34 485 XIII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2016 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

Nr. 3 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 20 juni 2016

De vaste commissie voor Economische Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 9 juni 2016 voorgelegd aan de Minister en de Staatssecretaris van Economische Zaken. Bij brief van 17 juni 2016 zijn ze door de Minister en de Staatssecretaris van Economische Zaken beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

De griffier van de commissie, Franke

Vraag 1:

Hoe groot is het niet-verplichte uitgavenkader van de EZ-begroting, in absolute en in relatieve omvang, en uit welke posten bestaat dit?

Antwoord:

In onderstaand overzicht zijn de niet-juridisch verplichte uitgaven per beleidsartikel op een rijtje gezet.

Van de totale programma-uitgaven (stand 1e suppletoire begroting 2016) is circa € 0,5 miljard nog niet-juridisch verplicht. Dit is gelijk aan 11% van de uitgaven. De beleidsartikelen met een percentage van meer dan 10% niet-juridisch verplicht betreffen: het nieuwe beleidsartikel 15 (meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen), beleidsartikel 16 (Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens), beleidsartikel 18 (Natuur en Regio) en op beleidsartikel 19 (Toekomstfonds). Dit gaat om diverse posten. Overigens betekent de kwalificatie niet-juridisch verplicht niet dat het bedrag bestemmingsvrij is.

Ter illustratie, bij artikel 18 gaat het onder andere om de volgende posten: € 7 miljoen voor uitvoering deelprojecten Natuurherstelplan Westerschelde en € 8,5 miljoen voor de Natuurlijk ondernemen en Natuurvisie, Programma Rijke Waddenzee en Waddenunit, Nationale parken en het Platform biodiversiteit.

Overzicht juridisch niet verplicht (bedragen x € 1.000)

Artikel nr.

Omschrijving

Totale uitgaven

Niet juridisch verplicht

% niet juridisch verplicht

11

Goed functionerende economie en markten

185.976

7.439

4%

12

Een sterk innovatievermogen

531.143

42.491

8%

13

Een excellent ondernemingsklimaat

264.069

5.281

2%

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

1.885.866

75.435

4%

15

Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

98.900

98.900

100%

16

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

549.232

65.908

12%

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

793.336

0

0%

18

Natuur en Regio

201.126

28.158

14%

19

Toekomstfonds

324.100

187.978

58%

Totaal

 

4.833.748

511.590

11%

Vraag 2:

Waarom verwerkt u een deel van de extra rijksbijdrage aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) pas in de Miljoenennota 2017? Is dit gebruikelijk? Is hiervoor in de Voorjaarsnota nog geen dekking gevonden? Zo nee, waaruit wordt deze Miljoenennota-reeks gedekt?

Vraag 22:

Waarom verwerkt u een deel van de extra rijksbijdrage aan de NVWA pas in de Miljoenennota? Is hiervoor in de Voorjaarsnota nog geen dekking gevonden? Als de dekking al wel gevonden is, waaruit is of wordt deze Miljoenennota-reeks gedekt?

Vraag 85:

Kunt u nader toelichten welke extra (rijks)bijdrage de NVWA bij de Voorjaarsnota 2016 structureel zal ontvangen? Is dit structureel 23 miljoen of 19 miljoen zoals in de voorjaarsnota 2016 staat? Hoe wordt de structurele rijksbijdrage gedekt?

Antwoord op vraag 2, vraag 22 en vraag 85:

Zoals per brief aan uw Kamer is toegelicht (Kamerstuk 33 835, nr. 33), voegt EZ bij Voorjaarsnota 2016 € 18,7 miljoen structureel toe aan het budget van de NVWA. Bij de Miljoenennota 2017 zal de rijksbijdrage aan de NVWA met € 5,3 miljoen in 2016, € 6,3 miljoen in 2017, € 6,7 miljoen in 2018 en € 4,4 miljoen vanaf 2019 worden verhoogd. Over de dekking van de hiervoor genoemde budgettaire reeks wordt in de Miljoenennota een besluit genomen. De totale structurele verhoging van de rijksbijdrage aan de NVWA komt daarmee op € 23,1 miljoen.

Vraag 3:

Hoe kijkt u aan tegen het feit dat begrotingsreserves, bijvoorbeeld apurement, niet worden aangewend voor het doel waarvoor de reserves zijn opgezet, maar om tekorten elders op de begroting te dekken?

Vraag 7:

Welke verbeteringen kunt u qua informatie bij de begrotingsreserve apurement aanbrengen om de informatiepositie van de Kamer te verbeteren? Kunt u bij uw antwoord het rapport Begrotingsreserves van de Algemene Rekenkamer betrekken, waarin staat dat de hoogte van het bedrag in deze begrotingsreserve voor de Kamer moeilijk te controleren is (TK 31 865 nr.78, bijlage)?

Vraag 23:

Hoe kijkt u aan tegen het feit dat begrotingsreserves, bijvoorbeeld bij apurement, niet worden gebruikt voor het doel waarvoor de reserves zijn opgezet, maar om tekorten elders op de begroting te dekken? Kunt u bij uw antwoord de opmerking van de Algemene Rekenkamer betrekken waarin staat dat de hoogte van het bedrag in begrotingsreserves (o.a.) apurement voor de Kamer moeilijk te controleren is (TK 31 865–78, nr. 78, bijlage)?

Antwoord op vraag 3, vraag 7 en vraag 23:

Begrotingsreserves worden ingesteld met een specifiek doel. In de suppletoire begrotingen worden veranderingen in het saldo van een reserve (stortingen of onttrekkingen) aan de Tweede Kamer gemeld, voorzien van een toelichting. Op deze manier heeft de Tweede Kamer inzicht in de beginstand, de stortingen, de onttrekkingen en de eindstand van de begrotingsreserves gedurende het begrotingsjaar.

Daarnaast kan de omvang en benodigde voeding van een reserveperiodiek worden herijkt op basis van verwachte onttrekkingen in de toekomst. Reserves zijn meestal immers juist ingesteld om budgettaire risico’s af te dekken die zich moeilijk laten voorspellen. Het kan zich daarom voordoen dat een reserve incidenteel extra voeding nodig heeft of dat juist minder voeding benodigd is in het licht van bijgestelde prognoses. Dergelijke mutaties worden in de (suppletoire) begrotingswetten toegelicht en vereisen goedkeuring door de Tweede Kamer.

In reactie op het rapport Begrotingsreserves van de Algemene Rekenkamer (Kamerstuk 31 865, nr. 78) is in de brief van 25 maart 2016 (Kamerstuk 31 865, nr. 79) aangegeven dat de informatievoorziening over interne begrotingsreserves verder verbeterd zal worden. Voor wat betreft de reserve apurement worden mutaties ten laste van deze reserve toegelicht bij artikel 16 (Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens) van de begroting van Economische Zaken. In bijlage 2 bij de Nationale Verklaring die de Minister van Financiën opstelt ten behoeve van de verantwoording aan de Europese Commissie wordt ingegaan op de stand van zaken met betrekking tot de in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) opgelegde correctiebesluiten en lopende onderzoeken die verband houden met het aanhouden van een (risico) reserve apurement. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 4 en vraag 30.

Vraag 4:

Kunt u in een tabel met toelichting aangeven waarvoor de geraamde onttrekking van € 59,724 miljoen uit de begrotingsreserve apurement voor bestemd is? In het bijzonder hoeveel van deze middelen een extra bijdrage vormen voor de NVWA?

Antwoord:

De genoemde geraamde onttrekking aan de reserve is niet bedoeld voor de NVWA, maar voor betalingen op grond van EU-correcties die in 2016 plaatsvinden. Het bedrag van € 59,7 miljoen is gebaseerd op de definitieve correcties en een schatting voor de lopende apurementprocedures. De definitieve correcties zijn op dit moment:

Correctiebesluit Periode

Bedrag (in €)

2015/2098/EU: Groenten en Fruit 2008–2011

50.827.755,83

2015/2098/EU: Agromilieumaatregelen 2010–2012

884.132,00

2015/2098/EU: Certificering 2011

302.411,27

2016/417/EU: Operationele Programma’s Groenten en fruit 2009- 2011

7.932.738,92

2016/417/EU: Debiteuren 2007

– 4.703.231,78

2016/417/EU: Schoolfruit 2013

2.692.849,00

2016/EU: Randvoorwaarden 2012–2013

60.674,00

Totaal

57.997.329,24

Het verschil wordt verklaard door de correctievoorstellen waarvoor nog geen besluit is ontvangen (€ 1,8 miljoen). Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 30. In bijlage 2 bij de Nationale Verklaring die de Minister van Financiën opstelt ten behoeve van de verantwoording aan de Europese Commissie wordt in detail ingegaan op de stand van zaken met betrekking tot de in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) opgelegde correctiebesluiten en lopende onderzoeken.

Vraag 5:

Waarom is de begrotingsreserve apurement in de slotwet 2015 van EZ nog opgehoogd, gezien de onttrekking die in de Voorjaarsnota wordt gedaan?

Antwoord:

De storting bij Slotwet houdt verband met het door het Europese Hof nietig verklaarde besluit van de Europese Commissie voor de correctie van de regeling aardappelzetmeel van € 28,9 miljoen. De Europese Commissie heeft dit bedrag in 2015 terugbetaald. Deze terugontvangst, die in 1e suppletoire EZ-begroting 2015 reeds is geraamd, is in de interne begrotingsreserve apurement gestort.

Vraag 6:

Waarom geeft u op 27 oktober 2015 aan dat het aanhouden van de begrotingsreserve apurement nodig is en dat er weinig gezegd kan worden over de wijze waarop de reserve zich zal ontwikkelen, en is dit nu niet meer het geval?

Vraag 87:

Kunt u toelichten waarom de begrotingsreserve apurement naar beneden kan worden bijgesteld? Welke nieuwe informatie is er sinds uw antwoorden bij de begroting 2016 (TK 34 300-XIII, nr. 61) en waarom ligt u dat niet toe in de voorjaarsnota 2016?

Antwoord op vraag 6 en vraag 87:

Jaarlijks vindt een beoordeling plaats van de omvang van de reserve in relatie tot de correctievoorstellen en definitieve correctiebesluiten van de Europese Commissie. Op grond van de bekende voorstellen en besluiten van de Europese Commissie is de omvang van de begrotingsreserve voldoende.

Vraag 8:

Hoe verhoudt de extra bijdrage aan de NVWA die in de Miljoenennota 2017 wordt verwerkt zich tot de (na de zomer verwachte) resultaten van het onderzoek naar Nederlandse tarieven voor keuring en toezicht in vergelijking met de tarieven in de ons omringende landen en van het onderzoek van de Raad van State naar de doorberekening van tarieven voor keuring en toezicht? Kan de reeks naar aanleiding van deze onderzoeken nog opwaarts of neerwaarts worden bijgesteld?

Antwoord:

Tariefaanpassingen vloeien voort uit het kabinetsbesluit van 19 december 2013 (Kamerstuk 33 835, nr. 2). Op basis hiervan werkt de NVWA toe naar kostendekkende tarieven voor retributies, waarbij de kosten die de NVWA maakt volgens bedrijfseconomische principes zijn verdisconteerd in het tarief voor zover dit past binnen de kaders van het kabinetsstandpunt «Maat Houden 2014». De aanpassing van de NVWA tarieven is per 1 mei 2016 ingegaan. De eerstvolgende mogelijkheid om tarieven te wijzigen is 1 januari 2017.

De resultaten van het onderzoek naar Nederlandse tarieven voor keuring en toezicht in vergelijking met de tarieven in de ons omringende landen en van het onderzoek van de Raad van State naar de doorberekening van tarieven voor keuring en toezicht vormen onderdeel van de overwegingen om de tarieven voor 2017 aan te passen (Kamerstuk 33 835, nr. 33).

Vraag 9:

Kunt u duidelijk weergeven welke efficiencymaatregelen destijds in het Plan van aanpak NVWA waren opgenomen, welke niet realiseerbaar bleken, welke gerealiseerd zijn en nog gerealiseerd worden, welke efficiencymaatregelen nieuw zijn ten opzichte van het plan van aanpak en welke efficiencymaatregelen worden beoogd voor de toekomst?

Vraag 86:

Kunt u een cijfermatig overzicht geven van de efficiencymaatregelen die waren beoogd in het plan van aanpak, welke gerealiseerd zijn, nog gerealiseerd worden of niet realiseerbaar bleken en van de nieuwe efficiencymaatregelen (aangekondigd in onder andere de voorjaarsnota)? Kunt u in deze tabel tevens het toekomstige efficiencypotentieel betrekken?

Antwoord op vraag 9 en vraag 86:

In het Plan van aanpak NVWA (Kamerstuk 33 835, nr. 1) is een reeks opgenomen, die oploopt van € 1,2 miljoen in 2015 tot € 8,0 miljoen in 2017 en volgende jaren, aan te realiseren besparingen door het wegnemen van inefficiënties in de bedrijfsvoering. Deze efficiencyverbeteringen zouden worden gerealiseerd door besparingen op de arbeidsvoorwaarden en een betere planning. Op het gebied van de planning van werkzaamheden zijn diverse verbeteringen doorgevoerd, maar de voorgenomen besparing op de arbeidsvoorwaarden is vooralsnog niet haalbaar gebleken. De te realiseren efficiencywinst van € 1,2 miljoen in 2015 is daardoor niet gehaald, zoals in de voortgangsrapportage van het Plan van aanpak over het tweede half jaar van 2015 (Kamerstuk 33 835, nr. 34) is aangegeven.

