciale mensenrechteninstrumenten, waaronder ILO-Conventies over veiligheid en gezondheid op het werk, het Arbeidsmigrantenverdrag, het VN-verdrag tegen gedwongen verdwijningen en de VN-verklaring over mensenrechtenverdedigers ontbreken? Deelt u tevens de zorg van deze leden dat er geen negatieve lokale milieu-impacts zijn opgenomen, en daarmee dus onvoldoende zijn om alle vormen van milieuschade te dekken, temeer omdat de richtlijn alleen spreekt van milieueffecten als er een directe link is met een schending van mensenrechten? Wat is uw opvatting, zo vragen deze leden, over het opnemen van milieuschade in het algemeen als schending?

U wijst op het belang van effectieve en toegankelijke klachtenmechanismen voor het verkrijgen van remedie door slachtoffers van misstanden. De bepalingen over civiele aansprakelijkheid roepen, volgens de leden van de fractie van GroenLinks, echter vragen op en brengen grote risico’s met zich mee voor de toegang tot recht voor slachtoffers. Deelt u de mening van deze leden dat de toegang tot recht in Nederland voor slachtoffers bij inwerkingtreding van de Europese richtlijn op zijn minst gelijk dient te blijven en in geen geval verder beperkt dient te worden? Kunt u inzichtelijk maken welke barrières in de toegang tot recht voor slachtoffers het voorstel verbetert? Deze leden verzoeken u daarbij specifiek in te gaan op de zeer beperkte toegang tot informatie en bewijs voor slachtoffers, de hoge bewijslast en de hoge kosten van de rechtsgang. Voorts vragen deze leden wat het doel is van artikel 22, en verzoeken u om een appreciatie te geven van dit artikel, inclusief de afzonderlijke lidnummers in het licht van de aansprakelijkheidsbeoordeling voor bedrijven. Kunt u verduidelijken op basis van welke rechtsgrondslag deze Europese richtlijn mag ingrijpen in het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht? Deze leden ontvangen graag een toelichting op dit punt.

Tot slot vragen de leden van de fractie van GroenLinks of u van mening bent dat u reeds in voldoende mate de gevolgen van dit Europese Commissie voorstel in kaart heeft gebracht. En zo niet, bent u bereid om hier meer onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie zijn blij dat er een voorstel van de Europese Commissie ligt, maar vinden het zorgelijk dat zowel het voorstel als de reactie van het kabinet niet dezelfde ambitie tonen als de brief met de bouwstenen voor wetgeving voor Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) van de voorganger van de Minister. Deze leden hebben daarover de volgende vragen.

U geeft in het BNC-fiche aan dat de OESO-richtlijnen de basis moeten vormen voor de Europese richtlijn. Het bouwstenendocument van uw voorganger volgde deze OESO-richtlijnen goed. Op welke punten, zo vragen de leden van de D66-fractie, wijkt het voorstel van de Europese Commissie af van de bouwstenen en op welke punten wijkt het BNC-fiche af van de bouwstenen?

In de bouwstenenbrief staat vermeld dat deze bouwstenen ingezet zouden worden voor nationale wetgeving bij het uitblijven van een effectief en uitvoerbaar Europees voorstel. Beoordeelt u het voorstel van de Europese Commissie als effectief en uitvoerbaar? Zo nee, kunt u herbevestigen dat de bouwstenen het uitgangspunt zullen zijn voor het nationale wetsvoorstel? Deelt u de opvatting van deze leden dat het niet logisch zou zijn om het nationale wetsvoorstel te baseren op het voorstel van de Europese Commissie, gezien de ernstige tekortkomingen van het voorstel waar u zelf op wijst?

Voorts vragen de leden van de D66-fractie of u het belang van de uitgebreide publieke consultatie onderkent, met inbegrip van de SER en maatschappelijke organisaties, die heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van de bouwstenen voor IMVO-wetgeving?

Het voorstel voor de Europese Commissie voldoet volgens de leden van de D66-fractie niet aan de OESO-richtlijnen voor de gepaste zorgvuldigheidsverplichting. Kunt u toezeggen dat de bepalingen over de gepaste zorgvuldigheidsverplichting in het nationale wetsvoorstel wel in lijn zullen zijn met de OESO-richtlijnen? In het voorstel van de Europese Commissie blijft de due diligence-verplichting voor de financiële sector beperkt tot (zeer) grote klanten en hun dochterondernemingen en is due diligence alleen verplicht bij de start van een financiering (en dus niet tijdens de looptijd van een contract) (artikel 6.3). Financiële instellingen hoeven niet te kijken naar risico’s in de ketens van hun klanten (artikel 3(g)). Deelt u de mening van de leden van de D66-fractie dat de due diligence-verplichting voor de financiële sector in lijn moet zijn met de OESO-richtlijnen en de bestaande handreikingen van de OESO voor de financiële sector?

De bouwstenenbrief benoemt dat wetgeving zou moeten gelden voor alle bedrijven met meer dan 250 medewerkers en bedrijven in risicosectoren met meer dan 50 medewerkers. Dit is ook zo geadviseerd door bedrijven en vakbonden in de SER. Bent u bereid deze grens te volgen in Nederlandse en Europese wetgeving? Zo niet, ontvangen deze leden graag een toelichting waarom uw afwijkt van de bouwstenen en het SER-advies.

Volgens de leden van de D66-fractie is in de ons omringende landen al wetgeving ingevoerd. Nederland kijkt hier aandachtig naar. In Frankrijk blijkt dat er veel verschil zit in de manier waarop bedrijven rapporteren, en zijn vakbonden vaak niet betrokken bij het opstellen van deze rapportages. Deze leden vragen of u ook de uitvoering en naleving van de wetten meeneemt in de internationale vergelijking, zoals genoemd in het coalitieakkoord.

Hoe beoordeelt u de bepaling in artikel 22, tweede lid, dat rechters bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van een bedrijf voor geleden schade ook rekening dienen te houden met alle inspanningen van het bedrijf om te voldoen aan artikel 7 en 8 in het algemeen, waaronder elke vorm van investeringen en eventuele samenwerking met andere ketenpartners, zelfs als dit niet direct te maken heeft met geleden schade? Kunt u tot slot verduidelijken wat artikel 22, vierde lid, betekent voor de aansprakelijkheid van bedrijven die niet onder de richtlijn vallen, en voor de aansprakelijkheid van bedrijven voor misstanden in ketens die niet worden gekwalificeerd als «gevestigde zakelijke relatie»?

