34 570 Wijziging van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de Wet dieren in verband met de herziening van het heffingenstelsel ten behoeve van de kosten van de bestrijding en het weren van besmettelijke dierziekten, zoönosen en zoönoseverwekkers (herziening heffingenstelsel Diergezondheidsfonds)

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 1 december 2016

De vaste commissie voor Economische Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave

I.

ALGEMEEN

1

1.

Doel en aanleiding

1

2.

Ontwikkeling van de financiering van maatregelen voor de preventie en de bestrijding van besmettelijke dierziekten

2

3.

Aspecten van de financiering van de maatregelen ter preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten

2

4.

Nieuw wettelijk kader

4

5.

Gevolgen voor het betrokken bedrijfsleven

5

6.

EU-aspecten

6

I. ALGEMEEN

1. Doel en aanleiding

De leden van de fracties van VVD, PvdA, CDA, ChristenUnie en PvdD hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Herziening heffingenstelsel Diergezondheidsfonds. Zij hebben naar aanleiding van dit wetsvoorstel nog een aantal vragen.

De leden van de VVD-fractie vragen of de voorgestelde wijzigingen ook daadwerkelijk de beoogde transparantie zullen bieden. Ook vragen zij of de positieve elementen niet te niet worden gedaan door uitvoeringskosten. Graag ontvangen deze leden een uitgebreide toelichting.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen een reflectie van de regering op het opheffen van de productschappen en de noodzaak van voorliggend wetsvoorstel. Vindt de regering dit wetsvoorstel een verbetering ten opzichte van de situatie dat productschappen het Diergezondheidsfonds financierden en deze taak sterker in de agrarische sector was verankerd?

2. Ontwikkeling van de financiering van maatregelen voor de preventie en de bestrijding van besmettelijke dierziekten

De leden van de VVD-fractie lezen dat de houders van dieren en de overheid een gezamenlijk belang hebben bij de preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten. Kan de regering uiteenzetten welke belangen dat zijn en hoe deze geborgd zijn?

De aan het woord zijnde leden vragen wat het nut en de noodzaak is van de aanpassing van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) en waarom de op de Gwwd gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, te weten het Besluit heffing bestrijding dierziekten en het Besluit heffing preventie dierziekten, niet zouden functioneren.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom er gekozen is voor een stelsel waarbij de lusten (ontwikkeling van de sector, winst voor de ondernemer) voor het individu/de sector zijn, maar als het mis gaat (grote uitbraak van een zoönose) de kosten door de samenleving moeten worden gedragen. Deze leden begrijpen dat bij een uitbraak de gevolgen (onder meer financieel) voor de sector erg groot zijn. Zit de oplossing dan echter niet in het verlagen van de kans op een uitbraak door een vermindering van het aantal dieren in Nederland?

3. Aspecten van de financiering van de maatregelen ter preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten

3.1 Maatregelen ter bestrijding en preventie van dierziekten

De leden van de VVD-fractie stellen dat ongediertebestrijding een belangrijk onderdeel van de preventie van dierziekten is. De aan het woord zijnde leden willen graag weten op welke wijze de huidige «Integrated Pest Management» past bij het risico van het overbrengen van dierziekten en andere ziekten door de enorme toename van ongedierte. Op welke manier hebben houders van dieren invloed op het beleid, zoals bijvoorbeeld ongedierte bestrijding, voorzorgsmaatregelen tegen uitbraken van ziekten enzovoort?

Deze leden merken op dat een aantal maatregelen die de overheid neemt, niet primair gericht zijn op preventie maar andere maatschappelijke belangen dienen. Op welke wijze gaat deze wetswijziging ervoor zorgen dat naast de beoogde transparantie ook maatregelen om dierziekten te voorkomen primair gericht zijn op preventie en het tegengaan van ziekte-uitbraak?

