34 625 Voorstel van wet van het lid Van Vliet tot wijziging van onder andere de Comptabiliteitswet 2001 en de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met het verlagen van het aantal kandidaten op aan de Tweede Kamer toe te zenden aanbevelingslijsten ten behoeve van de benoeming van leden van de Algemene Rekenkamer en de Hoge Raad der Nederlanden, en van de Wet Nationale ombudsman in verband met het stellen van de ambtstermijn van de Kinderombudsman en de Veteranenombudsman op zes jaren

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Met dit initiatiefwetsvoorstel geeft de initiatiefnemer uitvoering aan een tweetal aanbevelingen van de werkgroep Benoemingen en Voordrachten van de Tweede Kamer (hierna: de werkgroep).1 Daarbij wordt voorgesteld een minimumaantal van drie kandidaten te vermelden op aanbevelingslijsten ten behoeve van voordrachten voor benoemingen van leden van de Algemene Rekenkamer en de Hoge Raad der Nederlanden, alsmede om de ambtstermijn van de Kinderombudsman en de Veteranenombudsman vast te stellen op zes jaren.

2. Voorgeschiedenis

De voornoemde werkgroep werd op 11 februari 2015 ingesteld door het presidium van de Tweede Kamer, waarbij een van de opdrachten was te onderzoeken of de wettelijke bepalingen rondom de verschillende benoemingen en voordrachten waarbij de Tweede Kamer betrokken is, konden worden geharmoniseerd en wellicht gemoderniseerd.

De werkgroep heeft eerst schriftelijk informatie ingewonnen bij de verschillende betrokken Kamercommissies over hun ervaringen met de voordrachts- en benoemingsprocedures. Daarna heeft de werkgroep (vertrouwelijke) gesprekken gevoerd met de vicepresident van de Raad van State, de waarnemend president van de Algemene Rekenkamer, de president van en de procureur-generaal bij de Hoge Raad en met de Nationale ombudsman.

De werkgroep heeft vervolgens in december 2015 haar rapport opgeleverd.2 Daarin heeft zij onder andere de in de Kamer gevolgde procedures bij benoemingen en voordrachten geschetst, en een aantal aanbevelingen gedaan. Een aantal daarvan wordt intern in de Tweede Kamer opgepikt. De boven in de inleiding genoemde twee aanbevelingen vereisen echter een wetswijziging, waarvan de initiatiefnemer, tevens voorzitter van de voormalige werkgroep, de uitwerking op zich heeft genomen.

3. Wettelijk kader

Ingevolge de wet doet de Tweede Kamer voordrachten aan de regering ten behoeve van de benoeming van leden van de Hoge Raad der Nederlanden en van de Algemene Rekenkamer, voordrachten aan de Ministers van Algemene Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Defensie, ten behoeve van de benoeming van leden van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD), en benoemt zij zelf de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen (waaronder die welke de functie van Kinderombudsman en Veteranenombudsman vervullen).3 Ten behoeve van die voordrachten en benoemingen ontvangt de Tweede Kamer steeds aanbevelingslijsten van betrokken instanties, waarbij het aantal kandidaten dat op de aanbevelingslijst moet worden gemeld, wisselt tussen zes (Hoge Raad en Algemene Rekenkamer) en ten minste drie (CTIVD, Nationale ombudsman en substituut-ombudsmannen).4

Voorts is in de wet geregeld dat de Nationale ombudsman wordt benoemd voor een periode van zes jaren, en dat de substituut-ombudsmannen (waaronder die welke de functie van Kinderombudsman of Veteranenombudsman vervullen) worden benoemd voor de duur van de ambtstermijn van de ombudsman op wiens verzoek zij worden benoemd, vermeerderd met een jaar.5

4. Aanbevelingslijsten ten behoeve van voordrachten

De werkgroep is tot de conclusie gekomen dat de huidige systematiek waarbij bij vacatures in de Algemene Rekenkamer en de Hoge Raad de genoemde aanbevelingslijst van zes personen openbaar wordt gemaakt, ook al worden slechts drie van hen uiteindelijk op de voordracht door de Kamer geplaatst, een afbreukrisico veroorzaakt voor kandidaten die niet op de voordracht komen te staan. Kandidaten die wel op de voordracht worden geplaatst maar niet als eerste worden vermeld of niet worden benoemd, ondervinden eveneens een afbreukrisico, dat echter geringer is aangezien zij wel geschikt zijn bevonden.

De indiener vermoedt met de werkgroep, daarin gesteund door degenen die de werkgroep gehoord heeft, dat afwegingen omtrent het afbreukrisico kunnen leiden tot afzien van solliciteren. Hiervan is geen bewijs te leveren, tenzij personen dit zelf nadrukkelijk zouden verklaren, waarbij zij geen belang hebben. Dit speelt wellicht minder bij kandidaatstelling voor de Hoge Raad, waar het voorkomen op de aanbevelingslijst van oudsher betekent dat een benoeming in het verschiet ligt, maar het kan zich ook daar voordoen.

In verband hiermee wordt voorgesteld om de Comptabiliteitswet 2001 en de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren te wijzigen om de aanbevelingslijsten die de Kamer ontvangt in het kader van vacatures bij de Hoge Raad en de Algemene Rekenkamer voor wat betreft het aantal te vermelden namen te harmoniseren met die voor de Nationale ombudsman, de substituut-ombudsmannen en de CTIVD, en dus te stellen op ten minste drie. Daarbij wordt tevens een voorziening getroffen voor de toekomstige Comptabiliteitswet 2016, die op dit punt het minimumaantal te vermelden kandidaten op een aanbevelingslijst bij een vacature voor de Algemene Rekenkamer reeds terugbrengt tot «ten minste vier».6 Dit wetsvoorstel harmoniseert ook dit dus tot «ten minste drie».

