35 247 Regels ter bevordering van de totstandkoming en realisatie van maatschappelijke initiatieven gericht op duurzame ontwikkeling door na een daartoe strekkend verzoek deze initiatieven in regelgeving op te nemen (Wet ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven)

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij te dragen aan de totstandkoming en realisatie van maatschappelijke initiatieven gericht op duurzame ontwikkeling door na een daartoe strekkend verzoek deze initiatieven in regelgeving op te nemen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

duurzame ontwikkeling:

ontwikkeling naar een economische, sociale en milieuvriendelijke duurzame toekomst voor de aarde en voor huidige en toekomstige generaties;

Onze Minister:

Onze Minister die het aangaat.

§ 2. Regels over duurzame ontwikkeling

Artikel 2 Reikwijdte

  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek regels worden gesteld in het belang van een duurzame ontwikkeling.

  • 2. Een verzoek kan betrekking hebben op de volgende onderwerpen:

    • a. vermindering van de uitstoot van broeikasgassen ten aanzien van:

      • 1°. elektriciteit;

      • 2°. gebouwde omgeving;

      • 3°. industrie;

      • 4°. landbouw en landgebruik;

      • 5°. mobiliteit;

    • b. duurzame energieproductie of energiebesparing;

    • c. diergezondheid of dierenwelzijn.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere onderwerpen worden aangewezen waarop een verzoek betrekking kan hebben. Na de plaatsing in het Staatsblad van deze algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.

Artikel 3 Ontvankelijkheid van een verzoek

  • 1. Een verzoek als bedoeld in artikel 2 bevat:

    • a. een omschrijving van de door het stellen van regels te bereiken doelen;

    • b. een onderbouwing van de aanwezigheid van draagvlak voor het verzoek onder degenen die de te stellen regels zullen moeten naleven;

    • c. een beschrijving van het draagvlak voor het verzoek onder degenen voor wie de te stellen regels anderszins gevolgen zullen hebben, waaronder consumenten, en onder maatschappelijke organisaties die activiteiten verrichten met betrekking tot het onderwerp waarop de te stellen regels betrekking zullen hebben;

    • d. een onderbouwing van:

      • 1°. de gevolgen van de te stellen regels voor de duurzame ontwikkeling,

      • 2°. de markteffecten van de te stellen regels, en

      • 3°. andere gevolgen van de te stellen regels;

    • e. een beschrijving van de wijze waarop partijen beogen bij te dragen aan het toezicht op de naleving en de handhaving van de te stellen regels.

  • 2. De artikelen 4:1, 4:2, eerste lid, 4:3a en 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek als bedoeld in artikel 2.

  • 3. Onze Minister gaat niet over tot de beoordeling van een verzoek indien niet voldaan is aan het eerste of tweede lid, mits degene die het verzoek heeft gedaan in staat is gesteld het verzoek binnen een daarbij te stellen termijn aan te vullen.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van indiening van een verzoek.

Artikel 4 Beoordeling van een verzoek

  • 1. Onze Minister beoordeelt of het in het algemeen belang is om naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel 2 regels te stellen en houdt daarbij in ieder geval rekening met:

    • a. de mate van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de te stellen regels;

    • b. het al dan niet bestaan van minder ingrijpende alternatieven waarmee een ten minste gelijkwaardige duurzame ontwikkeling wordt gerealiseerd;

    • c. de verhouding van de gevolgen van de te stellen regels tot de te realiseren duurzame ontwikkeling.

  • 2. Regels naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel 2 worden in ieder geval niet gesteld indien:

    • a. de regels in strijd zouden zijn met een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;

    • b. de regels zouden afwijken van hetgeen in een regeling van hogere orde is geregeld;

    • c. de regels reeds bij regeling van gelijke orde kunnen worden gesteld;

    • d. de regels naar hun aard in een wet zouden moeten worden opgenomen.

Artikel 5 Advisering

Onze Minister vraagt aan een door Onze Minister te bepalen partij advies over de gevolgen van de op grond van artikel 2, eerste lid, te stellen regels voor de duurzame ontwikkeling en stelt de Autoriteit Consument en Markt in staat een advies uit te brengen over de onderbouwing van de markteffecten van de op grond van artikel 2, eerste lid, te stellen regels.