De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de huidige inrichting van de veehouderij, de bioindustrie, met haar hoge aantallen op elkaar gepropte kwetsbare dieren en dieronvriendelijke stalsystemen zorgt voor dierziektencrises, risico’s voor de volksgezondheid, milieuvervuiling, aantasting van de natuur en grote misstanden op het gebied van dierenwelzijn. De inrichting van een Diergezondheidsfonds, waaruit de kosten worden betaald die worden veroorzaakt door de uitbraak van besmettelijke dierziekten, zoönosen en zoönoseverwekkers, is weggegooid geld zolang de oorzaak van de dierziektenuitbraken, namelijk de bioindustrie, in stand wordt gehouden. Graag ontvangen deze leden een reactie hierop.

De aan het woord zijnde leden willen van de regering weten hoe zij concreet de uitbraken van besmettelijke dierziekten, zoönosen en zoönoseverwekkers denkt te voorkomen als zij blijft «dweilen met de kraan open» door het huidige verziekte veehouderijsysteem in stand te houden. Op welke wijze en op welke termijn wil de regering toewerken naar een veehouderij die er niet meer voor zorgt dat dierziekten en zoönosen zo snel ontstaan, en een bedreiging vormen voor dier en mens?

3.2 Het Diergezondheidsfonds

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de bijdrage aan het Diergezondheidsfonds nu verhoudingsgewijs verdeeld is over het Rijk, het bedrijfsleven en de Europese Unie. Hoe lost de regering de aanzienlijke budgettaire risico’s van het Rijk op? Wat zijn de bijdragen van respectievelijk het Rijk en de Europese Unie (EU) de afgelopen tien jaar geweest aan de dierziektencrises die er in ons land geweest zijn? In welke verhouding staat dat tot de bijdrage van de veehouderijsectoren zelf?

3.3 Bijdragen van de sector

De leden van de VVD-fractie vragen of dit wetsvoorstel in overeenstemming is met het convenant Diergezondheidsfonds. In het Diergezondheidsconvenant zijn afspraken gemaakt tussen sector en overheid. Is deze wetswijziging besproken met de convenantpartners? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunnen alle partners zich hierin vinden? Zo nee, waar wijkt deze af? Kan de regering motiveren waarom hiervan wordt afgeweken?

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de hoogte van het plafondbedrag is waarboven de kosten niet langer door de sector maar door het ministerie gedragen worden. In welke jaren is sinds 1998 het plafond overschreden? Wat waren de totale kosten van deze overschrijding? Is er eveneens een plafond voor de maximale kosten die de overheid bijdraagt? Zo ja, wat is dit plafond? Zo nee, waarom niet?

De leden van de CDA-fractie willen graag een overzicht ontvangen van de wijzigingen en aanpassingen in deze wet en haar uitvoering ten opzichte van de afspraken gemaakt in de diverse convenanten met de productschappen. Op welke punten worden de convenanten met het bedrijfsleven ten tijde van de productschappen niet gevolgd? Is dit met instemming van het bedrijfsleven gedaan?

Deze leden vragen of er dit moment bezwaar- en beroepsprocedures lopen naar aanleiding van de overgang van de heffing van het productschap naar de diergezondheidsheffing.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de afspraken in het convenant, waaronder de afspraak dat de bijdrage die de heffingplichtige houders en producenten alleen gebruikt wordt voor de dekking van de uitgaven van het Diergezondheidsfonds en dat plafondbedragen gelden. Het convenant is echter tot 2019 van kracht. Hoe wordt ook in de toekomst geborgd dat houders en producenten niet meer heffing moeten betalen dan noodzakelijk, namelijk alleen de uitgaven ten behoeve van de heffingplichtige houders en producenten? Blijft dit uitgangspunt uit het convenant van kracht?

De leden van de PvdD-fractie merken op dat de bijdrage van de sector aan het Diergezondheidsfonds met deze wetswijziging wordt geregeld door een diergezondheidsheffing en/of sectorreserves. Echter, deze leden zien dat het Diergezondheidsfonds ook wordt gevuld met financiële bijdragen vanuit het Rijk en de EU. Deelt de regering de mening dat de kosten voor de bestrijding en preventie van dierziekten zouden moeten worden opgebracht door de sector zelf? Hoewel er gesteld wordt dat van het uitgangspunt dat de veehouderij zelf de kosten moet dragen niet zal worden afgeweken, draagt het Rijk toch bij aan het fonds. Kan de regering daar een heldere toelichting op geven?

