Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36125 nr. B |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36125 nr. B |
Vastgesteld 22 januari 2026
Inleiding
De commissie voor Justitie en Veiligheid heeft met belangstelling kennisgenomen van het initiatiefvoorstel strekkende tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO) waardoor de bevoegdheden die de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft om zich te mengen in individuele strafzaken van het openbaar ministerie (hierna: OM) worden aangepast.
De leden van de fracties van de BBB, VVD, D66, CDA, PVV, ChristenUnie, JA21, SGP en de Fractie-Van de Sanden wensen naar aanleiding daarvan enkele opmerkingen te maken en vragen voor te leggen aan de initiatiefnemer en/of de regering. De leden van de fractie van de PvdD sluiten zich aan bij de gestelde vragen en opmerkingen door de leden van de fractie van de ChristenUnie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB
De leden van de fractie van de BBB leggen de initiatiefnemer graag enkele vragen voor.
Het initiatiefvoorstel strekt er onder meer toe dat een wettelijke bevoegdheid van de Minister, namelijk de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, wordt afgeschaft. Deze aanwijzingsbevoegdheid is van grote invloed op de verhouding tussen enerzijds de Minister en anderzijds het OM en is daardoor medebepalend voor de positie die het OM inneemt binnen de rechtsstaat.
De initiatiefnemer heeft daarbij gewezen op het gevaar van «democratic backsliding» (in goed Nederlands: democratisch verval) en voorbeelden vermeld uit landen als Polen, Hongarije en de Verenigde Staten, waar naar zijn mening de positie van het OM onder druk was/is komen te staan.2 Die ontwikkelingen en daarbij gevoegd het feit dat het Europees Hof van Justitie leden van het OM niet onder rechterlijke autoriteiten begreep – ten gevolge waarvan twee bevoegdheden ten aanzien van het Europees aanhoudingsbevel van de officier van justitie naar de rechter-commissaris werden overgeheveld – zouden nopen tot een afschaffing van de ministeriële aanwijzingsbevoegdheid.
Naar het oordeel van de Raad van State vormen die internationale ontwikkelingen echter onvoldoende aanleiding om de bestaande wettelijke regeling ex de artikelen 127 en 128 Wet RO te wijzigen.3
Daarnaast stelt het WODC-rapport van 30 september 2021, getiteld: «De rol en positie van het openbaar ministerie als justitiële autoriteit Europees strafrecht» dat de internationale component op zichzelf een te smalle basis vormt voor een integrale afschaffing van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid: «Afschaffing (...) zou wel een forse staatsrechtelijke ingreep zijn. Het gaat erg ver om naar aanleiding van rechtspraak die in een heel specifieke context is gewezen (justitiële samenwerking in strafzaken) een zo ingrijpende wijziging tot stand te brengen».4
Het College van procureurs-generaal (hierna: College van PG) heeft in zijn advies van 4 mei 2022 evenmin geconcludeerd tot afschaffing op grond van internationale ontwikkelingen.5
Gelet op de hiervoor vermelde feiten vragen de leden van de BBB-fractie de initiatiefnemer met redenen te omkleden waarom hij – anders dan voormelde instanties – de mening is toegedaan dat internationale ontwikkelingen (mede) nopen tot afschaffing van bedoelde bevoegdheid.
De ingrijpende wijziging van de Wet RO in 1999 resulteerde voor het OM in de structuur die het heden ten dage heeft. Bij gelegenheid van de wijziging kregen ook de artikelen 127, 128 en 129 Wet RO hun huidige inhoud. Het OM verkreeg een verregaande zelfstandigheid, maar niet een onafhankelijkheid zoals de rechter die heeft. Het College van PG concludeert op grond daarvan dat het bestaan van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid niet onverenigbaar is met de positie van het OM binnen het staatsbestel. Daaruit vloeit voort dat de afschaffing van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid niet kan gelden als een noodzakelijk gebleken reparatie van een aan het licht getreden systeemfout; een juridisch-technische noodzaak voor het initiatiefvoorstel ontbreekt.6 De Raad van State heeft evenmin gewezen op een dergelijke noodzaak.7
De leden van de fractie van de BBB zijn het eens met dit oordeel en vragen de initiatiefnemer of hij daarmee kan instemmen. Zo nee, waarom niet?
Het Nederlandse OM beschikt ten gevolge van het opportuniteitsbeginsel over een aanzienlijke beleidsvrijheid. Het initiatiefvoorstel wil een deel van de ministeriële verantwoordelijkheid voor het handelen van het OM uitschakelen, namelijk de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, zodat slechts de algemene aanwijzingsbevoegdheid resteert.
Voornoemde leden vragen de initiatiefnemer of hij voor deze uitschakeling iets in de plaats wil laten komen, zodat de toepassing van het opportuniteitsbeginsel niet in een politiek vacuüm terechtkomt.
Hoe ziet de initiatiefnemer de verhouding van interne checks and balances binnen het OM tot het verdwijnen van een extern politiek controlemiddel?
Hoe wordt gewaarborgd dat (de grond voor) het handelen van het OM voldoende transparant blijft in zaken die grote maatschappelijke impact hebben?
Acht de initiatiefnemer met deze leden het uitschakelen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van de Minister problematisch voor de democratische controle op het handelen van het OM, en zo nee, waarom niet?
Indien de verantwoordingsplicht van de Minister wordt beperkt tot algemene aanwijzingen – zoals de initiatiefnemer nastreeft – en door het OM in concrete gevallen van het door de Minister gewenste beleid wordt afgeweken, wordt dan niet het opportuniteitsbeginsel aan politieke verantwoording onttrokken, waardoor – zoals het College van PG stelt – de kans groter wordt dat de Kamer in reactie op de manier waarop het OM concrete gevallen behandelt wel eens direct naar het wetgevingsinstrument zal kunnen grijpen?8 Acht de initiatiefnemer dat een mogelijke en wenselijke ontwikkeling?