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, E.B. van Apeldoorn

BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 oktober 2022

Hierbij bied ik u de antwoorden aan van het verzoek van de Eerste Kamer aan de Minister van Buitenlandse Zaken: Vragen inzake het BNC-fiche over het voorstel voor een Richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid. Deze vragen werden ingezonden op 24 juni 2022 met kenmerk 171526U.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.N.A.J. Schreinemacher

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks

De leden van de fractie van GroenLinks verzoeken het kabinet om een appreciatie te geven van de keuzen, reikwijdte en uitvoerbaarheid van de richtlijn in het licht van de klimaatcrisis. Deze leden vragen of u erkent dat dit voorstel van de Europese Commissie tekortschiet in het licht van Europese opgaven en ambities bij het aanpakken van klimaatverandering. Voorts vragen zij of u onderschrijft dat de OESO-richtlijnen de ondergrens moeten zijn van het wereldwijde kader en dat het voorstel van de Europese Commissie daar minimaal aan zou moeten voldoen. Bent u het met deze leden eens dat het in Nederlands belang is om het wereldwijde kader, zeer zeker via het Europese kader, zo groen mogelijk te beïnvloeden?

1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet verwelkomt in algemene zin de aandacht voor klimaat in het voorstel voor een Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD), maar is net als de leden van mening dat het voorstel op dit punt verbetering behoeft. Mede daarom heb ik recent aan de Tweede Kamer toegezegd te zullen pleiten voor het opnemen van klimaat als onderdeel van de gepaste zorgvuldigheidsverplichting in het richtlijnvoorstel. Zoals aangegeven in het BNC-fiche (Kamerstuk 022Z06841) is het kabinet daarnaast voorstander van het opnemen van zogenaamde «scope 3-emissies» binnen de reikwijdte van de richtlijn.

De OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) zijn sinds jaar en dag de basis van het Nederlandse IMVO-beleid. In de beleidsnota «Van voorlichten tot verplichten» is deze internationale standaard opgenomen als basis voor de toekomstige gepaste zorgvuldigheidsverplichting. Voor het kabinet vormt dat het uitgangspunt; daarom is in het BNC-fiche opgenomen dat er op onderdelen ruimte is voor het aanscherpen van de conformiteit met de OESO-richtlijnen en de UNGP’s.

In de zienswijze van het kabinet vormt het Parijs-akkoord en de gerelateerde 1,5-graden doelstelling het uitgangspunt voor de klimaatdimensie van de CSDDD. Hierbij is het echter wel van belang dat voor ondernemingen duidelijk wordt waarop een met de 1,5-graden doelstelling conforme strategie precies dient te worden gestoeld.

U heeft in het commissiedebat van 31 mei jl. toegezegd op een rij te zetten wat de bouwstenenbrief en het BNC-fiche behelzen en wat de inzet is van de ons omringende landen.7 De leden van de fractie van GroenLinks vragen wanneer de Kamer dit kan verwachten. Voorts vragen deze leden hoe het staat met het smeden van allianties van landen in Europa om dit voorstel fundamenteel te verbeteren? Kunt u toelichten wat er tot nu toe op dat gebied is gebeurd en wat men nog voornemens is te doen op dat gebied? Kunt u bevestigen dat in de genoemde analyse zal worden ingegaan op welke inhoudelijke verschillen er bestaan tussen de bouwstenenbrief en het BNC-fiche en, respectievelijk, de OESO-richtlijnen en het huidige voorstel van de Europese Commissie? Kunt u mede toezeggen dat de bepalingen over de gepaste zorgvuldigheidsverplichting in het nationale wetsvoorstel in lijn zullen zijn met de OESO-richtlijnen?

2. Antwoord van het kabinet:

Op 4 juli 2022 heb ik de aan de Tweede Kamer toegezegde brief verstuurd over wat de bouwstenenbrief behelsde, wat de inzet in het BNC-fiche behelsde en wat in de ons omringende landen de stand van zaken is (Kamerstuk 2022D28942). Deze brief is als bijlage bij de beantwoording van deze vragen gevoegd.

Momenteel spreken EU-lidstaten in de Raad over het richtlijnvoorstel van de Commissie. Zoals in de aangehechte brief aangegeven hecht het kabinet zeer aan spoedige totstandkoming van een ambitieuze EU-richtlijn. Deze wens heb ik onlangs onder de aandacht gebracht bij collega’s uit Frankrijk, Duitsland, Denemarken, Zweden, Finland, Estland, Ierland en Tsjechië.

Nederland brengt – in contact met lidstaten, Europese Commissie en Europees Parlement – actief de elementen zoals verwoord in het Nederlandse BNC-fiche onder de aandacht. De inbreng richt zich – naast het pleidooi voor spoedige vaststelling – onder meer op het verbeteren van de conformiteit van het richtlijnvoorstel met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen). Het streven is inderdaad om allianties te smeden met gelijkgezinde lidstaten, waaronder omringende landen, maar veel lidstaten hebben hun nationale positie nog niet vastgesteld. Ik onderzoek daarom de mogelijkheden om een bijeenkomst te organiseren met gelijkgezinde EU-lidstaten, waaronder omringende landen, om de belangen die voor Nederland cruciaal zijn kracht bij te zetten en daarvoor steun te verwerven.

Volgens de leden van de fractie van GroenLinks bent u van mening dat een verschuiving van verantwoordelijkheid via het gebruik van contractclausules voorkomen moet worden. Leidt de inzet van ongewenste contractclausules om ondernemingen met 50 tot 250 ondernemers niet onder de richtlijn te laten vallen, echter niet juist tot naleving van de Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) standaarden? Zal deze inzet ook richtinggevend zijn bij nationale wetgeving? Deze leden ontvangen graag een toelichting hierop en verzoeken u om het advies van de Sociaaleconomische Raad (SER) en de bouwstenen hierin mee te nemen.

3. Antwoord van het kabinet:

Volgens de OESO-richtlijnen kan het gebruik van contractclausules onderdeel zijn van het gepaste zorgvuldigheidsproces, maar dit is op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken over naleving van de richtlijnen. In het verleden is ook gebleken dat de effectiviteit van het gebruik van contractclausules niet toereikend is geweest om schade voor mens en milieu tegen te gaan. Tot slot: hoewel het te verwachten en ook wenselijk is dat het toepassen van gepaste zorgvuldigheid door grote bedrijven positieve effecten heeft op het gedrag van kleinere ondernemingen in de waardeketen, is het niet de bedoeling van het kabinet dat contractclausules worden gebruikt om de verantwoordelijkheid af te wentelen op kleinere ondernemingen. Om deze redenen heeft het kabinet in het BNC-fiche zorgen geuit over de mate waarin het richtlijnvoorstel leunt op het gebruik van contractclausules. Deze uitgangspunten en zorgen worden ook bij het nationale wetgevingstraject betrokken. De bouwstenen voor IMVO-wetgeving (Kamerstuk 26 485, nr. 377) en het advies van de SER over de bouwstenen (Kamerstuk 26 485, nr. 376) gaan niet in op het gebruik van contractclausules.

