Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2020-2021 | 35803 nr. B |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2020-2021 | 35803 nr. B |
Vastgesteld 18 mei 2021
De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 maart 2021 met de kabinetsappreciatie bij het groenboek over de vergrijzing (COM(2021)50).
Naar aanleiding hiervan is op 14 april 2021 een brief gestuurd aan de Minister.
De Minister heeft bij brieven van 20 april en 17 mei 2021 gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van der Bijl
BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Den Haag, 14 april 2021
De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 12 maart 2021 met de kabinetsappreciatie bij het groenboek over de vergrijzing (COM(2021)50). De leden van de fracties van het CDA, D66 en de PvdD wensen naar aanleiding daarvan enkele vragen te stellen. De leden van de CU-fractie sluiten zich aan bij de vragen van de D66-fractie.
Vragen van de leden van de CDA-fractie:
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van zowel het groenboek vergrijzing, als van de appreciatie van de voorstellen door de Nederlandse regering. Een groenboek van de EU gaat vooraf aan een witboek waarin de concrete beleidsvoorstellen en voorstellen voor EU-richtlijnen en EU-verordeningen worden gedaan. Derhalve is het belangrijk dat regering en parlement vanaf het eerste moment worden meegenomen in de beoordeling van de voornemens.
De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat een compliment voor de beantwoording door de regering op zijn plaats is. Enkele vragen willen zij nog stellen.
Ten aanzien van de beantwoording door de regering van vraag 11 (toereikend pensioen voor (voornamelijk) vrouwen die lange perioden van hun werkzame leven onbetaald werk (vaak zorgtaken) verrichten) zijn de leden van mening dat het zo kan zijn dat dit in Nederland goed geregeld is, maar deze leden vrezen dat dit tekortschiet wanneer het gaat om vrouwen die geen partner hebben. Wellicht is aanvulling in de beantwoording nodig.
De leden van de CDA-fractie overwegen dat in het antwoord op vraag 12 over de rol van het aanvullend pensioen de regering wellicht ook zou kunnen ingaan op de behandeling van de tweede pijler. Deze pijler wordt in Nederland aanzienlijk strikter behandeld. Deze leden constateren dat zowel de solvabiliteit als de rekenrente op Europees niveau wordt vastgesteld, maar dat ditin Nederland niet wordt geaccepteerd. Wat zou de regering aan de EU adviseren om te doen? Een aanpassing van Solvency II, of een aanpassing in Nederland?
De leden van de CDA-fractie vinden het antwoord van de regering op vraag 13 over ondersteunen van inspanningen van lidstaten om te zorgen voor het budgettair en financieel houdbaar houden van adequate en betaalbare gezondheidszorg en langdurige zorg in de vorm van preventie heel interessant. De regering vraagt de EU meer te doen in het kader van de gezondheidsbevordering door het normeren van vet, zout en suiker. Kan de regering aangegeven of een dergelijk voorstel voor Nederland gewenst is?
Tot slot concluderen de leden van de CDA-fractie ten aanzien van multigenerationeel wonen (vraag 17) dat dit in Nederland minder van belang is. Deze leden vragen of het niet goed zou zijn om deze vorm van samenleven ook in Nederland te stimuleren en geen wetgeving maar welervaringen op dit terrein te bundelen en in de praktijk te brengen?
Vragen van de leden van de D66-fractie:
De leden van de D66-fractie constateren dat het groenboek over de vergrijzing verschillende aspecten van een vergrijzende samenleving behandelt. Hierbij wordt het belang van intergenerationele solidariteit benoemd. De samenstelling van de bevolking verandert en brengt uitdagingen met zich mee voor de welvaartsstaat. Kunt u hierop reageren en aangeven hoe u de intergenerationele solidariteit wil borgen?
In de kabinetsreactie bij het groenboek staat: «Met name jongeren zullen veel langer met de gevolgen van vergrijzing te maken krijgen en zullen bij het beleid ter zake dan ook goed betrokken moeten worden.» De leden van de D66-fractie onderstrepen het belang om de toekomst mee te wegen. Bij beslissingen over vergrijzing dient de «toekomststoel» te worden aangeschoven. Deze denkbeeldige stoel van toekomstige generaties heeft oog voor het effect van politieke beslissingen in de toekomst. kunt u aangeven op welke manier(en) u de jonge/toekomstige generaties wil betrekken binnen het vraagstuk van de vergrijzing?
Tot slot wordt er steeds vaker gedaan aan «generatiedenken» en worden stereotypen opgeworpen over generaties. Denk hierbij aan het fenomeen ageism. Hoewel het groenboek hier nauwelijks aandacht aan besteedt, zien de leden van de D66-fractie ook het belang van het doorbreken van deze stereotypen over generaties voor een duurzame aanpak van de vergrijzing. Kunt u aangeven of u bekend bent met dit begrip en zo ja, welke stappen u onderneemt om dit tegen te gaan?
Vragen van de leden van de PvdD-fractie:
Gezonde levensstijl:
Het kabinet stelt in de appreciatie dat het Nederlandse beleid zich onder meer richt op het vergemakkelijken van gezonde keuzes zodat een gezonder en actiever leven wordt bevorderd. Het RIVM2 concludeert dat openbaar vervoer reizigers meer lopen (+2000 stappen per dag) en een lagere BMI hebben dan autoforensen. Volgens Eurostat is binnen de Europese Unie het openbaar vervoer het duurste in Nederland, en is het OV bij ons 35% duurder dan het EU-gemiddelde. Tegelijkertijd hebben in Nederland volgens het CBS3 OV reizigers een veel langere reistijd dan automobilisten.
Volgens de Gezondheidsraad is het van belang om bewegen te integreren in het dagelijks leven.4 De overheid heeft invloed op de infrastructuur (en daarmee de reistijd) en op de kosten van het reizen met het OV en de auto. Deze leden vragen het kabinet hoe het beleid op dat punt zich verhoudt tot wat het kabinet schrijft over het Nederlandse beleid gericht op het vergemakkelijken van gezonde keuzes. In sommige EU landen is het OV al gratis of zijn er plannen om het gratis te maken. Hoe kijkt het kabinet daar tegen aan vanuit het perspectief van het vergemakkelijken van gezonde keuzes? Klopt het dat dit jaar in Nederland 10% van de bestaande dienstregeling in het openbaar vervoer verdwijnt vanuit kostenoverwegingen en hoe past dat in het bevorderen van een gezonde levensstijl? De kabinetsappreciatie spreekt in het kader van levensstijl ook over het stimuleren en beschikbaar stellen van de gezonde voedselkeus vanaf jonge leeftijd. Deze leden vragen om een toelichting op «beschikbaar stellen». Klopt het dat voorlichting van leerlingen en hun ouders een belangrijk instrument is? Welk signaal geven volgens het kabinet de btw-tarieven en het aanbod in de horeca aan deze leerlingen en ouders, en in hoeverre denkt het kabinet bij «beschikbaar stellen» ook aan regelgeving op het gebied van de samenstelling van het aanbod in de horeca?
Arbeidsmarktparticipatie:
Het kabinet stelt in de appreciatie dat Nederland zeer veel deeltijdarbeid kent. Deelt het kabinet de mening van deze leden dat de definitie van een voltijdse werkweek een maatschappelijke keus is? In 1971 ging de voltijdse werkweek in Nederland van zes naar vijf dagen en sindsdien is het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking ongeveer verdubbeld. Tegelijkertijd is de gemiddelde levensverwachting sterk gestegen, wat betekent dat mensen tijdens hun werkzame leven meer opzij moeten/kunnen leggen voor later, en/of langer moeten kunnen doorwerken, en is het kostwinnermodel in veel huishoudens vervangen door het model van de «voltijds» werkende man en de «deeltijds» werkende vrouw. Dat betekent dat het aantal betaalde werkuren per gezin aanzienlijk is gestegen. Hoe past in de ogen van het kabinet de standaard vijfdaagse werkweek hierbij, vanuit het economische oogpunt van de afweging tussen tijd en geld en het belang van de werk-privé balans voor de gezondheid, ook die op latere leeftijd? Is vanuit dit oogpunt een pensioenverplichte leeftijd nog optimaal, of zou het mensen vrij gelaten moeten worden om minder uren per week te werken en langer door te werken?
Het kabinet zegt in de appreciatie dat een bredere inzet van (met name) vrouwen op de arbeidsmarkt (ook) vanuit vergrijzingsoogpunt gewenst is. Tegelijkertijd is het in Nederland heel slecht toeven voor vrouwen die (willen) werken, want ons land stond ook dit jaar weer in de onderste regionen van de glazen plafond index van The Economist5: plaats vijfentwintig van de dertig, ver onder het OECD-gemiddelde. Daarbij spelen onder andere de lengte en voorwaarden van het zwangerschap/bevallingsverlof en van het ouderschapsverlof, en de kosten van kinderopvang een rol. Kan het kabinet hierop reflecteren, en aangeven welk effect de in de appreciatie genoemde maatregelen om de arbeidsmarktparticipatie van werkende ouders te bevorderen zullen hebben op de plek van Nederland in deze index? In de Global Gender Gap van het World Economic Forum6 is Nederland het afgelopen jaar gestegen van de 38e naar de 31e plaats. Dat is een verbetering maar geen reden tot tevredenheid. Een belangrijke reden voor de relatief ongunstige score is dat de subindex Health and Survival een grote kloof laat zien. Heeft het kabinet een verklaring voor deze kloof?
De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid stellen het op prijs om voorafgaand aan verzending aan de Europese Commissie een (herziene) kabinetsappreciatie te ontvangen inclusief inzicht in de wijze waarop de vragen en opmerkingen van de leden van de commissie zijn verwerkt, bij voorkeur vóór vrijdag 16 april 2021. De leden van de commissie zien de beantwoording van de overige vragen met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken.
De voorzitter van de vaste commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E.M. Sent
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 april 2021
Ingevolge de afspraak met uw Kamer over het versturen van een afschrift van kabinetsappreciaties van groenboeken en witboeken7, doe ik uw Kamer hierbij toekomen de definitieve kabinetsappreciatie bij het groenboek over de vergrijzing, dat de Europese Commissie op 27 januari 2021 heeft uitgebracht.
