35 039 Voorstel van wet van de leden Wilders en De Graaf betreffende het verbod van bepaalde islamitische uitingen

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om islam te benoemen voor wat het werkelijk is en daarom een verbod in te stellen voor bepaalde uitingen van islam in de openbare ruimte.

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

De islam is geen godsdienst of levensbeschouwing, maar een gewelddadige, totalitaire ideologie.

Artikel 2

  • 1. De volgende islamitische uitingen zijn verboden:

    • a. moskeeën;

    • b. scholen;

    • c. koran;

    • d. het dragen van een boerka of een nikaab.

  • 2. Onder het eerste lid, onder a, moet ook worden verstaan elke ruimte die gebruikt wordt als islamitisch gebedshuis of gebedsruimte, tenzij dit plaatsvindt in de huiselijke sfeer.

  • 3. Alle onderwijsinstellingen zoals bedoeld in het eerste lid, onder b, waar de islamitische ideologie wordt onderwezen zijn verboden.

  • 4. De druk, distributie of verkoop van de koran zoals genoemd in het eerste lid, onder c, is verboden.

  • 5. Het dragen van een boerka of een nikaab zoals bedoeld in het eerste lid, onder d, is verboden, tenzij dit plaatsvindt in de huiselijke sfeer.

  • 6. Een ieder die deelneemt aan de uitingen zoals genoemd in het eerste lid van dit artikel onder a en b en het tweede en derde lid van dit artikel, of deze faciliteert of organiseert, is strafbaar.

  • 7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen de in het eerste lid genoemde categorieën worden uitgebreid.

Artikel 3

  • 1. Degene die handelt in strijd met artikel 2, eerste lid, onder a, b en c wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.

  • 2. Degene die handelt in strijd met artikel 2, eerste lid, onder d, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf dagen of geldboete van de tweede categorie.

  • 3. De in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c gestelde feiten zijn misdrijven.

  • 4. Het in artikel 2, eerste lid, onder d gestelde feit is een overtreding.

Artikel 4

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 5

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het verbod van bepaalde islamitische uitingen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Naar boven