In de brief van 27 mei 2016 (Kamerstuk 33 835, nr. 33) is de Kamer geïnformeerd over de resultaten van de externe onderzoeken, die in de brief van 30 november 2015 (Kamerstuk 33 835, nr. 18) zijn aangekondigd. Het onderzoek naar de efficiencyverbeteringen bij de NVWA is door KPMG uitgevoerd. KPMG heeft berekend welke besparingen mogelijk zijn door de huidige constructie, waarin voor ambulante medewerkers van de NVWA reistijd gelijk staat aan werktijd, aan te passen. Volgens KPMG is, afhankelijk van de te kiezen variant, op termijn een besparing van € 2,2 miljoen tot € 8,9 miljoen per jaar mogelijk. Het effectueren hiervan heeft echter arbeidsvoorwaardelijke consequenties, waarover nog geen overeenstemming is bereikt met de bonden. In de brief van 27 mei 2016 heeft de Staatssecretaris van EZ aangegeven uit te gaan van een jaarlijkse besparing van € 8 miljoen met ingang van 2019.

KPMG heeft voorts berekend dat de NVWA op termijn een besparingspotentieel heeft dat ligt tussen € 4,3 miljoen en € 14,4 miljoen structureel. Het volledige efficiencypotentieel van € 14,4 miljoen kan volgens KPMG vanaf 2019 worden gerealiseerd, wanneer de ICT-vernieuwing naar verwachting volledig zal zijn afgerond. Hiervan komt in een meerjarig oplopende reeks van uiteindelijk € 7,2 miljoen structureel vanaf 2020 toe aan het moederdepartement.

Tenslotte is gebleken dat een besparing op materieel en huisvestingskosten mogelijk is. Ook deze efficiencymaatregel, die oploopt van € 2,1 miljoen in 2016 tot € 4 miljoen structureel vanaf 2018, is in het nieuwe budgettaire kader verwerkt.

Vraag 10:

Kunt u een meerjarig totaaloverzicht geven van alle financiële mutaties in verband met de gaswinning, zowel beleidsmatig als autonoom en zowel bij de uitgaven als de inkomsten?

Vraag 45:

Waarom bedraagt de neerwaartse bijstelling van de gasbaten – 3,6 miljard euro? Welk deel daarvan komt door volumedaling en welk deel door de prijsdaling?

Antwoord op vraag 10 en vraag 45:

De gasbaten worden vier maal per jaar geactualiseerd naar de laatste inzichten: bij Miljoenennota, Eerste suppletoire begroting, Tweede suppletoire begroting en bij Slotwet. De Kamer wordt middels de begrotingsstukken geïnformeerd over eventuele financiële mutaties. De financiële mutaties bij VJN 2016 zijn (op kasbasis, exclusief Vennootschapsbelasting) – € 3,6 miljard in 2016, – € 3,2 miljard in 2017, – € 3,25 miljard in 2018, – € 3,35 miljard in 2019 en – € 3,3 miljard in 2020. Het verschil tussen de geraamde aardgasbaten uit de Miljoenennota en Voorjaarsnota komt door zowel een lagere gasprijs als een lagere gasproductie dan aanvankelijk geraamd. Het kabinet heeft, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 18 december 2015 (Kamerstuk 33 529, nr. 212), de voorlopige voorziening van de Raad van State uit haar uitspraak van 18 november 2015 in stand gelaten. Hierdoor geldt er in het gasjaar 2015–2016 voor het Groningenveld een productieplafond van 27 miljard Nm3. De raming in de Miljoenennota 2016 was gebaseerd op een niveau van 33 miljard Nm3 per jaar. De gemiddelde gasprijs op de gasbeurs TTF daalde van circa 20 cent per m3 in 2015 naar circa 14 cent per m3 in 2016. Doordat deze effecten gedurende het jaar door elkaar lopen en de totale aardgasbaten een som is van meerdere onderdelen zoals de winning uit het Groningenveld en de kleine gas- en olievelden, is het lastig om dit in een exact prijs- en een volume-effect te verdelen. Op basis van aannames en schattingen kan echter wel een berekening worden gemaakt. Op basis van de huidige prijsontwikkeling is bij de raming in de Voorjaarsnota 2016 gerekend met een daling van de gemiddelde gasprijs naar circa € 0,14/m3. De verlaging van de productie leidt tegen deze prijs tot circa € 0,85 miljard minder inkomsten, de lagere gasprijs tot € 2,75 miljard minder inkomsten. Zie ook het antwoord op vraag 104.

Vraag 11:

Kunt u aangeven waarom de uitgaven voor het «meerjarenprogramma nationaal coördinator» in de verticale toelichting van het Ministerie van Economische Zaken niet relevant voor het uitgavenkader? Hoe verstaat dit zich met de begrotingsregels van het kabinet?

Vraag 84:

Kunt u aangeven hoe u de tegenvallende gasbaten gaat opvangen?

Vraag 96:

Op welke wijze wordt er voor gezorgd dat de gelden die gereserveerd staan voor het oplossen van de problematiek in Groningen (bijvoorbeeld Nationaal Coördinator, waardevermeerderingsregeling etc.) ook na een kabinetswisseling werkelijk voor dat doel beschikbaar blijven?

Vraag 100:

Hoe wordt de eenmalige onttrekking van € 244 miljoen aan de gasbaten, verwerkt in de desbetreffende jaarrekeningen? Immers de post «bijstelling aardgasbaten» van min € 3.600,00 wordt ook al in mindering gebracht. Hoe is een en ander inzichtelijk te maken voor de Kamer?

Vraag 103:

Hoe wordt de € 244 miljoen voor Groningen samenhangend met aardbevingen die eenmalig wordt onttrokken aan de gasbaten verwerkt in de desbetreffende jaren (2016–2024)? Wordt dit geoormerkt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 11, vraag 84, vraag 96, vraag 100 en vraag 103:

Met ingang van de eerste suppletoire EZ-begroting 2016 wordt een nieuw beleidsartikel ingesteld voor het Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen (beleidsartikel 15). Dit nieuwe beleidsartikel wordt in de periode 2016 tot en met 2024 met in totaal € 244,2 miljoen vanuit de aardgasbaten gevoed. Omdat de gasbaten conform de Begrotingsregels van het kabinet niet relevant zijn voor het uitgavenkader, is in samenspraak met de Minister van Financiën besloten dat de voor het Meerjarenprogramma NCG beschikbaar gemaakte middelen eveneens niet relevant zijn voor het uitgavenkader.

De genoemde verlaging van de ontvangsten uit de gasbaten van € 3,6 miljard staat los van de middelen die beschikbaar zijn gemaakt voor het Meerjarenprogramma NCG. De verlaging van de gasbaten van € 3,6 miljard is het gevolg van een lagere gasprijs en het verlaagde productieplafond (zie ook het antwoord op vraag 10). De gasbaten zijn niet-belastingontvangsten die niet relevant zijn voor het uitgavenkader. Dit betekent dat in geval van lagere dan geraamde gasbaten niet bezuinigd hoeft te worden op andere uitgaven en dat in geval van hogere dan geraamde gasbaten geen aanvullende, nieuwe uitgaven kunnen worden gedaan. Een verandering van de gasbaten heeft wel gevolgen voor het EMU-saldo van de overheid.

De «oormerking» van de middelen voor het Meerjarenprogramma vindt plaats door deze te bestemmen in een beleidsartikel. In dit geval is bij de 1e suppletoire begroting 2016 het nieuwe beleidsartikel 15 «Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen» toegevoegd en wordt op die manier ter goedkeuring aan de Kamer voorgelegd. Op dit beleidsartikel zijn middelen geraamd tot en met 2024 voor het Meerjarenprogramma NCG. Voor dit artikel geldt een 100% eindejaarsmarge. Dit houdt in dat budget dat in een bepaald jaar niet wordt benut, kan worden meegenomen naar volgende jaren en derhalve beschikbaar blijft voor de uitvoering van het MJP. Hiermee wordt rekening gehouden met de complexe en in de tijd deels onvoorspelbare opgave waar de NCG voor staat en wordt de nodige flexibiliteit geboden zodat het budget optimaal kan worden aangewend.

Na instemming van de Tweede Kamer met deze 1e suppletoire begrotingswet staan de budgettaire afspraken vast. Een garantie van 100% dat de nu gemaakte afspraken, die ook doorwerken ná deze regeringsperiode, door een volgend kabinet zullen worden gehandhaafd en uitgevoerd, is ten principale niet te geven.

Vraag 12:

Welke korte termijn doelstellingen ten aanzien van duurzame energie conflicteren met de lange termijn doelstellingen ten aanzien van CO2 reductie?

Antwoord:

De huidige doelstellingen voor hernieuwbare energie (14% in 2020 en 16% in 2023) conflicteren niet met de lange termijn doelstelling om in 2050 een koolstofarme energievoorziening te realiseren die betaalbaar, betrouwbaar en veilig is. Het aandeel hernieuwbare energie bedroeg in 2015 5,8%. Het beleid ter stimulering van hernieuwbare energie en energiebesparing geeft een belangrijke impuls om dat aandeel te verhogen. Daarmee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de transitie naar een koolstofarme energievoorziening.

Vraag 13:

Hoe groot is het zogenoemde waterbedeffect bij reductie CO2-uitstoot door Nederlandse bedrijven? Welke cijfers zijn hierover bekend?

Antwoord:

Waterbedeffecten zijn een bekend fenomeen in de economie. In het energiebeleid zien we dit fenomeen ook binnen het Europese emissiehandelssysteem dat een vaste emissieruimte gedurende meerdere jaren kent. Kenmerk van een emissiehandelssysteem is dat verlaging van emissies in ons land ruimte biedt voor verhoging van emissies elders en/of op een later moment onder het ETS. Dit is het zogenaamde waterbedeffect.

Het ETS is een kosteneffectieve manier om CO2-uitstoot te reduceren, omdat de reductie van CO2-uitstoot daar plaatsvindt waar het tegen de laagste kosten kan.

Aangezien de ruimte voor het waterbedeffect wordt bepaald door het plafond in het ETS, zal dit effect logischerwijs afnemen naar mate het ETS-plafond daalt.

Vraag 14:

Wat is het eigen vermogen van Pallas? Hoeveel hiervan is gereserveerd voor de verwerking van radioactief afval? Hoeveel kosten zijn gemoeid met de overbrenging van het radioactief afval van Pallas naar Centrale Organisatie Voor radioactief Afval (COVRA)?

Antwoord:

Pallas is de nieuw te bouwen onderzoekreactor die in 2024 de huidige Hoge Flux Reactor in Petten zal vervangen. De provincie Noord-Holland en EZ hebben elk een lening van € 40 miljoen beschikbaar gesteld aan de Stichting Voorbereiding Pallas-reactor voor de eerste fase van ontwerp en de vergunningaanvraag. Uiteindelijk zullen marktpartijen de bouw en exploitatie van de Pallas-reactor met risicodragend kapitaal moeten financieren. De Stichting Voorbereiding Pallas-reactor beschikt niet over eigen vermogen. De verwerking en het transport van radioactief afval maakt deel uit van de business case van Pallas en is de verantwoordelijkheid van de toekomstige exploitant van de Pallas-reactor die dit zal moeten bekostigen uit de opbrengsten van onder meer de productie van medische radioisotopen.

Vraag 15:

Hoeveel bedrijven profiteren van de grootverbruikerskorting? Wat is het vermogen van deze bedrijven? Wat is het energieverbruik van deze bedrijven?

Antwoord:

Naar schatting komen rond de 40 aangesloten partijen in aanmerking voor de volumecorrectie. Hiervan zijn 12 aangesloten op het landelijk hoogspanningsnet. De hoogte van de volumecorrectie verschilt per aangeslotene en loopt sterk uiteen. De hoogste correctiepercentages gelden voor aangeslotenen op het landelijk hoogspanningsnet.

Om in aanmerking te komen voor de volumecorrectie geldt een minimumverbruik van 50 GWh. De totale correctie van de nettarieven als gevolg van de volumecorrectie bedroeg in 2015 circa € 38 miljoen.

Het Ministerie van EZ beschikt niet over informatie ten aanzien van het precieze verbruik en vermogen van de aangeslotenen.

Vraag 16:

Waarom is gezien uw antwoord op vraag 318 (TK 34 300-XIII, nr.6) het nu onmogelijk om onderscheid te maken in de herkomst van de middelen in de begrotingsreserve uit deze drie regelingen die worden gefinancierd uit verschillende bronnen?

Antwoord:

Zoals in het antwoord op vraag 318 (Kamerstuk 34 300-XIII, nr. 6) vermeldt, is het mogelijk om onderscheid te maken in welk deel van de middelen van de begrotingsreserve duurzame energie afkomstig is uit de MEP, SDE of SDE+. Dit overzicht is ook opgenomen in de tabel op pagina 67 van het EZ Jaarverslag 2015 (Kamerstuk 34 475-XIII, nr. 1). Hieruit kan worden afgeleid wat de herkomst is van de stortingen die in 2015 in de reserve zijn gedaan. Het is echter niet mogelijk om eenduidig en alleen voor de reserve Duurzame Energie vast te stellen welk deel hiervan betrekking heeft op vertraagde- dan wel op geannuleerde projecten.

Vraag 17:

Waarom verkoopt de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) ook terreinen?

Antwoord:

De toelichting waarnaar de vraag verwijst, betreft een toelichting op twee mutaties op de post «overige ontvangsten», waarvan er één RVO betreft en de ander de verkoop van gronden. De verkoop vindt plaats door Bureau Beheer Landbouwgronden.

Vraag 18:

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de verdere uitrol van de pilot Wolhandkrab?