3.4 Kenmerken huidige diergezondheidsheffing

De leden van de VVD-fractie lezen dat de huidige regels van de Gwwd over de totstandkoming en wijziging van de tarieven nog een ernstige belemmering vormen om het gewenste doel, een zo goed mogelijke afstemming tussen de uitgaven van het Diergezondheidsfonds en de opbrengst van de heffingen, te bereiken. Met de wijziging van de wet komt de mogelijkheid tot het wijzigingen van de tarieven eenzijdig bij de overheid te liggen. Klopt deze redenering? Zo ja, op welke wijze heeft de sector invloed op het beleid?

De leden van de CDA-fractie vragen om een overzicht van de wijzigingen die voortkomen uit het Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten 2015–2019. Welke verschillen zijn er tussen het convenant en het nu voorliggende wetsvoorstel? Met welke consequenties voor Rijk en bedrijfsleven? Ook vragen deze leden om een overzicht van de thans geldende diergezondheidsheffingen en of deze naar verwachting vanaf 1 januari 2018 worden gewijzigd.

Kan de regering de vermindering van de budgettaire risico’s voor het Rijk kwantificeren? Kan de regering daarnaast aangeven in hoeverre de heffingen niet merkbaar anders zullen zijn voor het bedrijfsleven?

De leden van PvdD-fractie vragen hoe het staat met de kosten die momenteel gemaakt worden door de uitbraak van vogelgriep. Wie betaalt de kosten van het doden van de duizenden gezonde en besmette dieren, iets wat veroorzaakt wordt doordat er veel te veel dieren veel te dicht op elkaar gehouden worden? Vindt de regering het acceptabel dat de belastingbetalers moeten opdraaien voor de kosten die de veehouderij veroorzaakt? Deze leden vinden dit niet acceptabel en pleiten voor een volledige omslag in de veehouderij, zodat welzijn en gezondheid van mens, dier en milieu voorop komen te staan. Zij vinden dat de vee-industrie zelf de kosten moet dragen die zij veroorzaakt. Graag ontvangen deze leden een reactie hierop.

4. Nieuw wettelijk kader

4.1 Aanwijzing aan heffing onderworpen diersoorten en handelingen, en berekening aantallen

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke manier het voor ondernemers duidelijk is wat de berekeningsgrondslag is en op welke manier zij een reële inschatting kunnen maken van de hoogte van de heffing. Deze leden wijzen bijvoorbeeld op een ministeriële regeling om rekenregels vast te stellen en een algemene maatregel van bestuur voor rekenregels voor een bepaalde diersoort. Deze regels kunnen regelmatig wijzigen. Genoemde leden hechten aan duidelijkheid richting ondernemers, zodat zij ook meerjarig een reële inschatting van de kosten van de heffing kunnen maken.

4.2 Tariefstructuur

De leden van de VVD-fractie lezen dat in de tariefstructuur een aantal wijzigingen wordt voorgesteld ten opzichte van de huidige situatie. Kan de regering een uitgebreid overzicht geven van de oude situatie en de nieuwe situatie en hoe deze procesmatig tot stand komen? Ook willen deze leden weten wat de verschillende sectorvertegenwoordigingen van de voorgestelde wijzigingen vinden.

De leden van de CDA-fractie vragen aan welke andere diersoorten wordt gedacht om een heffing te introduceren.

4.3 Plafondbedragen en crisisreserve

De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de hoogtes van de reserves afwijken van wat gebruikelijk was ten tijde van de productschappen. Graag zien zij dat per onderdeel gespecificeerd.

Deze leden lezen dat de crisisreserve kan worden verhoogd of verlaagd. Op basis van welke criteria of gegevens kan de omvang van de crisisreserve worden verhoogd of verlaagd? Of komen hiervoor nog nadere criteria?

