34 960 XIII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (XIII), de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2018 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

Nr. 4 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 4 juni 2018

De vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 12 juni 2018 voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Bij brief van 3 juli 2018 zijn ze door de Minister van Economische Zaken en Klimaat beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Diks

De adjunct-griffier van de commissie, Kruithof

Vraag 1

Kunt u aangeven hoe het staat met de voorbereiding van de invoering van de CO2-heffing voor de elektriciteitssector vanaf 2020 door de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)?

Antwoord

In het regeerakkoord is afgesproken dat er per 2020 een minimum CO2-prijs wordt ingevoerd voor de elektriciteitsproductie die oploopt naar € 43/ton CO2 in 2030. De prijs bestaat uit een combinatie van de CO2-prijs die volgt uit het Europese systeem voor emissiehandel (ETS) en een aanvullende nationale heffing. De Staatssecretaris van Financiën en ik werken momenteel aan de uitvoering van de minimum CO2-prijs tot een concept wetsvoorstel, met als uitgangpunt invoering per 2020. Wij laten hiervoor een onderzoek uitvoeren naar de effecten van de introductie van de minimum-CO2-prijs bij elektriciteitsopwekking in combinatie met het verbod op het gebruik van kolen voor de elektriciteitsopwekking. Het onderzoek kijkt onder meer naar het effect op CO2-uitstoot, import- en export van elektriciteit, de energieleveringszekerheid als ook de positie van de gascentrales. De resultaten van het onderzoek zullen in de zomer worden gedeeld met uw Kamer. Mede op basis van dit onderzoek zullen de Staatssecretaris van Financiën en ik verdere stappen zetten in de uitwerking van de minimum CO2-prijs.

Vraag 2

Wanneer wordt bekend wat de uitsplitsing is van het gereserveerde geld voor een regiofonds/toekomstperspectief voor de regio Groningen? Wat is het verband tussen dit fonds en het meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen wat wordt gefinancierd vanuit de gasbaten en wat zijn de verschillen tussen deze fondsen?

Antwoord

In de voorjaarsnota is een reservering voor «Groningen» opgenomen. Het verschil is dat dit geld onder andere bedoeld voor een regiofonds/toekomstperspectief voor de regio Groningen, organisatiekosten en overige risico’s. Omdat deze kosten nog onderwerp zijn van gesprekken met externe partijen, kan dit bedrag op dit moment niet nader worden uitgesplitst. Ik streef er naar deze gesprekken op korte termijn af te ronden, waarna het bedrag kan worden uitgesplitst.

In het meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen aan de andere kant zijn de middelen weergeven die in 2016 (o.a.) vanuit de aardgasbaten beschikbaar zijn gemaakt voor het programma «Kansrijk en Aardbevingsbestendig Groningen». Vanuit dit programma zijn middelen beschikbaar voor: de waardevermeerderingsregeling bij schade, de verduurzaming bij versterken, het scholenprogramma, de inzet ten behoeve van de woningmarkt, de compensatie van provincie en gemeenten voor extra kosten ten gevolge van aardbevingen en het onderzoek-, werk-, en apparaatsbudget van de NCG.

Vraag 3

Hoeveel ambtenaren (uitgedrukt in fte) zijn er werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat? Hoeveel daarvan houden zich bezig met klimaat en energie? Hoeveel met gaswinning? Hoeveel ambtenaren houden zich specifiek bezig met de gaswinning in Groningen? Kunt u een overzicht geven per afdeling van het Ministerie?

Antwoord

Er werken in totaal ca. 6500 (fte) ambtenaren bij het Ministerie van EZK. Dit is inclusief de diensten en agentschappen. Daarvan voeren de agentschappen RVO en DICTU ook werkzaamheden uit voor andere ministeries. Ook verschillende (staf)directies voeren werkzaamheden uit voor het Ministerie van LNV.

Binnen het kerndepartement houden ca. 170 (fte) ambtenaren zich bezig met energie en/of klimaat. Daarnaast wordt door verschillende stafdirecties ondersteuning verleend op dit gebied. De precieze inzet vanuit de stafdirecties voor deze verschillende onderwerpen is niet eenduidig te kwantificeren. Bij de diensten en agentschappen houden ca. 430 (fte) ambtenaren zich bezig met energie en/of klimaat (waaronder de NEa – ca. 55 fte, SodM – ca. 75 fte en RVO – ca. 300 fte).