Naar aanleiding van de opmerking van de leden van de leden van de CDA-fractie van uw Kamer naar de positie van vrouwen die lange perioden van hun werkzame leven onbetaald werk hebben verricht, zijn in de kabinetsappreciatie de antwoorden op de vragen 10 en 11 aangepast. Deze antwoorden bevatten nu een verwijzing naar de mogelijkheden die de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) biedt om een minimumuitkering te garanderen voor personen die niet in aanmerking komen voor een volledige AOW-uitkering. Die voorziening geldt ook voor personen die onbetaald werk hebben verricht.
De beantwoording van de overige vragen van de leden van uw Kamer ontvangt u binnen de termijn van vier weken.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees
Kabinetsappreciatie groenboek vergrijzing
Inleiding
Op 27 januari 2021 bracht de Europese Commissie (hierna: Commissie) een groenboek uit over de gevolgen van de vergrijzing, met als centraal thema daarbij het belang van intergenerationele solidariteit en verantwoordelijkheid bij het vinden van antwoorden op de uitdagingen waarvoor de vergrijzing de EU en haar lidstaten gaat stellen. Dit groenboek is een vervolg op het in 2020 uitgebrachte verslag van de Commissie over de gevolgen van demografische veranderingen (COM (2020) 241). Naar aanleiding van dit verslag heeft het kabinet met het Nederlandse parlement reeds een aantal algemene observaties gedeeld, onder meer over de Europese component van het vergrijzingsvraagstuk.
Het kabinet hecht er aan om in het kader van de consulatie van dit groenboek – naast de beantwoording van de concrete vragen in het groenboek – ook een schets te geven van de algemene uitgangspunten van Nederland bij het beleid rond de vergrijzing. De laatste jaren is ook in Nederland de discussie rond vergrijzing in een stroomversnelling geraakt. Het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voeren in opdracht van het kabinet de «Verkenning bevolking 2050»8 uit, waarin in beeld gebracht wordt wat de gevolgen zijn van veranderingen in de omvang en in de samenstelling van de Nederlandse bevolking voor het samenleven in Nederland. In de bevolkingsprognoses is (arbeids)migratie een belangrijke factor voor de toekomstige bevolkingsontwikkeling van Nederland. In december 2020 heeft de Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid (WRR) een rapport uitgebracht (Samenleven in verscheidenheid9) over de maatschappelijke kansen en knelpunten die migratie naar Nederland met zich meebrengt. De WRR-rapportage bevat aanbevelingen voor beleid om migratie gelet op de toegenomen verscheidenheid en mobiliteit zo in te richten dat integratie en samenleven wordt gefaciliteerd.
Bovengenoemde rapportages betreffen de verwachtingen voor Nederland. Uit het groenboek blijkt dat vergrijzing in grote delen van de wereld een dominante trend zal zijn, en dat zowel de EU als haar individuele lidstaten zich hierop zullen moeten voorbereiden. Vergrijzing is een gedeelde uitdaging voor alle EU-lidstaten, en de maatregelen die in dat kader genomen worden kunnen door de werking van de interne markt, en het vrij verkeer van personen, ook grensoverschrijdende effecten hebben.
Het kapitaal van Europa is vooral gelegen in zijn burgers. Het is noodzakelijk dat gebruik wordt gemaakt van de talenten van Europese burgers. Een relatief krimpende beroepsbevolking betekent dat de Europeanen van de toekomst beter (en gerichter) opgeleid en flexibeler moeten zijn om het welvaartsniveau te garanderen. Europa kan het zich niet langer permitteren dat – zoals in sommige lidstaten thans nog het geval is – grote groepen burgers aan de kant blijven staan. Dat vereist van de lidstaten hervormingen en investeringen in opleiding, participatie, integratie en gelijke kansen. Daarnaast zijn gerichte inspanningen nodig om de gezondheid van burgers te verbeteren, zoals meer aandacht voor sporten en beweging, betere arbeidsomstandigheden en een gezondere levensstijl in het algemeen. Duidelijk is dat in de lidstaten nog ruimte is om beter gebruik te maken van het onbenutte arbeidspotentieel van jongeren, ouderen, vrouwen en minderheidsgroepen. Ook de gerichte inzet van werknemers vanuit buiten de EU voor specifieke sectoren (zoals thans met kennismigranten) kan bijdragen aan het opvangen van knelpunten.
Overheden, bedrijfsleven, sociale partners en burgers zullen moeten samenwerken om de uitdagingen van vergrijzing het hoofd te bieden. Gezien het primaat van de lidstaten op het gebied van sociaal beleid en zorg, ligt hier vooral een opdracht aan de lidstaten zelf. Op andere beleidsterreinen ligt een meer Europese benadering voor de hand. Zo kan een effectief migratiebeleid in den brede niet zonder samenwerking in EU-verband. De Europese inzet zal daarnaast ook op internationaal niveau (met herkomstlanden) moeten worden ondersteund opdat een complementair en toekomstbestendig migratiebeleid tot stand kan komen. Aan de hand van de uitgangspunten van subsidiariteit en proportionaliteit zal in EU-verband steeds weer bezien moeten worden op welk bestuurlijk niveau (van lokaal tot Europees) de diverse uitdagingen moeten worden opgenomen.
Uitgangspunten van het groenboek
In het groenboek worden een aantal belangrijke ontwikkelingen in het kader van de uitdagingen rondom demografische ontwikkelingen uitgelicht. De sterk gestegen levensverwachting in Europa is een grote verworvenheid. Deze trend heeft echter ook een aanzienlijke impact op het dagelijkse leven van mensen en op onze samenlevingen. Het groenboek constateert dat de lidstaten de gevolgen van de vergrijzing aanpakken door de onderwijs- en vaardigheidssystemen te verbeteren, een langer en voller arbeidsleven te promoten en hervormingen van sociale beschermings- en pensioenstelsels te bevorderen. Het kabinet onderschrijft deze analyse, maar is van mening dat dit niet beperkt is tot deze beleidsterreinen. Ook moeten deze ontwikkelingen in de bredere context worden geplaatst van de dubbele groene en digitale transitie, nieuwe werkvormen en de dreiging van pandemieën. Daarbij wordt onderschreven dat aangehaakt wordt bij de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN en de Europese pijler van sociale rechten.
Het kabinet onderschrijft tevens dat bij de benadering van de problematiek gekozen wordt voor een levenscyclusbenadering. Voor de jongste generaties is nu al voorzienbaar dat zijn in een anders samengestelde samenleving zullen opgroeien, werken, en oud worden. Overigens hoeft het feit dat een samenleving vergrijst niet te betekenen dat de bevolking ook krimpt. Zo geldt voor Nederland dat door economische ontwikkelingen en de daarmee gepaard gaande arbeidsmigratie het CBS in zijn prognoses voor de komende decennia rekening houdt met een bevolkingsgroei van rond de 2 miljoen mensen10. Een belangrijke uitdaging is dan ook om ruimte te vinden voor de huisvesting van al die mensen. Met name de huidige jongere generaties zullen daar mee te maken krijgen. Wellicht dat ook andere lidstaten in een dergelijke situatie verkeren, al zullen – zoals het groenboek ook aangeeft – regionaal de verschillen groot zijn.
De toekomstige ontwikkelingen zijn met veel onzekerheden omgeven. Hoe de belangrijke thema’s van deze tijd (klimaat, techniek, migratie) zich zullen ontwikkelen is onzeker. Wel kunnen we onderwijs, arbeid, sociale zekerheid en zorg zodanig inrichten dat op een flexibele manier ingespeeld kan worden op die ontwikkelingen. Als het gaat om vergrijzing, zijn het niet alleen (aanstaande) ouderen, maar ook de jongeren die met het oog op de toekomst daarop zullen moeten worden voorbereid. Met name jongeren zullen veel langer met de gevolgen van vergrijzing te maken krijgen en zullen bij het beleid ter zake dan ook goed betrokken moeten worden.
In het groenboek wordt geconstateerd dat wat mensen leren in de vroege kindertijd tot jongvolwassenheid in hoge mate bepalend is voor hun perspectieven, gezondheid en welzijn in de toekomst. Twee beleidsconcepten staan daarbij centraal: gezond en actief ouder worden, en een leven lang ontwikkelen (LLO). Beide benaderingen werken het best als ze op jonge leeftijd beginnen, omdat ze relevant zijn voor de hele levenscyclus. Een hoog opleidingsniveau en een goede gezondheid versterken elkaar daarbij.
Nederland zet reeds sterk in op beleid om een gezonde levensstijl te bevorderen, teneinde vermijdbare aandoeningen en sterfte te voorkomen. Vitaliteit van ouderen is belangrijk voor de kwaliteit van leven, het voorkomen of verminderen van kwetsbaarheid, en het verminderen van de zorglasten. Afhankelijk van de mate van vitaliteit kan achteruitgang worden voorkomen, uitgesteld, of verminderd. In lijn met het groenboek is het kabinet van oordeel dat gezond en actief ouder worden een persoonlijke keuze en verantwoordelijkheid is, maar dat overheidsbeleid daarbij wel een belangrijke ondersteunende rol kan spelen. Het Nederlandse beleid richt zich onder meer op het bevorderen van een gezonder en actiever leven door gezonde keuzes te vergemakkelijken; het bieden van kwalitatieve, betaalbare en toegankelijke zorg voor diverse doelgroepen; het voorkomen en behandelen van aandoeningen en ziekten; en het toekomstbestendig maken van de zorg.
Maatschappelijke participatie speelt ook een belangrijke rol bij gezond en actief ouder worden. Specifiek voor mensen met dementie zet Nederland in op hun betrokkenheid bij de samenleving door ontmoetingsmogelijkheden en zinvolle activiteiten. Hierbij is ook aandacht voor intergenerationele activiteiten.
Het beleid in Nederland is gericht op een goede aansluiting van het beroepsonderwijs op de (regionale) arbeidsmarkt en samenleving, met aandacht voor een flexibeler onderwijsaanbod en de grote transities (energie, klimaat, digitalisering). Het kabinet onderschrijft het toenemende belang van een leven lang ontwikkelen (LLO), om de beroepsbevolking duurzaam inzetbaar te houden op een dynamische arbeidsmarkt en hen voor te bereiden op de transities (energie, klimaat, digitalisering), die nieuwe eisen stellen aan kennis en vaardigheden. LLO is dus vooral van toepassing op de ontwikkeling van werkenden in hun beroepsleven. Het groenboek wijst echter terecht op het verdergaande belang van een LLO en het stimuleren van ouderen om een actieve rol in de samenleving te spelen en gezonder oud te worden.
