Dit wetsvoorstel heeft tot doel om het tijdelijk karakter te verlengen van twee voorzieningen
die in de artikelen 33 en 34 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
(hierna aangeduid als: de Tijdelijke wet) zijn opgenomen.
Artikel 33 maakt het mogelijk om in aanvulling op de regeling van artikel 151e, derde
lid, van het Wetboek van Strafvordering in plaats van bloed slijmvlies of sputum van
een verdachte of een derde af te nemen voor de uitvoering van een onderzoek dat dient
om vast te stellen of de verdachte of derde drager is van COVID-19. Dat onderzoek
kan worden verricht in geval van een misdrijf waarbij uit aanwijzingen blijkt dat
de verdachte het slachtoffer van dat misdrijf kan hebben besmet of dat de verdachte
het slachtoffer met behulp van het celmateriaal van een derde heeft besmet door dit
celmateriaal door een misdrijf op het slachtoffer over te brengen.
Artikel 34 voorziet erin uitdrukkelijk vast te leggen dat de overgang van de bevoegdheden
van de burgemeester naar de voorzitter van de veiligheidsregio als bedoeld in artikel 39,
eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s ook de in artikel 125 van de Gemeentewet
neergelegde bevoegdheid omvat tot oplegging van een last onder bestuursdwang en de
bevoegdheid tot oplegging van een last onder dwangsom, bedoeld in artikel 5:32, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Deze artikelen hebben gemeen dat zij ingevolge artikel 35, zesde lid, onder b respectievelijk
onder c, van de Tijdelijke wet op 1 september 2020 vervallen, tenzij voor deze datum
een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer is ingediend, waarin het onderwerp van deze artikelen
wordt geregeld.
Bij het tot stand brengen van die wet was de gedachte dat de in de artikelen 33 en
34 opgenomen tijdelijke voorzieningen zouden worden omgezet in een permanente regeling.
Bij nader inzien is ervoor gekozen om dit nu nog niet te doen, maar eerst te regelen
dat de tijdelijkheid van die voorzieningen verlengd kan worden, en op een later moment,
in samenhang met de andere tijdelijke regelingen die in het kader van de coronacrisis
zijn en worden getroffen, te bezien of en hoe zij een permanent karakter dienen te
krijgen.
Daarom wordt voorgesteld artikel 35, zevende lid, van de Tijdelijke wet te laten vervallen
en de onderdelen b en c van artikel 35, zesde lid, te vervangen door een nieuw onderdeel
b dat materieel regelt dat de in artikel 35, derde lid, neergelegde systematiek van
verlenging van de geldingsduur van de Tijdelijke wet ook van toepassing is op de artikelen 33
en 34 van die wet. Dat betekent dat de artikelen 33 en 34 met ingang van de eerste
dag van de derde kalendermaand na inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de
Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid in verband met het verlengen van de
geldingsduur van de voorzieningen in de artikelen 33 en 34 van die wet vervallen en
als daartoe noodzaak bestaat, de geldingsduur van die twee artikelen overeenkomstig
artikel 35, derde lid, bij koninklijk besluit telkens voor een periode van twee maanden
kan worden verlengd. Om die reden wordt in het aangepaste artikel 35, zesde lid, onder
b, voorgesteld ook een periode van twee maanden aan te houden tussen de inwerkingtreding
van de onderhavige wijzigingswet en het eerst mogelijke vervalmoment.
Op grond van artikel 35, vierde lid, van de Tijdelijke wet dat in het aangepaste artikel 35,
zesde lid, onder b, van overeenkomstige toepassing is verklaard, zal een koninklijk
besluit met die strekking eerst gedurende een week worden voorgelegd aan de beide
Kamers van de Staten-Generaal.
Op de hiervoor beschreven wijze kan zolang dat nodig is de continuïteit van de in
artikel 33 opgenomen voorziening ook na 1 september 2020 worden gewaarborgd, hetgeen
gewenst is met het oog op een adequate strafrechtelijke aanpak van de zogeheten coronahoesters
en -spugers. Dat zijn mensen die hulpverleners en anderen, zoals conducteurs en caissières,
opzettelijk in het gezicht hoesten of spugen of met hoesten en spugen dreigen en daarbij
opmerken dat ze met het coronavirus zijn besmet. Ook de met artikel 34 gegeven duidelijkheid
over de bevoegdheid van de voorzitter van de veiligheidsregio kan zo na 1 september
2020 behouden blijven2.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F.B.J. Grapperhaus