Een ander argument voor het ontzien van ondernemingen met 50 tot 250 werknemers is het beperken van de administratieve lasten. Heeft u zicht op het aantal mkb-bedrijven dat al ervaring heeft met het toepassen van gepaste zorgvuldigheid en daardoor minder aanpassingen hoeft door te voeren na inwerkintreding van huidig voorstel? Uit een onderzoek in opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat tot nu toe niet is gebleken dat ondernemingen die aan de verwachtingen van IMVO-wetgeving voldoen een competitief nadeel ervaren. Heeft u zicht op de competitieve voordelen van IMVO-wetgeving voor bedrijven? Bent u bereid om dit nader uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?

4. Antwoord van het kabinet:

In het onderzoek «IMVO-maatregelen in bedrijfsperspectief»8 in het kader van de herziening van het IMVO-beleid is gekeken naar de bekendheid van de OESO-richtlijnen en de UNGP’s en de mate van implementatie bij bedrijven. Voor het mkb bleek dat binnen de onderzoeksgroep 59 procent reeds bekend is met deze internationale raamwerken en tussen de 20–30 procent de richtlijnen deels of volledig heeft geïmplementeerd.

In de voorbije jaren is reeds onderzoek gedaan naar competitieve voordelen voor bedrijven die internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen. Zo heeft de Europese Commissie een omvangrijk rapport gepubliceerd in 2020 waarin onder andere wordt aangegeven welke voordelen voortvloeien uit IMVO, bijvoorbeeld op het gebied van financiële prestaties, kapitaalkosten, merkimago en -reputatie, personeelszaken, risicobeheer en efficiëntie en innovatie.9 De Tweede Kamer heeft zelf onderzoek laten doen naar dit vraagstuk.10 Ook de OESO heeft in het verleden studies uitgevoerd naar competitieve voordelen van IMVO.11 Momenteel onderzoek ik of gegeven de bestaande kennisbasis het laten uitvoeren van een aanvullende studie doelmatig is.

Hoe dan ook geldt dat de uitvoerbaarheid en proportionaliteit van nieuw beleid voor het MKB goed in het oog gehouden moeten worden, in lijn met het coalitieakkoord en met de inspanningen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat waarmee dit antwoord nader is afgestemd. In dit verband kan ook gewezen worden op de brief van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 14 oktober jl. over een strategische agenda voor het ondernemingsklimaat (Kamerstuk 2022Z19558).

U pleit voor een «gelijk speelveld» en dus voor dezelfde criteria voor ondernemingen die niet in Europa zijn gevestigd en ondernemingen die dat wel zijn. De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe dit standpunt zich verhoudt tot de aanpassingstermijn van twee jaar die van toepassing is op niet in Europa gevestigde grote ondernemingen in de hoog-risico-sectoren? Welke risico’s op «weglekeffecten» of het omzeilen van de richtlijn via niet in Europa gevestigde ondernemingen brengt dit met zich mee? Deelt u de opvatting van deze leden dat juist de adoptie van de richtlijn door deze bedrijven een grote positieve impact heeft op IMVO-standaarden wereldwijd? Deze leden ontvangen graag een toelichting waarom u op dit punt afwijkt van het SER-advies en de bouwstenen.

5. Antwoord van het kabinet:

De Commissie geeft in het voorstel aan dat de regels voor grote ondernemingen in hoog-risico-sectoren vier jaar na inwerkingtreding van de richtlijn van kracht moeten worden en voor zeer grote ondernemingen in alle sectoren twee jaar na inwerkingtreding. Dit geldt zowel voor in de EU, als niet in de EU gevestigde ondernemingen. Het kabinet ziet daarom geen risico dat niet in de EU gevestigde ondernemingen in hoog-risico-sectoren de richtlijn kunnen omzeilen. Het kabinet hecht waarde aan een gelijk speelveld en pleit in dat kader voor het houden van niet-EU ondernemingen aan gelijke criteria (omzetdrempel en aantal medewerkers) als EU-ondernemingen, zoals verwoord in het BNC-fiche. Op dit punt is geen sprake van een afwijking van het SER-advies of van de bouwstenen voor IMVO-wetgeving.

De Commissie geeft in het richtlijnvoorstel inderdaad aan dat het bereiken van de doelstellingen van de richtlijn op gebied van mens en milieu de reden is om ook niet-EU ondernemingen onder de verplichting te brengen.

Het kabinet verzoekt de Europese Commissie om een verduidelijking en onderbouwing van de eisen die in het Commissievoorstel aan de financiële sector worden opgelegd en wil inzetten op aanscherping van de conformiteit van het voorstel met internationale raamwerken. Kunt u deze inzet nader toelichten? Vindt u een uitzonderingspositie van de financiële sector wegens gerelateerde regelgeving wenselijk gezien de doelstelling van de richtlijn om versnippering in regelgeving tegen te gaan? Deelt u de mening van de leden van de fractie van GroenLinks dat de due diligence-verplichting voor de financiële sector in lijn moet zijn met de OESO-richtlijnen en de bestaande handreikingen van de OESO voor de financiële sector? Hoe verhoudt het conceptvoorstel voor een nationale wet zich tot deze richtlijnen? Bent u bereidt een zwaarder regime voor due diligence-regels voor bedrijven met 50 tot 250 werknemers in te voeren, conform het SER-advies wanneer blijkt dat deze bedrijven niet via contractbepalingen aan de eisen voor due diligence voldoen? Op welke termijn wenst u dit te evalueren en welke criteria hanteert u hierbij? Kunt u verduidelijken op welke manier een dergelijke wijziging wordt vormgegeven in de nationale wet? Deze leden ontvangen graag een toelichting.

6. Antwoord van het kabinet:

De Nederlandse inzet op een aanscherping van de conformiteit met internationale raamwerken zoals de OESO-richtlijnen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) voor de financiële sector richt zich bijvoorbeeld op het onderdeel dat de sector niet tot de risicosectoren wordt gerekend. Het kabinet vraagt de Commissie naar de onderbouwing hiervoor en pleit tegelijkertijd voor een verbreding van de reikwijdte tot alle grote bedrijven. Onder de in het BNC-fiche genoemde reikwijdte is de selectie van risicosectoren niet meer van belang. Daarnaast is het niet conform de internationale raamwerken dat de financiële sector alleen due diligence zou hoeven uitvoeren vóór het sluiten van overeenkomsten/doen van beleggingen. In de onderhandelingen over de CSDDD wordt hiertegen stelling genomen; Nederland stelt dat voor de financiële sector dezelfde due diligence verplichtingen moeten gelden als voor andere sectoren.