Antwoord:

In de brief aan uw Kamer van 21 maart 2016 is een nadere toelichting gegeven over de pilot wolhandkrab van visserijbedrijf Klop (Kamerstuk 32 201, nr. 81). Een deskundig oordeel over de risico’s in de vangst- en transportfase kan worden gegeven als de in de brief genoemde verbeterpunten zijn verwerkt en met voldoende data is aangetoond hoe het verbeterde protocol in de praktijk werkt. Tijdens het VAO Visserij op 22 maart 2016 heeft de Staatssecretaris EZ aangegeven dat dit betekent dat het bedrijf zijn verantwoordelijkheid moet nemen en de stappen moet zetten die nodig zijn om te voorkomen dat er met dioxine vervuilde krab op de markt komt. Tot op heden is, na meerdere verzoeken vanuit het Ministerie van EZ, nog geen informatie ontvangen van visserijbedrijf Klop over de implementatie van de gestelde verbeterpunten of data waarmee wordt aangetoond dat het verbeterde protocol in de praktijk werkt.

Vraag 19:

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het plan van aanpak voor de Zeeuwse oestersector zoals overeengekomen tussen het Ministerie van Economische Zaken, Provincie Zeeland en de Nederlandse Oesterkwekers?

Antwoord:

Het plan van aanpak «oesterproblematiek» is na de presentatie in maart 2016 nu enkele maanden operationeel en geldt vooralsnog voor de periode 2016 tot en met 2018. Het plan van aanpak betreft een maatregelenpakket voor de korte, middellange en lange termijn, waarin de sector zelf het initiatief dient te nemen. Door zowel de provincie Zeeland als het Ministerie van EZ is onder meer financiële ondersteuning toegezegd van totaal € 250.000,– voor onder andere nader onderzoek naar het verkrijgen van resistente oesters en onderzoek naar actief beheer tot verwijdering en/of vernietiging van de oesterboorder1.

Voor de korte termijn heeft de sector aangegeven te willen starten met de uitvoering van diverse proeven voor het kweken van oesters in de waterkolom. Voor deze proeven zijn onlangs de benodigde ontheffingen en vergunningen verleend door het Ministerie van EZ, zodat de sector inmiddels is gestart met de uitvoering van meerdere experimenten in de Oosterschelde.

Vraag 20:

Hoe kunt u 398 miljoen euro in de periode 2016–2020 onttrekken uit de begrotingsreserve duurzame energie zonder dat u inzichtelijk heeft welke middelen juridisch verplicht zijn en wanneer of niet juridisch verplicht? Bent u alsnog bereid zoveel mogelijk inzicht te geven in welke middelen in de begrotingsreserve juridisch verplicht zijn en welke middelen zijn vrijgevallen doordat het beschikte project definitief geen doorgang heeft gevonden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Tijdens de behandeling van de Voorjaarsnota 2015 in uw Kamer en in mijn antwoord op vragen van de vaste commissie voor Economische Zaken (Kamerstuk 34 210 XIII, nr. 4) is de tijdelijke onttrekking van € 398 miljoen in de periode 2015–2020 toegelicht. Er is adequate dekking op de begroting van EZ voor het terugstorten van eenzelfde bedrag in de begrotingsreserve, namelijk het in de periode 2021–2026 voor € 66 miljoen per jaar laten vrijvallen van het ETS-budget. Per saldo is er voor het totaal van de periode 2015–2026 geen sprake van het onttrekken van middelen aan de begrotingsreserve duurzame energieproductie voor andere bestemmingen dan duurzame energie.

De SDE+ is gebaseerd op technologieneutraliteit. Er worden vooraf geen budgetten per techniek bepaald, maar alle toegestane technologieën dingen op basis van kostprijs mee naar een deel van het integrale budget. Hierdoor is vooraf niet vast te stellen welk bedrag aan projecten met een bepaalde technologie zal worden toegekend. De beschikbare (kas)middelen op de EZ begroting zijn daarom gebaseerd op een meerjarenraming op basis van aannames en inschattingen van variabelen op een geaggregeerd niveau bijvoorbeeld de energieprijs, verdeling over energiedragers en verdeling over technieken). De ontwikkeling van het subsidietarief (subsidie per eenheid energie) is afhankelijk van het gehanteerde energieprijsscenario. Elektriciteit enerzijds en gas en warmte anderzijds hebben een eigen energieprijsscenario en daarmee (aanzienlijk) verschillende subsidietarieven. Daarnaast kennen verschillende technieken (bijvoorbeeld wind op land, wind op zee, biomassa) eigen subsidietarieven, ook als zij binnen dezelfde categorie energiedragers vallen. De verdeling over energiedragers en technieken is op het moment van de raming nog niet bekend op een gedetailleerd niveau (projectniveau). De raming waarop de op dit moment beschikbare middelen gebaseerd zijn dateren voor de onderdelen MEP en SDE uit 2012. Voor de SDE+ heeft een bijstelling van de ramingen plaatsgevonden in 2013 in het kader van het Energieakkoord.

De uitbetaalde bedragen zijn gebaseerd op werkelijke productie bij inmiddels toegekende individuele projecten en werkelijke subsidietarieven. Het verschil tussen de beschikbare middelen in een jaar (gebaseerd op inschatting en enkele aren terug op een hoger abstractieniveau) en de uitbetaalde bedragen in dat jaar, dat gestort wordt in de begrotingsreserve, is daardoor niet te koppelen aan individuele projecten. Daarom is het niet mogelijk om binnen de middelen in de begrotingsreserve duurzame energie het onderscheid te maken welk deel juridisch verplicht is en welk deel betrekking heeft op projecten die definitief geen doorgang hebben gevonden.

Voor duurzame energie kan wel worden aangegeven wat de totale stand is van de juridische verplichtingen van alle nog lopende subsidiebeschikkingen en wat daarop naar verwachting in totaal nog zal worden uitbetaald ten laste van het totaal van de beschikbare middelen. Deze beschikbare middelen bestaan uit de meerjarige kasraming op de EZ begroting en de begrotingsreserve. De Kamer zal jaarlijks geïnformeerd wat de totale juridische verplichting is van alle uitstaande beschikkingen van de SDE+ en daarbij ook aangeven wat de meerjarig verwachte kasuitgaven zijn die horen bij deze verplichtingen.

Het verschil tussen de verwachte kasuitgaven op de reeds afgegeven beschikkingen en de totaal beschikbare kasmiddelen, op zowel de EZ begroting als in de begrotingsreserve Duurzame Energie, zet ik in voor nieuwe investeringen in duurzame energie door middel van toekomstige openstellingen van de SDE+.

Vraag 21:

Kunt u nader toelichtingen welke extra (Rijks)bijdrage de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) bij de Voorjaarsnota 2016 structureel zal ontvangen? Kunt u hierbij een aansluiting maken tussen de verschillende reeksen in de brief van 27 mei jl. (TK 33 935, nr. 33), de 1e suppletoire begroting van EZ (TK 34 485-XIII) en de verticale toelichting in de Voorjaarsnota (TK 34 485, nr. 1, p. 37)? Kunt u hierbij in het bijzonder ingaan op de verschillen in 2017?

Vraag 73:

Kunt u ingaan op de verschillende reeksen in uw brief van 27 mei jl. (Kamerstuk 33 935, nr. 33), de 1e suppletoire begroting van EZ (Kamerstuk 34 485-XIII) en de verticale toelichting in de Voorjaarsnota (Kamerstuk 34 485, nr. 1, p. 37)? Kunt u de verschillen in 2017 verklaren?

Antwoord op vraag 21 en vraag 73:

Zoals ik in mijn brief van 27 mei 2016 (Kamerstuk 33 835, nr. 33) heb aangegeven, wordt bij Voorjaarsnota 2016 binnen de EZ-begroting € 18,5 miljoen in 2016, € 22,5 miljoen in 2017, € 24,5 miljoen in 2018 en structureel € 18,7 miljoen in 2019 en verder toegevoegd aan het budget van de NVWA. Tevens wordt bij Voorjaarsnota een kasschuif op de reeds beschikbare middelen voor het Plan van Aanpak verwerkt (-€ 6 miljoen in 2016, € 3 miljoen in 2017 en in 2018). Deze reeksen staan weergegeven in de tabel op pagina 5 van genoemde brief. Deze meerjarige bijdragen aan de NVWA zijn in de eerste suppletoire EZ-begroting 2016 (Kamerstuk 34 485 XIII, nrs. 1 en 2, pagina 19–21) verwerkt.

De extra bijdrage van EZ voor de NVWA in 2016 bedraagt € 18,5 miljoen en is verwerkt in de Bijdrage aan agentschappen op beleidsartikel 16. In de agentschapsparagraaf NVWA (toelichting op de baten) van de 1e suppletoire EZ-begroting 2016 is van de totale € 18,5 miljoen in 2016 € 14,4 miljoen toegevoegd aan de omzet moederdepartement en € 4,1 miljoen aan de bijzondere baten.

De extra bijdrage bij Voorjaarsnota 2016 van EZ aan de NVWA in het begrotingsjaar 2017 bedraagt € 22,5 miljoen. Daarnaast is eenmalig in 2017 een bedrag van € 8 miljoen op beleidsartikel 16 van EZ gereserveerd voor de herinrichting van publieke dierlijke keurings- en toezichtstaken. Dit brengt de totale aanvullende middelen op € 30,5 miljoen, zoals vermeld op pagina 37 in de verticale toelichting in de Voorjaarsnota (Kamerstuk 34 485, nr. 1). Tezamen met bovengenoemde kasschuif Plan van Aanpak (€ 3 miljoen in 2017) en enkele kleine reguliere mutaties (€ 0,7 miljoen, waarvan € 0,6 miljoen bijdrage vanuit het Ministerie van VenJ) bedraagt de mutatie 2017 in de budgettaire tabel van artikel 16 € 34,2 miljoen.

Vraag 24:

Waarom is gekozen voor een nieuw beleidsartikel 15?

Antwoord:

In de 1e suppletoire begroting 2016 is het nieuwe beleidsartikel 15 «Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen» opgenomen. Voor de aanpak van de aardbevingsproblematiek als gevolg van de gaswinning in de provincie Groningen is een meerjarenprogramma opgezet dat tot doel heeft te voorzien in een duurzame versterking van de leefbaarheid en het economisch perspectief in de provincie Groningen. Voor dit specifieke doel is totaal € 244,2 miljoen beschikbaar in de jaren 2016 tot en met 2024. Dit budget wordt apart, en voor de Kamer zichtbaar, begroot en

verantwoord op het nieuwe beleidsartikel. Zie verder het antwoord op vraag 11.

Vraag 25:

Op welke manier wordt het amendement Mei Li Vos/Verhoeven (TK 34 300 XIII nr. 163 ) over de ICT-samenwerkingsorganisatie van het onderwijs en onderzoek in Nederland, SURF, uitgevoerd? Welk bedrag is hiermee gemoeid? Is dit een lening of een overheidsuitgave?

Antwoord:

SURF heeft op basis van het door hen ingediende projectvoorstel in de tender Toekomstfonds Onderzoeksinfrastructuur een bedrag toegekend gekregen van € 11,1 miljoen uit het Toekomstfonds (Kamerstuk 31 288, nr. 543). Dit betreft een renteloze lening met een terugbetalingsperiode van 15 jaar.

Vraag 26:

Komt er na de eerste twee tenders nog een derde tender uit het Toekomstfondskrediet voor Onderzoeksfaciliteiten (TOF)? welk bedrag zal hiermee gemoeid zijn?

Antwoord:

Op dit moment is nog geen derde tender voorzien. Een dergelijk besluit is afhankelijk van de ervaringen met de eerste twee tenders en de beschikbare ruimte binnen het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds.

Vraag 27:

Waar wordt de 82 miljoen euro voor Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) precies voor gebruikt? Is dit in zijn geheel voor het afvoeren van historisch afval van de kernreactor van Petten? Zo nee, waarvoor dan wel?

Antwoord:

Het krediet van € 82 miljoen wordt gebruikt voor het dekken van een tijdelijk tekort aan middelen voor het totaal van ECN en NRG. Volgens de ramingen bij het verstrekken van de lening ontstaat dit tekort in de jaren tot en met 2017 doordat het totaal van alle bedrijfslasten van ECN en NRG hoger uitvalt dan het totaal van de inkomsten in die jaren. Belangrijke lasten in die jaren zijn de kosten van het herstelplan voor de HFR en de kosten voor het afvoeren van het historisch afval. Het krediet wordt volgens de oorspronkelijke planning terugbetaald in de jaren tot en met 2024 als het totaal van de geraamde bedrijfsinkomsten hoger uitvalt dan het totaal van de geraamde bedrijfslasten.

Vraag 28:

Kunt u toelichten op basis waarvan u tot het bedrag bent gekomen van 244 miljoen euro in de jaren 2016 tot en met 2024 voor het meerjarenprogramma Groningen? Hoe verhoudt zich dit met de inkomsten uit de gaswinning; welk aandeel van de gaswinningsopbrengsten uit Groningen is dit?

Vraag 89:

Kunt u uitsplitsen waar de € 98,9 miljoen door de Nationaal Coördinator Groningen aan besteed wordt?

Antwoord op vraag 28 en vraag 89:

Het kabinet heeft bij de vaststelling van het Meerjarenprogramma «Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen» (bijlage bij TK 33 529, nr. 212) geconstateerd dat er aanvullende middelen nodig kunnen zijn om, daar waar de bestaande budgetten voor versterking, leefbaarheid en kansrijk Groningen binnen de eerder vastgestelde middelen uit het bestuursakkoord en de betreffende begrotingen van overheden en instellingen tekort schieten, toch toekomstbestendig te investeren.

Om een voortvarende uitvoering van het meerjarenprogramma te borgen heeft het kabinet besloten om hiervoor een substantieel bedrag beschikbaar te stellen. Voor dit doel wordt in totaal € 244,2 miljoen uit de gasbaten beschikbaar gesteld in de jaren 2016 tot en met 2024, waarvan € 98,9 miljoen in 2016.