De initiatiefnemer heeft bij de plenaire behandeling van het initiatiefvoorstel op 19 november 2025 in de Tweede Kamer gewezen op het feit dat het instellen van juridische stappen door het OM ook grote schade kan toebrengen aan individuen of organisaties.9 De leden van de BBB-fractie begrijpen dit zo dat hij (ook) daarom een ministeriële aanwijzingsbevoegdheid in bijzondere gevallen – kennelijk strekkende tot een dergelijke vervolging – onwenselijk acht. De aanwijzingsbevoegdheid kan echter ook een negatieve strekking hebben (in welk geval beide Kamers moeten worden ingelicht – artikel 128 lid 6 Wet RO). Derhalve kan ook sprake zijn van een spiegelbeeldige situatie: indien het OM tot een gebrekkig onderbouwde of lichtzinnige of zelfs vexatoire vervolging overgaat kan in het vigerende stelsel de Minister met een negatieve injunctie die vervolging doen beëindigen.
Hoe weegt de initiatiefnemer het risico dat een OM dat in de beoordeling en vervolging geheel onafhankelijk is, zonder de mogelijkheid voor de Minister om in individuele gevallen van zijn bijzondere aanwijzingsbevoegdheid gebruik te maken, tot vervolging op, kort gezegd, dubieuze gronden zal kunnen overgaan?
Onderkent de initiatiefnemer – met voornoemde leden – dat er zonder de mogelijkheid voor de Minister om in het uiterste geval in een concrete zaak een aanwijzing te geven er dus geen mogelijkheid bestaat om bij te sturen in het geval waarin het OM een verkeerde afslag neemt?
In dit verband wijzen deze leden erop dat artikel 130 lid 2 Wet RO het College van PG aan het hoofd van het OM plaatst. Lid 6 geeft het College van PG de bevoegdheid algemene en bijzondere aanwijzingen te geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het OM. Krachtens artikel 131 lid 2 Wet RO beslist dat het College van PG met meerderheid van stemmen en kan het op grond van artikel 130 lid 1 beslissingen nemen indien drie leden aanwezig zijn. Daarbij komt dat krachtens lid 4 van artikel 130 Wet RO één van de procureurs-generaal niet wordt aangesteld als rechterlijk ambtenaar. Theoretisch kan derhalve een bijzondere aanwijzing (tot vervolging of niet-vervolging) worden gegeven door twee leden van het College van PG, van welke twee leden een lid geen rechterlijk ambtenaar is.
Onderkent de initiatiefnemer met de leden van de fractie van de BBB de mogelijkheid dat een dergelijke vervolging wordt ingesteld slechts op aanwijzing van een tweetal leden van het College van PG, zulks terwijl door het uitschakelen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van de Minister correctie van hogerhand onmogelijk is en evenmin de Minister op zijn verantwoordelijkheid voor het handelen van het OM in een dergelijke specifieke zaak kan worden aangesproken?
Is de initiatiefnemer met voornoemde leden van oordeel dat de gevolgen van het afschaffen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid nog onvoldoende in kaart zijn gebracht? Zo nee, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD
De leden van de fractie van de VVD willen graag enkele vragen stellen over het initiatiefvoorstel aan de initiatiefnemer, niet in de laatste plaats omdat de Raad van State in twee instanties adviseerde van het voorstel af te zien, te weten na ontvangst van het oorspronkelijke initiatiefvoorstel en vervolgens nogmaals na aanpassing van het oorspronkelijke initiatiefvoorstel met inachtneming van het (eerste) advies van de Raad van State.10 Deze vragen worden tevens aan de regering voorgelegd met het verzoek hier in bredere context op te reflecteren.
Vanuit de oogpunten van doelmatigheid en rechtmatigheid vragen de leden van de VVD-fractie zich het volgende af. De bijzondere aanwijzingsbevoegdheid is al sinds 1827 in de wet opgenomen. In de verhouding tussen de Minister en het OM draait het om twee grondbeginselen van de democratische rechtsstaat, enerzijds de ministeriële verantwoordelijkheid als staatsrechtelijke basis voor de democratische controle op het handelen van de Rijksoverheid en anderzijds de bescherming van grondrechten en beginselen van behoorlijk procesorde in samenhang met de positie van het OM in het strafproces.
Naar aanleiding van de IRT-affaire, gevolgd door de parlementaire enquête Opsporingsbevoegdheden (commissie-Van Traa) en de reorganisatie van het OM in 1999 heeft voor het laatst een diepgaand debat plaatsgevonden over de balans tussen genoemde grondbeginselen van de rechtstaat. Zo stelde de commissie-Scheltema in het rapport «Steekhoudend ministerschap» dat als een Minister met verantwoordelijkheid wordt belast er bevoegdheden moeten zijn om die verantwoordelijkheid te kunnen dragen: zonder bevoegdheid geen verantwoordelijkheid.11 De commissie-Scheltema stelde bovendien dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor individuele strafzaken in volle omvang gehandhaafd diende te blijven, omdat in dit geval fundamentele rechtsgoederen in het geding waren gekoppeld aan een aanzienlijke beleidsvrijheid voor het OM.12 De wetgever voegde daar destijds aan toe dat juist in strafzaken het OM beslissingen neemt die diep kunnen ingrijpen in de vrijheid van burgers. Een en ander leidde tot redactie van de huidige artikelen 127 en 128 Wet RO en het voortduren van de volledige ministeriële verantwoordelijkheid van de Minister voor het OM.