De aan het woord zijnde leden vragen waarom is gekozen voor het hoge percentage van 40% voor de mogelijke maximum omvang van de crisisreserve. Waarom is dit percentage aanzienlijk hoger dan concrete bedragen die in het convenant zijn opgenomen? In navolging van de Afdeling advisering van de Raad van State vragen zij om een onderbouwing van de maximum omvang van de crisisreserve van 40%. Deze leden vinden het onvoldoende dat dit 20% meer is dan het nu ingestelde percentage van 20% crisisreserve.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat per algemene maatregel van bestuur kan worden gekozen voor het aanpassen van de omvang van de crisisreserve. De regering zal met het bedrijfsleven overleg voeren over voornemens tot verhoging of verlaging van de crisisreserve voordat zij hierover een besluit neemt. Op welke manier vindt dit overleg plaats? Op welke manier wordt de Kamer betrokken bij wijzigingen van de hoogte van de crisisreserve? Op welke manier wordt inzichtelijk gemaakt wat de onderbouwing van het percentage is?

Deze leden vragen om een nadere onderbouwing van de maximumomvang van de crisisreserve van 40% ten opzichte van de huidige reserve van 20%. Waarom is deze omvang van de bandbreedte noodzakelijk? Kan de regering nader onderbouwen in welke situatie een percentage van 40% noodzakelijk is? Kan de regering toelichten waarom de plafondbedragen op dit moment aanzienlijk lager zijn?

5. Gevolgen voor het betrokken bedrijfsleven

De leden van de VVD-fractie lezen dat de voorgestelde heffingssystematiek op hoofdlijnen niet merkbaar anders zal zijn dan wanneer de heffing op basis van de huidige besluiten wordt opgelegd. De systematiek wordt wel transparanter. Kan de regering een uitgebreide toelichting geven op welke onderdelen de heffingssystematiek transparanter wordt? Is deze transparantie ook in de huidige besluiten door te voeren? Zo nee, waarom niet?

Deze leden vragen of de huidige systematiek een probleem voor de sectoren is. Wordt dat op dit moment ervaren? Zo ja, waar blijkt dit uit?

De aan het woord zijnde leden merken op dat het wetsvoorstel niet duidelijk is over de regeldrukeffecten. Deze zullen namelijk opnieuw in kaart gebracht worden zodra de heffingen opgelegd worden. Op welk moment heeft de Kamer nog ruimte om te bepalen of de regeldrukeffecten acceptabel zijn of niet? Zo ja, op welke wijze? Kan de regering een overzicht geven van de regeldrukeffecten in de huidige situatie en de nieuwe situatie?

Genoemde leden vragen de regering inzicht te geven in de administratieve lasten in de oude situatie (inning door de productschappen), de huidige situatie en de te verwachten nieuwe situatie. Zij maken zich zorgen over de toegenomen administratieve lasten als gevolg van de wijzigingen. Deze worden als aanzienlijk hoger ervaren voor een aantal sectoren nu de uitvoering bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is belegd. Kan de regering aangeven wat zij gaat doen om deze administratieve lasten terug te dringen?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering te onderbouwen waarom de nieuwe systematiek op de langere termijn gunstig zou zijn voor het bedrijfsleven.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar een inschatting van de hoogte van de heffingen per sector, ook in vergelijking met de heffingen in het verleden door de productschappen.

Deze leden vragen om een nadere onderbouwing van de regeldrukeffecten, aangezien nu ook jaarlijkse aanpassing van het tarief mogelijk wordt en de berekening van het tarief op basis van veel componenten plaatsvindt. Leidt voorliggend wetsvoorstel niet tot een hogere administratieve lastendruk door de grotere complexiteit van de heffingen?

6. EU-aspecten

De leden van de CDA-fractie vragen naar de stand van zaken ten aanzien van de acceptatie van vlees van gevaccineerde dieren in de verschillende lidstaten van de EU. Is dit onderwerp besproken in het kader van het EU-platform dierenwelzijn?

De voorzitter van de commissie, Vermeij

De griffier van de commissie, Nava

Naar boven