De NCG heeft vastgesteld dat voor de combinatie van verduurzaming en versterking en voor de combinatie van verduurzaming en schadeherstel € 165 miljoen benodigd is. Voor scholen heeft een aparte inventarisatie plaatsgevonden en deze is nu afgerond. Daarnaast heeft de NCG gekeken wat nodig is voor de eigen organisatie en zijn afspraken gemaakt met de provincie en gemeenten over de vergoeding van hun werkzaamheden in de komende jaren.

Voor het werkbudget van de NCG is € 55 miljoen beschikbaar. De compensatie van de extra kosten gemeenten en provincie bedraagt € 20 miljoen. Voor instrumentarium voor de woningmarkt is € 14 miljoen gereserveerd en voor onderzoek wordt € 30 miljoen uitgetrokken. De NCG maakt in overleg met de regio een preciezere verdeling. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 71.

Voor antwoord op de vraag hoe de gasbaten zich verhouden tot het meerjarenprogramma NCG, wordt verwezen naar antwoord op vraag 11.

Vraag 29:

Kunt u toelichten waarvan de voeding van de begrotingsreserve vandaan komt? Hoe ziet de extra rijksbijdrage van de NVWA naast deze voeding van de begrotingsreserve eruit?

Antwoord:

Het budget voor de voeding van de interne begrotingsreserve apurement is beschikbaar op het beleidsartikel 16 (Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens).

Op dit beleidsartikel is meerjarig € 7,3 miljoen gereserveerd voor de regeling Apurement (voor eventuele correcties en boetes die worden opgelegd door de Europese Commissie). Deze reeks wordt naar beneden bijgesteld, omdat de interne begrotingsreserve naar huidige inzichten toereikend is. De dekking van de overige aanvullende bijdrage aan de NVWA is in principe niet 1 op 1 te koppelen aan specifieke begrotingsinstrumenten. De betreffende problematiek is binnen het geheel van mee- en tegenvallers binnen de EZ-begroting opgelost. Voorbeeld van een meevaller binnen de EZ-begroting is de € 7,8 miljoen aan ontvangsten in 2016 als gevolg van de verkoop van BBL-grond (Bureau Beheer Landbouwgronden). Zie ook het antwoord op vraag 42.

Vraag 30:

Hoeveel betaalt Nederland jaarlijks aan apurementen? Betalen de subsidieontvangers dit zelf terug of moet de staat dit betalen?

Antwoord:

De begrotingsreserve apurement is bedoeld voor door de Europese Commissie opgelegde correcties en boetes die voortkomen uit omstandigheden waardoor deze niet op de subsidieontvangers kunnen worden verhaald. Voor 2016 kan ik nog geen uitsluitsel geven hoe hoog de betalingen uiteindelijk zullen worden, omdat de apurementprocedures nog niet zijn afgerond. Ook uit lopende onderzoeken van de EC kunnen nog correcties volgen, waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. In onderstaande tabel zijn de opgelegde correctiebesluiten en correctievoorstellen sinds 2011 weergegeven:

Opgelegde correctiebesluiten en correctievoorstellen door de EC (x € 1 miljoen)

Correctiebesluiten

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Aardappelzetmeel1

28,91

     

– 28,91

 

Groenten en Fruit

22,7

         

Toeslagrechten

 

2,2

       

Cross-compliance

 

14,5

       

Plattelandsontwikkeling

 

2,1

       

Kleine correcties

 

1,7

1,2

0,04

0,3

Perceelregistraties

     

29,9

 

Debiteuren

     

5,3

 

– 4,7

FIOV

       

4,5

 

Cross-compliance

       

5,9

Groenten en Fruit

         

50,8

Betaaltermijnen

       

1,3

Agromilieumaatregelen

         

0,9

Groenten en Fruit

         

7,9

Schoolfruit

         

2,7

Totaal besluiten

51,6

20,5

1,2

35,2

– 17,2

57,9

             

Correctievoorstellen/voorlopige besluiten

           

Plattelandsontwikkelingsprogramma

         

1,8

Totaal voorstellen/voorlopige besluiten

         

1,8

X Noot
1

In 2011 heeft EZ € 28,9 miljoen betaald aan de Europese Commissie in verband met een opgelegde correctie voor de niet EU-conforme uitvoering van de EU-regeling aardappelzetmeel. Nederland is hiertegen in beroep gegaan. Met arrest van 3 juli 2014 heeft het Europese Gerecht het besluit van de Europese Commissie nietig verklaard. De Europese Commissie heeft het bedrag in 2015 overgemaakt naar Nederland. Deze ontvangst komt ten gunste van EZ en is in 2015 in de interne begrotingsreserve apurement gestort. In de 1e suppletoire EZ-begroting 2015 is deze terugontvangst reeds geraamd (Kamerstuk 34 210 XIII, nr. 2).

Vraag 31:

Waarom wordt er jaarlijks minder aan innovatiekrediet verstrekt dan geraamd?

Antwoord:

De verstrekking van innovatiekredieten is afhankelijk van de vraag naar krediet en de kwaliteit van de voorstellen. De economische situatie in de afgelopen jaren is mede debet geweest aan de wat lagere benutting. In 2015 was de benutting van het Innovatiekrediet eveneens wat lager dan verwacht, met name bij de Klinische Projecten. Oorzaak hiervan was onder andere dat een aantal klinische aanvragen niet voor het einde van het jaar afgerond kon worden en doorgeschoven zijn naar 2016. In 2016 wordt, mede hierdoor, een goede benutting van het Innovatiekrediet door Klinische Projecten verwacht. Het beschikbare budget voor Klinische Projecten in 2016 is daarom verhoogd van € 20 miljoen naar € 30 miljoen.

Als gevolg van de lagere vraag in de afgelopen jaren waren de kasuitgaven in 2015 eveneens lager. Omdat de middelen onderdeel uitmaken van het Toekomstfonds kunnen de middelen worden doorgeschoven naar het volgende jaar en blijven ze behouden voor het innovatiekrediet.

Vraag 32:

Hoe groot is het bedrag van de niet bestede middelen van 2015 die toegevoegd wordt aan de begroting van 2016?

Antwoord:

Zoals toegelicht in de Slotwet 2015 is binnen het Toekomstfonds in 2015 een kasbudget van € 159 miljoen niet tot benutting gekomen. Daarnaast is in 2015 binnen het Toekomstfonds een bedrag van € 18 miljoen meer ontvangen dan geraamd. Deze bedragen worden bij 1e suppletoire EZ-begroting 2016 conform gemaakte afspraken toegevoegd aan het Toekomstfonds.

Vraag 33:

Kunt u toelichten wat het programma «afpakken» precies inhoudt?

Vraag 34:

Wat behelst het programma «afpakken»?

Antwoord vraag 33 en vraag 34:

Het Openbaar Ministerie kan via strafzaken winsten afpakken die verkregen zijn met criminele activiteiten. Het OM doet dit via het programma «afpakken» in samenwerking met ketenpartners als politie en bijzondere opsporingsdiensten, zoals de Inlichtingen- en opsporingsdienst van de NVWA. Het OM kan ook gebruik maken van een (hogere) geldboete, verbeurdverklaring of een schadevergoedingsmaatregel. Met het afgepakte criminele vermogen wil de overheid eerst slachtoffers compenseren, de rest vloeit naar de staatskas.

De bijdrage van het Ministerie van VenJ voor de inzet van de NVWA voor de uitvoering van dit programma loopt via de begroting van het Ministerie van EZ.

Vraag 35:

Om welke aandelenverkoop van de uitvoeringsorganisatie van het regionaal economisch beleid voor de provincie Limburg, LIOF betreft dit? Welk percentage van de aandelen blijft bij het Ministerie van EZ?

Antwoord:

Dit betreft de verkoop van aandelen van de Staat in de Limburgse Ontwikkelings- en Investeringsmaatschappij (LIOF) aan de provincie Limburg die ik vorig jaar per brief heb aangekondigd (Kamerstuk 28 165, nr. 211). EZ bezit 94,34% van de aandelen LIOF en verkoopt 44,34% daarvan aan de Provincie Limburg. Na effectuering van de transactie (medio 2016) bezitten EZ en de Provincie Limburg beide 50% van de aandelen LIOF.

Vraag 36:

Klopt het dat de eindejaarsmarge 46.6 miljoen euro is? Correspondeert dit met 1% van de EZ-begroting? Bedraagt de EZ-begroting dus 4.66 miljard euro?

Antwoord:

Het klopt dat de gerealiseerde eindejaarsmarge over het begrotingsjaar 2015 in totaal € 46,6 miljoen bedraagt. In 2015 is er totaal € 27,4 miljoen minder uitgegeven en is € 19,2 miljoen meer ontvangen. Dit is totaal € 46,6 miljoen (€ 27,4 + € 19,2).De eindejaarsmarge is het saldo van de niet bestede uitgaven en ontvangsten dat kan worden meegenomen naar het volgende jaar en is gemaximeerd op 1% van omvang van de begroting in een begrotingsjaar.

Vraag 37:

Is de loonbestelling van 61.6 miljoen euro een gevolg van de stijging van de ambtenarensalarissen met ca. 5%?

Antwoord:

Het in de vraag genoemde bedrag van € 61,6 miljoen is het totaal van de loon- en prijsbijstelling in het jaar 2016. Een deel (€ 53,5 miljoen) van deze bijstelling betreft de vergoeding voor de stijging van de contractloonontwikkeling en de stijging van de sociale lasten voor de overheidswerkgevers. Daarnaast wordt een deel (€ 8,1 miljoen) van de bijstelling ingezet ter compensatie van de stijging van prijsindexen.

Vraag 38:

Kunt u overzicht geven van gronden die verkocht zijn? En welke verkocht gaan worden? Welk afwegingskader ligt hieraan ten grondslag?

Vraag 39:

Hoeveel gronden zijn er nog in bezit van Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL)?

Vraag 42:

Hoeveel terreinen zijn er nog in bezit?

Vraag 120:

Heeft u al een specifiek doel voor ogen met het geld dat u heeft ontvangen van de verkoop van gronden?

Antwoord op vraag 38, vraag 39, vraag 42 en vraag 120:

De grondvoorraad van Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) bestaat blijkens de Rekening en Verantwoording van BBL op 1 januari 2016 uit 14.169 ha. Hiervan zal 10.779 ha in de periode 2016–2019 op grond van afspraken in de Bestuursovereenkomst Grond worden overgedragen aan de provincies ten behoeve van het Natuurnetwerk Nederland. De overige 3.390 ha zijn voor het overgrote deel rijksgronden, waarvan in 2015 1.110 ha zijn verkocht. Van de resterende voorraad wordt een deel ingezet om doelstellingen te realiseren, zoals Nadere Uitwerking Rivierengebied, de ontwikkeling van natuur rond de grote rivieren. Op het overige deel van de gronden rusten geen doelstellingen meer en deze worden in de jaren 2016–2019 verkocht. De extra ontvangsten als gevolg van de verkoop van gronden van BBL maken onderdeel uit van het geheel aan mee- en tegenvallers binnen de EZ-begroting, met een budgettair sluitend geheel als resultaat. Elke departement moet immers haar problematiek binnen de eigen begroting oplossen en eventuele tegenvallers dekken met meevallers. Een voorbeeld van problematiek die in de 1e suppletoire EZ-begroting is opgelost is de aanvullend benodigde bijdrage aan de NVWA.

Vraag 40:

Welke contracten liggen aan de gronden in het bezit van Bureau Beheer Landbouwgronden(BBL)?

Antwoord:

In het verleden hebben het Ministerie van EZ en I&M opdrachten verstrekt ten behoeve van doelen in het landelijk gebied. Met de decentralisatie van het natuurbeleid worden de gronden waarop geen doelen meer rusten door BBL overgedragen of verkocht.

Vraag 41:

Om welke terreinen gaat het die zijn verkocht onder «Diverse ontvangsten artikel 18»? Kunt u een overzicht geven? Aan welke organisatie zijn deze terreinen verkocht?

Antwoord:

De gronden die in 2016 worden verkocht en die tezamen met de opbrengst van in eerdere jaren verkochte gronden de ontvangst op artikel 18 vormen, liggen in meerdere provincies:

Groningen: ca. 150 ha

Drenthe: ca. 205 ha

Limburg: ca. 25 ha

Utrecht: ca. 55 ha

Gelderland: ca. 5 ha

De gronden worden niet aan specifieke organisaties aangeboden, maar er is sprake van openbare verkoop tegen marktconforme prijzen.

Vraag 43:

Waarom wordt het ontvangstenbedrag voor de UMTS-vergunningen met 70,9 miljoen euro naar boven bijgesteld?

Antwoord:

In 2014 is in de Kamerbrief over het frequentiebeleid (Kamerstuk 24 095, nr. 373) aangekondigd dat de bestaande UMTS-3G (2.100 MHz) vergunningen worden verlengd voor de periode 2017 tot en met 2020. De totale opbrengsten hiervan bedragen € 70,9 miljoen en worden geheel in 2016 ontvangen.

Vraag 44:

Wat is de reden van de restitutie van 15,8 miljoen euro van het Ministerie van EZ naar Veronica?

Antwoord:

Naar aanleiding van een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 8 januari 2015 voor het geclausuleerde kavel A2 (dat in bezit is van Sky Radio maar op deze kavel uitzendt onder de naam Radio Veronica), dient een nieuw eenmalig bedrag te worden vastgesteld voor de periode 2011–2017. Volgens het CBb is geen rekening gehouden met de clausulering die geldt voor kavel A2 en die een waarde drukkend effect kan hebben. Daarom heeft zij het eenmalig bedrag voor kavel A2 vernietigd. Er dient dus een nieuw besluit genomen te worden over de hoogte van de eenmalige bijdrage van kavel A2. Het eenmalig bedrag zal als gevolg van de uitspraak van het CBb naar beneden worden bijgesteld.