De leden van de fractie van de VVD zien dan ook geen grond voor wijziging. Zij zien zich gesterkt in die opvatting door de adviezen van de Raad van State, daaronder begrepen zowel de adviezen ter zake van dit voorstel als het ongevraagde advies uit juni 2020, en door het advies van 4 mei 2022 van het College van PG.13 Deze leden vrezen een «gat» in de ministeriële verantwoordelijkheid van de Minister voor het OM. Kan de initiatiefnemer duiden waarom thans fundamentele wijziging wordt voorgesteld? Hoe heeft initiatiefnemer de adviezen van de Raad van State en het College van PG daarin gewogen? Zijn constitutionele uitgangspunten gewijzigd sinds 1999? Hoe verhoudt de (resterende) ministeriële verantwoordelijkheid van de Minister voor het OM zich tot de werkzaamheden van het OM waarvoor de Minister niet politiek verantwoordelijk is? Onderkent initiatiefnemer dat de ministeriële verantwoordelijkheid niet slechts beperkt kan zijn tot beleid? Wenst initiatiefnemer het risico van een regulatory state te accepteren? De leden van de VVD-fractie vragen initiatiefnemer bij de beantwoording te reflecteren op alle genoemde adviezen.
De regering heeft tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer aangegeven dat onderzoek nodig is om de effecten van dit initiatiefvoorstel te overzien.14 Tegelijkertijd concludeert het College van PG in zijn advies van 4 mei 2022 dat een juridisch-technische noodzaak om de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid af te schaffen ontbreekt, dat de uitwerking van het initiatiefvoorstel problematisch is en zal leiden tot ontwrichting van strafzaken.15 Onderkent initiatiefnemer dat de gevolgen van het voorstel, ook in relatie tot de checks and balances in ons staatsbestel, nog niet althans onvoldoende in kaart zijn gebracht? Onderkent initiatiefnemer dat in het verlengde daarvan, zo constateren de leden van de fractie van de VVD, een zorgvuldige procedure tot dusverre heeft ontbroken? Acht de initiatiefnemer het wenselijk dat de gevolgen van het voorstel inzichtelijk zijn alvorens erover geoordeeld wordt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66
De leden van de fractie van D66 willen graag vragen stellen aan de initiatiefnemer. Deze leden onderschrijven het belang van een sterke en weerbare democratische rechtsstaat, waarin de onafhankelijkheid van de strafrechtspleging en de scheiding der machten zorgvuldig zijn geborgd. Zij constateren met zorg dat in verschillende landen de rechtsstatelijke waarborgen onder druk staan en dat juist via politieke invloed op het OM of de vervolgingsbeslissing fundamentele beginselen van de rechtsstaat worden uitgehold. Tegen deze achtergrond waarderen zij de inzet van de initiatiefnemer om de positie van het OM in Nederland te verduidelijken en te versterken. Zij vragen de initiatiefnemer in hoeverre deze internationale ontwikkelingen mede aanleiding zijn geweest voor dit initiatiefvoorstel en of hij kan toelichten welke risico’s hij ziet voor de Nederlandse rechtsstaat indien dergelijke institutionele waarborgen niet expliciet wettelijk worden vastgelegd.
In dat licht vragen de leden van de D66-fractie de initiatiefnemer hoe dit voorstel zich verhoudt tot ontwikkelingen en standaarden binnen Europa. Kan hij aangeven in hoeveel Europese landen de verantwoordelijke Minister nog beschikt over een bevoegdheid om in individuele strafzaken aanwijzingen te geven aan het OM? En hoe verhoudt de voorgestelde Nederlandse regeling zich tot internationale en Europese normen en aanbevelingen ten aanzien van de onafhankelijkheid van het OM? In hoeverre draagt dit initiatiefvoorstel bij aan het toekomstbestendig maken van de Nederlandse rechtsorde, juist met het oog op minder gunstige politieke omstandigheden in de toekomst?
De leden van de D66-fractie lezen dat met het initiatiefvoorstel de mogelijkheid voor de Minister om in individuele strafzaken aanwijzingen te geven aan het OM vervalt, terwijl de algemene aanwijzingsbevoegdheid en de stelselverantwoordelijkheid van de Minister behouden blijven. Zij begrijpen dat hiermee wordt beoogd de machtenscheiding te versterken zonder afbreuk te doen aan democratische controle. Tegelijkertijd vragen deze leden of de initiatiefnemer kan reflecteren op de vraag of het uitsluitend behouden van een algemene aanwijzingsbevoegdheid voldoende ruimte laat voor de Minister om zijn politieke verantwoordelijkheid voor het functioneren van het strafrechtelijk systeem waar te maken. Kan hij bevestigen dat de politieke verantwoordelijkheid van de Minister voor het functioneren van het OM in algemene zin volledig intact blijft en dat het voorstel uitsluitend ziet op het uitsluiten van politieke inmenging in individuele, niet-onherroepelijk afgedane strafzaken?
Naar aanleiding van het plenaire debat en de advisering van de Minister daarin aan de Tweede Kamer heeft de initiatiefnemer een nota van wijziging uitgebracht.16 Daarin staat dat het College van PG de Minister alle inlichtingen kan verstrekken die het College van PG geraden acht. Hoe ziet dat er in praktijk uit, zo vragen de leden van de D66-fractie. Kan de Minister in het overleg met het College van PG een opmerking maken over een concrete, aanhangige strafzaak, waarna het College van PG «vrijwillig» over die concrete strafzaak dan informatie geeft? Wordt hierdoor niet via een achterdeur toch een vorm van informatieplicht over concrete strafzaken geïntroduceerd? Immers, het College van PG voelt zich misschien gedwongen de informatie te geven omdat het de Minister is die vanuit een gezagspositie (ook al is het OM niet ondergeschikt) dat overleg voert, en middelen tot zijn beschikking heeft om in ander verband het OM zijn wil op te leggen, zoals bij de financiering en begroting.