Het kabinet verwelkomt de Europese richtlijn gepaste zorgvuldigheidsverplichting voor ondernemingen, omdat deze impact beoogt, terwijl het een gelijke speelveld voor ondernemingen op de Europese interne markt respecteert en versnippering door verschillende nationale regelgeving voorkomt. Het kabinet heeft in het BNC-fiche voorts aangegeven dat voorkomen dient te worden dat verschillende eisen leiden tot een stapeling van verplichtingen voor ondernemingen. Zo is het op basis van de huidige tekst niet duidelijk hoe de reikwijdte en de verplichtingen voor financiële ondernemingen zich verhouden tot andere regelgeving voor de financiële sector, zoals de Corporate Sustainability Reporting Directive, de Sustainable Finance Disclosure Regulation en de taxonomie. Zoals hiervoor toegelicht, zal het kabinet tijdens de onderhandelingen om verduidelijking en onderbouwing verzoeken van de eisen die in het Commissievoorstel aan de financiële sector worden opgelegd. Uitgangspunt hierbij is een aanscherping van de conformiteit met internationale raamwerken zoals de OESO-richtlijnen en UNGP’s.

Zoals aangegeven in de Kamerbrief inzake de ontwikkeling van nationale IMVO-wetgeving (Kamerstuk 26 485, nr. 398) zal de nu voorliggende conceptrichtlijn als basis dienen voor het nationale wetsvoorstel, dat vooruitloopt op de implementatie van de toekomstige richtlijn. Het streven is om beide voorstellen zoveel mogelijk parallel op te laten lopen. Dat laatste houdt ook in dat wijzigingen die voorzien worden in de conceptrichtlijn meegenomen kunnen worden in het nationale wetstraject. Het conceptvoorstel voor nationale wetgeving wordt momenteel ontwikkeld en de concepttekst zal naar verwachting dit najaar gedeeld worden voor een publieke consultatie. De reikwijdte en verplichtingen, alsmede de evaluatietermijnen en -criteria worden hierin meegenomen.

Kunt u toezeggen dat u zich inzet voor gender-sensitieve gepaste zorgvuldigheid, leefbaar loon en inkomen, vrijheid van vakvereniging en het recht op collectieve onderhandeling in lijn met het Nederlandse beleid voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking? De Europese Commissie heeft ervoor gekozen een annex op te nemen met een limitatieve lijst van verdragen en conventies waarop de Europese richtlijn van toepassing is. Deelt u de zorgen van de leden van de fractie van GroenLinks dat verwijzingen naar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het Handvest van de grondrechten van Europa, alsmede andere cruciale mensenrechteninstrumenten, waaronder ILO-Conventies over veiligheid en gezondheid op het werk, het Arbeidsmigrantenverdrag, het VN-verdrag tegen gedwongen verdwijningen en de VN-verklaring over mensenrechtenverdedigers ontbreken? Deelt u tevens de zorg van deze leden dat er geen negatieve lokale milieu-impacts zijn opgenomen, en daarmee dus onvoldoende zijn om alle vormen van milieuschade te dekken, temeer omdat de richtlijn alleen spreekt van milieueffecten als er een directe link is met een schending van mensenrechten? Wat is uw opvatting, zo vragen deze leden, over het opnemen van milieuschade in het algemeen als schending?

7. Antwoord van het kabinet:

Onder het CSDDD-voorstel wordt van een bedrijf verwacht dat het potentiële ofwel daadwerkelijke negatieve gevolgen voor mens en milieu identificeert, mitigeert, stopt of voorkomt en daarover verantwoording aflegt. Het voorstel bevat een bijlage waarin gespecificeerd wordt welke mensenrechten- en milieurisico’s meegenomen moeten worden in de risicoanalyse van ondernemingen onder deze richtlijn. De Commissie geeft daarbij aan dat mensenrechten die niet specifiek in de bijlage zijn vermeld, maar waarvan een schending wel afbreuk doet aan het belang dat door de mensenrechtenverdragen zoals benoemd in de annex wordt beschermd, ook onderdeel uitmaken van de richtlijn, mits een onderneming het risico redelijkerwijs kan vaststellen en daar passende maatregelen bij heeft kunnen treffen. De richtlijn of de bijlage perken milieueffecten niet in tot de effecten die een direct verband hebben met een schending van mensenrechten. De Commissie stelt voor om na 7 jaar te bezien of de bijlage, waarin de mensenrechten- en milieurisico’s staan omschreven, moet worden aangevuld in het kader van internationale ontwikkelingen. Nederland zou graag zien dat dit al na 4 jaar gebeurt, mede gezien de verdere ontwikkeling van de internationale normen waar het voorstel op is gebaseerd.

Het kabinet heeft een voorkeur voor brede wetgeving die zich niet beperkt tot een risico, maar alle thema’s van de OESO-richtlijnen en UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGPs) beschrijft. Hiermee wordt ook de methodiek van gepaste zorgvuldigheid gerespecteerd. Zoals aangegeven in het BNC-fiche zet het kabinet zich in Brussel in voor conformiteit van het Commissievoorstel met de OESO-richtlijnen en UNGPs. Onder deze internationale richtlijnen vallen ook risico’s met betrekking tot het milieu, de vrijheid van vakvereniging en het recht op collectieve onderhandelingen. In het hoofdstuk over werkgelegenheid van de OESO-richtlijnen is bovendien een aanbeveling opgenomen over het betalen van een loon waarmee een kostwinner een gezin kan onderhouden. Ook zijn er vanuit de OESO en de VN handleidingen ontwikkeld voor bedrijven om met een gender-lens gepaste zorgvuldigheid toe te passen, en dus risico’s op het gebied van gender in kaart te brengen en te voorkomen of aan te pakken.

U wijst op het belang van effectieve en toegankelijke klachtenmechanismen voor het verkrijgen van remedie door slachtoffers van misstanden. De bepalingen over civiele aansprakelijkheid roepen, volgens de leden van de fractie van GroenLinks, echter vragen op en brengen grote risico’s met zich mee voor de toegang tot recht voor slachtoffers. Deelt u de mening van deze leden dat de toegang tot recht in Nederland voor slachtoffers bij inwerkingtreding van de Europese richtlijn op zijn minst gelijk dient te blijven en in geen geval verder beperkt dient te worden? Kunt u inzichtelijk maken welke barrières in de toegang tot recht voor slachtoffers het voorstel verbetert? Deze leden verzoeken u daarbij specifiek in te gaan op de zeer beperkte toegang tot informatie en bewijs voor slachtoffers, de hoge bewijslast en de hoge kosten van de rechtsgang. Voorts vragen deze leden wat het doel is van artikel 22, en verzoeken u om een appreciatie te geven van dit artikel, inclusief de afzonderlijke lidnummers in het licht van de aansprakelijkheidsbeoordeling voor bedrijven. Kunt u verduidelijken op basis van welke rechtsgrondslag deze Europese richtlijn mag ingrijpen in het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht? Deze leden ontvangen graag een toelichting op dit punt.

8. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet beantwoordt de vragen 8 en 16 gezamenlijk, omdat beide vragen over de afzonderlijke leden van artikel 22 van het richtlijnvoorstel gaan. De vragen worden beantwoord aan de hand van het richtlijnvoorstel. De beantwoording laat onverlet de positie die het kabinet over dit voorstel heeft ingenomen in het BNC-fiche, bijvoorbeeld de kritische noten over contractuele garanties.