Binnen het kerndepartement houden ca. 40 (fte) ambtenaren zich bezig met gaswinning; waarvan ca. 15 (fte) ambtenaren met de gaswinning in Groningen. Naast de gaswinning worden de werkzaamheden met betrekking tot de gevolgen van gaswinning binnen het kerndepartement voor een groot gedeelte uitgevoerd door de NCG (Nationaal Coördinator Groningen, ca. 157 fte) en de project-DG Groningen Bovengronds (ca. 14 fte).

Vraag 4

Wat is de voortgang van de gesprekken met betrekking tot de klimaatkopgroep en het emissiereductiedoel van 55% in 2030?

Antwoord

Nederland werkt met andere ambitieuze landen in de EU, te weten Frankrijk, Luxemburg, Zweden, Finland en Portugal, samen aan de ophoging van de EU-doelstelling voor broeikasgasreductie. Doel is een krachtige lobby op te zetten voor het zo ver mogelijk ophogen van het EU-klimaatdoel. Nederland zet daarbij in op ophoging van het bestaande reductiedoel voor 2030 van ten minste 40% CO2-reductie ten opzichte van 1990 naar 55% CO2-reductie. In mijn brief van 28 maart jl. (Kamerstuk 21 501-08, nr. 717) heb ik u hierover geïnformeerd en mede ook n.a.v. vragen in het kader van het Schriftelijk Overleg over de Energieraad van 11 juni jl. in Luxemburg.

Op 25 april jl. zijn vertegenwoordigers van Finland, Zweden, Duitsland, Luxemburg en Portugal op uitnodiging van Minister Hulot in Parijs bijeengekomen om onder andere het belang van een ambitieuze langetermijnklimaatstrategie voor de EU richting 2050, inclusief tussendoelen, te bespreken. Een voorstel voor een dergelijke strategie wordt in november door de Europese Commissie uitgebracht. Ook is stilgestaan bij COP24 en hoe in het kader van de Talanoadialoog tot een ambitieuze EU-inzet te komen.

Daarnaast heb ik in mei tijdens de Clean Energy Ministerial in Kopenhagen aandacht gevraagd voor het ophogen van het EU-klimaatdoel en heb ik met verschillende collega’s gesproken over concrete beleidsmaatregelen. Nederland is tijdens deze ministeriële bijeenkomst officieel toegetreden als lidstaat tot de CEM en ik wil ook via dit verband op mondiaal niveau samenwerken op de uitrol van schone energietechnologieën.

Tevens heeft de Green Growth Group, een groep van ambitieuze landen op het terrein van klimaat in de EU, op 25 juni jl. een verklaring uitgebracht waarin de Europese Commissie wordt opgeroepen om in de komende langetermijnstrategie onder andere een scenario te ontwikkelen om in 2050 op nul emissies uit te komen en aan te geven wat dit betekent voor het ingroeipad. Op deze manier biedt de publicatie van de EU langetermijnstrategie later dit jaar een goed aanknopingspunt om over verdere ophoging van het 2030 reductiedoel te spreken.

Vraag 5

Kunt u toelichten waarom in 2020 en 2021 hogere uitgaven worden verwacht ten aanzien van Emissions Trading Scheme (ETS)-compensatie? Gaat u met de niet gebruikte middelen van het totale budget ETS-compensatie de tijdelijke onttrekking uit de reserve duurzame energie compenseren?

Antwoord

De prognose van de uitgaven voor de subsidieregeling van de indirecte emissiekosten ETS wijkt af van de reeks in de begroting. Voor de jaren 2020 en 2021 is de verwachting dat door een stijging van de ETS-prijs de subsidie uitkeringen hoger zullen uitvallen. Daarom wordt met deze kasschuif budget van 2018 naar 2020 en 2021 verschoven.

Voor de compensatie van de tijdelijke onttrekking uit de reserve duurzame energie zijn bij de voorjaarsnota in 2015 al middelen in de begroting vrijgemaakt. Hiervoor hoeven in de toekomst dus geen middelen te worden ingezet die resteren van de subsidieregeling van de indirecte emissiekosten ETS.

Vraag 6

Op welke manier worden op de lange termijn de lagere baten, of een compleet wegvallen van de baten, van de gaswinning opgevangen?