Tot slot achten de leden van de D66-fractie het van belang dat de algemene aanwijzingsbevoegdheid niet alsnog wordt gebruikt om indirect te sturen op individuele zaken. Zij vragen de initiatiefnemer hoe wordt geborgd dat algemene aanwijzingen daadwerkelijk algemeen, toekomstgericht en abstract blijven, en niet feitelijk zijn ingegeven door concrete, actuele strafzaken. Kan de initiatiefnemer reflecteren op het belang van transparantie en zorgvuldige motivering van algemene aanwijzingen, mede om iedere schijn van politieke beïnvloeding van het OM te voorkomen en het vertrouwen in de onafhankelijkheid van het vervolgingsmonopolie te versterken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA
De leden van de fractie van het CDA wensen een aantal voor hen belangrijke vragen aan de initiatiefnemer te stellen. Deze leden maken zich zorgen over de gevolgen van het schrappen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid voor de checks and balances ten aanzien van het OM. In dit verband vinden zij steun bij professor Hirsch Ballin die erop heeft gewezen dat toetsing van beleid niet zelden eerst aan de orde komt op het moment dat in concrete gevallen van dat beleid is afgeweken.17 Als de verantwoordingsplicht van de Minister zou worden beperkt tot algemene aanwijzingen, dan zou het opportuniteitsbeginsel aan politieke verantwoording worden onttrokken. In dit verband noemde het College van PG het initiatief een «middel» dat «erger is dan de kwaal» en een «onverantwoorde stap in het duister», omdat de corresponderende bijzondere aanwijzingsbevoegdheid als voorwaarde wordt gezien voor adequate ministeriële verantwoordelijkheid.18 Hoe kijkt de initiatiefnemer hier tegenaan?
In de tweede plaats betwijfelen deze leden of het afschaffen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid daadwerkelijk zorgt voor het verdwijnen van iedere politieke bemoeienis. Dit terwijl de transparantie rond de invloed van de politiek nu juist geborgd is met de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid. Moet het initiatief in zoverre niet als symboolpolitiek worden gezien waarmee de rechtsstaat uiteindelijk niet wordt gediend?
Ten derde heeft de Raad van State gewezen op de waarborgen die bestaan voordat de Minister in een concreet geval een aanwijzing geeft. Zo bepaalt de wet dat als het gaat om een aanwijzing tot het niet verder opsporen of vervolgen, de Minister de Tweede en Eerste Kamer van de aanwijzing, de voorgenomen aanwijzing en de zienswijze van het College van PG in kennis stelt.19 De initiatiefnemer heeft hierop gereageerd met de opmerking dat de genoemde waarborgen enkel bijdragen aan de publieke kenbaarheid van een formele bijzondere aanwijzing, maar niet wegnemen dat meer recht wordt gedaan aan de ministeriële verantwoordelijkheid dan aan een feitelijk zelfstandig functioneren in individuele strafzaken.20 Dat is op zichzelf juist, maar wordt hiermee de gunstige rol van de volksvertegenwoordiging – inclusief de vertrouwensregel – binnen het gehele stelsel van checks and balances ten aanzien van het OM niet miskend?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV
De fractieleden van de PVV hebben enkele vragen aan de initiatiefnemer. De leden van de fractie van de PVV vragen welke risico’s er bestaan, bij aanname van het initiatiefvoorstel, voor versnippering van verantwoordelijkheden, nu de politieke eindverantwoordelijkheid blijft bestaan zonder dat er een formeel sturingsmiddel beschikbaar is.
Deze leden vragen ook hoe wordt geborgd dat de Minister in uitzonderlijke crisissituaties, waarbij nationale veiligheid of internationale belangen in het geding zijn, alsnog tijdig invloed kan uitoefenen op het handelen van het OM.
Welke alternatieve interventiemechanismen worden geïntroduceerd voor situaties waarin snel bestuurlijk ingrijpen noodzakelijk is, en hoe zijn deze juridisch en praktisch verankerd?
Hoe wordt voorkomen dat beleidsmatige aanwijzingen alsnog als indirecte beïnvloeding van individuele zaken worden ingezet, gezien het ontbreken van heldere scheidslijnen in de praktijk?
De leden van de PVV-fractie vragen wat de gevolgen zijn voor de ambtelijke voorbereiding en escalatielijnen binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij conflicten of onenigheid met het OM over gevoelige strafzaken.
Welke aanpassingen zijn noodzakelijk in bestaande werkafspraken, instructies en communicatiestructuren tussen ministerie en OM, en hoe worden deze geïmplementeerd zonder frictie?
Hoe wordt toezicht gehouden op het handelen van het OM in individuele zaken, nu directe ministeriële bijsturing niet langer mogelijk is?
Wat zijn de uitvoeringskosten (tijd, opleiding, procesaanpassingen) voor zowel het ministerie als het OM als gevolg van het schrappen van deze bevoegdheid, en hoe verhouden deze zich tot het verwachte praktisch nut?
Deze leden vragen welke impact het initiatiefvoorstel heeft op de rechtsbescherming van burgers en bedrijven in gevallen waarin het OM ogenschijnlijk onzorgvuldig of disproportioneel handelt, en er geen bestuurlijke correctie mogelijk is.
Is onderzocht of het schrappen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid leidt tot juridische lacunes in andere wetgeving waarin deze bevoegdheid als vangnet wordt verondersteld?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de ChristenUnie
De leden van de fractie van de ChristenUnie spreken graag hun waardering uit richting de initiatiefnemer van het initiatiefvoorstel en degenen die hem daarin ondersteunen voor het genomen initiatief. Het voorgelegde initiatiefvoorstel is beperkt van omvang, maar raakt aan een thema dat zorgvuldige doordenking en beoordeling vraagt. Deze leden maken dan ook graag van de gelegenheid gebruik om zowel de initiatiefnemer als de regering een aantal vragen voor te leggen.