De gevolgen van de coronacrisis maken de urgentie van tijdige investeringen in (om)scholing, informeel leren en duurzame inzetbaarheid des te groter. Voortdurend investeren in ontwikkeling en (informele) scholing is van groot belang om ontwikkelingen in het werk te kunnen bijbenen en werkloosheid door veroudering van vaardigheden te voorkomen. Het kabinet hecht daarbij veel waarde aan eigen regie, zodat mensen zoveel mogelijk eigen keuzes kunnen maken. Daarvoor is van belang dat zij financiële mogelijkheden hebben en zo nodig ondersteuning krijgen. Ook is een flexibel aanbod nodig van zowel formele, als informele vormen van scholing voor volwassenen.
Het kabinet onderschrijft het belang van een vroeg begin met LLO, en herkent hierbij dat kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt, zoals praktisch geschoolden, hierin meer uitdagingen ondervinden. Ook in Nederland zijn wij ons bewust van een «lagevaardighedenvalkuil» waarbij mensen met meer vaardigheden vaker deelnemen aan leeractiviteiten, terwijl mensen met lagere (basis)vaardigheden dat minder doen.
Het kabinet heeft de nieuwe Europese Vaardighedenagenda, gepubliceerd in juli 2020, verwelkomd11 en onderschrijft het belang van de nadruk in de agenda op de groene en digitale transities. De vernieuwde agenda sluit sterk aan op het huidige Nederlandse beleid gericht op een leven lang ontwikkelen in een constant veranderende arbeidsmarkt. Met betrekking tot de territoriale aspecten van de toegang tot onderwijs (bereikbaarheid) kan opgemerkt worden dat dit probleem zich in Nederland ook voordoet, maar gezien de hoge bevolkingsdichtheid van Nederland is dit in Europees perspectief beperkt van karakter.
Vragen uit het groenboek ten aanzien van dit deelonderwerp
1. Hoe kan beleid inzake gezond en actief ouder worden vanaf jonge leeftijd en gedurende het hele leven voor iedereen worden bevorderd? Hoe kunnen kinderen en jongeren beter worden voorbereid op hun hogere levensverwachting? Welke steun kan de EU de lidstaten bieden?
Het Nederlandse beleid is gericht op het bevorderen van een goede gezondheid voor jong en oud.
Met het actieprogramma Kansrijke Start, het bieden van kwalitatieve neonatale en prenatale zorg, het Rijksvaccinatieprogramma en het stimuleren van gezonde voeding en sporten op scholen wordt ingezet op een gezonde start en het voorkomen van fysieke en mentale problemen op latere leeftijd. Maatregelen uit het Nationaal Preventieakkoord en Nationaal Sportakkoord dragen gedurende de levensloop van burgers onder meer bij aan het stimuleren en beschikbaar stellen van de gezonde voedselkeuze en voldoende beweging. Daarnaast zet Nederland in op doelmatige, kwalitatieve en toegankelijke bevolkingsonderzoeken ter voorkoming en vroegtijdige opsporing van levensbedreigende ziekten, zoals borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker. Er is ook beleid opgesteld voor het voorkomen en behandelen van niet-overdraagbare ziekten zoals diabetes, hart- en vaatziekten, depressie, diverse chronische aandoeningen, de bestrijding van infectieziekten, en het voorkomen van antimicrobiële resistentie. Tevens wordt gefocust op kwalitatieve en toegankelijke zorg voor diverse doelgroepen, zoals de LHBTI-gemeenschap, jongeren, ouderen, mensen met een beperking, en mensen die een beroep moeten doen op psychogeriatrische zorg. Ook is er aandacht voor het toekomstbestendig maken van de zorg met onder meer het programma De Juiste Zorg op de Juiste Plek, dat is gericht op het voorkomen van (duurdere) zorg, het verplaatsen van zorg (dichterbij mensen thuis) en het vervangen van zorg (door andere zorg, zoals e-health). Uitwisseling van kennis en goede voorbeelden tussen EU-lidstaten kan nationaal beleid inspireren.
Ook binnen de huidige onderwijs praktijk is er ruime aandacht voor gezondheid en een actieve levensstijl. In het primair en voortgezet onderwijs is bewegingsonderwijs wettelijk verankerd, met als doel om motorische vaardigheden aan te leren waardoor kinderen de basis hebben om hun leven lang te kunnen bewegen. In de actualisatie van het curriculum wordt de maatschappelijke opdracht richting scholen verduidelijkt. Met het programma Gezonde School kunnen scholen in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en mbo extra inzetten op verschillende gezondheidsthema’s, waaronder Bewegen en Sport, Roken en Alcohol, Voeding, Welbevinden en Sociale veiligheid.
2. Wat zijn in een mensenleven achtereenvolgens de belangrijkste belemmeringen voor een leven lang leren? In welk stadium van het leven zou het aanpakken van deze belemmeringen het meeste resultaat opleveren? Welke aanpak zou daartoe specifiek in landelijke en afgelegen gebieden moeten worden gekozen?
In november 2020 heeft het Nederlandse kabinet een kamerbrief Routekaart Leren en Ontwikkelen naar het parlement gestuurd. Deze brief zet uiteen hoe het kabinet uitdagingen omtrent LLO aanpakt met verschillende maatregelen. Er worden vier breed onderschreven uitdagingen benoemd. Een eerste uitdaging is om de deelname aan leren en ontwikkelen te bevorderen bij groepen die hier nu minder deelnemen en vaak een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt hebben. Binnen die pijler is er veel aandacht voor het stimuleren van eigen regie, door mensen budget te geven voor scholing en ondersteuning mogelijk te maken. Een tweede uitdaging is de noodzaak tot het versterken van het leren en ontwikkelen op het werk, omdat voor veel werkenden (zeker voor lager opgeleiden) informeel leren belangrijker is dan formeel leren. In deze pijler gaat het ook om het stimuleren van de leercultuur in bedrijven en het bevorderen van lerende organisaties. Extra aandacht is nodig voor organisaties in het midden- en kleinbedrijf. Een derde uitdaging is de beschikbaarheid van een meer flexibel aanbod voor volwassen deelnemers, zodat ze bij- of omscholen kunnen combineren met werk en andere taken thuis. De vierde uitdaging is het stimuleren van de leercultuur zowel bij individuen als bij bedrijven. Deze pijler speelt een rol in de drie eerder genoemde uitdagingen. Het kabinet gaat deze uitdagingen met verschillende maatregelen aan. Het beleid rondom leven lang ontwikkelen richt zich op deze vier met elkaar samenhangende pijlers.
In het groenboek wordt geconstateerd dat de bevolking in de beroepsgeschikte leeftijd in de EU ook nu al aan het krimpen is. Een hoge arbeidsmarktparticipatie en een langer beroepsleven kunnen het probleem van een vergrijzende samenleving met een krimpende bevolking in de beroepsgeschikte leeftijd verlichten.
Ook in Nederland is een vergelijkbaar proces gaande, en de noodzaak wordt onderschreven om beleidsmaatregelen te treffen die bevorderen dat meer mensen de arbeidsmarkt betreden, langer aan het werk blijven en de productiviteit wordt vergroot.
Nederland kent reeds een hoge arbeidsmarktparticipatie, maar tegelijkertijd bestaat nog ruimte tot verbetering. Nederland kent zeer veel deeltijdarbeid, en een bredere inzet van (met name) vrouwen op de arbeidsmarkt is ook vanuit vergrijzingsoogpunt gewenst. Met de Commissie is Nederland van mening dat maatregelen om de gelijke participatie van vrouwen en mannen aan zowel betaald als onbetaald werk te bevorderen, de arbeidsparticipatie van vrouwen kan helpen te verhogen. Recentelijk heeft Nederland dan ook een aantal maatregelen getroffen die het gemakkelijker maken om zorg en werk te combineren. Het kabinet heeft betaald geboorteverlof voor partners ingevoerd en heeft een wetsvoorstel ingediend voor betaald ouderschapsverlof. Ook is de kinderopvangtoeslag verhoogd waardoor het voor veel gezinnen goedkoper is geworden om gebruik te maken van kinderopvang. Daarnaast heeft het kabinet (meer uren) werken fiscaal aantrekkelijker gemaakt.
Een andere manier om de arbeidsmarktparticipatie te verhogen is het vergroten van de inzet van personen met een migratieachtergrond. Daarbij gaat het zowel om het verbeteren van de positie van migranten die al langer in Nederland verblijven, als van recent gearriveerde personen (zoals statushouders). Maatregelen die ervoor zorgen dat mensen met een buitenlandse herkomst zich volledig kunnen ontplooien, komen iedereen ten goede. Dit kan langs twee wegen worden bereikt. Het beter laten aansluiten van de kwalificaties en vaardigheden van de betrokken personen op de vraag op de arbeidsmarkt, en via het verbeteren van hun opleidingsniveau, dan wel het op niveau brengen van reeds bestaande kwalificaties en vaardigheden. Maar ook het tegengaan van discriminatie op de arbeidsmarkt is een belangrijk aspect van dit beleid. Een beleid waarbij deze beide elementen wordt gecombineerd kan een bijdrage leveren aan het opvangen van de uitdagingen waar de vergrijzing ons voor stelt.
Het groenboek geeft aan dat ook legale migratie kan helpen om tekorten aan vaardigheden in te vullen en zo tegemoet te komen aan de behoeften van de arbeidsmarkt. In algemene zin kan Nederland deze stelling onderschrijven, waarbij wel het voorbehoud past dat migratie van buiten Europa geen structurele oplossing kan bieden voor vergrijzingsproblemen: migranten zelf worden immers ook ouder. Wel kan de gerichte inzet van werknemers van buiten de EU voor bepaalde sectoren en beroepen (zoals thans in Nederland gebeurt met kennismigranten) bijdragen aan het opvangen van specifieke knelpunten, waarbij de maatschappelijke kosten (sociaal en economisch) die migratie met zich meebrengt ook in ogenschouw moeten worden genomen.
Het groenboek wijst in dit verband op enkele initiatieven van de Commissie, zoals het in september 2020 gepubliceerde nieuwe asiel en migratie pakket, het in november 2020 voorgestelde nieuwe actieplan voor integratie en inclusie 2020–2027 en de openbare raadpleging over de toekomst van legale migratie in de EU. Het kabinet is voornemens op deze initiatieven separaat in te gaan.