Het kabinet deelt de mening van de leden van Groenlinks dat de toegang tot recht in Nederland voor slachtoffers niet beperkt dient te worden en is van mening dat, op basis van het huidige richtlijnvoorstel, de positie van slachtoffers gelijk blijft en op onderdelen zelfs vooruitgaat.

De harmonisatie van verplichtingen voor gepaste zorgvuldigheid, onder meer in de artikelen 7 en 8 van het richtlijnvoorstel, leidt ertoe dat grote ondernemingen in de verschillende lidstaten op gelijke wijze gehouden zijn tot het toepassen van gepaste zorgvuldigheid ter bescherming van mensenrechten en het milieu. Dit verbetert de rechtspositie van de slachtoffers van schendingen van deze verplichtingen.

De richtlijn bevat geen regels voor de toegang tot informatie en bewijs voor slachtoffers, de bewijslast en de kosten van de rechtsgang. Doorgaans laat een richtlijn het stellen van die regels volledig aan de lidstaten over (zie ook artikel 20). Wat dit richtlijnvoorstel wel regelt, is dat ondernemingen die onder de reikwijdte vallen aansprakelijk zijn voor schade, die het gevolg is van het niet nakomen van de gepaste zorgvuldigheidsverplichtingen in de artikelen 7 en 8, óók als deze schade niet door hun eigen activiteiten is veroorzaakt, maar door die van hun dochterondernemingen, directe of indirecte partnerts (zie artikel 22, eerste lid). Met indirecte partners heeft de onderneming zelf geen contractuele relatie, maar met een directe partner wel. De onderneming moet dan met zijn directe partner afspreken, dat hij contractuele garanties verkrijgt van die indirecte partner, gericht op de bescherming van mensenrechten en milieu («contractual cascading», artikel 7 tweede lid sub b en vierde lid en artikel 8, derde lid sub c en vijfde lid). Naleving van deze afspraken moet vervolgens ook worden geverifieerd. Als de onderneming aan deze verplichtingen heeft voldaan en er ook redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat deze het gewenste effect zouden sorteren, dan is hij niet aansprakelijk als de indirecte partner tóch schade op die terreinen veroorzaakt (artikel 22 tweede lid). Om te beoordelen of de onderneming al dan niet aansprakelijk is voor deze schade, wordt gekeken naar de inspanningen die de onderneming heeft geleverd, voor zover die direct verband houden met de geleden schade.

Als een onderneming op grond van artikel 22 lid 1 aansprakelijk is voor schade of misstanden, die zijn veroorzaakt door de activiteiten van een dochteronderneming, een directe of indirecte partner, dan laat dit de aansprakelijkheid van deze derden onverlet (zie artikel 22, derde lid). Dit betekent dat het slachtoffer zowel de onderneming aansprakelijk kan stellen, als de dochterondernemingen, directe of indirecte zakenpartners. Artikel 22, derde lid stelt hiermee in feite buiten twijfel dat het eerste lid bedoelt de mogelijkheden voor slachtoffers te verruimen om hun schade te verhalen.

Het richtlijnvoorstel bepaalt ook dat de regels voor civiele aansprakelijkheid uit het richtlijnvoorstel niet in de weg staan aan unie- en nationaalrechtelijke regels op hetzelfde terrein (civiele aansprakelijkheid op het gebied van mensenrechten en klimaat) die strenger zijn dan deze richtlijn of die voorzien in aansprakelijkheidsgronden die deze richtlijn niet heeft (zie artikel 22, vierde lid). De richtlijn kan dus geen lagere drempel met zich brengen voor civiele aansprakelijkheid dan er op dit moment is en heeft dus een aanvullende werking. Ondernemingen die niet onder deze richtlijn vallen, kunnen dus wel onder de regeling van een andere richtlijn voor de bescherming van mensenrechten en milieu vallen. Als zij onder geen enkele richtlijn vallen, zoals vermeld in uw vraag, zal voor de aansprakelijkheid voor schade op de regeling voor onrechtmatige daad moeten worden teruggevallen. In Nederland is dat artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.

Overweging 62 verduidelijkt artikel 22, lid 4, namelijk dat de wettelijke-aansprakelijkheidsregeling uit hoofde van dit richtlijnvoorstel geen afbreuk mag doen aan Richtlijn 2004/35/EG betreffende milieuaansprakelijkheid. Het richtlijnvoorstel inzake IMVO mag de lidstaten niet beletten verdere, strengere verplichtingen aan ondernemingen op te leggen of anderszins verdere maatregelen te nemen die dezelfde doelstellingen hebben als die richtlijn. Lid 4 gaat niet in op bedrijven die niet onder de richtlijn vallen. Lid 4 gaat ook niet in op gevestigde zakelijke relaties. In algemene zin is het kabinet kritisch op de beperking van een aantal verplichtingen tot gevestigde zakelijke relaties, zoals verwoord in het BNC-fiche.

Ten slotte bepaalt het richtlijnvoorstel dat de nationale regeling waarmee artikel 22 wordt geïmplementeerd van toepassing moet zijn op, en zelfs moet prevaleren boven het recht van landen die niet tot de Europese Unie behoren (zie artikel 22, vijfde lid). In de praktijk betekent dit het volgende. Rechters in de lidstaten stellen in voorkomend geval eerst vast, welk recht van toepassing is op de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer. Op basis van de Rome II- Verordening is dit in uitgangspunt het recht van het land waar de schade zich voordoet. Is dit niet het recht van een EU-lidstaat, dan regelt het vijfde lid van artikel 22, dat de verplichtingen uit de richtlijn onverkort gelden en dat deze voorgaan op het toepasselijke recht («overriding mandatory application»). Dit laatste acht het kabinet ook een verbetering voor de positie van slachtoffers van mensenrechtenschendingen.

Wat uw vraag over de rechtsgrondslag betreft antwoordt het kabinet dat het voorstel onder meer gebaseerd is op artikel 114 van het EU-Werkingsverdrag. Op grond van dit artikel heeft de EU de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen. Wanneer verschillen tussen nationale voorschriften kunnen leiden tot concurrentievervalsing hebben zij een rechtstreekse invloed op de werking van de interne markt. Concurrentievervalsing tussen ondernemingen kan zich (mede) voordoen door uiteenlopende nationale verplichtingen inzake «gepaste zorgvuldigheid» en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid bij het niet naleven van deze verplichtingen, bijvoorbeeld doordat een onderneming in de ene lidstaat wel gehouden is tot het voldoen aan de zorgvuldigheidsverplichtingen, en kosten moeten maken die daaruit voortvloeien, en in een andere lidstaat niet.

Tot slot vragen de leden van de fractie van GroenLinks of u van mening bent dat u reeds in voldoende mate de gevolgen van dit Europese Commissie voorstel in kaart heeft gebracht. En zo niet, bent u bereid om hier meer onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?

