35 526 Tijdelijke bepalingen in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van covid-19 voor de langere termijn (Tijdelijke wet maatregelen covid-19)

Nr. 11 AMENDEMENT VAN HET LID VELDMAN C.S.

Ontvangen 7 september 2020

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel D, wordt het voorgestelde artikel 68bis als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «een maand» vervangen door «7 dagen».

b. Voor de puntkomma aan het slot van onderdeel a wordt ingevoegd «, 58h, 58i of van de artikel 58e, tweede lid, onder b, bedoelde regels».

c. In onderdeel b vervalt «artikel 58f, eerste, vierde of vrijde lid, tweede zin, of» en wordt voor de punt aan het slot ingevoegd «, 58h, 58i, 58j, eerste lid, 58k, tweede lid, 58l, tweede lid, eerste of tweede zin, 58o, tweede lid, eerste zin of derde lid, eerste zin, 58p, eerste of tweede lid, 58q, eerste lid, eerste zin, of 58s, eerste lid, eerste zin».

2. Na het eerste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1a. Met een geldboete van ten hoogste € 99,– wordt gestraft degene die handelt in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 58f, eerste, vierde of vijfde lid, tweede zin.

3. Het tweede lid vervalt.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De in dit artikel strafbaar gestelde feiten worden niet betrokken bij het onderzoek naar het gedrag van een natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Toelichting

Het voorgestelde artikel 68bis bevat de strafbaarstellingen en strafsancties op regels uit het voorgestelde hoofdstuk Va. Op een aantal strafbare feiten wordt een sanctie gesteld van hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie (max € 4.350). Een uitzondering naar beneden is gemaakt voor onder andere overtreding van de veilige afstandsnorm en het groepsvormingsverbod. Indieners willen deze systematiek veranderen. Zij zijn van mening dat voor natuurlijke personen een strafbedreiging van 7 dagen of een geldboete van de eerste categorie in algemene zin volstaat en fors genoeg is. Zij willen daarbij een uitzondering naar beneden maken voor het overtreden van de veilige afstandsnorm: deze boete zou maximaal € 99,– moeten zijn. Op deze wijze kan een boete voor overtreding van de veilige afstandsnorm, niet leiden tot een aantekening op de justitiële documentatie. Dit amendement strekt daar toe en regelt daarnaast dat de straffen voor natuurlijk personen bij andere overtredingen worden verlaagd tot hechtenis van ten hoogste 7 dagen of een geldboete van de eerste categorie (max € 435).

Voor rechtspersonen geldt, op grond van het bestaande en doorwerkende artikel 23, zevende lid Sr, een uitzondering. Het betreffende zevende lid, eerste zin, stelt: «Bij veroordeling van een rechtspersoon kan, indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie.» In dit geval kan aldus aan rechtspersonen een boete van de 2e categorie worden opgelegd. Dat achten de indieners passend. Indieners zijn van mening dat de hoogte van de sancties zo meer in overeenstemming is met de aard van de overtreding die immers doorgaans zal bestaan uit iets dat in het maatschappelijk verkeer als normaal wordt gezien. Dat geldt te meer voor de veilige afstandsnorm. Indieners zijn voorts van mening dat voor natuurlijke personen een maximale geldboete van € 435,00 al fors is. Voor rechtspersonen ligt dat dat vaak anders.

Dit amendement regelt daarnaast dat een overtreding van de bepalingen van het met deze wet voorgestelde hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid, niet meeweegt bij de beoordeling van de aanvraag met betrekking tot de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Door het verlagen van de boete betreffende de veilige afstand is dit al niet zo omdat het bedrag niet boven de € 100,– uitkomt. Het vierde deel van het amendement regelt dat ook bij andere boetes een aantekening niet kan leiden tot weigering van afgifte van een VOG. Dit sluit aan bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State hierover. Indieners vinden de expliciete uitsluiting passend omdat dit een tijdelijke wet betreft die een grondslag biedt voor het nemen van ingrijpende maatregelen voor zeer bijzondere omstandigheden. Het beroep dat de wet doet op de acceptatie en de medewerking van mensen voor de komende periode is zeer groot. Door een overtreding wel te laten bijschrijven op de justitiële documentatie, maar niet te laten meewegen bij de beoordeling voor een VOG is verzekerd dat de justitiële autoriteiten wel zicht hebben op eventuele recidive, maar de overtreding geen consequentie heeft voor de VOG. Dit geldt daarmee ook voor overtreders die in dienst willen treden als bijvoorbeeld politieagent, buitengewoon opsporingsambtenaar of zorgverlener.

Veldman Groothuizen Van der Graaf

Naar boven