In het groenboek wordt aangegeven dat de arbeidsparticipatie van oudere werknemers in de EU nog relatief laag is. Dit probleem doet zich in Nederland in mindere mate voor. Ook in Nederland is de positie van oudere werklozen op de arbeidsmarkt minder sterk, maar de arbeidsparticipatie van ouderen is het laatste decennium sterk gestegen. Lag de reële uittredeleeftijd in Nederland 10 jaar geleden nog op 61 jaar, op dit moment is deze gestegen tot 65 jaar. De Nederlandse ervaring op dit punt is dat de combinatie van financiële en fiscale prikkels hier wel degelijk effect kan sorteren.
Als het gaat om het benutten van de mogelijkheden van het beroepsleven benoemt het groenboek voorts een aantal gebieden waarop nog mogelijkheden bestaan om de productiviteit, innovatie en zakelijke kansen verder uit te breiden: de groene en digitale transities kunnen de productiviteitsgroei aanwakkeren. Innovatie kan het efficiënte gebruik van middelen verbeteren, terwijl arbeidsbesparende technologieën de uitdagingen van een krimpende beroepsbevolking kunnen verlichten. Aan de vraagkant kan de «zilveren economie»12 nieuwe werkgelegenheidskansen bieden in sectoren die in de behoefte aan dienstverlening voor ouderen voorzien, op het gebied van hun dagelijkse levensbehoeften, woonvoorzieningen en in de zorg. Nieuwe technologische ontwikkelingen kunnen hierbij worden ingezet. Het kabinet onderschrijft dat bovengenoemde kansen optimaal benut zullen moeten worden. In dit verband wordt er ook op gewezen dat de grote markt die hier open ligt (5,7 biljoen EUR in 2025, schat het groenboek) beter benut kan worden als er bij ouderen ook voldoende welvaart bestaat om van die mogelijkheden gebruik te maken. Goede pensioenvoorzieningen zijn in die zin ook een economisch belang.
Vragen uit het groenboek ten aanzien van dit deelonderwerp
3. Welke innovatieve beleidsmaatregelen ter verbetering van de arbeidsmarktparticipatie, met name van oudere werknemers, zouden nader moeten worden overwogen?
Mogelijke beleidsmaatregelen om de arbeidsmarktparticipatie verder te stimuleren zijn recent in het kader van de voorbereidingen op een volgende kabinetsperiode geïnventariseerd in een specifiek daarop gericht rapport, «Ongekend talent»13. Hierin staat de inzet op duurzame inzetbaarheid centraal. Door tijdige investeringen in de duurzame inzetbaarheid kan er voor worden gezorgd dat ouderen, nu en in de toekomst, de juiste vaardigheden verkrijgen en om zo hun kennis en productiviteit op peil te kunnen houden.
Door werkenden en werkzoekenden beter te ondersteunen en te stimuleren, kunnen belemmeringen worden weggenomen en wordt de vraag naar scholing versterkt. Het gaat daarbij niet alleen om financiële ondersteuning, zoals persoonlijke ontwikkelbudgetten, maar ook om informatie, voorlichting en begeleiding. Tevens stelt het rapport dat de rol van werkgevers beter zou kunnen worden benut met extra inzet op leren en ontwikkelen in het mkb en het verruimen van de fiscale behandeling van private individuele leerrekeningen. De rol van werkgevers bij het leren in de praktijk zou ook vergroot kunnen worden. Door het publieke aanbod van scholing voor volwassenen meer te richten op de vraag vanuit werkenden, kunnen werkenden zo gericht mogelijk die scholing te volgen die voor hen nuttig is.
Voor bovenstaande punten is een goede leercultuur een randvoorwaarde. De leercultuur kan versterkt worden via campagnes, ondersteuning, advisering, en meer focus op en inzicht in de bestaande en benodigde vaardigheden van werkenden. De besluitvorming over deze ideeën zal door het volgende kabinet plaatsvinden.
4. Is er behoefte aan meer beleidsmaatregelen en actie op EU-niveau ter ondersteuning van het ondernemerschap onder ouderen? Welke soort steun is op EU-niveau nodig en hoe kunnen we voortbouwen op voorbeelden van succesvolle sociale innovatie op het gebied van mentorschap tussen jonge en oudere ondernemers?
Nederland kent geen specifiek leeftijdgerelateerd beleid voor het stimuleren van ondernemerschap. Het bestaande generieke beleid bedient alle leeftijdsgroepen. Vanuit Nederlandse optiek bestaat er dan ook geen behoefte aan beleidsmaatregelen en actie op EU-niveau ter ondersteuning van ondernemerschap onder ouderen.
5. Hoe kan het EU-beleid minder ontwikkelde regio’s en plattelandsgebieden helpen bij het omgaan met de vergrijzing en ontvolking? Hoe kunnen de gebieden in de EU die zich geplaatst zien voor de dubbele uitdaging van ontvolking en vergrijzing beter gebruikmaken van de zilveren economie?
Vergrijzing en bevolkingsdaling zijn demografische opgaven waar we ook in Nederland mee te maken hebben. EU-beleid kan helpen mits het gebiedsgericht is en aansluit bij de ontwikkelingen in de regio, de economische mogelijkheden en regionale kansen. Het is van belang dat de regio zelf (stakeholders) en regio specifieke opgaven centraal staan. We staan hierbij ook een meer integrale benadering voor die vergrijzing en bevolkingsdaling in een breder kader plaatst. Het opnemen van deze thema s in EU-programma’s en fondsen helpt onze regio’s ook om tot innovatieve en duurzame aanpak te komen met betrekking tot deze thematiek. Het beter gebruik maken van de «zilveren economie» komt deels tot uiting in afspraken die het rijk met regio’s heeft in de regio deals en afspraken die gemaakt worden in het kader van «landsdelige» omgevingsagenda’s.
Het groenboek benoemt twee parallelle ontwikkelingen die het beeld van de oude dag ten opzichte van het verleden grondig veranderd hebben. Mensen leven langer en gezonder. Dankzij een gezondere levensstijl en de medische vooruitgang zijn veel ge pensioneerden fit en kunnen ze langer actief blijven. Tegelijkertijd brengt dit ook uitdagingen met zich mee, met name voor de toereikendheid, betaalbaarheid en duurzaamheid van pensioenstelsels op langere termijn.
Het kabinet onderschrijft dat de grotere mogelijkheden om actief te blijven voor gepensioneerden veel kansen biedt. Het is dan ook zeker gewenst dat vrijwilligerswerk, mantelzorg, delen van kennis en intergenerationeel werk in de toekomst een belangrijker sociale en economische waarde kunnen creëren. Actieve deelname van ouderen aan de samenleving verdient het dan ook bevorderd te worden, zowel ten behoeve van de gepensioneerden zelf, als ook voor de samenleving als geheel. Een deel van de uitdagingen waar de vergrijzende samenleving ons voor stelt, kan door ouderen zelf worden opgevangen. Vrijwilligerswerk kan de solidariteit en samenwerking tussen de generaties bevorderen, waarde creëren en zowel jong als oud ten goede komen op het vlak van kennis, ervaring en eigenwaarde. De mogelijkheden hiertoe verdienen het nader onderzocht te worden. Daarbij past ook een actieve ondersteuning voor ouderen als het gaat om versterking van hun autonomie, de toegang tot publieke diensten en voorzieningen en de digitale wereld. Het kabinet wijst er op dat dit langs verschillende wegen kan geschieden: het vertrouwder maken van ouderen met digitale middelen, het aanbieden van voor ouderen beter toegankelijke tools, maar ook het open houden van niet-digitale communicatie voor die groep ouderen die daaraan behoefte hebben.
Het spreekt voor het kabinet voor zich dat al deze voornemens alleen mogelijk onder de randvoorwaarde van adequate, eerlijke en duurzame pensioenstelsels. Terecht wijst het groenboek op de noodzaak om extra spaarreserves te creëren. Dat is ook de meest aangewezen weg om het risico van dubbele belasting van de jongere generaties te verminderen. Ook langer werken is belangrijk in dit verband. Nederland heeft de wettelijke pensioenleeftijd gekoppeld aan ontwikkelingen in de levensverwachting, waarbij de pensioenleeftijd wordt verhoogd als de levensverwachting toeneemt. Als de levensverwachting met 1 jaar toeneemt dan wordt de pensioenleeftijd verhoogd met 8 maanden. Het groenboek constateert dat op dit punt nog aanzienlijke verschillen bestaan tussen de lidstaten. Ondanks de verschillen in de mate van vergrijzing lijkt het onvermijdelijk dat uiteindelijk alle lidstaten op dit terrein keuzes zullen moeten maken. Daarbij is langer doorwerken alleen een reële optie, als de arbeid in Europa zodanig wordt ingericht dat mensen ook langer kunnen doorwerken. Daarnaast zullen werkenden goed zicht moeten hebben op hun pensioenverwachtingen, zodat zij tijdig bij kunnen sturen indien daartoe de noodzaak bestaat.
Vragen uit het groenboek ten aanzien van dit deelonderwerp
6. Hoe zouden vrijwilligerswerk van ouderen en intergenerationeel leren beter kunnen worden ondersteund, ook over de grenzen heen, teneinde het delen van kennis en burgerparticipatie te bevorderen? Welke rol zouden een digitaal platform of andere initiatieven op EU-niveau kunnen spelen en op wie moeten dergelijke initiatieven worden gericht? Hoe zouden jongeren in het kader van intergenerationele initiatieven samen met en ten behoeve van ouderen vrijwilligerswerk kunnen verrichten?
Via de maatschappelijke diensttijd (MDT) wordt onder meer ingezet op de verjonging van het vrijwilligersbestand. Jongeren zetten zich vrijwillig in samen met of ten behoeve van ouderen. Dit zijn vaak lokale initiatieven die daar goed werken. Een digitaal Europees platform zou daarom vooral kunnen dienen als inspiratiebron door het tonen van voorbeelden. Een aantal Nederlandse voorbeelden zijn:
– Jong + oud= goud: Bij dit MDT-traject wordt de jongere zes maanden lang coach van een senior in de buurt. De jongere helpt deze senior bij het vergroten van de zelfredzaamheid en het sociale netwerk, om zo de eenzaamheid te verminderen. Tegelijkertijd volgt de jongere een coachingstraject om aan persoonlijke ontwikkeling en groei te werken.
– Old School: Bij de Old-School verzamelt de jongere als een «kennisdetective» informatie. De jongeren oefenen hierbij in het netwerken en in gesprek treden met ouderen en andere jongeren. De ontdekte verhalen presenteert de jongere in een zelfgekozen vorm, zoals een filmpje of een poster.