9. Antwoord van het kabinet:

Zoals gebruikelijk is het kabinet in het BNC-fiche ingegaan op de (mogelijke) gevolgen van het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie. Voor zover de gevolgen nog niet overzien konden worden, is in het fiche aangegeven dat het kabinet verhelderende vragen zou stellen aan de Commissie. De Commissie zelf heeft in het kader van dit voorstel een effectbeoordelingsverslag opgesteld dat tegelijk met het voorstel is gepubliceerd. Om deze redenen ziet het kabinet geen meerwaarde in een aanvullend onderzoek naar de gevolgen van het voorstel van de Commissie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie zijn blij dat er een voorstel van de Europese Commissie ligt, maar vinden het zorgelijk dat zowel het voorstel als de reactie van het kabinet niet dezelfde ambitie tonen als de brief met de bouwstenen voor wetgeving voor Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) van de voorganger van de Minister. Deze leden hebben daarover de volgende vragen.

U geeft in het BNC-fiche aan dat de OESO-richtlijnen de basis moeten vormen voor de Europese richtlijn. Het bouwstenendocument van uw voorganger volgde deze OESO-richtlijnen goed. Op welke punten, zo vragen de leden van de D66-fractie, wijkt het voorstel van de Europese Commissie af van de bouwstenen en op welke punten wijkt het BNC-fiche af van de bouwstenen?

10. Antwoord van het kabinet:

Voor zover het kabinet in het richtlijnvoorstel afwijkingen van de OESO-richtlijnen heeft geconstateerd, zijn die in het BNC-fiche benoemd. Voor een vergelijking tussen de inzet uit het de bouwstenen voor IMVO-wetgeving en uit het BNC-fiche verwijs ik graag naar de bij deze beantwoording gevoegde brief aan de Tweede Kamer over dit onderwerp (Kamerstuk 2022D28942).

In de bouwstenenbrief staat vermeld dat deze bouwstenen ingezet zouden worden voor nationale wetgeving bij het uitblijven van een effectief en uitvoerbaar Europees voorstel. Beoordeelt u het voorstel van de Europese Commissie als effectief en uitvoerbaar? Zo nee, kunt u herbevestigen dat de bouwstenen het uitgangspunt zullen zijn voor het nationale wetsvoorstel? Deelt u de opvatting van deze leden dat het niet logisch zou zijn om het nationale wetsvoorstel te baseren op het voorstel van de Europese Commissie, gezien de ernstige tekortkomingen van het voorstel waar u zelf op wijst?

11. Antwoord van het kabinet:

In het BNC-fiche dat met uw Kamer gedeeld is, gaat het kabinet in op de beoordeling van het voorstel. Het kabinet verwelkomt het voorstel, maar ziet wel ruimte voor verbetering op een aantal onderdelen. Het kabinet zal tijdens de onderhandelingen inzetten op verbetering van deze onderdelen, in lijn met de inzet die is uitgestippeld in het BNC-fiche.

De bouwstenen waren in de eerste plaats bedoeld voor beïnvloeding in de EU. Ze zijn daartoe in een non-paper verwerkt, dat met uw Kamer is gedeeld (Kamerstuk 26 485, EK, A). In het Commissievoorstel is de inzet van Nederland op verschillende onderdelen terug te zien. In de Kamerbrief van 27 mei jl. betreffende stand van zaken nationale IMVO-wetgeving (Kamerstuk 26 485, nr. 398) is aangegeven dat het wetgevende voorstel van de Europese Commissie als basis zal dienen voor het nationale wetsvoorstel.

In overeenstemming met het coalitieakkoord voert het kabinet nationale IMVO-wetgeving in die rekening houdt met een gelijk speelveld met de omringende landen (i.e. Duitsland, België, Luxemburg, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) en implementatie van mogelijke EU-regelgeving. Het streven is om beide voorstellen zoveel mogelijk parallel op te laten lopen. Dat laatste houdt ook in dat wijzigingen die voorzien worden in de conceptrichtlijn meegenomen kunnen worden in het nationale wetstraject.

Voorts vragen de leden van de D66-fractie of u het belang van de uitgebreide publieke consultatie onderkent, met inbegrip van de SER en maatschappelijke organisaties, die heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van de bouwstenen voor IMVO-wetgeving?

12. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet hecht waarde aan de betrokkenheid van stakeholders uit het bedrijfsleven, maatschappelijk middenveld en de wetenschap, voor het blijven ontwikkelen en verbeteren van het IMVO-beleid. Dit is met inbegrip van de SER en maatschappelijke organisaties. Het kabinet blijft inzetten op betrokkenheid van stakeholders. Zoals aangegeven in de brief over het nationale wetgevingstraject zal een publieke consultatie volgen.12

Het voorstel voor de Europese Commissie voldoet volgens de leden van de D66-fractie niet aan de OESO-richtlijnen voor de gepaste zorgvuldigheidsverplichting. Kunt u toezeggen dat de bepalingen over de gepaste zorgvuldigheidsverplichting in het nationale wetsvoorstel wel in lijn zullen zijn met de OESO-richtlijnen? In het voorstel van de Europese Commissie blijft de due diligence-verplichting voor de financiële sector beperkt tot (zeer) grote klanten en hun dochterondernemingen en is due diligence alleen verplicht bij de start van een financiering (en dus niet tijdens de looptijd van een contract) (artikel 6.3). Financiële instellingen hoeven niet te kijken naar risico’s in de ketens van hun klanten (artikel 3(g)). Deelt u de mening van de leden van de D66-fractie dat de due diligence-verplichting voor de financiële sector in lijn moet zijn met de OESO-richtlijnen en de bestaande handreikingen van de OESO voor de financiële sector?

13. Antwoord van het kabinet:

De OESO-richtlijnen, samen met de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s), vormen de basis voor het IMVO-beleid van Nederland, gericht op een doordachte mix van vrijwillige en dwingende maatregelen. Zoals aangegeven in het BNC-fiche staat het kabinet positief tegenover het wettelijk verankeren van het gepaste zorgvuldigheidsproces – in lijn met de internationale kaders voor IMVO, te weten de OESO-richtlijnen en de UNGP’s – in de voorgestelde richtlijn. Het kabinet heeft in het BNC-fiche wel een aantal onderdelen benoemd waarop er ruimte is voor het aanscherpen van de conformiteit van het richtlijnvoorstel met de OESO-richtlijnen en de UNGPs. In de Kamerbrief van 27 mei jl. betreffende stand van zaken nationale IMVO-wetgeving (Kamerstuk 26 485, nr. 398) is aangegeven dat het wetgevende voorstel van de Europese Commissie als basis zal dienen voor het nationale wetsvoorstel.