Antwoord

In de begrotingscyclus zal steeds een weergave van de meest recente geraamde aardgasbaten worden opgenomen. Daarbij geldt dat budgettaire gevolgen van besluiten over het volume van gaswinning worden ingepast in het uitgavenkader. Bij de meerjarige budgettaire verwerking is uitgegaan van het basispad van het Kabinet uit de Kamerbrief van 29 maart jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 457).

Vraag 7

Kan er uit de tabel over de budgettaire gevolgen van beleid (goed functionerende economie en markten) worden geconcludeerd dat er in 2018 geen mutaties hebben plaatsgevonden in het budget van de Autoriteit Consument en Markt (ACM)?

Antwoord

Ja, die conclusie kan worden getrokken voor zover het de uitgaven van de raad van bestuur betreft (ZBO ACM), die geraamd worden op beleidsartikel 1 (Goed functionerende economie en markten). Wel hebben er mutaties plaatsgevonden op de raming voor de organisatie ACM (geraamd op artikel 40). Deze maken onderdeel uit van de mutaties op personele uitgaven en materiële uitgaven. Voor de organisatie zijn mutaties doorgevoerd van in totaal –€ 2 mln in 2018 oplopend tot –€ 3,5 mln in 2020 en verder.

Vraag 8

Kan er gespecificeerd worden waar de ontvangsten van de ACM (€ 162.000) uit bestaan?

Antwoord

De ontvangsten ZBO ACM zijn het aandeel uit de ontvangsten ACM uit de markt (verantwoord op artikel 40) dat gebruikt wordt voor dekking van een deel van de personeelskosten van het ZBO ACM.

Vraag 9

Wat is de verklaring voor het niet via de Managementautoriteit (MA) kunnen uitbetalen van de Interreg cofinancieringsmiddelen à € 4,1 miljoen?

Antwoord

Voor de in Lille gevestigde Managementautoriteit bleek dat een bevoegdheid in het Nederlandse recht niet voldoende is om over te kunnen gaan tot uitbetaling van de cofinanciering. Het betreft hierbij specifiek een conflict met het Franse recht, waardoor het probleem alleen in het Interreg-V programma Twee Zeeën speelt.

Vraag 10

Heeft de hieraan gekoppelde maatwerkbeschikking dan wel regel ter beschikking tot gevolg dat andere MA's mogelijk meer projecten kunnen financieren dan zij hadden voorzien? Zo ja, is het cofinancieringsbedrag gekoppeld aan Interreg-projecten of kan het ook ingezet worden voor Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)-projecten?

Antwoord

Nee. Het cofinancieringsbudget blijft gekoppeld aan het INTERREG V-programma Twee Zeeën. Het enige verschil is dat met de maatwerkbeschikkingen en aanpassing in de Regeling Europese EZ-subsidies (REES) de projecten binnen dit programma via een andere procedure cofinanciering ontvangen.

Vraag 11

Hoe is de terugontvangst van € 2 miljoen uit het Interreg IVa programma Duitsland-Nederland (2007–2013) te verklaren? Kunnen deze middelen worden ingezet ten behoeve van de versterking van het huidige Interreg programma Duitsland–Nederland?

Antwoord

Voor de programmaperiode 2007–2013 was € 17,8 mln rijks-cofinanciering beschikbaar voor het Interreg IVa programma Duitsland-Nederland. Voor de uitvoering van de projecten binnen dit programma bleek niet alle rijks-cofinanciering nodig omdat andere partijen meer cofinanciering leverden dan voorzien. Van deze meevaller wordt € 1 mln ingezet aan EFRO-rijkscofinancierinig voor de ondersteuning van smart industry initiatieven zoals bijvoorbeeld het Vanguard Initiative en € 1 mln voor het beleidsbudget voor Groene Groei en Biobased Economy.

Vraag 12

Klopt de constatering uit de tabel over de budgettaire gevolgen beleid (toekomstfonds), dat er in totaal € 53.192.000 is geïnvesteerd vanuit het Dutch Venture Initiative (DVI)/ Fund of Funds?

Antwoord

Nee. Het betreffende bedrag in de budgettaire tabel betreft de raming van het budget dat beschikbaar is in 2018 voor de Rijksuitgaven aan DVI en DVI-II. Het geconsolideerde jaarverslag van DVI en DVI-II geeft informatie over de investeringen vanuit DVI en DVI-II. Dit zal in het vierde kwartaal ter informatie aan de Tweede Kamer worden gezonden.