– Netwerk Oudere Migranten Brabant: Een afspraak maken bij het gemeentehuis, internetbankieren of contact opnemen met de Belastingdienst gebeurt allemaal online. Voor migrantenouderen met beperkte digitale vaardigheden is dit lastig. Tijdens Be Smart geven jongeren een smart-cursus aan migrantenouderen: ze worden wegwijs gemaakt op de laptop, tablet of smartphone. Jongeren starten met een tweedaagse bootcamp waarin ze alles leren over motiveren, enthousiasmeren, omgaan met weerstand en didactische vaardigheden.
7. Welke diensten en randvoorwaarden zouden moeten worden gecreëerd of verbeterd om de autonomie, onafhankelijkheid en rechten van ouderen te waarborgen en hun deelname aan de samenleving mogelijk te maken?
Het Nederlandse beleid in den brede is erop gericht de zelfredzaamheid van zijn burgers zoveel mogelijk te bevorderen, ook als het gaat om oudere personen. Dit ziet ook op verschillende aspecten van het ouder worden, zoals wonen, zorg of sociale voorzieningen. Daarbij kunnen kwetsbare ouderen worden ondersteund door zowel publieke instellingen (gemeenten, zorginstellingen) als private organisaties. Om te waarborgen dat ouderen kunnen blijven deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en kunnen blijven communiceren met de overheid is het voorts van belang dat digitale voorzieningen voor ouderen voldoende toegankelijk zijn. Tegelijkertijd moeten traditionele communicatievormen mogelijk blijven voor ouderen die niet vertrouwd zijn met het digitale verkeer, zoals de «blauwe» envelop van de Belastingdienst en bankafschriften in papieren vorm. Het is belangrijk dat ouderen laagdrempelige toegang hebben tot digitale sociale- en juridische hulpverlening. Daarnaast moet ook hulp in de buurt van een oudere fysiek aanwezig zijn (denk aan Buurthuizen, Juridisch Loket). Ook de hierboven genoemde maatschappelijke diensttijd (MTD) draagt bij aan het verbeteren van de autonomie en onafhankelijkheid van ouderen. Via door jongeren verzorgde activiteiten voor onder andere thuiswondende ouderen, blijven ouderen betrokken bij de samenleving.
In het kader van dit groenboek vraagt het kabinet ook aandacht voor het onderwerp digitale nalatenschap. De digitale nalatenschap omvat alle bezittingen die iemand na zijn overlijden «online» achterlaat, zoals foto’s, video’s, sociale media accounts, tegoeden op webwinkels, e-mails en andere documenten opgeslagen in de «cloud». In Nederland overlijden jaarlijks ruim 150.000 mensen en vallen dus ook ongeveer even zoveel nalatenschappen open. In de Europese Unie gaat het om ongeveer 5 miljoen mensen. Door de toenemende digitalisering in combinatie met vergrijzing zijn steeds meer ouderen actief op het internet. Vrijwel zonder uitzondering laten zij na hun overlijden digitale sporen na en krijgen nabestaanden te maken met vragen over toegang en beheer van de achtergebleven digitale bezittingen. Met betrekking tot de digitale nalatenschap bestaan in Nederland en ook in veel andere landen van de Europese Unie nog geen specifieke regels over wie eigenaar is van digitale accounts, over de toegang van nabestaanden tot die accounts en over de privacy van de overledene. Vanwege de werking van de interne markt, het vrij verkeer van personen en diensten en het grensoverschrijdende karakter van het internet is het kabinet van oordeel dat een verkenning van dit onderwerp op EU-niveau dient plaats te vinden. Een Europese benadering van dit onderwerp biedt een gelijkwaardig beschermingsniveau voor burgers, zowel voor overledenen en hun privacy als voor nabestaanden en hun eventuele toegang en het beheer van digitale accounts.
8. Hoe kan de EU kwetsbare ouderen ondersteunen die niet in staat zijn hun eigen financiële en persoonlijke belangen te beschermen, met name in grensoverschrijdende situaties?
Nederland onderkent het belang van de bescherming van kwetsbare ouderen en onderschrijft ook dat daaraan vanwege het vrij verkeer van personen, in bepaalde situaties, grensoverschrijdende dimensies kunnen zitten. De EU zou de uitwisseling van kennis en ervaring tussen lidstaten op dit terrein kunnen stimuleren. Een mogelijke wetgevende rol voor de EU of een aansluiting bij een internationaal verdrag ter zake hangt af van de beoordeling van dergelijke situaties en met name of er obstakels bekend zijn. In Nederland kan ter bescherming van kwetsbare volwassenen de rechter worden verzocht om een beschermingsmaatregel in te stellen: curatele, beschermingsbewind of mentorschap. De rechter benoemt een wettelijk vertegenwoordiger (een curator, beschermingsbewindvoerder of mentor) als een meerderjarige persoon vanwege een lichamelijke of geestelijke toestand zijn financiële of andere, persoonlijke belangen niet meer zelf kan overzien. De wettelijk vertegenwoordiger kan vervolgens over de financiën van de betrokken volwassene beschikken en voor hem beslissingen nemen over bijvoorbeeld zijn verzorging of verpleging. Volwassenen kunnen daarnaast in een levenstestament, buiten de rechter om, bij de notaris alvast zelf iemand aanwijzen die hun financiële en andere, persoonlijke zaken mag regelen als zij bijvoorbeeld als gevolg van ziekte of een ongeval daartoe zelf niet meer in staat zijn. Het is wenselijk dat ouderen een laagdrempelige en betaalbare toegang hebben tot onafhankelijke expertise, bijvoorbeeld van een notaris, als het gaat om het vastleggen van hun wensen in geval van ziekte of een ongeval of van hun uiterste wilsbeschikking in de vorm van een testament. Binnen de huidige rechtspraktijk in Nederland worden in voorkomende situaties oplossingen gevonden en zijn er binnen het vrije verkeer van personen geen obstakels bekend in de bescherming van kwetsbare volwassenen, die een aanpak in EU-verband nodig maken.
9. Hoe kan de EU de inspanningen ondersteunen van de lidstaten om te zorgen voor eerlijkere socialebeschermingsstelsels voor alle generaties, ongeacht geslacht, leeftijd en inkomen, en daarbij waarborgen dat zij budgettair gezond blijven?
In principe bieden de bestaande Europese sociale en financiële kaders al voldoende instrumenten om de sociale beschermingsstelsels van de lidstaten budgettair gezond te houden. Aanvullende regels lijken op dit punt niet nodig. Het zijn naar het oordeel van het kabinet met name de lidstaten zelf die hun stelsels zodanig moeten inrichten dat zij naar de toekomst toe schokbestendig zijn.
10. Hoe kunnen de risico’s van ouderdomsarmoede worden verminderd en aangepakt?
Naar het oordeel van het kabinet is het risico van ouderdomsarmoede het best te beheersen door ervoor te zorgen dat alle burgers in hun werkende leven voldoende pensioenrechten opbouwen. Voor Nederland geldt dat het risico op ouderdomsarmoede relatief beperkt is, doordat Nederland een breed basispensioen voor alle ingezetenen kent, dat voorkomt dat gepensioneerden beneden het bestaansminimum uitkomen (de AOW). Bij onvoldoende AOW-rechten (wanneer betrokkenen bijvoorbeeld gedurende bepaalde perioden geen ingezetene zijn geweest) wordt er voor gezorgd dat men niet onder het sociale minimum uitkomt. Daartoe kent Nederland een speciale voorziening, de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO), die het inkomen van betrokkenen aanvult tot het voor hem of haar geldende sociale minimum. Voor lidstaten waarin een brede verzekering tegen het inkomensrisico bij ouderdom ontbreekt kan het zinvol zijn te onderzoeken waar blinde vlekken in de pensioendekking bestaan, en hoe die op effectieve wijze gedicht kunnen worden.
11. Hoe kunnen we zorgen voor toereikende pensioenen voor degenen (voornamelijk vrouwen) die lange perioden van hun werkzame leven onbetaald werk (vaak zorgtaken) verrichten?
Voor klassieke pensioenregelingen is het uitgangspunt dat rechten worden opgebouwd afhankelijk van loon, betaalde premie en verzekerde periode. Iemand die onbetaald werkt kan dan geen pensioen opbouwen, ook omdat betrokkene geen inkomen heeft dat verzekerd kan worden. In landen met een ouderdomsverzekering waarbij men ook zonder inkomen te verwerven pensioenrechten opbouwt, zoals in het Nederlandse basispensioen (de AOW), heeft het uitvoeren van zorgtaken geen financiële gevolgen. In lidstaten waar het uitvoeren van zorgtaken wel nadelige financiële consequenties heeft zou men kunnen overwegen bepaalde specifieke onbetaalde activiteiten toch onder een pensioenregeling te brengen, al zal het in de praktijk moeilijk zijn een goede afbakening van die activiteiten te vinden, en de pensioengrondslag te bepalen. Een andere benadering is dat men er in principe van mag uitgaan dat personen die thans onbetaalde zorgtaken verrichten toch enige andere inkomstenbron hebben dan eigen arbeid. Dan zou een regeling voor onbetaald werkende gebaseerd kunnen worden op het garanderen van het voortzetten van die inkomensbron na pensionering. Zo hebben bijvoorbeeld in Nederland partners die in het verleden zorgtaken (in de huishouding of mantelzorger) verrichtten, als het gaat om de aanvullende pensioenen veelal aanspraak op een partnerpensioen, indien hun echtgenoot eerder overlijdt. Personen zonder partner die onvoldoende recht op AOW hebben opgebouwd, en die bijvoorbeeld vanwege het verrichten van zorgtaken evenmin in staat waren te werken, kunnen in ieder geval nog aanspraak maken op een uitkering krachtens de AOI.
12. Welke rol zouden aanvullende pensioenen kunnen spelen bij het waarborgen van een toereikend pensioeninkomen? Hoe kan deze vorm van pensioen in de hele EU meer ingang krijgen en wat zou de rol van de EU in dit proces zijn?