Vragen aan de initiatiefnemer
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de initiatiefnemer van het initiatiefvoorstel de positie van het OM beziet binnen de rechtspleging en rechtshandhaving. En in het bijzonder de positie van het OM ten opzichte van de rechtspraak enerzijds en ten opzichte van de politiek-bestuurlijke structuur van de Rijksoverheid anderzijds?
De wettelijke mogelijkheid om op regeringsniveau invloed uit te oefenen op beslissingen van het OM bestaat al heel lang. In de Wet op de rechterlijke organisatie van 1827 kwam deze bevoegdheid al voor en sindsdien heeft ze in uiteenlopende bewoordingen en onder uiteenlopende politieke en maatschappelijke omstandigheden een plaats gehad in de wet. Kan de initiatiefnemer nog eens uiteenzetten waarom hij meent dat er aanleiding bestaat een deel van die bevoegdheid nu te schrappen?
In de staatsrechtelijke literatuur wordt de koppeling gehanteerd tussen verantwoordelijkheden en bevoegdheden. «Geen verantwoordelijkheid zonder bevoegdheid» is dan het uitgangspunt.21 Hoe ziet de initiatiefnemer dit? Buiten kijf staat dat het OM grote en vergaande bevoegdheden heeft. In zekere zin wordt daarmee een deel van de staatsmacht tenuitvoergelegd. Op welke wijze zouden controle en verantwoording over dergelijke inzet van staatsmacht vorm en inhoud moeten krijgen als de Minister niet bevoegd is daarop in te grijpen?
Het OM heeft in Nederland het vervolgingsmonopolie en is bovendien «dominus litis» in die zin dat het de omvang van de tenlastelegging bepaalt. Die posities zijn niet of nauwelijks onderhevig aan rechterlijke controle en in de toekomst evenmin aan controle door Minister en parlement als het voorgestelde kracht van wet krijgt. Hoe beoordeelt de initiatiefnemer de wenselijkheid daarvan?
In de vele discussies over de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid is onder meer gewezen op het risico dat bepaalde belangen van de staat ernstig geschaad zouden kunnen worden door het optreden of afzien van optreden van het OM.22 Zonder bijzondere aanwijzingsbevoegdheid zou dat een situatie kunnen opleveren waarin de regering daar niets tegen kan doen en er ook geen effectieve parlementaire controle op mogelijk is. Hoe beoordeelt de initiatiefnemer dit?
Bij zeer ernstige strafbare feiten, bijvoorbeeld gijzelingen of terroristische aanslagen, is voorzien in actieve betrokkenheid van de Minister van Justitie en Veiligheid, bijvoorbeeld waar het gaat om het geven van toestemming voor de inzet van bepaalde geweldsmiddelen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de initiatiefnemer dat beoordeelt. En hoe verhoudt dit zich tot het voorgestelde, in het bijzonder in situaties waarin – bijvoorbeeld als gevolg van het overlijden van de verdachte – geen onderzoek ter terechtzitting volgt?
In eerdere parlementaire debatten over de verhouding tussen Minister en OM is wel gesteld dat de Minister voor het algemene strafvervolgingsbeleid van het OM integraal verantwoordelijk is jegens het parlement. In individuele zaken zou de Minister slechts marginaal mogen toetsen. Is de initiatiefnemer het daarmee eens of gaat zelfs die marginale toets de initiatiefnemer te ver?
En als de Minister marginaal mag toetsen, is hij dan ook slechts marginaal verantwoordelijk jegens het parlement waar het gaat om individuele zaken?
Heeft de initiatiefnemer aanleiding om te veronderstellen dat de politieke bemoeienis met individuele strafzaken recent is toegenomen of geïntensiveerd? Zo ja, waarop is dat gebaseerd?
De bevoegdheden van het OM zijn niet afgeleid van die van de Minister, maar vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Dat vraagt om terughoudendheid in parlementaire en ministeriële bemoeienis met individuele zaken. Met het voorgestelde wordt de mogelijkheid om in te grijpen in individuele zaken geheel geschrapt. Heeft de initiatiefnemer alternatieven overwogen die recht doen aan de gewenste terughoudendheid, maar minder verstrekkend zijn?
Dat van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid vrijwel nooit gebruik gemaakt wordt, hoeft op zichzelf niet zoveel te betekenen. Denkbaar is immers dat de Minister zeer wel in staat is zijn invloed op andere wijze uit te oefenen. Deelt de initiatiefnemer de gedachte dat juist die informele beïnvloeding of bemoeienis zich onttrekt aan parlementaire en rechterlijke controle? En in hoeverre biedt het voorgestelde daarvoor een oplossing?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in hoeverre het voorgestelde kwetsbaar is voor het verwijt dat het een schijnoplossing is, nu het College van PG op grond van artikel 130 lid 6 Wet RO eveneens een aanwijzingsbevoegdheid heeft en de Minister dus ook via die band invloed kan uitoefenen.
Het huidige artikel 128 Wet RO schrijft nadrukkelijk een schriftelijke aanwijzingsprocedure voor. Hoe beoordeelt de initiatiefnemer de effectiviteit van die procedure? En heeft de initiatiefnemer overwogen verbeteringen aan te brengen in de bestaande procedure in plaats van het schrappen van de gehele bijzondere aanwijzingsbevoegdheid?
Tijdens het debat in de Tweede Kamer op 19 november 2025 stelde de initiatiefnemer dat het in lijn met het bepaalde in de Wet RO is dat een algemene aanwijzing in de regel gericht zal zijn aan het College van PG, terwijl een bijzondere aanwijzing in beginsel gericht zal zijn aan het hoofd van het parket waarbinnen de concrete rechtszaak zich afspeelt.23 Hoe verhoudt die stelling van de initiatiefnemer zich tot de schriftelijke aanwijzingsprocedure van artikel 128 RO, waarin nu juist uitsluitend het College van PG genoemd wordt?