Vraag 13

Wat is het aandeel van het Dutch Venture Initiative (I en II) in de genoemde «volledig revolverende» fondsen en «gedeeltelijk revolverende» fondsen?

Antwoord

Het Dutch Venture Initiative (DVI en DVI-II) maakt alleen onderdeel uit van de volledig revolverende instrumenten. In totaal is voor Dutch Venture Initiative € 130 mln vanuit de Rijksbegroting toegezegd en voor DVI-II € 100 mln. Deze toezeggingen worden meerjarig uitgefinancierd op basis van de liquiditeitsbehoefte van DVI en DVI-II.

Vraag 14

In welke Nederlandse private equity fondsen zijn er middelen vanuit DVI (I en II) toegezegd en wat is het bedrag daarvan?

Antwoord

De DVI en DVI-II fondsen staan in onderstaande tabel vermeld met de toegezegde bedragen, die deels ook uit het Europees Investeringsfonds komen.

Fondsnaam DVI en DVI-II

Toegezegde bedrag in mln €

(per 31-12-2017)

FundsAglaia Oncology Fund II

5,0

Endeit Fund II Coöperatief U.A.

20,0

European Angels Fund S.C.A. SICAR – EAF

45,0

Forbion Capital Fund III

10,0

Gilde Healthcare III

8,0

Gilde Healthcare Services II

15,0

Henq III

12,5

HPE Institutional Fund II

15,0

Karmijn Kapitaal

5,0

Keen Venture Partners Fund LP

11,5

LSP V – Life Sciences Partners V

15,0

Newion Investments II

5,0

Prime Ventures IV

20,0

SET Fund II

6,0

BioGeneration Capital Fund III

15,0

Finch Capital Fund II Coöperatief U.A.

20,0

Gilde Healthcare IV

13,0

Karmijn Kapitaal Fund II

12,5

Totaal

253,5

Vraag 15

Wanneer wordt het totaalplaatje aan kosten en baten die gemoeid zijn met de beëindiging van de gaswinning in Groningen beschikbaar gesteld aan de Kamer?

Vraag 16

Op welke wijze wordt de verrekening van de kosten en baten die gemoeid gaan met de beëindiging van de gaswinning in Groningen zichtbaar in de begrotingsstukken?

Vraag 17

Kunt u een overzicht geven van de concrete kosten en baten die worden meegenomen in de verrekening die gemoeid gaat met de beëindiging van de kosten en baten in Groningen?

Antwoord vraag 15, 16 en 17

Bij de meerjarige budgettaire verwerking is uitgegaan van het basispad van het Kabinet uit de Kamerbrief van 29 maart jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 457). Op dit moment zijn er nog lopende discussies over schadeafhandeling en versterking en wordt in dat verband ook nog een advies van de Mijnraad verwacht. Daardoor is nog geen betrouwbare raming te geven van de toekomstige kosten. Er zijn dus geen gewijzigde inzichten opgenomen in de ramingen van de Voorjaarsnota 2018, maar deze zullen, zodra er een betrouwbare raming is, worden verwerkt.

Vraag 18

In hoeverre is bij de raming van de ontvangsten uit aardgasbaten rekening gehouden met Kamerbrief 33 529, nummer 474, over de verwachte snellere afbouw van de gaswinning uit het Groningerveld?

Antwoord

Mogelijke aanpassing van het basispad van het Kabinet, zoals besproken in de brief van 6 juni jl. (Kamerstuk33 529, nr. 474), is pas aan de orde zodra de onderliggende maatregelen daadwerkelijk zeker gesteld zijn, zowel uit oogpunt van leveringszekerheid als in economische, juridische en technische zin. De reductiemaatregelen die in onderzoek zijn zullen naar verwachting niet eerder dan het gasjaar startende in oktober 2019 kunnen aangrijpen.

Vraag 19

Kunt u aangeven waarom de verhoging van het Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)-budget wordt gefinancierd met middelen uit de SDE+ en niet met middelen uit de reserve duurzame energie gezien die reserve deels gevuld is met nog onbestede middelen uit de SDE?

