34 537 Wijziging van de Telecommunicatiewet en het Wetboek van Strafvordering in verband met de bewaring van gegevens die zijn verwerkt in verband met het aanbieden van openbare telecommunicatiediensten en openbare telecommunicatienetwerken (aanpassing bewaarplicht telecommunicatiegegevens)

Nr. 6 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 februari 2017

Bij brief van 23 december 2016 heeft u namens de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie mij verzocht Uw Kamer een reactie te doen toekomen op het bericht «Europees Hof maakt gehakt van volledige bewaarplicht» (volkskrant.nl, 21 december 2016) en daarbij uiteen te zetten wat de eventuele consequenties zijn voor het wetsvoorstel aanpassing bewaarplicht telecommunicatiegegevens (Kamerstuk 34 537).

In antwoord op uw verzoek kan ik u berichten dat het Hof van Justitie van de Europese Unie op 21 december 2016 arrest heeft gewezen over de bewaarplicht voor verkeersgegevens (dataretentie). Dit betrof de gecombineerde zaak van de Zweedse aanbieder Tele2 Sverige AB en de Britse Secretary of State van Home Department (zaken C-203/15 en C-698/15). In het licht van de eerdere uitspraak van het EU-Hof in de zaak Seitlinger (zaken C-293/12 en 594/12), van 8 april 2014, stond centraal de vraag in hoeverre een algemene bewaarplicht voor telecommunicatiegegevens verenigbaar is met het Handvest van de grondrechten en welke waarborgen daarbij zouden moeten gelden.

Een bewaarplicht voor telecommunicatiegegevens is van essentieel belang voor de opsporing en vervolging van ernstige strafbare feiten. In een rapport van het Openbaar Ministerie en de politie (Bijlage bij Kamerstuk 33 870, nr. 3) wordt het belang van de bewaring van telecommunicatiegegevens voor de opsporing van ernstige delicten onderbouwd.

Naar aanleiding van de ongeldigverklaring van de voormalige Richtlijn dataretentie (Richtlijn 2006/24/EG) door het Hof van Justitie van de Europese Unie is inmiddels een wetsvoorstel ingediend, dat voorziet in een herziene wettelijke regeling rond de bewaarplicht voor telecommunicatiegegevens ten behoeve van de opsporing van ernstige misdrijven. Daarbij wordt, in het licht van de eisen van de eerdere uitspraak van Hof van 8 april 2014 en het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2015, die in kort geding de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens buiten werking had gesteld, voorzien in de nodige waarborgen met betrekking tot de opslag en het gebruik van, en de toegang tot, de bewaarde gegevens (Kamerstuk 34 537, nr. 2). Over dit wetsvoorstel heeft Uw Kamer onlangs een Verslag uitgebracht (Kamerstuk 34 537, nr. 5).

Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 21 december 2016 zullen de consequenties hiervan nader moeten worden onderzocht. Hiervoor zal overleg worden gevoerd met de opsporingsinstanties en het Openbaar Ministerie. Het arrest is niet alleen van groot belang voor Nederland maar ook voor de andere lidstaten van de Europese Unie. Over de wijze waarop opvolging kan worden gegeven aan het arrest zal dan ook tevens overleg moeten worden gevoerd met de andere lidstaten. Zodra ik meer inzicht heb in de precieze consequenties van het arrest voor het wetsvoorstel met Kamerstuk 34 537 en de positie van de andere lidstaten, zal ik Uw Kamer daarover nader informeren.

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

Naar boven