Aanvullende pensioenen zijn van belang om te garanderen dat mensen die met pensioen gaan hun welvaart na hun pensionering op peil kunnen houden. Zeker wanneer basispensioenen laag zijn neemt het belang van aanvullende pensioenen toe. De vorm waarin aanvullende pensioenregelingen gegoten kunnen worden zal per lidstaat verschillen. Belangrijk is dat overheden goede randvoorwaarden scheppen om een toereikend pensioeninkomen te bereiken. Ook is daarbij van belang dat het werkenden aantrekkelijk wordt gemaakt om deel te nemen aan aanvullende pensioenen, bijvoorbeeld door fiscale facilitering, om zo voldoende basis te bieden voor een afdoende pensioenregeling. Een ander belangrijk element hierbij is dat de vormgeving van aanvullende pensioenregelingen zodanig is dat die voldoende separaat blijven van bijvoorbeeld de resultaten van de ondernemingen waar de deelnemers werken, en dat gevormde kapitalen uitsluitend ten goede kunnen komen van deelnemers. Pensioen is een zaak van vertrouwen en burgers zullen daaraan alleen deel willen nemen als zij er zeker van kunnen zijn dat hun inleg te zijner tijd ook tot een bijpassende uitkering zal leiden. Het primaat ten aanzien van aanvullende pensioenen ligt bij lidstaten.
Het groenboek constateert dat ondanks een betere levensverwachting in goede gezondheid de kans op ziekte of een handicap groter wordt naarmate mensen ouder worden, en dat ouderen daardoor kwetsbaar en afhankelijk kunnen worden. Voor ouderen die lijden aan chronische aandoeningen en die behoefte hebben aan ondersteuning pleit het groenboek voor investeringen in kwalitatief hoogwaardige diensten en infrastructuur, innovatie in de gezondheidszorg, en aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden om personeelstekorten in de zorg aan te pakken. Dit laatste is ook in Nederland een punt van aandacht. Het groenboek wijst er op dat om het gebrek aan zorgpersoneel aan te pakken, ook grensoverschrijdende mobiliteit van personeel een rol zou kunnen spelen, zeker waar de mogelijkheden tot mantelzorg in de toekomst zullen afnemen. Het kabinet is van mening dat we de optie van het werven van zorgverleners uit derdelanden niet op voorhand kunnen afwijzen. Indien de vraag naar zorgpersoneel in de EU zich zo ontwikkelt dat daaraan binnen de EU niet langer kan worden voldaan, kan de inzet van geschikt personeel uit derdelanden daarbij verlichting brengen. Het kabinet pleit in dit verband voor een goed gestructureerde arbeidsvoorziening. Daarnaast zullen ook de vruchten van sociale en technologische innovatie, zoals e-health, mobiele gezondheid en telezorg, ten volle benut moeten worden. Daarbij moet benadrukt worden dat de technologie in zichzelf niet bijdraagt. Het gaat om het slim integreren in de organisatie van zorg en ondersteuning door werkprocessen daarop aan te passen, zodat de inzet van innovaties mensen en hun formele en informele zorgverleners ondersteunt. Slimme zorg kan zo onder andere bijdragen aan de kwaliteit van leven en tijd besparen. Zodat met hetzelfde aantal medewerkers, meer mensen geholpen kunnen worden en de behoefte aan zwaardere zorg uitgesteld kan worden. Ondersteuning hierbij vanuit de EU kan dit proces zeker versterken.
Ook op het gebied van mobiliteit, connectiviteit en toegankelijkheid zal meer rekening gehouden moeten worden met de behoeften van ouderen. Dat geldt breed in de publieke voorzieningen, het openbaar vervoer, de stedelijke infrastructuur, huisvesting en specifiek als het gaat om de bereikbaarheid en toegankelijkheid van zorgdiensten. Het kabinet is van mening dat bij investeringen in infrastructuur en huisvesting en de ontwikkeling van perifere landstreken explicieter rekening moet worden gehouden met het vergrijzingsaspect.
Het groenboek brengt al deze ontwikkelingen tezamen in het streven naar een verbetering van het welzijn door intergenerationele solidariteit, en wijst terecht op het belang van een goede sociale mix van leeftijdsgroepen. Leeftijdsafhankelijke bewegingspatronen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de intergenerationele cohesie, maar het kabinet is van mening dat gestreefd moeten worden de maatschappelijke samenhang, ook tussen burgers in verschillende levensfasen, zoveel mogelijk in stand te houden. Dat komt iedereen ten goede.
Vragen uit het groenboek ten aanzien van dit deelonderwerp
13. Hoe kan de EU de inspanningen ondersteunen van de lidstaten om ervoor te zorgen dat adequate en betaalbare gezondheidszorg en langdurige zorg ook budgettair en financieel houdbaar zijn?
Terwijl ouder worden zal leiden tot hogere behoeften aan en kosten van zorg, kan dit gedeeltelijk worden gematigd met keuzes in gezondheidszorgbeleid. Zo heeft het inzetten op de gezondheid van ouderen gevolgen voor zowel het arbeidsvermogen als het werk dat de gezondheid beïnvloedt. Immers, oudere mensen die gezond zijn kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de zorg voor andere ouderen. Daarnaast heeft het verstrekken van mantelzorg door ouderen een domino-effect op de formele arbeidsparticipatie van volwassenen kinderen. Interventies die bijdragen aan het voorkomen of vertragen van ziekte en zorgafhankelijkheid en de gezondheid en activiteiten ondersteunen bij ouderen leeftijden kunnen zodoende bijdragen aan een adequate en betaalbare gezondheidszorg. Omdat gedragsveranderingen ook aanzienlijke gezondheidseffecten kunnen hebben als die veranderingen pas op oudere leeftijd optreden, is het van belang dat nationaal en EU-beleid dat aanmoedigt. Er is bijvoorbeeld goed bewijs dat degenen die op latere leeftijd zijn gestopt met roken langer leven dan degenen die blijven roken.
De EU heeft daarnaast een belangrijke instrumentele functie voor gezondheidsbevordering in de vorm van collectieve preventie zoals bijvoorbeeld het normeren van vet, zout en suiker. Omdat dergelijke normen binnen een single market moeilijk te realiseren zijn, zou dit meer in EU verband moeten.
14. Hoe kan de EU de lidstaten ondersteunen bij het aanpakken van gemeenschappelijke uitdagingen op het gebied van langdurige zorg? Welke doelstellingen en maatregelen moeten worden nagestreefd door middel van een EU-beleidskader voor zaken als toegankelijkheid, kwaliteit, betaalbaarheid of arbeidsomstandigheden? Wat verdient aandacht met betrekking tot gebieden met een lage bevolkingsdichtheid?
Gezamenlijke kennisontwikkeling, zowel ten aanzien van systemen van langdurige zorg als van innovatieve methoden/producten voor langdurige zorg, implementatie van ontwikkelde methoden/producten en uitwisseling van kennis en ervaringen kunnen bijdragen leveren aan de houdbaarheid van de langdurige zorg. Dit kan onder meer plaatsvinden binnen het beoogde Horizon Europe partnerschap «Transforming Health & Social Care». Gebieden met een lage bevolkingsdichtheid kunnen in het bijzonder baat hebben bij gerichte inzet van technologische hulpmiddelen.
Daarnaast onderschrijft het kabinet met het Groenboek de noodzaak van een integraal antwoord op de uitdagingen voor de langdurige zorg met betrekking tot kwaliteit, betaalbaarheid en arbeidsomstandigheden. Dit geldt eveneens voor de noodzaak van een integraal antwoord gericht op investeringen in kwaliteit, passende infrastructuur, innovatieve technologie en aantrekkelijk werk. De concrete invulling hangt af van de omstandigheden, systemen en maatregelen die lidstaten kennen. Zeker het aantrekken en behouden van personeel vraagt om maatwerk dat verschilt tussen lidstaten, regio’s en zelfs instellingen. Het is vooral aan de lidstaten en relevante stakeholders zoals zorginstellingen en medewerkers om samen aan de slag te gaan. De EU kan lidstaten hierbij ondersteunen, en doet dit ook met analyse, kennisuitwisseling, beleidsrichtsnoeren en financiering.
15. Hoe kunnen ouderen profiteren van de digitalisering van diensten op het gebied van mobiliteit en gezondheid? Hoe kunnen de toegankelijkheid, beschikbaarheid, betaalbaarheid en veiligheid van de verschillende middelen van openbaar vervoer voor ouderen, met name in landelijke en afgelegen gebieden, worden verbeterd?
Diverse factoren dragen eraan bij dat ouderen kunnen profiteren van digitalisering op het gebied van mobiliteit en gezondheid. Een aantal belangrijke aandachtspunten die zijn verkregen uit praktijkervaringen van ouderen en onderzoeken brengen naar voren dat er niet vanuit de digitalisering of technologie moet worden gedacht, maar vanuit de potentiële meerwaarde voor mensen. Aan welk probleem kan de inzet van nieuwe (digitale) diensten voor hen bijdragen? Het vertrekpunt zijn dus de voorkeuren, wensen en het functioneren van (individuele) mensen. Het is goed om onderscheid te maken tussen verschillende type ouderen: van digitaal vaardige tot minder digitaal vaardige ouderen en van ouderen met een vitale tot kwetsbare gezondheid. Ook moet rekening worden gehouden met het sociale netwerk, inclusief formele en informele zorgverleners, en de bredere context zoals leefomgeving. Het is van belang ouderen actief te betrekken bij alle fasen van ontwikkeling, onderzoek, implementatie, gebruik en evaluatie van deze diensten. Daarnaast moet ouderen altijd de keuze worden geboden om deze diensten wel of niet te gebruiken. De geboden oplossingen dienen ook inclusief te zijn, en dus beschikbaar en betaalbaar voor ouderen die er gebruik van willen maken. Tot slot, dienen de oplossingen simpel en aanpasbaar te zijn. Zorgdragen voor maatwerk is van belang om in te kunnen spelen op wisselende persoonlijke voorkeuren, wensen en mogelijkheden.
Door middel van digitalisering wordt voor de (oudere) reizigers inzichtelijk gemaakt wat het mogelijke vervoersaanbod is. Dit betreft informatie zoals over vervoersmogelijkheden zoals bijvoorbeeld: de huurfiets, -auto, -scooter, of de trein, tram, of (water)taxi en combinaties van deze vervoersmogelijkheden. Zo is reizen op maat mogelijk, waarbij ook oudere reizigers een veilige keuze kunnen maken. Verdergaande digitalisering maakt het ook mogelijk om verschillende vervoersvormen beter op elkaar af te stemmen. Denk hierbij aan het doelgroepenvervoer (Valys, WMO) en het openbaar vervoer. In een aantal regio’s is reeds ervaring opgedaan met regiecentrales die door deze reizigersgroep benaderd kunnen worden om de optimale reis te plannen. De apps worden aangepast aan de doelgroepen, hetgeen betekent dat in specifieke gevallen bijvoorbeeld met iconen wordt gewerkt.