Dit vermindert het aantal personen dat risico op imagoschade loopt en vermindert het risico dat potentieel geschikte kandidaten besluiten om niet te solliciteren met het oog op die imagoschade. Ook kan het voorkomen dat kandidaten zich op het laatste moment terugtrekken.

5. Benoemingsduur Kinderombudsman en Veteranenombudsman

De ambtstermijn van een substituut-ombudsman is in de Wet Nationale ombudsman dus gekoppeld aan de ambtstermijn van de Nationale ombudsman, en loopt door tot een jaar na het aflopen daarvan.7 Twee van de substituten beschikken over een eigen in de wet verankerde positie, nl. de Kinderombudsman en de Veteranenombudsman. Zij hebben dus een zelfstandige taak wat rechtvaardigt hen een zelfstandige rechtspositie te verlenen. In navolging van de werkgroep stelt de indiener dan ook voor om deze twee substituut-ombudsmannen te benoemen voor de duur van zes jaren (net als de Nationale ombudsman zelf). Hierbij is de benoeming dus niet langer gekoppeld aan die van de Nationale ombudsman. Dit staat natuurlijk los van het gegeven dat in de praktijk de Nationale ombudsman aan de voorkant een betrokkenheid houdt waar het gaat om deze 2 substituten. Per slot van rekening dient men met elkaar nauw samen te werken.

6. Uitvoering

Bij de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zullen de leden van de Algemene Rekenkamer en de Hoge Raad op de aan de Tweede Kamer toe te zenden aanbevelingslijsten ten behoeve van vacatures minimaal drie leden moeten gaan noemen. Het betreft hier een minimumaantal; indien de Algemene Rekenkamer/Hoge Raad aanleiding ziet tot de vermelding van een hoger aantal kandidaten blijft dit mogelijk.

Verder zal de benoemingsduur van de Kinderombudsman en de Veteranenombudsman dus moeten worden aangepast naar zes jaren. Hiermee zal bij de benoeming door de Tweede Kamer rekening moeten worden gehouden.

7. Financiële gevolgen

Het wetsvoorstel heeft geen financiële gevolgen.

8. Overgangsrecht

Er is een overgangsrechtelijk artikel in het wetsvoorstel opgenomen om te verduidelijken dat het wetsvoorstel geen gevolgen heeft voor bij de inwerkingtreding lopende benoemingsprocedures ten behoeve van de Algemene Rekenkamer of Hoge Raad en voor de benoemingsduur van de dan functionerende Kinderombudsman en Veteranenombudsman.

II. Artikelsgewijs

Artikelen I, III en IV

Via de artikelen I en III wordt in artikel 70, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 en artikel 5c, zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren verankerd dat een aan de Tweede Kamer toe te zenden aanbevelingslijst voor een vacature bij de Algemene Rekenkamer onderscheidenlijk Hoge Raad niet langer zes, maar ten minste drie kandidaten bevat. Het betreft hier dus een minimumaantal; indien de Algemene Rekenkamer/Hoge Raad aanleiding ziet tot de vermelding van een hoger aantal kandidaten blijft dit mogelijk.

Artikel IV biedt via een samenloopbepaling dezelfde wijziging voor de nog vast te stellen Comptabiliteitswet 2016. Daarbij is geregeld dat artikel I van dit wetsvoorstel kan komen te vervallen indien de Comptabiliteitswet 2016 in werking is getreden (en de Comptabiliteitswet 2001 in verband daarmee is ingetrokken).

Artikel II

Via dit artikel wordt in artikel 9, tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman verankerd dat substituut-ombudsmannen die de functie van Kinderombudsman of Veteranenombudsman vervullen, voor de duur van zes jaren worden benoemd. De benoemingsduur van overige substituut-ombudsmannen blijft gekoppeld aan die van de Nationale ombudsman.

Artikel V

Dit artikel biedt het in het algemeen deel, paragraaf 6, omschreven overgangsrecht (eerbiedigende werking).

Artikel VI

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het wetsvoorstel, die bij koninklijk besluit wordt geregeld.

Van Vliet


X Noot
1

Zie voor het rapport van de werkgroep Kamerstukken II 2016/17, 34 619, nr. 1. Het presidium heeft zich achter de aanbevelingen geschaard.

X Noot
2

Zie voor het rapport van de werkgroep Kamerstukken II 2016/17, 34 619, nr. 1.

X Noot
3

Zie de artikelen 77, eerste lid, 78a, tweede lid, en 118, eerste lid, van de Grondwet, en artikel 65, tweede lid van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.

X Noot
4

Zie de artikelen 70 van de Comptabiliteitswet 2001 en 5c, zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, onderscheidenlijk de artikelen 2, tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman en 65, tweede lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.

X Noot
5

Zie artikel 2, derde lid, onderscheidenlijk artikel 9, tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman.

X Noot
6

Zie Kamerstukken 34426. Het betreft artikel 7.1, vierde lid, in het gewijzigd voorstel van wet (Kamerstukken I 2016/17, 34 426, A, p. 27).

X Noot
7

Zie artikel 9, tweede lid. Zie over de koppeling met de ambtstermijn van de Nationale ombudsman o.a. Kamerstukken II, 1979/80, 14 178, nr. 5. p. 9 en 10 en over het na afloop van die termijn doorlopen met een jaar o.a. Kamerstukken II 2002/03, 28 747, nr. 3, p. 36, en Kamerstukken II 1990/91, 21 995, nr. 3, p. 4.

Naar boven