Vraag 46:

Welke landbouwgronden heeft het Rijk via Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) in bezit? Is er naast verkoop ook aankoop van dergelijke gronden?

Antwoord:

Zie voor het eerste deel van de vraag het antwoord op vraag 38. Voor de rijksopdrachten zullen geen verwervingsactiviteiten meer plaatsvinden. Wel zullen in het kader van Nadere Uitwerking Rivieren Gebied nog gronden naar de juiste plek worden geruild.

Vraag 47:

Hoe verhoudt het grondbezit van RVO, BBL en het Rijksvastgoedbedrijf zich tot elkaar?

Antwoord:

RVO bezit geen gronden (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 17). BBL – dat sinds de opheffing van Dienst Landelijk Gebied in 2015 organisatorisch is ondergebracht bij RVO – is op grond van de Wet agrarisch grondverkeer (Wag) belast met het verkrijgen, tijdelijk beheren of vervreemden van landbouwgronden. De resterende grondvoorraad wordt in de periode 2016–2019 overgedragen of verkocht, waarna de Wag zal worden ingetrokken en BBL zal ophouden te bestaan.

Het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf ontwikkelt projecten en opereert namens het Rijk bij de planvorming en in sommige gevallen bij de uitvoering van complexe ruimtelijke projecten.

Vraag 48:

Hebben de Regionale Ontwikkeling Maatschappij's (ROM) ook gronden in bezit?

Antwoord:

Met uitzondering van LIOF, dat nog een paar grondposities bezit, hebben de ROM’s geen gronden in bezit.

Vraag 49:

Hoeveel procent van de aandelen in de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij (NOM) blijft in handen van EZ? Hoeveel is dat bij de andere ROM's?

Antwoord:

Het Ministerie van EZ behoudt, na effectuering van de transactie, 50% van de aandelen NOM. Het belang van het Ministerie van EZ in andere ROM’s:

  • LIOF: 50,0%

  • BOM*: 49,9%

  • OOST: 55,9%

  • InnovationQuarter: 36,1%

*BOM Holding is een 100% deelneming van Provincie Brabant.

EZ heeft een 49,9% belang in twee vennootschappen: BOM Business Development & Foreign Investments alsmede BOM Capital I. BOM Holding houdt de resterende 50,1% van de aandelen in deze vennootschappen.

Vraag 50:

Hoeveel dividend wordt er ontvangen van de ROM's? Hoeveel dividend wordt er ontvangen van alle staatsdeelnemingen?

Antwoord:

In 2016 wordt naar verwachting € 20 miljoen dividend ontvangen van de NOM. Van de overige ROM’s worden geen dividenduitkeringen verwacht.

In 2016 is € 3,6 miljoen dividend ontvangen van GasTerra en € 56,2 miljoen (afgerond) van EBN. Beide bedragen voor aftrek van 15% dividendbelasting.

In 2015 werd in totaal € 1,63 miljard euro aan dividenden ontvangen op de andere staatsdeelnemingen. Voor 2016 is € 1,83 miljard euro begroot (1e suppletoire begroting 2016, Kamerstuk 34 485 XIII, nr. 2).

Vraag 51:

Waarom verschijnt bij artikel 11 de post Pianoo/Tenderned voor € 1,4 miljoen, waarom wordt dit niet toegelicht, waarom werkt deze door tot in 2020 en waar bestaat de post uit?

Antwoord:

De post van € 1,4 miljoen (bijdrage 2016) bestaat uit jaarlijkse bijdragen van opdrachtgevers van andere departementen (onder andere BZK, I&M, SZW) voor diverse werkzaamheden van PIANOo, zoals het loket Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) en het loket e-factureren. Dit zijn meerjarige expertprogramma’s, waardoor een aantal bijdragen ook meerjarig is overgeboekt.

Vraag 52:

Waarvoor is de 100.000 euro voor digitale radio bedoeld?

Antwoord:

De € 0,1 miljoen is onderdeel van een meerjarig lopende subsidie die is verleend voor digitalisering van de regionale publieke omroep(en). De regionale publieke omroepen zijn publiek van karakter op basis van de Mediawet 2008. De uitvoering van de financiering van de regionale omroepen vindt plaats via de provincies, uit het provinciefonds. Omdat hierbij in het verleden geen rekening is gehouden met de extra kosten voor de digitale distributie (via DAB+) van de radioprogramma» s van de regionale publieke omroepen, is door EZ – mede op verzoek van de Tweede Kamer – eenmalig een compensatie beschikbaar gesteld voor deze kosten. De subsidie eindigt in 2017.

Vraag 53:

Wat wordt bedoeld met high trust inkomsten?

Antwoord:

Bij high trust beleid wordt uitgegaan van het vertrouwen dat burgers en bedrijven zich aan de wet houden. Het toezicht wordt meer gericht op die gebieden waar het risico voor overtredingen hoog wordt geacht. High Trust ontvangsten betreffen de boetes die toezichthouders van EZ opleggen ten behoeve van de handhaving van de wet. Verreweg het grootste deel van de ontvangsten betreft boetes die opgelegd worden door de ACM. De boetes van de ACM werden onder andere opgelegd wegens kartelvorming, benadelen van concurrenten en het onjuist informeren van consumenten.

Vraag 54:

Waarom zijn de uitvoeringskosten van 2016 en 2017 voor de regeling van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) in de begroting van 2016 tijdelijk ten laste van de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI)-toeslag gebracht?

Vraag 58:

Waarom zijn de uitvoeringskosten van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) ten laste van de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI)-toeslag gebracht? Daar is deze toeslag toch niet voor bedoeld?

Antwoord vraag 54 en vraag 58:

Er was een tekort op de uitvoeringskosten WBSO in 2016 en 2017 dat gedekt moest worden. Dit is aanvankelijk gedaan uit de middelen voor de TKI-toeslag de kasuitgaven voor de TKI-toeslag in 2016 en 2017 op dat moment ruimte bood. De definitieve dekking wordt nu vanuit het instrument Topsectoren overig geleverd.

Vraag 55:

In de Voorjaarsnota wordt vermeld dat bij de vennootschapsbelasting (vpb) het saldo fors neerwaarts is bijgesteld doordat vpb-ontvangsten uit de gaswinning tegenvallen. Kunt u deze bedragen specificeren en nader toelichten?

Antwoord:

In de Miljoenennota 2016 werden de vpb-ontvangsten uit de gaswinning geraamd op € 750 miljoen op transactiebasis. De geraamde vpb-ontvangsten in eerste suppletoire begroting zijn op transactiebasis € 250 miljoen. Op transactiebasis is er dus een tegenvaller van € 500 miljoen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de forse daling van de gasprijs (van circa € 0,20 ct/m3 naar € 0,14 ct/m3), waardoor voor alle Nederlandse velden de winsten sterk afnemen en daarmee de opbrengst van de vpb. Daarnaast is in de raming voor de Miljoenennota nog uitgegaan van een productievolume voor het Groningenveld van 33 miljard m3, in de raming van de eerste suppletoire begroting is dit aangepast naar 27 miljard m3 voor 2016.

Vraag 56:

Waarom zijn er voor metrologie ineens veel lagere bedragen nodig?

Antwoord:

Er zijn geen veel lagere bedragen van toepassing bij Metrologie. Met ingang van 2016 is het toezicht op de Metrologiewet en Waarborgwet, dat voorheen door Verispect werd uitgevoerd, ondergebracht bij Agentschap Telecom. Daarom is het bedrag van de opdrachten aan voorheen Verispect overgeboekt naar de bijdrage aan Agentschap Telecom.

Vraag 57:

Is de overdracht van taken van Verispect naar het Agentschap Telecom te zien als een vorm van nationalisatie?

Antwoord:

Vanaf 1 januari 2016 is dit toezicht belegd bij Agentschap Telecom, onderdeel van het Ministerie van EZ. Deze overgang betreft alleen een wijziging in het orgaan dat belast is met uitvoering van de publiekrechtelijke toezichthoudende taak.

Het toezicht op de Metrologiewet en de Waarborgwet valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van EZ. Voor 1 januari 2016 was Verispect BV, een privaat bedrijf, op grond van de wet aangewezen als toezichthouder op de Metrologiewet en de Waarborgwet. Verispect BV was oorspronkelijk een onderdeel van de dienst van het IJkwezen en maakte deel uit van de rijksoverheid tot de verzelfstandiging en vervolgens privatisering.

Vraag 59:

Hoeveel bedrijven profiteren van de compensatie energie-intensieve bedrijven die vallen onder het Emissions Trading System (ETS)? Wat is het vermogen van deze bedrijven? Wat is het energieverbruik van deze bedrijven?

Vraag 80:

Welke bedrijven ontvangen de ETS-compensatie?

Antwoord op vraag 59 en vraag 80:

Binnen de Compensatie Regeling ETS worden jaarlijks tussen de 85 en 90 aanvragen ingediend. Hiervan gaat het om circa 70 tot 75 organisaties. Ondernemingen die te maken krijgen met hogere elektriciteitskosten door emissiehandel kunnen de compensatie aanvragen. Zij hebben te maken met concurrentie uit landen waar geen hogere elektriciteitsprijzen gelden door CO2-kosten. Dit zijn 15 bedrijfstakken of deelsectoren zoals gedefinieerd in de EU richtsnoeren 2012/C158/04 en 2012/C387/06 en het gaat hierbij om producenten uit de aluminium-, staal-, kunstmest-, papier- en kunststoffensector. Om in aanmerking te komen voor de compensatie dienen organisaties tevens te zijn aangesloten bij de energieconvenanten MJA3 of MEE én dienen zij tevens een tijdige en volledige monitoring rapportage te hebben opgeleverd.

Noch het financiële vermogen, noch het totaal opgestelde elektrische vermogen van deze bedrijven vormt een criterium voor de uitvoering en het toekennen van de compensatie, en is dan ook niet bekend. Ook is het energieverbruik van deze organisaties niet bekend. Deze ondernemingen produceren immers in veel gevallen ook producten die niet onder de Compensatieregeling aangemeld kunnen worden en daar is geen zicht op. Het energiegebruik dat toegerekend wordt aan de productgroepen die wel onder de compensatie regeling vallen, ligt tussen de 12.500 en 15.000 Gigawattuur (GWh, elektriciteitsverbruik).

Vraag 60:

Zijn de bedrijven die onder ETS vallen ook de bedrijven die onder de grootverbruikerskorting vallen?

Antwoord:

Er is geen direct beleidsmatig verband tussen de Compensatieregeling ETS en de grootverbruikerskorting. Er zijn wel bedrijven die voor beide regelingen in aanmerking komen.

Vraag 61:

Bent u bereid om naast het uitgavenkader ook het verplichtingenkader te geven van de Stimulering Duurzame Energieproductie plus (SDE+), SDE en Milieukwaliteit van de Energieproductie (MEP) in een tabel?

Antwoord:

Het verplichtingenkader is nog niet (meerjarig) bekend. De meerjarige kasraming op de EZ-begroting samen met de beschikbare kasmiddelen in de begrotingsreserve Duurzame Energie bepalen hoeveel verplichtingenruimte er jaarlijks wordt opengesteld voor de SDE+. Dit wordt jaarlijks in het najaar voorafgaand aan het openstellingsjaar bepaald. Uw Kamer wordt hierover jaarlijks geïnformeerd, inclusief de informatie over de voorgenomen openstelling van de SDE+ (zie bijvoorbeeld Kamerstuk 31 239, nr. 208). Omdat de MEP en SDE regeling beide zijn beëindigd betreffen de MEP en SDE alleen nog de (kas)uitfinanciering van reeds aangegane verplichtingen. Voor de MEP en SDE is dus geen verplichtingenraming meer van toepassing.

Vraag 62:

Kunt u aangeven waaraan de onttrekking van 77 miljoen uit de begrotingsreserve duurzame energie in 2016 wordt uitgegeven?

Antwoord:

Dit maakt onderdeel uit van de € 398 miljoen die in de periode 2015–2020 wordt onttrokken aan de begrotingsreserve duurzame energie en die in de periode 2021–2026 weer volledig wordt teruggestort. Zie ook het antwoord op vraag 20.

Vraag 63:

Hoe kan het dat in de begroting van 2016 een bedrag is opgenomen van «slechts» € 5 miljard, terwijl conform de geplande uitrol van wind op zee er in 2016 2 tenders voor het windpark Borssele zouden worden gegund die dit bedrag al ruimschoots overschrijden?

Vraag 64:

Kunt u aangeven wanneer u ervan op de hoogte was dat de begrote verplichtingen van € 5 miljard met € 13 miljard overschreden zouden worden?

Vraag 65:

Waarom heeft u geen melding gemaakt van de € 18 miljard aan Stimuleringsmaatregel Duurzame Energieproductie (SDE+) beschikkingen in de Kamerbrief (Kamerstuk 31 239, nr.208 ) waar u naar verwijst?

Antwoord op vraag 63, vraag 64 en vraag 65:

Bij het opstellen van de begroting 2016 in het voorjaar van 2015 is alleen de eerste tender voor windenergie op zee met een subsidieplafond van € 5 miljard opgenomen, omdat voor de tweede tender op dat moment nog onzekerheid bestond over zowel het moment van afgeven van een beschikking als de hoogte van het subsidieplafond (zie ook het antwoord op vraag 66). Om deze reden is deze tweede tender niet meegenomen in de begroting 2016.

Ook de reguliere openstelling van de SDE+ voor 2016 is niet meegenomen in de begroting. Bij het opstellen van de begroting was de omvang van het subsidieplafond voor 2016 nog niet bekend. Meer duidelijkheid hierover is pas in het najaar van 2015 ontstaan, mede op basis van de ervaringen met de publicatie 2015 en de uitkomsten van de NEV 2015.