Het kabinet zal tijdens de onderhandelingen om verduidelijking en onderbouwing verzoeken van de eisen die in het Commissievoorstel aan de financiële sector worden opgelegd. Zo is het niet conform de internationale raamwerken dat de financiële sector alleen due diligence zou hoeven uitvoeren bij de start van een financiering. In de onderhandelingen spreekt het kabinet zich hiertegen uit en stelt dat voor de financiële sector dezelfde due diligence verplichtingen moeten gelden als voor andere sectoren.

De bouwstenenbrief benoemt dat wetgeving zou moeten gelden voor alle bedrijven met meer dan 250 medewerkers en bedrijven in risicosectoren met meer dan 50 medewerkers. Dit is ook zo geadviseerd door bedrijven en vakbonden in de SER. Bent u bereid deze grens te volgen in Nederlandse en Europese wetgeving? Zo niet, ontvangen deze leden graag een toelichting waarom uw afwijkt van de bouwstenen en het SER-advies.

14. Antwoord van het kabinet:

De bouwstenen waren in de eerste plaats bedoeld voor beïnvloeding in de EU. Ze zijn daartoe in een non-paper verwerkt, dat met uw Kamer is gedeeld. Het SER-advies, dat overigens ook uitsluitend op EU-wetgeving was gericht, is in de bouwstenen en het non-paper verwerkt.

In het coalitieakkoord is afgesproken dat Nederland in de EU de internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen wetgeving (IMVO) bevordert en nationale IMVO-wetgeving invoert die rekening houdt met een gelijk speelveld met de omringende landen en implementatie van mogelijke EU-regelgeving.

Voor het kabinet is duidelijkheid voor bedrijven en mede daarom coherentie met andere EU-maatregelen van belang, onder meer met de nauw verwante Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD). Daarom zet het kabinet in op een reikwijdte van de CSDDD die aansluit bij de reikwijdte van de CSRD. Hierbij is de inzet om impact te bereiken en tegelijkertijd de internationale concurrentiepositie niet te schaden. Ook zal de regeldruk en uitvoerbaarheid voor het MKB goed in het oog worden gehouden. Zoals aangegeven in de brief over nationale wetgeving (Kamerstuk 26 485, nr. 398) zal het Europese wetgevend voorstel als basis dienen voor het nationale wetsvoorstel.

Volgens de leden van de D66-fractie is in de ons omringende landen al wetgeving ingevoerd. Nederland kijkt hier aandachtig naar. In Frankrijk blijkt dat er veel verschil zit in de manier waarop bedrijven rapporteren, en zijn vakbonden vaak niet betrokken bij het opstellen van deze rapportages. Deze leden vragen of u ook de uitvoering en naleving van de wetten meeneemt in de internationale vergelijking, zoals genoemd in het coalitieakkoord.

15. Antwoord van het kabinet:

Zoals aangegeven in het coalitieakkoord bevordert Nederland IMVO-wetgeving in de EU en voert het nationale IMVO-wetgeving in die rekening houdt met een gelijk speelveld met de omringende landen en implementatie van mogelijke EU-regelgeving. Daarom kijk ik met veel interesse naar ontwikkelingen op het gebied van IMVO-wetgeving in ons omringende landen. Zoals in het BNC-fiche aangegeven, acht het kabinet uniforme handhaving en sanctionering door de lidstaten van groot belang om een gelijk speelveld te bevorderen. Het kabinet staat daarom positief tegenover het voorgestelde Europese netwerk van nationale toezichthouders.

In Frankrijk is nationale IMVO-wetgeving sinds 2018 van kracht. Op 24 februari jl. publiceerde het Franse parlement een evaluatie.13 De aanbevelingen in het rapport roepen onder meer op tot het creëren van een coherent EU-regelgevingskader waarin ook thematische gepaste zorgvuldigheidsverplichtingen zoals in de voorgestelde Anti-ontbossingsverordening zijn geïntegreerd. Daarnaast wordt aanbevolen het civiele aansprakelijkheidsregime uit de wet aan te vullen met bestuursrechtelijke handhaving door een toezichthouder. Van de ervaring die in Frankrijk is opgedaan, zowel met betrekking tot het voorbereiden van wetgeving als met de implementatie daarvan, kunnen Nederland en andere EU-landen leren. Daarnaast houd ik ook ontwikkelingen in andere landen in de gaten, zoals België, Luxemburg, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Op 4 juli jl. heb ik in een brief aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 2022D28942) de stand van zaken op het gebied van IMVO-wetgeving geschetst in deze landen geschetst.

Hoe beoordeelt u de bepaling in artikel 22, tweede lid, dat rechters bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van een bedrijf voor geleden schade ook rekening dienen te houden met alle inspanningen van het bedrijf om te voldoen aan artikel 7 en 8 in het algemeen, waaronder elke vorm van investeringen en eventuele samenwerking met andere ketenpartners, zelfs als dit niet direct te maken heeft met geleden schade? Kunt u tot slot verduidelijken wat artikel 22, vierde lid, betekent voor de aansprakelijkheid van bedrijven die niet onder de richtlijn vallen, en voor de aansprakelijkheid van bedrijven voor misstanden in ketens die niet worden gekwalificeerd als «gevestigde zakelijke relatie»?

16. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet beantwoordt de vragen 8 en 16 gezamenlijk, omdat beide vragen over de afzonderlijke leden van artikel 22 van het richtlijnvoorstel gaan. De vragen worden beantwoord aan de hand van het richtlijnvoorstel. De beantwoording laat onverlet de positie die het kabinet over dit voorstel heeft ingenomen in het BNC-fiche, bijvoorbeeld de kritische noten over contractuele garanties.

Het kabinet deelt de mening van de leden van Groenlinks dat de toegang tot recht in Nederland voor slachtoffers niet beperkt dient te worden en is van mening dat, op basis van het huidige richtlijnvoorstel, de positie van slachtoffers gelijk blijft en op onderdelen zelfs vooruit gaat.

De harmonisatie van verplichtingen voor gepaste zorgvuldigheid, onder meer in de artikelen 7 en 8 van het richtlijnvoorstel, leidt ertoe dat grote ondernemingen in de verschillende lidstaten op gelijke wijze gehouden zijn tot het toepassen van gepaste zorgvuldigheid ter bescherming van mensenrechten en het milieu. Dit verbetert de rechtspositie van de slachtoffers van schendingen van deze verplichtingen.