Heeft de initiatiefnemer overwogen om de invloed van de Minister te beperken door hem bijvoorbeeld uitsluitend de bevoegdheid te ontnemen het OM op te dragen niet of niet verder op te sporen of te vervolgen?24 Kan de initiatiefnemer zijn afweging toelichten?
Vraagt volledige vrijwaring van het OM van politieke bemoeienis met individuele strafzaken niet om veel verdergaande maatregelen dan nu voorgesteld, zoals bijvoorbeeld een benoeming voor het leven? Heeft de initiatiefnemer dit overwogen? Acht hij zoiets wenselijk? Zo ja, waarom heeft hij er dan toch van afgezien iets dergelijks voor te stellen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wie in de visie van de initiatiefnemer een zekere vorm van controle zou moeten hebben over de inzet van bevoegdheden en de beoordeling van strafzaken die in het geheel niet bij een rechter uitkomen.
Het College van PG noemt het schrappen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid een «stap in het duister».25 Dit houdt onder meer verband met de onduidelijkheid over de vraag wie na aanvaarding van het voorgestelde op welke juridische grondslag en tegenover wie verantwoording zou moeten afleggen over het optreden van het OM in een individueel geval. Bovendien is onzeker welke juridische en feitelijke consequenties er nog meer opkomen als het voorgesteld kracht van wet krijgt. Heeft de initiatiefnemer een «pilotbepaling» en/of een vooraf vastgelegd moment van evaluatie overwogen?
Waar het gaat om het voorgestelde schrappen van de inlichtingenplicht waarschuwt het OM dat dit de normale verhoudingen tussen Minister en OM ernstig zou compliceren en de communicatie tussen beide voor een deel verdacht zou maken. Hoe kijkt de initiatiefnemer hiernaar? Is wat hem betreft een harde koppeling van het schrappen van zowel de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid als de inlichtingenplicht onvermijdelijk?
Het voorgestelde artikel 129 lid 2 Wet RO bepaalt dat het College van PG de Minister alle inlichtingen kan verstrekken die het College van PG geraden acht. Staat dit niet op gespannen voet met de «brandgang» die de initiatiefnemer middels dit initiatiefvoorstel beoogt aan te brengen tussen Minister en OM?
Het huidige artikel 129 lid 2 Wet RO blijft in het initiatiefvoorstel ongewijzigd van inhoud, maar wordt vernummerd tot het derde lid. Dit artikellid blijft dus voorschrijven dat de leden van het OM het College van PG de inlichtingen verstrekken die het College van PG nodig heeft. Het nieuw in te voegen vierde lid bepaalt dat het derde lid onverlet laat dat de leden van het OM het College van PG alle inlichtingen kunnen verstrekken die zij geraden achten. Wat is de ratio van deze toevoeging?
Vragen aan de regering
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de regering de positie van het OM beziet binnen de rechtspleging en rechtshandhaving. En in het bijzonder de positie van het OM ten opzichte van de rechtspraak enerzijds en ten opzichte van de politiek-bestuurlijke structuur van de Rijksoverheid anderzijds?
Hoe beoordeelt de regering het functioneren van de huidige balans tussen ministeriële verantwoordelijkheid voor het handelen van het OM en de eigenstandigheid van het OM in de uitoefening van diens wettelijke bevoegdheden?
Wat zou volgens de regering idealiter de omvang moeten zijn van de ministeriële verantwoordelijkheid voor het OM?
Deelt de Minister het standpunt van de initiatiefnemer dat «de informatieplicht aan de Kamer alleen maar geldt als er een aanwijzing wordt gegeven waarin het OM wordt opgedragen om niet te vervolgen.»?26
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de ministeriële verantwoordelijkheid zich verhoudt tot de praktijk dat de Minister doorgaans niet inhoudelijk ingaat op vragen over lopende strafrechtelijke onderzoeken.
Deelt de regering de zorgen van de initiatiefnemer waar het gaat om de risico’s van politieke bemoeienis met individuele strafzaken?
In zijn «Bijdrage tot de herziening der Grondwet» schreef Thorbecke: «De vraag is, of strafvervolging een zwaard mag worden in de hand van het politisch of administratief bestuur, naar de inzichten van dat bestuur gezwaaid of in de schede gehouden. Mijns inziens moet niet alleen bij het vonnis, maar ook bij het aanleggen van vervolging [...] niets dan regterlijke ernst, niets dan rechtvaardigheid leiden.»27 Deelt de regering deze opvatting? En is de regering van oordeel dat de bestaande systematiek van artikel 127 t/m 129 Wet RO hiervoor voldoende waarborgen biedt?
Zijn er met de Nederlandse situatie vergelijkbare stelsels in andere landen die de Eerste Kamer bij het beoordelen van het voorgestelde zou kunnen betrekken?
In de parlementaire behandeling is wel de vergelijking gemaakt tussen het OM en zelfstandige bestuursorganen.28 Dergelijke ZBO’s beschikken soms ook over eigenstandige bevoegdheden in de toepassing waarvan de Minister zich niet mag mengen. Waarom zou dat in het geval van de bevoegdheden van het OM anders liggen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van JA21
De leden van de fractie van JA21 hebben enkele vragen aan de initiatiefnemer. Deze leden vragen of de initiatiefnemer kan toelichten op welke gronden het gerechtvaardigd kan worden geacht om het Nederlandse staatsrechtelijk stelsel aan te passen op basis van ontwikkelingen in de genoemde landen, zoals Polen en Hongarije met een wezenlijk andere democratische en constitutionele context. In hoeverre is daarbij vastgesteld dat juist de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid een doorslaggevende rol speelde?