Antwoord

De uitgaven voor duurzame energie verlopen via een aantal instrumenten en deelinstrumenten op de EZK-begroting. Deze (deel)instrumenten zijn gegroepeerd weergegeven in de budgettaire tabel. Als het totaal van de in enig jaar beschikbare middelen hoger is dan de in dat jaar gerealiseerde uitgaven, dan wordt aan het einde van het jaar het (per saldo) niet uitgegeven deel gestort in de begrotingsreserve duurzame energie. Als het totaal van de beschikbare middelen lager is dan de gerealiseerde uitgaven wordt er een beroep gedaan op de begrotingsreserve om het tekort aan te zuiveren. Dit betekent dat als er sprake is van tekorten op (deel)instrumentniveau, maar niet op totaalniveau, volstaan wordt met verschuivingen tussen (deel)instrumenten.

Vraag 20

Welke maatregelen worden getroffen, met het oog op het halen van de doelen uit het Energieakkoord, gelet op het feit dat het aangevraagd SDE+ budget van de voorjaarsronde van 2018 onder het maximumbedrag lag?

Antwoord

Alle mogelijkheden om de doelen uit het Energieakkoord te behalen werden en worden verkend, onderzocht en waar mogelijk benut. Op zich is dat niet veranderd door het gegeven dat het budget van de voorjaarsronde 2018 niet is uitgeput. Over deze onderuitputting van het budget van de voorjaarsronde zal ik, op verzoek van de vaste commissie voor EZK, uw Kamer op korte termijn een nadere analyse toezenden.

In principe zou het mogelijk zijn om voor volgende openstellingsrondes ruimere budgetten beschikbaar te stellen, maar juist de voorjaarsronde laat zien dat niet de omvang van budget bepalend is voor het succes, maar de beschikbaarheid van initiatieven in de markt. Voor de najaarsronde 2018 en volgende rondes wordt dan ook gekeken hoe daar zo goed mogelijk op in kan worden gespeeld, bijvoorbeeld door de timing en duur van een openstelling.

Vraag 21

Klopt het dat de meevallers uit de Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP)-regeling eerder werden toegevoegd aan de reserve duurzame energie, in de voorjaarsnota worden deze toegevoegd aan de SDE+? Zo ja, is hiervoor een reden?

Is het mogelijk om de reserve duurzame energie toe te voegen aan het SDE+ budget?

Antwoord

De geraamde meevaller 2018 bij de MEP wordt bij de voorjaarsnota (voorlopig) toegevoegd aan de SDE+. Mocht na afloop van het jaar blijken dat deze middelen ook daar niet tot uitbetaling zijn gekomen, dan zullen ze alsnog worden toegevoegd aan de begrotingsreserve duurzame energie (zie ook het antwoord op vraag 19). Via de begrotingsreserve blijven niet uitgegeven middelen beschikbaar voor uitgaven in latere jaren aan vertraagde projecten of vervangende nieuwe projecten. Om ze in te zetten voor vervangende nieuwe projecten moeten deze middelen – ook als zij oorspronkelijk afkomstig zijn uit de MEP – ingezet worden via de SDE+.

Vraag 22

Waarom verwacht Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in 2018 verliesdeclaraties op basis van de garantieregeling geothermie? Wanneer wordt duidelijk hoeveel hiervoor daadwerkelijk uitgekeerd moet worden en waarom wordt er uitgegaan van een benodigd budget van € 6 miljoen?

Antwoord

Dit betreft een inschatting van RVO op basis van de huidige projecten portfolio aan uitstaande garanties. Eind dit jaar zal duidelijk zijn hoeveel er daadwerkelijk uitgekeerd zal worden.

Vraag 23

Hoe komt het dat de geraamde storting veel lager is dan de geraamde onttrekking bij de begrotingsreserve Aardwarmte?

Antwoord

De begrotingsreserve voor de garantieregeling Aardwarmte is bedoeld om het budget voor het mogelijk uitbetalen van verliesdeclaraties meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten (premies) en uitgaven (verliesdeclaraties) op te vangen.

Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Aardwarmte betalen marktpartijen een kostendekkende premie aan de uitvoerder van de regeling (RVO.nl) die wordt gestort in de begrotingsreserve. De geraamde storting van € 2,3 mln in de reserve is dus gebaseerd op de premies die dit jaar door de partijen naar verwachting zullen worden betaald. De geraamde onttrekking van € 6 mln betreft de te verwachten verliesdeclaraties die in 2018 uitbetaald dienen te worden. Gezien de doorlooptijden van geothermieprojecten zijn de geraamde inkomsten en uitgaven in enig jaar vrijwel nooit gelijk. De begrotingsreserve is bedoeld om deze mismatch in de tijd te kunnen opvangen.