Artikel 6 Consultatie

Een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur of een regeling krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt in de Staatscourant bekendgemaakt en een ieder wordt in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over het ontwerp.

Artikel 7 Voorhang

  • 1. Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt niet eerder gedaan en een regeling krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt niet eerder vastgesteld, dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

  • 2. Onze Minister draagt er zorg voor dat het ontwerp wordt overgelegd binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in artikel 2, tenzij binnen die termijn is besloten geen regels te stellen.

  • 3. Indien het ontwerp niet binnen zes maanden wordt overgelegd of niet binnen die termijn is besloten geen regels te stellen, informeert Onze Minister de indieners van het verzoek hierover.

Artikel 8 Vrijstelling of ontheffing

  • 1. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, op aanvraag een vrijstelling of ontheffing verlenen van de regels, bedoeld in artikel 2, eerste lid, indien met de aanvraag waarvoor de vrijstelling of ontheffing wordt verleend aantoonbaar op een ten minste gelijkwaardige duurzame ontwikkeling wordt gerealiseerd.

  • 2. De aanvraag bevat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om een ten minste gelijkwaardige duurzame ontwikkeling te realiseren;

    • b. een onderbouwing van:

      • 1°. de markteffecten van de maatregelen, en

      • 2°. andere relevante gevolgen van de maatregelen.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de gegevens die bij een aanvraag worden verstrekt.

  • 4. Onze Minister beoordeelt of:

    • a. de aanvrager in voldoende mate heeft aangetoond dat een ten minste gelijkwaardige duurzame ontwikkeling wordt gerealiseerd;

    • b. de positieve gevolgen van het verlenen van de vrijstelling of ontheffing opwegen tegen de negatieve gevolgen daarvan.

  • 5. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften of voorwaarden worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend. Zij kunnen te allen tijde worden ingetrokken.

  • 6. Onze Minister doet mededeling van het verlenen of intrekken van een vrijstelling of ontheffing in de Staatscourant.

  • 7. Onze Minister beoordeelt binnen vijf jaar na verlening van de vrijstelling of ontheffing de doeltreffendheid en de effecten daarvan in de praktijk.

Artikel 9 Evaluatie gestelde regels

Onze Minister beoordeelt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de regels, bedoeld in artikel 2, eerste lid, de doeltreffendheid en de effecten daarvan in de praktijk.

Artikel 10 Verval en verlenging gestelde regels

  • 1. Een algemene maatregel van bestuur of een regeling krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2, eerste lid, bevat een tijdstip waarop de algemene maatregel van bestuur of de regeling vervalt. Dit tijdstip valt niet later dan vijf jaar na de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur of de regeling.

  • 2. De algemene maatregel van bestuur of de regeling kan eenmalig met vijf jaar worden verlengd.

  • 3. Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur tot verlenging wordt niet eerder gedaan of een regeling tot verlenging wordt niet eerder vastgesteld, dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 11 Intrekking

  • 1. Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur tot intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2, eerste lid, geschiedt niet eerder en een regeling tot intrekking van een regeling krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt niet eerder vastgesteld dan nadat Onze Minister daarover overleg heeft gevoerd met degenen die een verzoek als bedoeld in artikel 2 hebben ingediend.

  • 2. Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur tot intrekking geschiedt niet eerder en een regeling tot intrekking wordt niet eerder vastgesteld, dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

§ 3. Handhaving

Artikel 12 Toezicht

  • 1. Met het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld in artikel 2, eerste lid, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

  • 2. Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 13 Last onder bestuursdwang

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de regels, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Artikel 14 Bestuurlijke boete

  • 1. Aan degene die handelt in strijd met een in een algemene maatregel van bestuur of een regeling krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2, eerste lid, opgenomen voorschrift kan een bestuurlijke boete worden opgelegd.

  • 2. Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd. Daarbij wordt aangesloten bij het bestuurlijke boetestelsel in regelgeving over het onderwerp waarop de regels, bedoeld in artikel 2, eerste lid, betrekking hebben.

  • 3. De op grond van het tweede lid te bepalen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

§ 4. Overige bepalingen

Artikel 15 Evaluatie wet

Onze Minister zendt binnen zeven jaar na de inwerkingtreding van deze wet en daarna telkens binnen vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

§ 5. Slotbepalingen

Artikel 16 Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 17 Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

Naar boven