De richtlijn bevat geen regels voor de toegang tot informatie en bewijs voor slachtoffers, de bewijslast en de kosten van de rechtsgang. Doorgaans laat een richtlijn het stellen van die regels volledig aan de lidstaten over (zie ook artikel 20). Wat dit richtlijnvoorstel wel regelt, is dat ondernemingen die onder de reikwijdte vallen aansprakelijk zijn voor schade, die het gevolg is van het niet nakomen van de gepaste zorgvuldigheidsverplichtingen in de artikelen 7 en 8, óók als deze schade niet door hun eigen activiteiten is veroorzaakt, maar door die van hun dochterondernemingen, directe of indirecte partnerts (zie artikel 22, eerste lid). Met indirecte partners heeft de onderneming zelf geen contractuele relatie, maar met een directe partner wel. De onderneming moet dan met zijn directe partner afspreken, dat hij contractuele garanties verkrijgt van die indirecte partner, gericht op de bescherming van mensenrechten en milieu («contractual cascading», artikel 7 tweede lid sub b en vierde lid en artikel 8, derde lid sub c en vijfde lid). Naleving van deze afspraken moet vervolgens ook worden geverifieerd. Als de onderneming aan deze verplichtingen heeft voldaan en er ook redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat deze het gewenste effect zouden sorteren, dan is hij niet aansprakelijk als de indirecte partner tóch schade op die terreinen veroorzaakt (artikel 22 tweede lid). Om te beoordelen of de onderneming al dan niet aansprakelijk is voor deze schade, wordt gekeken naar de inspanningen die de onderneming heeft geleverd, voor zover die direct verband houden met de geleden schade.

Als een onderneming op grond van artikel 22 lid 1 aansprakelijk is voor schade of misstanden, die zijn veroorzaakt door de activiteiten van een dochteronderneming, een directe of indirecte partner, dan laat dit de aansprakelijkheid van deze derden onverlet (zie artikel 22, derde lid). Dit betekent dat het slachtoffer zowel de onderneming aansprakelijk kan stellen, als de dochterondernemingen, directe of indirecte zakenpartners. Artikel 22, derde lid stelt hiermee in feite buiten twijfel dat het eerste lid bedoelt de mogelijkheden voor slachtoffers te verruimen om hun schade te verhalen.

Het richtlijnvoorstel bepaalt ook dat de regels voor civiele aansprakelijkheid uit het richtlijnvoorstel niet in de weg staan aan unie- en nationaalrechtelijke regels op hetzelfde terrein (civiele aansprakelijkheid op het gebied van mensenrechten en klimaat) die strenger zijn dan deze richtlijn of die voorzien in aansprakelijkheidsgronden die deze richtlijn niet heeft (zie artikel 22, vierde lid). De richtlijn kan dus geen lagere drempel met zich brengen voor civiele aansprakelijkheid dan er op dit moment is en heeft dus een aanvullende werking. Ondernemingen die niet onder deze richtlijn vallen, kunnen dus wel onder de regeling van een andere richtlijn voor de bescherming van mensenrechten en milieu vallen. Als zij onder geen enkele richtlijn vallen, zoals vermeld in uw vraag, zal voor de aansprakelijkheid voor schade op de regeling voor onrechtmatige daad moeten worden teruggevallen. In Nederland is dat artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.

Overweging 62 verduidelijkt artikel 22, lid 4, namelijk dat de wettelijke-aansprakelijkheidsregeling uit hoofde van dit richtlijnvoorstel geen afbreuk mag doen aan Richtlijn 2004/35/EG betreffende milieuaansprakelijkheid. Het richtlijnvoorstel inzake IMVO mag de lidstaten niet beletten verdere, strengere verplichtingen aan ondernemingen op te leggen of anderszins verdere maatregelen te nemen die dezelfde doelstellingen hebben als die richtlijn. Lid 4 gaat niet in op bedrijven die niet onder de richtlijn vallen. Lid 4 gaat ook niet in op gevestigde zakelijke relaties. In algemene zin is het kabinet kritisch op de beperking van een aantal verplichtingen tot gevestigde zakelijke relaties, zoals verwoord in het BNC-fiche.

Ten slotte bepaalt het richtlijnvoorstel dat de nationale regeling waarmee artikel 22 wordt geïmplementeerd van toepassing moet zijn op, en zelfs moet prevaleren boven het recht van landen die niet tot de Europese Unie behoren (zie artikel 22, vijfde lid). In de praktijk betekent dit het volgende. Rechters in de lidstaten stellen in voorkomend geval eerst vast, welk recht van toepassing is op de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer. Op basis van de Rome II- Verordening is dit in uitgangspunt het recht van het land waar de schade zich voordoet. Is dit niet het recht van een EU-lidstaat, dan regelt het vijfde lid van artikel 22, dat de verplichtingen uit de richtlijn onverkort gelden en dat deze voorgaan op het toepasselijke recht («overriding mandatory application»). Dit laatste acht het kabinet ook een verbetering voor de positie van slachtoffers van mensenrechtenschendingen.

Wat uw vraag over de rechtsgrondslag betreft antwoordt het kabinet dat het voorstel onder meer gebaseerd is op artikel 114 van het EU-Werkingsverdrag. Op grond van dit artikel heeft de EU de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen. Wanneer verschillen tussen nationale voorschriften kunnen leiden tot concurrentievervalsing hebben zij een rechtstreekse invloed op de werking van de interne markt. Concurrentievervalsing tussen ondernemingen kan zich (mede) voordoen door uiteenlopende nationale verplichtingen inzake «gepaste zorgvuldigheid» en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid bij het niet naleven van deze verplichtingen, bijvoorbeeld doordat een onderneming in de ene lidstaat wel gehouden is tot het voldoen aan de zorgvuldigheidsverplichtingen, en kosten moeten maken die daaruit voortvloeien, en in een andere lidstaat niet.


X Noot
1

Samenstelling:

Faber-Van de Klashorst (PVV), Ganzevoort (GL), Van Apeldoorn (SP) (voorzitter), Van Dijk (SGP),

Jorritsma-Lebbink (VVD), Atsma (CDA), Oomen-Ruijten (CDA), Koole (PvdA), Prast (PvdD), Van Rooijen (50PLUS), arbouw (VVD), Van Ballekom (VVD) (1e ondervoorzitter), Beukering (Fractie-Nanninga), Bezaan (PVV), Dittrich (D66), Huizinga-Heringa (CU) (2e ondervoorzitter), Dessing (FVD), Karimi (GL), Kluit (GL), Moonen (D66), Otten (Fractie-Otten), Vos (PvdA), Van Wely (Fractie-Nanninga),Raven (OSF) en Krijnen (GL).

X Noot
2

Kamerstukken I, 2021/22, 22 112, IS.

X Noot
3

COM(2022)71.

X Noot
4

Kamerstukken I, 2021/22, 22 112, IS.

X Noot
5

COM(2022)71.

X Noot
6

Kamerstukken I, 2021/22, 26 485, A.

X Noot
7

Kamerstukken I, 2021/22, 26 485, A.

X Noot
9

European Commission, Directorate-General for Justice and Consumers, Torres-Cortés, F., Salinier, C., Deringer, H., et al., Study on due diligence requirements through the supply chain: final report, Publications Office, 2020.

X Noot
11

OECD (2016). Quantifying the Costs, Benefits and Risks of Due Diligence for Responsible Business Conduct Framework and Assessment Tool for Companies- June 2016. Available at https://mneguidelines.oecd.org/Quantifying-the-Cost-Benefits-Risks-of-Due-Diligence-for-RBC.pdf.

Naar boven