Aan de Commissaris van de Europese Commissie, mevrouw J. Urpilainen
Den Haag, 21 juli 2021
De leden van de vaste commissies voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking
(BDO) en Koninkrijksrelaties van de Eerste Kamer der Staten-Generaal hebben met belangstelling
kennisgenomen van het voorstel van de Europese Commissie voor een Besluit betreffende
ondertekening en voorlopige toepassing van de Partnerschapsovereenkomst tussen de
EU en de OACPS van 11 juni 2021.2 De leden van de Fractie-Nanninga hebben in het kader van de politieke dialoog nog een aantal vragen.
De leden van de Fractie-Nanninga vragen de Europese Commissie wat de concrete nieuwe
ambities zijn die zij namens de EU met deze partnerschapsovereenkomst wil realiseren.
Op welke termijn wil de Commissie deze realiseren? Hoe wordt gecontroleerd of deze
ambities of doelen zijn behaald? Welke indicatoren worden daarvoor gebruikt? Wat zijn
de gevolgen als deze doelen wel of niet worden bereikt? Wie gaat deze controle uitvoeren?
Hoe passen deze ambities binnen de Green Deal? Komen deze ambities bovenop de ambities
uit de Green Deal?
Daarnaast vragen de leden van de Fractie-Nanninga waarom de Europese Commissie ervoor
heeft gekozen de Partnerschapsovereenkomst niet ter goedkeuring voor te leggen aan
de afzonderlijke lidstaten en nationale parlementen?
Hoe groot is het budget dat voor de Partnerschapsovereenkomst vanuit de Europese Commissie
wordt gereserveerd? Worden deze middelen bestemd als «extra ontwikkelingssamenwerking»?
Waarom bevat de overeenkomst geen financieel protocol? Kan de Europese Commissie aangeven
of er speciale belastingen en/of tariefverhogingen worden overwogen om deze overeenkomst
te financieren, of worden deze uitgesloten?
Wat betekenen de ambities van deze overeenkomst mogelijk voor het immigratiebeleid?
Wat zijn na ratificatie de mogelijkheden voor landen om immigranten alsnog geen toegang
te verlenen tot hun grondgebied, zo vragen de leden van de Fractie-Nanninga.
In hoeverre behouden nationale instanties nog inspraak en recht op bijsturing van
de Partnerschapovereenkomst? Wat zijn de mogelijke gevolgen van deze overeenkomst
voor de Koninkrijksregering en haar soevereiniteit en bevoegdheden? En wat voor gevolgen
heeft dit voor de soevereiniteit van de landen afzonderlijk?
Worden de beleidsdoelen en ambities van deze overeenkomst afdwingbaar? Zo ja, wat
zijn dan de middelen en sancties waaraan wordt gedacht? Hoe kan tussentijdse bijsturing
door de nationale regeringen bij negatieve reacties en/of gevolgen voor de eigen bevolking
plaatsvinden? Wat zijn hiervoor de procedures?
De leden van de Fractie-Nanninga lezen3 dat «resultaatgerichtheid en vereenvoudiging» niet van toepassing zijn bij dit voorstel
voor besluit. Kan de Europese Commissie dit nader toelichten?
Wat is de reden waarom de einddatum pas over 20 jaar is gesteld? Wat is daar de toegevoegde
waarde van ten opzichte van een einddatum over bijvoorbeeld 10 jaar? Is er een tussentijdse
opzegging mogelijk, zo vragen de leden van Fractie-Nanninga.
De leden van de vaste commissies voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking
(BDO) en Koninkrijksrelaties zien de beantwoording van deze vragen met belangstelling
tegemoet en ontvangt deze graag binnen drie maanden na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, E.B. van Apeldoorn
Voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties, P. Rosenmöller