Momenteel worden gesprekken gevoerd met belangenbehartigers van mensen met een beperking, decentrale overheden en vervoerders over de vraag hoe de toegankelijkheid van het openbaar vervoer verder verbeterd kan worden. Einddoel hierbij is een toegankelijk openbaar vervoer in 2040, zoals afgesproken in de Contourennota Toekomstbeeld OV 2040.
Voorts wordt op dit moment de vernieuwingsagenda Iedereen Onderweg14 uitgevoerd. In deze agenda wordt de link gezocht tussen openbaar vervoer en doelgroepenvervoer. In de praktijk zijn er meerdere initiatieven ontwikkeld waar door goede samenwerking met name in afgelegen, landelijke gebieden, mensen gebruik kunnen blijven maken van openbaar gefinancierde vormen van vervoer.
16. Zijn we ons bij onze beleidsvorming voldoende bewust van de oorzaken en gevolgen van eenzaamheid? Welke maatregelen zouden kunnen worden genomen om eenzaamheid en sociaal isolement onder ouderen te helpen voorkomen? Welke steun kan de EU bieden?
Internationaal is het bewustzijn groeiende dat eenzaamheid een serieus probleem is, met gevolgen voor de mentale en fysieke gezondheid. In Nederland zijn, met steun van de rijksoverheid, vele landelijke en lokale initiatieven op gang gekomen om de sociale cohesie en de maatschappelijke participatie van onder andere ouderen te vergroten en zo eenzaamheid tegen te gaan. Uitgangspunt daarbij is een aanpak van eenzaamheid op lokaal niveau, waarbij samengewerkt wordt met zoveel mogelijk maatschappelijke en private partners. Daarmee is echter niet alle eenzaamheid te voorkomen. In het ontstaan van eenzaamheid op oudere leeftijd spelen veel factoren een rol, zoals verlieservaringen: verlies van betekenisvolle relaties en rollen, van fysieke en mentale mogelijkheden, van toekomstperspectief. Onderzoek naar deze factoren kan een effectieve aanpak van eenzaamheid bij ouderen bevorderen. De aanpak van eenzaamheid is een verantwoordelijkheid van de lidstaten zelf. De EU zou de uitwisseling van kennis en ervaring tussen lidstaten op dit terrein kunnen stimuleren.
17. Welke rol kunnen multigenerationeel wonen en multigenerationele huisvesting spelen bij stads- en plattelandsplanning waar het gaat om het aanpakken van de uitdagingen van de vergrijzing? Hoe kan daarvan beter gebruik worden gemaakt?
Multigenerationeel wonen komt in Nederland niet vaak voor. In Nederland zien we vooral veel eenpersoonshuishoudens, tweepersoonshuishoudens en gezinnen in plaats van woningen waar men met meerdere generaties samen leeft. Vanuit het kabinet wordt niet actief gestuurd op multigenerationele huisvesting maar wel op de realisatie van voldoende passend woningaanbod voor ouderen. Een Europese benadering van multigenerationeel wonen waar het gaat om het aanpakken van de uitdagingen van vergrijzing is voor de Nederlandse situatie minder van belang. Dit sluit niet uit een uitwisseling van kennis en ervaring tussen lidstaten nuttig kan zijn.
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 mei 2021
In het kader van de kabinetsappreciatie bij het Groenboek vergrijzing (COM(2021)50) stelde uw Kamer een aantal aanvullende vragen bij de inbreng van het kabinet ter zake. In mijn brief van 20 april jl. heb ik uw Kamer aangegeven hierop nog afzonderlijk in te zullen gaan, hetgeen ik bij deze doe.
Vragen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de fractie van het CDA vragen of nader kan worden ingegaan op de striktere behandeling van het tweede pijler pensioen. Zij constateren dat zowel de solvabiliteit als de rekenrente op Europees niveau wordt vastgesteld, maar dat dit in Nederland niet wordt geaccepteerd. Deze leden vragen wat de regering aan de EU zou adviseren om te doen: en aanpassing van Solvency II, of een aanpassing in Nederland?
Het kabinet deelt de stelling van de leden van de CDA-fractie ten aanzien van het Nederlandse pensioenstelsel binnen het Europese Solvency-kader niet. Bij de vergelijking tussen Europese regelgeving voor verzekeraars en nationale regelgeving voor pensioenfondsen dient men in het oog te houden dat verzekeraars en pensioenfondsen wezenlijk andere instellingen zijn. Pensioenfondsen vervullen bovendien een grote sociale rol en het belang van die rol binnen het pensioenstelsel verschilt tussen lidstaten. De financiële vereisten aan pensioenfondsen volgend uit de IORP-richtlijn zijn daarom in grote mate aan lidstaten gelaten. De consequentie daarvan is dat voor hen nadere regels op nationaal niveau moeten worden vastgesteld.
In het kader van de inspanningen van lidstaten voor het houdbaar houden van adequate en betaalbare zorg, in de vorm van preventie en van de gezondheidsbevordering door het normeren van vet, zout en suiker op EU-niveau, vragen de leden van de CDA-fractie of aangegeven kan worden of een dergelijk voorstel voor Nederland gewenst is.
In het kader van gezondheidsbevordering door gezond(er) te eten is het van belang dat de consument meer volgens de Schijf van Vijf gaat eten. Momenteel eten Nederlanders nog lang niet (volledig) volgens de Schijf van Vijf en daarmee consumeren ze ook veel producten met ongezonde vetten en (toegevoegd) suiker en zout. Om de samenstelling van deze producten te verbeteren, werkt Nederland aan een nieuwe aanpak productverbetering, gericht op het verder reduceren van zout, suiker en verzadigd vet in bewerkte voedingsmiddelen15. De levensmiddelenmarkt is internationaal. Om een ongelijk speelveld te voorkomen, is inzet voor productverbetering in de EU zeer gewenst.
De Europese Commissie heeft met de lancering van de Farm-to-Fork strategy laten weten richtsnoeren voor productverbetering te willen bespreken met de lidstaten. Nederland is er voorstander van om normeringen hierin mee te nemen en zal de inzet hierop ondersteunen.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of ten aanzien van multigenerationeel wonen of het niet goed zou zijn om deze vorm van samenleven ook in Nederland te stimuleren ervaringen op dit terrein te bundelen en in de praktijk te brengen.
In de brief over de initiatiefnota Ellemeet (Kamerstukken II, 2019–2020, 35 503, nr. 3) berichtte het Kabinet dat bij steeds meer gemeenten ouderenhuisvesting onderdeel uitmaakt van het woonbeleid en dat het aantal woonvormen voor ouderen toeneemt. Woonvormen kunnen desgewenst ook multigenerationeel worden neergezet. Meer specifiek heeft een vorig kabinet besloten dat het plaatsen van een mantelzorgwoning bij een woning, het verbouwen en inrichten van een bestaand bijgebouw bij of een aanbouw aan een woning voor huisvesting in verband met mantelzorg veelal zonder vergunning voor het bouwen en het bestemmingsplan kan plaatsvinden. Daarvan gaat een stimulans uit naar het in de praktijk brengen van multigenerationeel wonen. Het blijft aan de gemeente om, op basis van kennis over de lokale opgave, woonbeleid te maken dat multigenerationeel wonen daadwerkelijk mogelijk maakt.
Vragen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie constateren dat het groenboek over de vergrijzing verschillende aspecten van een vergrijzende samenleving behandelt. Zij vragen in dit verband hoe de intergenerationele solidariteit geborgd kan worden, of het zinvol zou zijn om toekomstige generaties via een «toekomststoel» bij de beleidsvorming te betrekken en wat er wordt gedaan om «generatiedenken» en «ageism» tegen te gaan.
De leden van D66-fractie wijzen terecht op enkele belangrijke aspecten van de beleidsvorming, waarbij nog onvoldoende expliciet aandacht wordt geschonken intergenerationele aspecten. Dat wil niet zeggen dat die aandacht niet bestaat, maar die is goeddeels impliciet. Een groot deel van de beleidsvorming, of het nu gaat om klimaat en milieu, over zorg of over pensioen, is immers juist gericht op het leefbaar en welvarend houden van Nederland, zowel voor de ouderen van nu, als voor toekomstige generaties. Intergenerationele solidariteit zit diep ingebouwd in de onze sociale- en zorgverzekeringen, en ook ons arbeidsmarktbeleid biedt steeds meer mogelijkheden om ouderen actief aan de samenleving te laten deelnemen (langer doorwerken). Een brede participatie van alle burgers is ook noodzakelijk om de uitdagingen die de vergijzing ons stelt aan te kunnen gaan. Daarbij is geen plaats voor discriminatie of vooroordelen.
Vragen van de leden van de PvdD-fractie
Met betrekking tot een gezonde levensstijl vragen de leden van de fractie van de PvdD naar de kosten van het reizen met het OV en de auto, en hoe het beleid op dat punt zich verhoudt tot wat het kabinet schrijft over het Nederlandse beleid gericht op het vergemakkelijken van gezonde keuzes. In sommige EU landen is het OV al gratis, of zijn er plannen om het gratis te maken. Hoe kijkt het kabinet daar tegen aan vanuit het perspectief van het vergemakkelijken van gezonde keu- zes? Klopt het dat dit jaar in Nederland 10% van de bestaande dienstregeling in het openbaar vervoer verdwijnt vanuit kostenoverwegingen en hoe past dat in het bevorderen van een gezonde levensstijl?
Bij het maken van gezonde keuzes zijn alle modaliteiten belangrijk en vervullen elk een eigen rol. De (e-)fiets is bijvoorbeeld kansrijk op de korte en middellange afstanden. Het OV is effectief in en tussen de steden. De auto biedt daarbuiten veel gemak, flexibiliteit en comfort. Alle modaliteiten zijn nodig om de bereikbaarheid op peil te houden.
Lopen en fietsen zijn een gezonde en schone manier van mobiliteit. Daarom wordt deze actieve vorm van mobiliteit door het kabinet gestimuleerd.