In de memorie van toelichting voor het initiatiefvoorstel schrijft de initiatiefnemer het volgende: «In het verlengde daarvan merkt de initiatiefnemer op dat het nog maar de vraag is in hoeverre een bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van toegevoegde waarde is voor die democratische verantwoording. (...) En in de zaak Wilders moest het parlement informatie over de rol van de Minister en zijn ambtenaren middels verzoeken op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) boven tafel halen. Daarbij is de tendens dat Ministers überhaupt liever geen gebruik willen maken van hun bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, omdat dit niet past bij de onafhankelijkheid van het OM.»29
De leden van de JA21-fractie vragen of de initiatiefnemer kan toelichten waarom deze voorbeelden, die wijzen op een terughoudendheid van de Minister om gebruik te maken van de aanwijzingsbevoegdheid en een duidelijke informatiebehoefte van het parlement, volgens hem aanleiding vormen om de ministeriële verantwoordelijkheid te beperken.
Hoe beoordeelt de initiatiefnemer de constatering van de Raad van State dat er weinig concrete aanwijzingen zijn dat het OM onder ongewenste «informele» politieke druk staat als gevolg van periodiek overleg met het Ministerie van Justitie en Veiligheid?30
Hoe beoordeelt de initiatiefnemer de constatering van het College van PG dat het uitschakelen van een deel van de ministeriële verantwoordelijkheid leidt tot een politiek vacuüm?31
De leden van de fractie van JA21 vragen of de initiatiefnemer uiteen kan zetten op welke wijze na inwerkingtreding van het initiatiefvoorstel de Minister aanspreekbaar blijft wanneer het verloop van een individuele strafzaak aanleiding geeft tot parlementaire vragen.
Acht de initiatiefnemer het verenigbaar met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat dat, als gevolg van dit initiatiefvoorstel, de Minister bij individuele strafzaken niet langer politieke verantwoording kan afleggen aan het parlement?
Kan de initiatiefnemer aangeven hoe vaak sinds de inwerkingtreding van artikel 127 Wet RO in 1999 gebruik is gemaakt van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid en kan de initiatiefnemer aangeven op welke feitelijke gronden het aannemelijk is dat deze bevoegdheid in de komende decennia kan worden ingezet?
Ontwikkelingen in Polen en Hongarije laten zien hoe snel de rechtsstaat in gevaar kan raken. Kan de initiatiefnemer toelichten hoe hij de proportionaliteit van dit initiatiefvoorstel beoordeelt, gelet op het feit dat in de memorie van toelichting wordt aangegeven dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat met genoemde Oost-Europese landen vergelijkbare ontwikkelingen zich in Nederland zullen voordoen,32 terwijl het voorstel wel aanzienlijke gevolgen heeft voor de democratische controle op het OM?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP
De leden van de fractie van de SGP hebben kennisgenomen van het initiatiefvoorstel en hebben daarover een aantal vragen aan de initiatiefnemer.
Het lijkt erop dat indien de Minister zijn bijzondere aanwijzingsbevoegdheid gebruikt om tot een besluit te komen, een dergelijk besluit kan worden getoetst door een instantie behorend tot de rechterlijke macht. Klopt dat in alle gevallen? Zo nee, wanneer niet?
De initiatiefnemer geeft aan het voldoende te vinden dat de Minister een algemene aanwijzingsbevoegdheid heeft waarmee de Minister concreet kan sturen op de prestaties van het OM, de beleidskaders, de wijze waarop het OM met zijn taken en bevoegdheden omgaat en welke prioriteiten het OM stelt. Er kunnen zich echter in de praktijk onvoorziene situaties voordoen die zich van tevoren niet in beleidskaders laten gieten, waarbij het wenselijk is dat in zo’n situatie kan worden bijgestuurd. Hoe moet in dat geval, zoals voor die bijsturing, (politieke) verantwoordelijkheid worden afgelegd?
De initiatiefnemer wijst op de (dis)balans tussen de ministeriële verantwoordelijkheid enerzijds en de bescherming van grondrechten van burgers en fundamentele beginselen van behoorlijke procesorde anderzijds en dat dit thans vraagt om een herijking van de (bijzondere) aanwijzingsbevoegdheid in de Wet RO. Kan de initiatiefnemer concrete voorbeelden geven van het gebruik van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid waarbij de grondrechten van burgers zijn aangetast dan wel de fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschaad? Kan de initiatiefnemer verder reageren op het standpunt van de Raad van State dat in het initiatiefvoorstel onvoldoende is onderbouwd dat het huidige evenwicht tussen verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid van het OM niet meer voldoet?33
Met betrekking tot de zaak Wilders II lezen de leden van de fractie van de SGP niet dat de Minister gebruik maakte van zijn bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, maar dat de spanning ontstond door bemoeienis van de Minister en ambtenaren van het ministerie rondom de zaak.34 Pleit dit niet juist voor concretere kaders waarin gebruik zou moeten worden gemaakt van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid?
Ook in de Shell-zaak gebruikte of dreigde de Minister niet met het gebruik maken van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.35 Indien de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid wordt geschrapt, hoe voorkomt dit in de toekomst vergelijkbaar gedrag van de Minister zoals in de Shell-zaak? Of kan de Minister zich dan nog steeds op exact dezelfde wijze gedragen?
Ter verdere onderbouwing verwijst de initiatiefnemer naar het veranderde politieke klimaat en de wijze waarop politici reageren op het nieuws en individuele rechtszaken. De leden van de SGP-fractie vragen welke consequenties de wijze waarop politici reageren heeft gehad voor de Minister, en of die consequenties als positief of negatief zijn te duiden.
