34 960 B Wijziging van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2018 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

Nr. 3 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 26 juni 2018

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 13 juni 2018 voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bij brief van 25 juni 2018 zijn ze door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Ziengs

Adjunct-griffier van de commissie, De Vos

1

Wat zijn de verwachte extra kosten voor gemeenten als gevolg van de nieuwe loonschaal Wmo huishoudelijke hulp? Kunnen deze kosten worden gesplitst in de kosten voor dit jaar en voor de komende vijf jaar? Hoe worden gemeenten hiervoor gecompenseerd?

Antwoord:

De kosten vanuit de nieuwe loonschaal kunnen verschillen per aanbieder en per gemeente. Over de financiering van de nieuwe loonschaal voor huishoudelijke hulp is uitvoerig overleg geweest met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De kosten voor de nieuwe loonschaal Wmo huishoudelijke hulp maken onderdeel uit van de afspraken die parallel aan het IBP zijn gemaakt.

2

Hoe verhouden de beschikbare middelen in het gemeentefonds voor de verschillende decentralisaties zich tot de doelstellingen waar het geld voor geoormerkt is? Op welke punten zijn er knelpunten (wachtlijsten, tekorten et cetera)? Kan dit per decentralisatie worden gespecificeerd?

Antwoord:

In de afgelopen jaren zijn diverse taken van het Rijk incidenteel of structureel gedecentraliseerd naar lokale overheden. Soms zijn er ook taken gecentraliseerd. De Staatssecretaris van Financiën heeft in zijn brief van 4 december 2017 (Kamerstukken II, 2017–2018, 34 775-IX nr. 11) inzichtelijk gemaakt welke taken sinds 2008 structureel zijn overgegaan naar gemeenten en een omvang hebben groter dan € 10 mln. per jaar.

Bij elke decentralisatie wordt bezien hoeveel middelen overgeheveld zouden moeten worden om deze nieuwe taken uit te voeren. Waar mogelijk gebeurt dat in afstemming met de decentrale overheden of de koepelorganisaties (VNG, IPO). Omdat het voor decentrale overheden om nieuwe taken en nieuwe middelen gaat kan niet gezegd worden dat ze gekort worden. Wel kan het zijn dat ze voor deze nieuwe taken minder middelen ontvangen dan voor de decentralisatie met de vergelijkbare taken waren gemoeid. Daarbij speelt mee dat taken voor en na decentralisaties niet altijd aan elkaar gelijk zijn of dat gedecentraliseerde taken soms op een andere wijze worden uitgevoerd dan voorheen, bijvoorbeeld door ontschotting van beleidsterreinen (integraal beleid). In zulke gevallen leveren decentralisaties het Rijk een besparing op. Voor de decentralisaties jeugd, maatschappelijke ondersteuning en participatie van 2015 geldt dat op boven beschreven manier besparingen zijn gerealiseerd.

Dat neemt niet weg dat er op het niveau van individuele gemeenten sprake kan zijn van knelpunten op specifieke dossiers of op de stapeling van taken. Voor het sociaal domein heeft het Ministerie van BZK een verdeelonderzoek in voorbereiding. Daarnaast zijn het Rijk en de VNG overeengekomen om een tijdelijke voorziening te treffen voor gemeenten die tekorten ervaren. De middelen voor deze tijdelijke voorziening (€ 200 mln. in 2018) zijn gelijkelijk opgebracht door de gemeenten en het Rijk. Naast deze voorziening is, uit hoofde van het regeerakkoord en eerdere afspraken, drie maal € 36 mln. beschikbaar voor het transformatiefonds jeugd.

Naar boven