Zo is deze kabinetsperiode € 100 miljoen door het Rijk beschikbaar gesteld voor snelfietsroutes en fietsenstallingen bij stations. In het Klimaatakkoord is een extra impuls van € 75 miljoen voor extra fietsstallingen opgenomen. Een ander voorbeeld is het programma Doortrappen, dat gericht is op fietsgebruik onder ouderen.
Eerdere proeven met gratis of goedkoop OV hebben uitgewezen dat niet de prijs, maar het aanbod bepalend is of er meer of minder gebruik gemaakt wordt van het OV. Bovendien heeft onderzoek aangetoond dat het gratis maken van het openbaar vervoer voornamelijk leidt tot meer mobiliteit en niet tot een verschuiving tussen modaliteiten. Evaluaties van de verschillende pilots zijn terug te vinden op de website van het Kennisplatform Verkeer en Vervoer (KpVV) van het CROW.
Het vaststellen van de tarieven voor het stads- en streekvervoer is een decentrale bevoegdheid. Dit beleid is vaak gericht op specifieke doelgroepen zoals kinderen of mensen met een uitkering, ingegeven vanuit eigen sociaal, economisch of mobiliteitsbeleid. Eerder is aangegeven dat het een sympathiek idee is om bijvoorbeeld het openbaar vervoer voor kinderen tot en met twaalf jaar te bevorderen door middel van goedkoper of gratis OV. Dit is ook besproken in het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad met onder andere vertegenwoordiging vanuit de decentrale overheden. Het eventuele uitbreiden van de doelgroepen is in het overleg niet besproken. Er zijn veel initiatieven zijn waarbij gratis en goedkoop OV wordt aangeboden.
Voor het eventuele afschalen van het stads- en streekvervoer zijn in de concessies afspraken gemaakt. Dit is een regionale bevoegdheid. De structurele effecten van de COVID-19-crisis op mobiliteit en de reizigersaantallen zijn nog onzeker. Omdat er minder gebruik wordt gemaakt van het OV, daalde de kostendekkenheid van het OV. Een deel van de kosten wordt door middel van de beschikbaarheidsvergoeding door het Rijk vergoedt.
Afhankelijk van de afspraken die er zijn gemaakt, kan het zijn dat er minder OV wordt aangeboden. Met de decentrale opdrachtgevers en vervoerders wordt besproken hoe het OV aanbod het beste mee kan ademen met de aantallen reizigers. Uitgangspunt is een openbaar vervoerstelstel dat voldoet aan de doelstellingen van bereikbaarheid, veiligheid en opschaalbaarheid.
De leden van de fractie van de PvdD vragen in het kader van levensstijl ook over het stimuleren van de gezonde voedselkeus vanaf jonge leeftijd. Welk signaal geven de btw-tarieven en het aanbod in de horeca aan deze leerlingen en ouders, en in hoeverre denkt het kabinet bij «beschikbaar stellen» ook aan regelgeving ter zake?
Het Nederlandse beleid is gericht op het bevorderen van een goede gezondheid voor jong en oud.
Met het actieprogramma Kansrijke Start, het stimuleren van gezonde voeding en bewegen via de programma’s Gezonde Kinderopvang en Gezonde School en met het programma JOGG dat zich richt op het gezonder maken van de fysieke en sociale omgeving van jongeren wordt ingezet op een gezonde start en het voorkomen van fysieke en mentale problemen op latere leeftijd. Maatregelen uit het Nationaal Preventieakkoord en Nationaal Sportakkoord dragen gedurende de levensloop van burgers onder meer bij aan het makkelijker maken om te kiezen voor gezonder voedsel en voldoende beweging.
Met «beschikbaar stellen» van de gezonde keuze wordt bijvoorbeeld gedoeld op richtlijnen voor het eten in de kinderopvang zodat daar gezond eten voor de kinderen is en op de inzet voor gezonde school- en sportkantines of het EU schoolfruitprogramma. Informatievoorziening (voorlichting) is onderdeel van de brede aanpak, en kan via scholen, JGZ, Voedingscentrum et cetera plaatsvinden. De btw-tarieven zijn niet onderscheidend tussen gezonde en ongezonde producten, in dat opzicht gaat daar geen signaal vanuit. Op veel horecalocaties kan de gezonde keuze makkelijker gemaakt worden. De brancheorganisatie voor de horeca, KHN, heeft in het Nationaal Preventieakkoord een aantal acties toegezegd die betrekking hebben op de samenstelling van het aanbod in de horeca. De horeca streeft naar een jaarlijkse consumptiegroei van producten uit de Schijf van Vijf, KHN moedigt haar leden aan om het drinken van water en suikervrije dranken te stimuleren ten opzichte van reguliere frisdranken en stimuleert haar leden om meer groenten en minder vlees aan te bieden en kleinere porties te gebruiken om mensen gezonder te laten eten.
Ter invulling van een toezegging van de Staatssecretaris van VWS en een motie van de leden Sazias en van Esch, wordt op dit moment verkend op welke manier gemeenten juridische handvaten kunnen krijgen om de voedselomgeving gezonder te maken. Dit zou uiteindelijk effect kunnen hebben op de samenstelling van de voedselaanbieders in een gemeente.
Arbeidsmarktparticipatie
De leden van de fractie van de PvdD vragen of de definitie van een voltijdse werkweek een maatschappelijke keus is. Zij wijzen op de wijzigingen in de arbeidspatronen (van een zes- naar een vijfdaagse werkweek), de vervanging van het kostwinnersmodel door een «voltijds» werkende man en de «deeltijds» werkende vrouw, gecombineerd met een aanzienlijk gestegen levensverwachting. Deze leden vragen hoe deze ontwikkelingen passen bij de standaard vijfdaagse werkweek en een pensioenverplichte leeftijd, en of mensen vrij gelaten zouden moeten worden om minder uren per week te werken en langer door te werken.
Deze leden wijzen er voorts op dat Nederland slecht toeven is voor vrouwen die (willen) werken, gezien de ondergemiddelde positie van Nederlands positie op de glazen plafond index van de Economist. Zij vragen het kabinet hierop te reflecteren, en aan te geven welk effect maatregelen om de arbeidsmarktparticipatie van werkende ouders te bevorderen zullen hebben op de plek van Nederland in deze index. Ook wijzen deze leden er op dat in de Global Gender Gap van het World Economic Forum Nederland het afgelopen jaar is gestegen van de 38e naar de 31e plaats, maar dat de subindex Health and Survival een grote kloof laat zien, en vragen daar een verklaring voor.
Het kabinet deelt de mening van de leden van de PvdD dat de definitie van een voltijdse werkweek een maatschappelijke keus is. Hetzelfde geldt voor de AOW-leeftijd en andere leeftijdsgrenzen rond pensionering die gehanteerd worden in wet- en regelgeving en cao’s. Deze maatschappelijke keuzen vormen enerzijds belangrijke ankerpunten in ons stelsel, maar zijn anderszins geenszins bedoeld als dwingend keurslijf voor individuele gevallen. Het staat mensen vrij om, binnen grenzen, meer of minder te werken dan de standaard voltijdse werkweek en om langer door te blijven werken dan de formele pensioenleeftijd. Het kabinet meent dat de huidige regelgeving in de nodige flexibiliteit voorziet om mensen in hun eigen maatwerk te laten voorzien. Wel is het zo dat, zoals ook in het IBO Deeltijdwerk beschreven, keuzes nu nog vaak worden gestuurd door sociale normen over de gewenste werkweek voor mannen en voor vrouwen.
De leden van de PvdD kaarten terecht aan dat de glazen plafond index van de Economist en de Global Gender Gap van het World Economic Forum aangeven dat er in Nederland nog de nodige ruimte is voor verbetering als het gaat om de arbeidsmarktpositie van vrouwen. De door het kabinet genomen maatregelen zullen positief bijdragen aan de positie van Nederland op deze indices. De mate waarin dit gebeurt hangt mede af van de progressie van het beleid in andere landen en valt om die reden moeilijk te voorspellen.
De relatief slechte score van Nederland op de subindex Health and Survival wordt veroorzaakt doordat het WEF er bij deze subindex van uitgaat dat vrouwen van nature gemiddeld vijf jaar langer leven dan mannen. Bij de andere subindices is de benchmark dat mannen en vrouwen gelijk scoren, maar bij deze subindex niet: vrouwen zouden naar de mening van het WEF hier hoger moeten scoren dan mannen (vrouwen zouden als het ware enkele jaren langer gezond moeten zijn dan mannen). Dat is in Nederland in mindere mate het geval. In Nederland wordt door de WHO de gezonde levensverwachting voor vrouwen op 71,5 jaar geschat, en voor mannen op 71,3 jaar.
Ik vertrouw er op uw Kamer met deze antwoorden voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees
Samenstelling: Kox (SP), Essers (CDA), vac. (PvdD), Ester (CU), Sent (PvdA) (voorzitter), Van Strien (PVV), N.J.J. van Kesteren (CDA), Oomen-Ruijten (CDA), Schalk (SGP), Stienen (D66), De Bruijn-Wezeman (VVD) (ondervoorzitter), A.J.M. van Kesteren (PVV), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Crone (PvdA), Frentrop (FVD), Geerdink (VVD), Van Gurp (GL),Moonen (D66), vac. (FVD), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL), De Vries (Fractie-Otten), Van der Burg (VVD), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Prast (PvdD)
https://www.rivm.nl/nieuws/gezondheidseffecten-van-reizen-met-auto-of-trein-in-woon-werkverkeer
https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2013/28/automobilist-het-snelst-op-plaats-bestemming. Op korte afstanden is de reistijd met ov ruim 2,5 keer zo lang.
Brief van Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken aan de voorzitter van de Tweede Kamer, d.d. 25 mei 1999 (Kamerstuk 26 054, nr. 3).
Nederland heeft thans 17,5 mln. inwoners. Volgens de meest recente CBS-bevolkingsprognose, wordt de grens van 18 miljoen inwoners in 2026 gepasseerd. In 2038 zal de grens van 19 miljoen worden gepasseerd; in 2063 telt Nederland naar verwachting 20 miljoen inwoners. Zie https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2020/bevolkingsprognose-2020–2070-/2-belangrijkste-uitkomsten
.
Het begrip zilveren economie is geïntroduceerd om de economische kanten te benadrukken die de huidige en toekomstige generaties van ouderenbieden, zowel als consument, als werknemer en als oudere ondernemer.
De nieuwe aanpak productverbetering is een vervolg op het Akkoord Verbetering Productsamenstelling (AVP) dat eind 2020 is afgerond.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35803-B.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.