Initiatiefnemer wijst op diverse individuele cases, waarop Kamervragen zijn gesteld. Hoe reageert de initiatiefnemer op de opmerking van de Raad van State dat politieke aandacht voor individuele strafzaken van alle tijden is en dat de door de initiatiefnemer benoemde strafzaken geen aanleiding vormen voor een herziening van het bestaande evenwicht tussen verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid van het OM?36
Het College van PG adviseerde tegen het laten vervallen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid omdat het de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid drastisch reduceert terwijl niet kan worden overzien tot welke consequenties die reductie zal leiden. Voornoemde leden vragen of de initiatiefnemer overleg heeft gepleegd met het College van PG. Is er om verduidelijking gevraagd wat het College van PG bedoelt met een vacuüm en wat dit behelst?37
De initiatiefnemer verwijst steeds naar het versterken van de scheiding der machten en het belang daarvan, terecht aldus de leden van de SGP-fractie. In het kader van de Trias Politica wordt ook altijd gesproken over checks and balances, manieren waarop de drie machten elkaar in het gareel houden, zodat onafhankelijkheid niet leidt tot onschendbaarheid of onaantastbaarheid, in die zin, dat een orgaan zich niet hoeft te verantwoorden of kan worden bijgestuurd. Waarom betoogt de initiatiefnemer in dit licht toch dat de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid moet worden geschrapt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de Fractie-Van de Sanden
Vanuit liberale kernwaarden als machtenscheiding, rechtszekerheid, onafhankelijke rechtshandhaving en democratische controle zonder politieke inmenging, legt het lid van de Fractie-Van de Sanden de volgende vragen voor aan zowel de initiatiefnemer als de regering.
Dit lid vraagt hoe met het vervallen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid wordt geborgd dat strafvorderlijke beslissingen volledig vrij blijven van politieke druk, ook indirect via begroting, prioriteitenstelling of informele beïnvloeding.
Hoe wordt voorkomen dat ministeriële verantwoordelijkheid diffuus wordt wanneer de Minister geen inhoudelijke invloed meer kan uitoefenen op vervolgingsbeslissingen?
Het voornoemde lid vraagt op welke wijze transparantie richting parlement en samenleving gewaarborgd blijft zonder dat dit leidt tot politieke inmenging in concrete zaken.
Het lid van de Fractie-Van de Sanden vraagt hoe de onafhankelijkheid van het College van PG institutioneel wordt versterkt in samenhang met dit voorstel.
Hoe verhoudt deze regeling zich tot die in andere liberale rechtsstaten, zoals Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen?
Acht de initiatiefnemer aanvullende waarborgen nodig tegen politisering via benoemingsprocedures van topfunctionarissen binnen het OM?
Hoe wordt het evenwicht bewaakt tussen operationele onafhankelijkheid van het OM en de noodzaak van uniforme, democratisch gelegitimeerde strafvorderlijke beleidskaders?
Kan de initiatiefnemer uiteenzetten hoe dit voorstel zich verhoudt tot het EVRM en de jurisprudentie over de vereiste appearance of independence van vervolgingsinstanties?
Op welke wijze wordt geborgd dat zowel slachtoffers als verdachten effectieve rechtsbescherming behouden tegen mogelijke beleidsmatige sturing op afstand?
Met deze vragen beoogt het lid van de fractie-Van de Sanden te toetsen of het voorstel de scheiding der machten versterkt, zonder afbreuk te doen aan democratische verantwoording en rechtsstatelijke waarborgen.
De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zien de antwoorden van de regering en de initiatiefnemer met belangstelling tegemoet en ontvangen de nota naar aanleiding van het verslag graag uiterlijk 17 februari 2026.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Dittrich
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, De Graag
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
De rol en positie van het openbaar ministerie als justitiële autoriteit in Europees strafrecht: Een verkennende studie naar een toekomstbestendige vormgeving van de rol en de positie van het openbaar ministerie in de EU-brede justitiële samenwerking in strafzaken, Den Haag: WODC 2021, p. 132.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 9–10.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 16.
Kamerstukken II 1992/93, 21 427, nr. 41, rapport «Steekhoudend ministerschap», commissie-Scheltema, p. 9.
Kamerstukken II 1992/93, 21 427, nr. 41, rapport «Steekhoudend ministerschap», commissie-Scheltema, p. 44.
Kamerstukken II 2022/23, 36 125, nr. 4; Bijlage Kamerstukken II 2019/20, 35 300, nr. 78; Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 10.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 15.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 2, 18.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 12–13; Ongevraagd advies over de ministeriële verantwoordelijkheid, Raad van State, 15 juni 2020, bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 35 300, nr. 78, p. 13.; Kamerstukken II 2021/22, 36 125, nr. 3, p. 4.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 2.
J.R. Thorbecke, Bijdrage tot de herziening der Grondwet, Leiden: Van den Heuvell, 1848, p. 95.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 21.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 21.
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
De rol en positie van het openbaar ministerie als justitiële autoriteit in Europees strafrecht: Een verkennende studie naar een toekomstbestendige vormgeving van de rol en de positie van het openbaar ministerie in de EU-brede justitiële samenwerking in strafzaken, Den Haag: WODC 2021, p. 132.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 9–10.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 16.
Kamerstukken II 1992/93, 21 427, nr. 41, rapport «Steekhoudend ministerschap», commissie-Scheltema, p. 9.
Kamerstukken II 1992/93, 21 427, nr. 41, rapport «Steekhoudend ministerschap», commissie-Scheltema, p. 44.
Kamerstukken II 2022/23, 36 125, nr. 4; Bijlage Kamerstukken II 2019/20, 35 300, nr. 78; Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 10.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 15.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 2, 18.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 12–13; Ongevraagd advies over de ministeriële verantwoordelijkheid, Raad van State, 15 juni 2020, bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 35 300, nr. 78, p. 13.; Kamerstukken II 2021/22, 36 125, nr. 3, p. 4.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 2.
J.R. Thorbecke, Bijdrage tot de herziening der Grondwet, Leiden: Van den Heuvell, 1848, p. 95.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 21.
Wetgevingsadvies College van procureurs-generaal, 4 mei 2022 over initiatiefvoorstel verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid, p. 21.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36125-B.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.