In de Kamerbrief van 7 december 2015 (Kamerstuk 31 239, nr. 208) heb ik aangegeven dat voor de reguliere openstelling een bedrag van in totaal € 8 miljard beschikbaar zal worden gesteld in twee openstellingsrondes. Ook voor de tweede tender windenergie op zee was er inmiddels meer duidelijkheid ontstaan over planning en geraamd subsidieplafond (€ 5 miljard). Dit alles leidt tot een uitbreiding van de in de begroting 2016 opgenomen verplichtingen met € 13 miljard tot € 18 miljard.

Vraag 66:

Klopt het dat voor iedere wind op zee tender wordt uitgegaan van een maximale openstelling van € 5 miljard en zo niet, wat is dan de verwachte maximale openstelling voor tender 4 en tender 5?

Antwoord:

Het subsidieplafond voor een openstelling voor windenergie op zee is het product van de maximale subsidiabele productie en het maximale subsidietarief. De maximale subsidiabele productie is voor alle tenders windenergie op zee gelijk. Dat geldt echter niet voor het subsidietarief. Het subsidietarief is afhankelijk van de combinatie van het tenderbedrag en de basiselektriciteitsprijs. Dit wordt vastgelegd bij ministeriële regeling. De waarde van zowel het tenderbedrag als de basiselektriciteitsprijs is tijdsafhankelijk. De waarde van het tenderbedrag is daarnaast ook locatieafhankelijk. Over beide variabelen brengt ECN vóór de publicatie een toegesneden advies uit. Het op dit moment aangeven van de hoogte van het plafond van toekomstige tenders is om die reden dan ook niet goed mogelijk

Vraag 67:

Zijn de kosten voor het netwerk op zee onderdeel van de gereserveerde maximale subsidiebeschikking van € 5 miljard per tender of is daarvoor een aparte tender beschikbaar en zo ja wat is de omvang daarvan?

Antwoord:

De kosten voor aanleg en exploitatie van het netwerk op zee maken geen onderdeel uit van de subsidie voor windparkexploitanten. Deze kosten worden door EZ rechtstreeks vergoed aan TenneT.

Vraag 68:

In hoeverre zijn de meerjarig geraamde middelen voor duurzame energie toereikend indien de elektriciteitsprijs minder hard stijgt dan verwacht en er dus een groter beroep gedaan wordt op de aangegane verplichtingen?

Vraag 69:

Klopt het dat de bewering: «de meerjarig geraamde middelen voor duurzame energie toereikend zijn voor de financiering van de aangegane verplichtingen» gebaseerd is op de meest recente prijsontwikkeling van de Nationale Energieverkenning 2015?

Vraag 70:

Kunt u cijfermatig onderbouwen in hoeverre de meerjarig geraamde middelen voor duurzame energie toereikend zijn voor de financiering van de aangegane verplichtingen indien zich onverhoopt een worst case scenario voordoet?

Antwoord vraag 68, vraag 69 en vraag 70:

Met de energieprijsontwikkeling uit de Nationale Energieverkenning 2015 (NEV 2015, Kamerstuk 30 196, Nr. 363) zou er op alle tot en met 2015 afgegeven subsidiebeschikkingen voor duurzame energieproductie een bedrag van € 13,4 miljard tot uitbetaling komen in de jaren 2016 tot en met 2035.

In de jaren 2016 tot en met 2032 is een bedrag van € 41 miljard beschikbaar voor het doen van betalingen voor duurzame energieproductie (inclusief de € 1 miljard op de interne begrotingsreserve).

Als de energieprijsontwikkeling ongunstiger verloopt dan in de NEV 2015 dan zal het totaal aan uitbetalingen hoger uitvallen. Het totaal van de uitbetalingen zal echter nooit meer zijn dan € 21 miljard: dit is het bedrag per 1 januari nog openstaat op alle eerder afgegeven beschikkingen voor duurzame energieproductie.

Dit betekent dat er ook in een «worst case» scenario voldoende kasmiddelen beschikbaar zijn om de tot nu toe aangegane verplichtingen te honoreren.

Vraag 71:

Kunt u toelichten waarom 98,9 miljoen euro van de 244,2 miljoen euro wordt uitgegeven in 2016 aan het Meerjarenprogramma Groningen? Hoe gaat de 98,9 miljoen besteed worden?

Antwoord:

De € 244 miljoen die totaal beschikbaar is op artikel 15, is op basis van een voorlopige raming verdeeld over de jaren. Ik heb de NCG gevraagd om samen met de regio uit te werken de wijze waarop het budget voor de combinatie van verduurzaming en versterking van gebouwen alsmede het bieden van compensatie voor de overlast van schade kan worden ingezet. Op basis daarvan zal de verdeling over de jaren waar nodig bijgesteld worden. Dit artikel kent een 100% eindejaarsmarge wat inhoudt dat budget dat in een bepaald jaar niet wordt benut, meegenomen kan worden naar volgende jaren. Op deze wijze wordt rekening gehouden met de complexe en deels onvoorspelbare opgave waar de NCG voor staat en wordt de nodige flexibiliteit geboden zodat het budget optimaal kan worden aangewend.

Vraag 72:

Waarom is gekozen voor de misleidende term Energie-akkoord op de begrotingspost artikel 14, terwijl daar louter de Demonstratieregeling Energie Innovatie (DEI) onder valt en dit geenszins recht doet aan de totale kosten van het energieakkoord?

Antwoord:

De begrotingspost Energieakkoord bestaat uit het budget voor de Demonstratieregeling Energie Innovatie (DEI) en het budget voor diverse maatregelen energiebesparing en innovatie (van jaarlijks € 10 miljoen in de periode 2014–2017). Om dit onderscheid duidelijker te presenteren zal ik met ingang van de EZ begroting 2017 deze posten afzonderlijk presenteren in de budgettaire tabel van artikel 14.

Vraag 74:

Hoeveel voeding is er normaal voor de begrotingsreserve apurement? Heeft deze begrotingsreserve een structurele voeding?

Antwoord:

De omvang van de voeding zoals opgenomen in de vastgestelde begroting 2016 was € 7,3 miljoen. Met de mutatie die in de voorjaarsnota wordt doorgevoerd, wordt de structurele voeding nihil. Op grond van de jaarlijkse beoordeling van de omvang van de reserve in relatie tot de correctievoorstellen en definitieve correctiebesluiten van de Europese Commissie zal de afweging gemaakt worden of in de toekomst voeding van de reserve moet plaatsvinden.

Vraag 75:

Voor welke periode wordt 7,3 miljoen euro uit de begrotingsreserve apurement overgeheveld naar de NVWA?

Antwoord:

Het bedrag van € 7,3 miljoen per jaar wordt vanaf 2016 structureel overgeheveld naar de bijdrage aan het agentschap NVWA.

Vraag 76:

Waarom wordt er voor de Demonstratieregeling Energie Innovatie (DEI) minder uitgegeven dan er beschikbaar is?

Antwoord:

De DEI kent in 2016 twee openstellingsronden. De eerste ronde met een budget van € 18 miljoen is op 26 april 2016 gesloten voor het indienen van aanvragen. De tweede ronde van € 17,7 miljoen sluit op 25 oktober 2016. Vanwege deze late sluitingsdatum van de tweede openstelling wordt in 2016 minder uitgegeven dan beschikbaar is.

Vraag 77:

Wat behelzen de SDE+-projecten van de Topsectoren? Welke bedragen zijn hiermee gemoeid?

Antwoord:

Met de Hernieuwbare Energie regeling is jaarlijks een apart afgezonderd deel van de reguliere SDE+ middelen beschikbaar voor innovatieprojecten. De regeling beoogt om de doelstelling van 16% hernieuwbare energie in 2023 kosten effectiever te realiseren. Innovatieve projecten komen in aanmerking voor subsidie indien deze leiden tot (additionele) duurzame energieproductie in 2023 en in de toekomst een besparing op de uitgaven aan SDE+ subsidies wordt gerealiseerd die groter is dan de innovatiesubsidie die voor het project wordt aangevraagd. De regeling is niet beperkt tot de Topsector Energie thema’s voor hernieuwbare energie, en staat dus breder open. In de periode 2016–2019 is jaarlijks € 50 miljoen (verplichtingenruimte) beschikbaar voor nieuwe projectvoorstellen.

Vraag 78:

Wat behelst de Investeringssubsidie Duurzame Energie (ISDE)? Hoe verhoudt dit zich tot Demonstratie energie-innovatie (DEI)?

Antwoord:

De Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) is een nieuwe subsidieregeling (per 1 januari 2016) voor kleinschalige installaties voor de productie van hernieuwbare energie (Kamerstuk 31 239, nr. 208). Dit zijn installaties zoals zonneboilers, biomassaketels en warmtepompen met een klein vermogen. Deze regeling geeft huishoudens de kans om hun warmwaterboiler te vervangen door een zonneboiler, bedrijven om hun (proces)warmte te produceren met een biomassaketel en woningcorporaties om warmtepompen te installeren voor de verwarming van huurwoningen. De regeling geldt voor een periode van vijf jaar, met als doel dat deze installaties op de langere termijn zonder ondersteuning kunnen concurreren met fossiele alternatieven. In 2016 stel ik € 70 miljoen beschikbaar voor deze regeling. Deze subsidie is bedoeld om bestaande technieken versneld uit te rollen en daarmee mogelijk kostenreducties en innovatie mede te stimuleren.

De Demonstratieregeling energie-innovatie (DEI) is primair gericht op de demonstratiefase van technologieën die potentie hebben voor versterking van de Nederlandse economie, wat betreft omzet, werkgelegenheid en export. Het moet gaan om de demonstratie van een product, proces of dienst van een Nederlandse fabrikant, dienstverlener of leverancier.

Vraag 79:

Kan een overzicht gegeven worden van alle middelen op het gebied van energie-innovatie?

Antwoord:

De beschikbare middelen voor energie-innovatie op de EZ begroting bestaan uit verschillende onderdelen. In onderstaand overzicht zijn de beschikbare kasbudgetten opgenomen voor de periode 2016–2020.

Kasbudget x € 1 miljoen

2016

2017

2018

2019

2020

Topsector energie

35,6

25,1

26,8

31,5

31,5

Topsector energie SDE+

48,8

48,6

48,3

50,0

50,0

Energie-innovatie

19,7

2,4

2,4

2,4

2,4

Demonstratieregeling Energie Innovatie (DEI)

17,0

49,0

49,0

49,0

49,0

CO2 afvang en opslag (CCS)

0,2

6,3

8,1

8,1

8,1

Totaal

121,3

131,4

134,6

141

141

Vraag 81:

Wanneer gaat Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratieproject (ROAD) van start?

Antwoord:

In het oorspronkelijk plan van ROAD zou de CO2 worden opgeslagen in een leeg gasveld, circa 20 km uit de kust. De financiële middelen om dit project van de grond te krijgen waren echter niet toereikend. In 2015 is ROAD gestart met het in kaart brengen van alternatieve opties. Eén daarvan is de opslag in een kleiner, dichter bij de kust gelegen veld van Oranje Nassau Energie. Als de bij ROAD betrokken partijen later dit jaar het finale investeringsbesluit nemen, kan mogelijk in 2017 worden gestart met de bouw van de afvanginstallatie. Met de daadwerkelijke opslag kan naar verwachting dan in 2020 worden gestart.

Vraag 82:

Waarom wordt de verduurzamingsopgave Groningen los geboekt van de Meerjarenraming Groningen?

Antwoord:

Het budget wat op artikel 14 wordt ingezet voor de verduurzamingsopgave Groningen is op basis van herprioritering vrijgemaakt uit de EZ begroting en zijn kader relevante uitgaven. Het budget wat op artikel 15 staat is beschikbaar gekomen uit de aardgasbaten en betreft niet kader relevante uitgaven. Zie ook het eerste deel van het antwoord op vraag 11.

Vraag 83:

Kunt u aangeven wie de voorspellingen doet voor de ontwikkelingen van de TTF-gasprijs en welke verklaring er is voor de veel lager uitgevallen gasprijs?

Antwoord:

Er worden geen voorspellingen gedaan. Er wordt bij elke raming uitgegaan van de op dat moment geldende prijzen op de Nederlandse gasbeurs: ICE ENDEX TTF. Uit de notering op de Nederlandse gasbeurs blijkt of de gasprijzen zijn gedaald.

Vraag 88:

Kunt u onderbouwen op basis van welke informatie u acht dat er in de begrotingsreserve apurement nog € 114,800 miljoen nodig is? Is er al meer duidelijkheid over apurementsprocedures die nog gestart worden (TK, 34 300-XIII, nr. 61, vraag 57 en 204)?

Antwoord:

Op dit moment is er in 2016 voor een bedrag van € 58 miljoen aan definitieve correctievoorstellen betaald en is voor een bedrag van € 1,8 miljoen aan voorgenomen correctievoorstellen ontvangen. Op grond van de jaarlijkse beoordeling van de omvang van de reserve in relatie tot de correctievoorstellen en definitieve correctiebesluiten van de Europese Commissie zal worden beoordeeld of eventuele additionele voeding van de reserve noodzakelijk is. In bijlage 2 bij de Nationale Verklaring 2016 is een overzicht opgenomen van de lopende onderzoeken van de Europese Commissie.

Vraag 90:

Waarom wordt de Kamer buiten spel gezet als het gaat om de besteding van de Rijksmiddelen door de Nationaal Coördinator Groningen?

Antwoord:

Het budgetrecht van de Kamer geldt ook voor artikel 15 Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen.