Vraag 24

Waarom zijn niet alle middelen voor het meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen benut?

Antwoord

Dat de voor het Meerjarenprogramma NCG beschikbaar gestelde middelen niet altijd volledig benut zouden worden in het ritme waarop zij waren begroot, was voorzien bij de vorming van deze envelop. Het begrotingsartikel voor het Meerjarenprogramma NCG kent daarom een 100% eindejaarsmarge, wat inhoudt dat budget dat in een bepaald jaar niet wordt uitgeput kan worden meegenomen naar volgende jaren. Op deze wijze heeft het Kabinet rekening gehouden met de complexe en deels onvoorspelbare opgave waar de NCG voor staat en is de nodige flexibiliteit geboden zodat het budget optimaal kan worden aangewend (Kamerstuk 33 529, nr. 256). De middelen die niet zijn uitgeput worden telkens bij 1e suppletoire begroting weer toegevoegd aan artikel 5 en in een geactualiseerd ritme over de komende jaren verdeeld.

Het verschil tussen de begroting en de realisatie in 2017 is voor een belangrijk deel terug te voeren op de waardevermeerderingsregeling, die is gekoppeld aan de afhandeling van schade. In afwachting van besluitvorming over een nieuw schadeprotocol zijn er na 31 maart 2017 geen nieuwe schademeldingen afgehandeld, waardoor ook de uitgaven aan de waardevermeerderingsregeling lager zijn uitgevallen en het eerste voorschot van € 30 mln aan SNN voldoende bleek te zijn. Daarnaast is in 2017 de oprichting van het woonbedrijf voorbereid in de vorm van zijn voorloper, de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI). De oprichting hiervan zal naar verwachting dit jaar plaatsvinden.

De in 2017 gereserveerde de middelen voor de verduurzaming van woningen vallen niet onder de 100% eindejaarsmarge, maar blijven wel behouden om benut te worden in 2018 daarna. Op 16 mei 2018 is hiertoe de nieuwe regeling «energiebesparing woningen bouwkundig versterkingsprogramma Groningenveld» gepubliceerd in de Staatscourant, waarmee de woningen die versterkt worden in aanmerking komen voor een verduurzamingsubsidie tot € 7.000. De meerjarig beschikbare middelen voor het Scholenprogramma zijn niet meer zichtbaar in de begroting van het Ministerie van EZK. Deze middelen, met een totale omvang van € 73,5 miljoen (€ 50 miljoen van OCW en € 23,5 miljoen van EZK), zijn overgeheveld naar het Gemeentefonds en op die manier direct beschikbaar voor de deelnemende gemeenten en scholenbesturen.

Vraag 25

Kan gespecifieerd worden waar het totale werkbudget van artikel 5 onder het kopje «opdrachten» aan wordt uitgegeven?

Antwoord

Het werkbudget van artikel 5 onder het kopje opdrachten (€ 8,564 mln) wordt uitgeven aan:

Hoofdactiviteit

Bedrag (€ x 1.000)

Publieke regie op versterken (gebiedsgericht werken, validatie e.d.)

2.223

Schadeafhandeling (o.a. financiering Arbiter Bodembeweging en de Onafhankelijke Raadsman)

1.550

Erfgoedprogramma

550

Zorgprogramma

300

Industrie programma

800

Ondersteuning maatschappelijke organisaties (Veiligheidsregio, Stut en Steun en overige maatschappelijke organisaties)

2.400

Communicatie (uitbestede kosten)

428

Overig

313

Totaal

8.564

Vraag 26

Op basis van welke cijfers en indicatoren is de raming van de ontvangsten uit de markt van de ACM verlaagd met € 7,5 miljoen?

Antwoord

De ramingen zijn aangepast op basis van de feitelijke ontvangsten uit de markt in de afgelopen jaren en de verwachting voor komende jaren. De tekorten zijn in afwachting van uitwerking Regeling doorberekening kosten ACM die vanaf 2015 van kracht is, incidenteel in de uitvoeringsjaren opgevangen. Vanaf 1e suppletoire begroting 2018 is de ontvangstraming structureel bijgesteld.

Naar boven