Vraag 91:

Hoeveel van de begrote € 244,2 miljoen is bedoeld voor een uitkoopregeling voor de Groningse aardbevingsslachtoffers en hoeveel is dat van de eerdere € 1,2 miljard?

Antwoord:

Voor de inzet specifiek instrumentarium, waaronder een regeling voor achterstallig onderhoud en de opzet van een woonbedrijf, heb ik vanuit de begrote € 244,2 miljoen een budget van € 14 miljoen gereserveerd. De NAM heeft hiervoor bovenop de € 1,2 miljard een budget van € 16 miljoen gereserveerd. Er is dus totaal € 30 miljoen extra beschikbaar voor het instrumentarium woningmarkt bovenop de eerdere € 1,2 miljard uit het bestuursakkoord.

Vraag 92:

Wat is het precieze bedrag dat gereserveerd wordt per jaar voor de waardevermeerderingsregeling Groningen?

Antwoord:

Voor de combinatie van verduurzaming bij versterking en bij herstel van schade en de verduurzaming van schoolgebouwen is totaal € 165 miljoen gereserveerd. Ik heb de NCG gevraagd om samen met de regio de specifieke wijze waarop dit budget kan worden ingezet uit te werken.

Vraag 93:

Wat wordt er bedoeld met de zin «niet tot een ijklijn behorend» Meerjarenprogramma nationaal coördinator?

Vraag 94:

Wat wordt er bedoeld met: niet tot een ijklijn behorend» Bijstelling aardgasbaten?

Vraag 95:

Zijn er consequenties aan het gebruik van de kwalificatie «niet tot een ijklijn behorend»? Zo ja, welke?

Antwoord op vraag 93, vraag 94 en vraag 95:

De term «niet tot een ijklijn behorend» is een term om uitgaven- en ontvangstenmutaties aan te duiden die niet relevant zijn voor het uitgavenkader. Dit betekent dat in geval van lager dan geraamde ontvangsten, dan wel hogere uitgaven op deze instrumenten niet binnen de EZ-begroting specifiek omgebogen hoeft te worden op andere uitgaven. In het geval van hoger dan geraamde ontvangsten, dan wel lagere uitgaven, mogen geen aanvullende, nieuwe uitgaven worden gedaan (zie antwoord op vraag 11 voor toelichting hierover voor meerjarenprogramma NCG en de gasbaten).

Vraag 97:

Wordt het geld dat bestemd en toegezegd is voor het scholenprogramma scholen Groningen (als gevolg van aardbevingsschade)overgeheveld naar de begroting van het Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), of blijft het op de begroting staan van het Ministerie van Economische Zaken onder de post Nationaal Coördinator Groningen?

Antwoord:

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt in totaal € 50 miljoen beschikbaar voor het scholenprogramma door middel van een structurele overboeking naar de begroting van het Ministerie van EZ van € 3 miljoen per jaar vanaf 2017. Deze mutatie wordt geëffectueerd bij Miljoenennota.

Vraag 98:

Wie is er eindverantwoordelijk voor de aanpassingen van het scholenprogramma (a.g.v. aardbevingen) In Groningen? Welke Minister, welke lagere overheden?

Antwoord:

Het scholenprogramma is samen met de 9 betrokken gemeenten, 17 schoolbesturen en de NAM tot stand gekomen. De uitvoering van het scholenprogramma vindt onder regie van de NCG plaats. Alle partijen worden betrokken bij de besluitvorming. Besluitvorming vindt plaats in de Stuurgroep Scholen. Het scholenprogramma wordt uitgevoerd met financiële bijdragen van de NAM, de gemeenten en het Rijk.

Vraag 99:

Komt er voor de versteviging van bijvoorbeeld ziekenhuizen en zorginstellingen in Groningen een regeling zoals die er ook is gekomen voor de scholen in Groningen? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord:

De NCG inventariseert momenteel met alle betrokkenen in de zorgsector wat de omvang is van de versterkingsopgave voor zorginstellingen in het aardbevingsgebied en welk antwoord de zorgsector daarop moet formuleren. Op dit moment worden inspecties verricht die de daarvoor noodzakelijke informatie zullen opleveren. De sectoren zorg en onderwijs zijn verschillend ingericht en vergen ieder een eigen zorgvuldig vormgegeven aanpak. Het kabinet heeft daarom de NCG gevraagd inzichtelijk te maken wat de omvang is van de eventueel benodigde middelen voor onder meer zorg en aangegeven op basis daarvan, waar nodig, dekking te zullen zoeken. Als uitgangspunten gelden daarbij de aansprakelijkheid van NAM en het onveranderd blijven van de bestaande (financiële) verantwoordelijkheden. De NCG voert binnen dat kader een regierol.

Vraag 101:

Blijven incidentele inkomsten uit de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen behouden binnen het Toekomstfonds?

Antwoord:

Op grond van de vigerende begrotingsspelregels komen incidentele baten uit de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen, zoals opbrengsten uit aandelenverkoop of superdividend, ten gunste aan het generale beeld. Bij de dividenduitkering NOM in 2015 (€ 10 miljoen), alsmede de verkoop van aandelen LIOF (opbrengst € 32 miljoen, te ontvangen in 2016) heeft het kabinet besloten van deze regel af te wijken. Deze opbrengsten zijn behouden binnen het Toekomstfonds.

Ook heeft het kabinet besloten dat de dividendopbrengst van de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij van € 20 miljoen (te ontvangen in 2016) binnen het specifieke beeld van de EZ-begroting mag worden ingezet. Dit bedrag zal worden aangewend voor de verduurzaming van 10.000 te versterken woningen in Groningen en komt daardoor niet binnen het Toekomstfonds beschikbaar.

De opbrengst uit de verkoop van aandelen in de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij (NOM), thans geraamd op € 46,8 miljoen, wordt ten gunste van het generale beeld gebracht.

Vraag 102:

Wat valt eronder de post «toegepast onderzoek»?

Antwoord:

Het onderzoeksdeel van het toekomstfonds stimuleert zowel fundamenteel als toegepast onderzoek. Bij toegepast onderzoek draait het om de praktische toepasbaarheid van de resultaten daarvan en vindt onder meer plaats bij toegepaste kennisinstellingen zoals de TO2 federatie (TNO, ECN, DLO, Marin, NLR, Deltares). De tender Toekomstfondskrediet onderzoeksinfrastructuur (Kamerstuk 31 288, nr. 543) stond bijvoorbeeld open voor alle onderzoeksinstellingen zonder onderscheid naar type instelling.

Vraag 104:

Welke bijstellingen naar aanleiding van de beleidsmatige aanpassingen hebben er plaatsgevonden?

Antwoord:

Het Toekomstfonds wordt mede gevoed met eventuele meevallers uit de aardgasbaten. Er is sprake van meevallers wanneer de gerealiseerde aardgasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de aardgasbaten zoals die voor dat betreffende jaar geraamd zijn in de Miljoenennota 2015. Deze raming wordt herijkt als er beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie plaatsvinden (Kamerstuk 34 000 XIII, nr.5).

Bij Voorjaarsnota 2015 is de raming herijkt naar aanleiding van het naar beneden bijstellen van de gasproductie in Groningen (Kamerstuk 33 529 XIII, nr. 91).

Daarnaast heeft het kabinet eind juni 2015 besloten om de gaswinning uit het Groningenveld voor 2015 terug te brengen tot 30 miljard m3. In lijn met het besluit over 2015 is voor de berekening van de gasbaten voor de jaren 2016–2020 voor het Groningenveld voorlopig uitgegaan van het niveau dat noodzakelijk is voor de leveringszekerheid (33 mld m3) (Kamerstuk 33 529 XIII, nr. 174). Als gevolg van deze beleidsmatige aanpassing van de gasproductie is de ijklijn die van invloed is voor de bepaling van de voeding van het Toekomstfonds aangepast (bij Miljoenennota 2016).

Bij Voorjaarsnota 2016 heeft het kabinet, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 18 december 2015 (Kamerstuk 33 529, nr. 212), besloten om de voorlopige voorziening van de Raad van State uit haar uitspraak van 18 november 2015 in stand te laten. Hierdoor geldt er in het gasjaar 2015–2016 voor het Groningenveld een productieplafond van 27 mld Nm3.

Naar aanleiding van de bovengenoemde wijziging bij Voorjaarsnota 2016 is er sprake van meevallers voor het Toekomstfonds wanneer de gerealiseerde gasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de gasbaten zoals in onderstaande tabel is opgenomen (stand actuele ijklijn aardgasbaten Voorjaarsnota 2016).

Daarnaast geeft de tabel alle wijzigingen tot op heden weer van de ijklijn die van invloed is voor de bepaling van de voeding van het Toekomstfonds. Deze actuele ijklijn wijkt af van de raming van de aardgasbaten op beleidsartikel 14 omdat voor het Toekomstfonds alleen de beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie van toepassing zijn. Bij het vaststellen van de gasbatenraming op beleidsartikel 14 spelen onder andere de euro/dollar koers en de olieprijs een rol. Deze blijven bij de berekening van de ijklijn voor het Toekomstfonds buiten beschouwing.

Voeding Toekomstfonds (bedragen x € 1 miljoen)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

– Raming aardgasbaten Miljoenennota 2015

10.750

9.100

8.900

8.550

8.350

8.200

– Bijstelling n.a.v. beleidsmatige aanpassingen (volume-effect) bij Voorjaarsnota 2015

 

– 450

– 350

– 100

– 150

– 150

– IJklijn aardgasbaten Voorjaarsnota 2015

10.750

8.650

8.550

8.450

8.200

8.050

6.800

– Bijstelling n.a.v. beleidsmatige aanpassingen (volume-effect) bij Miljoenennota 2016

 

– 900

– 1.300

– 1.050

– 900

– 500

– 300

– IJklijn aardgasbaten Miljoenennota 2016

 

7.750

7.250

7.400

7.300

7.550

6.500

– Bijstelling n.a.v. beleidsmatige aanpassingen (volume-effect) bij Voorjaarsnota 2016

   

– 850

– 950

– 950

– 950

– 950

– Actuele ijklijn aardgasbaten Voorjaarsnota 2016

   

6.400

6.450

6.350

6.600

5.550

Vraag 105:

Kunt u aangeven waarom het resterende bedrag van 28,4 miljoen euro bij de huidige inzichten voldoende is als dekking voor de interne reserve pelsdierhouderij? Welke huidige inzichten liggen hier aan ten grondslag?

Antwoord:

Het bedrag van € 28,4 miljoen dat in de vraag wordt genoemd, betreft de stand van de interne begrotingsreserve Landbouw bij 1e suppletoire EZ-begroting 2016. In de begrotingsreserve Landbouw zijn middelen gereserveerd voor meerdere regelingen en voorzieningen, waarvan het uitgavenpatroon over de jaren heen moeilijk is te ramen. Het flankerend beleid pelsdierhouderij is één van die bestedingsdoelen.

Naar aanleiding van het amendement van de leden Van Gerven en Dijsselbloem (Kamerstuk 32 609 XIII, nr. 4) reserveert EZ in de periode 2011 tot en met 2024 in totaal € 28 miljoen voor de uitvoering van het flankerend beleid van de Wet verbod op de pelsdierhouderij. Het uitgangspunt is dat van dit budget € 5 miljoen beschikbaar is voor de uitvoering van de hardheidsclausule pensioen (artikel 11 van de wet) en € 23 miljoen ten behoeve van het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij.

Van de € 28,4 miljoen die op dit moment in totaal beschikbaar is in reserve Landbouw, is € 22 miljoen gereserveerd voor het flankerend beleid voor het verbod op de pelsdierhouderij. In de jaren 2022 tot en met 2024 zal jaarlijks nog € 2 miljoen vanuit de EZ begroting aanvullend in de reserve Landbouw worden gestort, zodat uiteindelijk € 28 miljoen (€ 22 miljoen + (3 x € 2 miljoen) = € 28 miljoen) kan worden aangewend ten behoeve van flankerend beleid pelsdierhouderij.

Vraag 106:

Wat voor kosten berekent de ACM door aan de markt?

Antwoord:

De ACM belast aan de markt in principe alle personele en materiële kosten door van haar werkzaamheden, die tot doel hebben het bevorderen van goed functionerende markten, van ordelijke en transparante marktprocessen en van een zorgvuldige behandeling van consumenten. Op grond van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt mogen bepaalde kosten echter niet worden doorbelast, bijvoorbeeld de kosten voor het uit eigen beweging doen van marktonderzoeken en maken van rapportages zoals de Trendrapportage energiemarkt voor consumenten en de Telecommonitor. De bedragen die de ACM doorbelast worden jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld, op basis van de kosten van de ACM in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de bedragen gelden.

Vraag 107:

Waarom kost het borgen van kennis in de organisatie DICTU € 6,6 miljoen extra?

Antwoord:

Het borgen van ICT-kennis in de organisatie DICTU wordt vormgegeven door een verambtelijkingsdoelstelling van 80 fte per jaar voor 2016 en 2017, zoals in de begroting 2016 is aangekondigd (Kamerstuk 34 300 XIII, nr. 2). De laatste jaren heeft DICTU een groei doorgemaakt door centralisatie van de ICT-functie, overheveling van taken (o.a. productschappen en ondernemingsdossier) en groei van de totale opdrachtenportefeuille binnen en buiten EZ. Door deze groei heeft DICTU voor uitbreiding van werkzaamheden zoals het beheer van applicaties, beheer van werkplekken en beheer van infrastructuur gebruik gemaakt van externe expertise. Om deze kennis in de eigen organisatie te borgen wordt door DICTU komende jaren geïnvesteerd in het verambtelijken, werven en opleiden van eigen personeel voor deze werkzaamheden. Dit leidt tot een stijging van de kosten van eigen personeel met € 6,6 miljoen.

Vraag 108:

Kunt u de juiste toelichting geven op de cijfers bij personele kosten van Dienst ICT Uitvoering (DICTU) zodat duidelijk wordt voor welk bedrag wordt uitbesteed en of dit de volledige post «overige personele kosten» betreft?

Antwoord:

De totale personele kosten DICTU voor 2016 worden geraamd op € 132,1 miljoen. Daarvan is € 58,9 miljoen eigen personeel, € 5 miljoen externe inhuur en € 68,2 miljoen betreffen uitbestede werkzaamheden. Dit laatste is de volledige post «overige personele kosten».

Vraag 109:

Waar zijn de subsidies voor de Zuiderzeelijn in de begroting van 2016 op gericht?

Antwoord:

Dit heeft betrekking op de uitfinanciering van economische stimuleringsprojecten voor Noord Nederland, die zijn verstrekt in het kader van de compensatie voor het niet doorgaan van de Zuiderzeespoorlijn.

Vraag 110:

Hoe is de 2.129.000,– euro aan regelingen natuur precies opgebouwd?

Antwoord:

Dit betreft de volgende posten:

Overzicht regelingen natuur (bedragen x € 1.000):

– Burgereducatie (subsidie aan Instituut Voor Natuureducatie en duurzaamheid)

1.003

– Regeling Natuur/ Stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden

447

– Landschapsplanning

48

– Tijdelijke regeling Particulier Natuurbeheer

364

– Regeling natuur/Regeling Draagvlak Natuur

132

– Overig uitvoeringskosten beheer

35

– Overig beheer natuur

100

Totaal

2.129

Vraag 111:

Kunt u aangegeven aan wat precies de Natura2000 kosten worden besteed?

Antwoord:

De uitgaven voor Natura 2000 worden besteed aan onderzoek en ontwikkeling van aanwijzingen van Natura 2000-gebieden en beheerplannen waarvan het Ministerie van EZ voortouwnemer is. Daarnaast zijn de uitgaven bestemd voor het organiseren van de maatschappelijke dialoog rond de EU Fitness Check Natura 2000.

Vraag 112:

Uit welke activiteiten is het onderdeel overige kosten opgebouwd?

Antwoord:

Overzicht overige kosten (bedragen x € 1.000):

– Tijdelijke opvang van in beslag genomen goederen

1.003

– Landelijke vereveningspot (inzake herverkaveling)

903

– Themapot (uitfinanciering landelijke bijdrage ANLb)

392

– Soortenbescherming

326

– Participatie beheergebieden

180

– Cites

120

– Versterking recreatieve sector

36

Totaal

2.960

Vraag 113:

Wat is er precies uitgegeven aan middelen buiten de Ecologische Hoofdstructuur (EHS)?

Antwoord:

Dit is niet bekend omdat deze uitgaven niet afzonderlijk worden begroot en verantwoord op de EZ- begroting. Het onderscheid tussen uitgaven binnen en buiten Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) wordt niet meer gemaakt na de decentralisatie van natuurtaken naar de provincies in het kader van het Natuurpact.

Vraag 114:

Heeft u de kosten voor externe inhuur bij de NVWA omlaag gebracht, zoals u opperde in december jl. (TK 33 835, nr. 30, p. 35)? Zo ja, welke taken worden hierdoor niet meer of niet meer door externen uitgevoerd?

Antwoord:

In de brief van 27 mei 2016 (Kamerstuk 33 835, nr. 33) is de Kamer geïnformeerd over het nieuwe budgettaire kader van de NVWA.

De NVWA stuurt actief op het beperken van de kosten van externe inhuur, onder andere door een interne toetsprocedure voordat tot inhuur overgegaan mag worden. In het primaire proces wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van ambtelijk personeel. Inzet van externe inhuur, zoals uitzendkrachten voor toezicht in de horeca, is desondanks nodig om pieken in de werkbelasting op te vangen. De kosten voor externe inhuur worden de komende jaren voor een belangrijk deel bepaald door de uitvoering van het Plan van Aanpak, o.a. ten behoeve van de ICT-ontwikkeling en ondersteuning van de transitie.

Vraag 115:

Kunt u een overzicht geven van de middelen die worden besteed aan de decentralisatie natuur?

Antwoord:

Het bedrag van € 150.000,– betreft een reservering voor reorganisatiekosten van voormalig medewerkers van het Faunafonds.

Vraag 116:

Kunt u toelichten waarom Staatsbosbeheer een extra bijdragen krijgt van 200.000,– euro?

Antwoord:

De bijdrage aan Staatsbosbeheer van € 200.000,– betreft een voortzetting van de bijdrage aan de Genenbank. Deze door Staatsbosbeheer beheerde Genenbank autochtone bomen en struiken is bedoeld om oorspronkelijk plantmateriaal te verzamelen en veilig te stellen. De Genenbank geeft invulling aan internationale verplichtingen inzake genetische biodiversiteit die voortvloeien uit het Biodiversiteitsverdrag.

Vraag 117:

Kunt u uiteenzetten waar het bedrag voor de diverse contributies aan internationale organisatie uit bestaat?

Antwoord:

Overzicht overige kosten (bedragen x € 1.000):

– Common Wadden Sea Secretariat (CWSS)

247

– UNEP

494

– IUCN

219

– RAMSAR Convention on Wetlands

104

– Convention on the Conservation of Marine Living Resources (CCAMLR)

80

– Wetlands International

36

– UNESCO

23

– Diverse

519

Totaal

1.722

Vraag 118:

Waar liggen de prioriteiten van Nederland als het gaat om bijdragen aan internationale organisaties?

Antwoord:

Op het gebied van natuurbeleid is Nederland partij bij een aantal internationale verdragen die opgericht zijn voor het behoud van de mondiale biodiversiteit, waaronder de Convention on BioDiversity (CBD), de African Eurasian Waterbirds Agreement (AEWA), de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Flora and Fauna (CITES).

Nederland kent geen prioriteit toe tussen de organisaties. Ieder verdrag kent andere prioriteiten. Nederland acht het van groot belang dat de mondiale biodiversiteit en de relatie die dit met de Nederlandse biodiversiteit heeft, behouden wordt. Ondertekening en toetreding bij een verdrag heeft als verplichting jaarlijks een financiële bijdrage te leveren aan het benodigde budget. Deze contributie wordt veelal vastgesteld aan de hand van de «UN scale of assesments». Deze «UN scale of assessments» wordt bepaald door het totale aandeel van het bruto nationaal product, aangepast aan een aantal factoren en wordt jaarlijks herzien.

Vraag 119:

Waarom is de bijdrage aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met 1.258.000 euro verminderd?

Antwoord:

Dit heeft met name betrekking op de uitvoering van de NURG(Nadere Uitwerking Rivierengebied) welke door de opheffing van DLG vanaf 2016 uitgevoerd wordt door SBB. Het hiermee samenhangende budget van de betreffende 12 fte’s die bij RVO stonden zijn overgegaan naar SBB.

Vraag 121:

Waarom is ervoor gekozen om overige uitbreiding van werkzaamheden van Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) door tijdelijk personeel, voornamelijk uitzendkrachten, te laten uitvoeren?

Vraag 122:

Wat houden overige uitbreidingen van werkzaamheden van RVO.nl in? Wat voor werkzaamheden zijn dit?

Antwoord op vraag 121 en vraag 122:

RVO.nl kent een divers pakket aan werkzaamheden bestaande uit structurele en incidentele opdrachten. RVO.nl voert de financiële regelingen uit, zoals het verstrekken van garanties, fiscale stimulering en subsidies voor ondernemerschap. Om zowel periodiek terugkerende als ook incidentele opdrachten uit te kunnen voeren is een bepaalde mate van flexibiliteit noodzakelijk. Met deze flexibiliteit kan de toename van het takenpakket worden opgevangen.

Uitbreidingen van de werkzaamheden van RVO.nl in 2016 betreffen de taken zoals beschreven op de pagina’s 38 en 39 van de eerste suppletoire begroting. Taken waarvoor door de opdrachtgevers middelen zijn toegevoegd zijn o.a. de regelingen Kleine Warmteopties, Wind op Zee, Energiebesparing en duurzame energie voor sportaccommodaties (EDS), de garantieregeling Ondernemingsfinanciering, de Groeifaciliteit, het Netherlands Investment Agency, de doorontwikkeling Berichtenbox voor bedrijven, het programma Boeren aan de box en Tendernet.

Vraag 123:

Kunt u aangeven naar aanleiding van uw antwoord op vraag 185 bij de Beantwoording vragen over Jaarverslag van het Ministerie van Economische Zaken en het Diergezondheidsfonds en het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag (Kamerstuknummer 34 475-XIII-6) of de 9,2 miljoen euro aan niet gerealiseerde omzet aan het eigen vermogen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is toegevoegd? Hoe verhoudt de genoemde 12,1 miljoen euro zich tot de eerder genoemde 19,4 miljoen euro bij de Najaarsnota 2015?

Vraag 124:

Kunt u aangeven waarom deze 9,2 miljoen euro in het antwoord op vraag 185 (Jaarverslag) lijkt te ontbreken in de totale impuls van EZ voor de versterking van eigen vermogen van de NVWA van 19,8 miljoen euro (12,1 miljoen euro + 7,7 miljoen euro)?

Vraag 125:

Hoe is de 9,2 miljoen euro opgenomen in het totaalbedrag van 19,8 miljoen euro voor de versterking van het eigen vermogen van de NVWA?

Vraag 126:

Klopt het dat de 6,6 miljoen euro zoals verwoord in het antwoord op vraag 185 (Jaarverslag), dat mede gebruikt is voor de versterking van het eigen vermogen, afkomstig is van de vernieuwing van het ICT-landschap dat vertraging heeft opgelopen in 2015?

Antwoord:

In de tweede suppletoire EZ-begroting 2015 is een verwachte benodigde toevoeging van € 19,4 miljoen aan het eigen vermogen van de NVWA verwerkt (TK 34 350 XIII, nr. 2, pagina’s 19 en 26).

Dit is ten dele EZ-breed gefinancierd (€ 10,2 miljoen) en toegevoegd aan de bijdrage NVWA op beleidsartikel 16. De resterende € 9,2 miljoen is gefinancierd uit de middelen die door de voorziene niet gerealiseerde omzet naar verwachting zouden vrijvallen (met name uitvoering van het Plan van aanpak inzake ICT-modernisering en reguliere werkzaamheden). Daarbij is er van uitgegaan dat dit bedrag door middel van een vermogensmutatie zou worden verwerkt. Onderstaande tabel vat dit samen.

Mutaties verwerkt in tweede suppletoire EZ-begroting 2015 (bedragen x € 1 miljoen)

Directe toevoeging aan het eigen vermogen NVWA i.v.m. versterken solvabiliteit

10,2

Toevoeging aan eigen vermogen NVWA a.g.v. vertraagde uitvoering van werkzaamheden 2015

9,2

Totale verwachte mutatie in het eigen vermogen NVWA 2015

19,4

Zoals toegelicht in het EZ-jaarverslag (beleidsartikel 16 en agentschapsparagraaf NVWA) en het antwoord op vraag 185 bij het jaarverslag, bleek bij het opstellen van de jaarrekening 2015 van de NVWA dat € 1,4 miljoen, als gevolg van niet uitgevoerde werkzaamheden in 2015, is vrijgevallen evenals € 0,5 miljoen nog te verrekenen uit 2014. Deze bedragen (in totaal € 1,9 miljoen) zijn ultimo 2015 toegevoegd aan het eigen vermogen van de NVWA. Tezamen met de bovengenoemde toevoeging door EZ aan het eigen vermogen van de NVWA ter versterking van de solvabiliteit, bedraagt de totale versterking van het eigen vermogen € 12,1 miljoen (zie pagina’s 82, 133 en 135 van het EZ-jaarverslag).

Voorts bleek dat in totaal € 7,7 miljoen van het in 2015 beschikbare budget van EZ voor uitvoering van het Plan van aanpak en reguliere werkzaamheden vertraagd is en daarom niet in 2015 is uitgegeven. Dit komt in 2016 alsnog tot besteding. Het merendeel hiervan (€ 6,6 miljoen) betreft uitgaven voor de ICT-vernieuwing, die onderdeel uitmaakt van het Plan van aanpak. Deze uitgaven lopen achter bij het bestedingsritme dat was aangenomen bij het opstellen van het Plan van aanpak. Ook is in 2015 voor een bedrag van € 1,1 miljoen aan reguliere werkzaamheden niet gerealiseerd. Ook deze werkzaamheden zullen in 2016 alsnog uitgevoerd worden. Om die reden blijft het in 2015 niet bestede budget voor deze activiteiten beschikbaar in 2016, teneinde deze werkzaamheden alsnog uit te kunnen voeren. Dat is gebeurd via de staat van baten en lasten (bijzondere baten) van de NVWA (zie pagina 130–132 van het EZ-jaarverslag).

De totale financiële impuls in 2015 voor de NVWA komt daarmee uit op € 19,8 miljoen. Dit is iets meer dan op basis van de inzichten ten tijde van de Najaarsnota 2015 werd voorzien. Onderstaande tabel vat de in het EZ-jaarverslag 2015 verwerkte mutaties samen.

Mutaties verwerkt in EZ-jaarverslag 2015 (bedragen x € 1 miljoen)

Directe toevoeging aan het eigen vermogen NVWA i.v.m. solvabiliteit

10,2

Vrijgevallen budget als gevolg van niet uitgevoerde taken 2014 en 2015

1,9

Totale mutatie in het eigen vermogen NVWA 2015

12,1

Budget 2015 doorgeschoven naar 2016 voor vertraagde, in 2016 alsnog uit te voeren werkzaamheden via bijzondere baten

7,7

Totale mutatie NVWA 2015

19,8

Naar boven