34 100 Wijziging van de Implementatiewet richtlijn solvabiliteit II en de Implementatiewet richtlijn financiële conglomeraten I ter implementatie van de richtlijn 2014/51/EU van het Europees parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EU en 2009/138/EG alsmede de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PbEU 2014, L 153) (Wet implementatie Omnibus II-richtlijn)

Nr. 14 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 maart 2015

Tijdens het wetgevingsoverleg over de Wet implementatie Omnibus II-richtlijn van 2 maart jl. is gesproken over de vrijstellingsgrens van € 10.000. Deze grens houdt in dat alle van prudentieel toezicht vrijgestelde verzekeraars (dus niet alleen natura-uitvaartverzekeraars) geen verzekeringen mogen sluiten met een dekking van meer dan € 10.000 euro per verzekerd object respectievelijk per overlijdensgeval. De hoogte van deze grens is mede in overleg met de samenwerkende uitvaartorganisaties (Nardus) respectievelijk de Federatie van Onderlinge Verzekeringmaatschappijen (FOV) vastgesteld, zie de memorie van toelichting bij de Implementatiewet richtlijn solvabiliteit II1.

Enkele leden van de vaste commissie voor Financiën vroegen zich af of de grens niet te laag is en wilden weten hoe de organisaties van natura-uitvaartverzekeraars daarover denken. Ik stel voor bij de consultatie van de Vrijstellingsregeling Wft die in de komende maanden zal plaatsvinden en waarin deze vrijstellingsgrens zal worden opgenomen, expliciet te vragen naar de hoogte van deze grens.

Ik hecht er overigens aan op te merken, zoals ik ook al tijdens het wetgevingsoverleg van 2 maart jl. deed, dat bij het vaststellen van deze grens ook rekening moet worden gehouden met de belangen van de consument. De gedachte hierbij is dat alleen die verzekeraars van prudentieel toezicht kunnen worden vrijgesteld die verzekeringen aanbieden die beperkt van omvang zijn. De consument loopt immers, vanwege het ontbreken van prudentieel toezicht, dan een groter risico dat hij zijn verzekering niet volledig krijgt uitbetaald. De consument dient zich ook bewust te zijn van dit risico, vandaar dat ik tevens voornemens ben vrijgestelde verzekeraars te verplichten expliciet aan te geven dat zij niet onder het prudentieel toezicht van de Nederlandsche Bank staan. Ook dit voornemen is opgenomen in de memorie van toelichting bij de Implementatiewet richtlijn solvabiliteit II2.

Voorts maak ik van de gelegenheid gebruik u te wijzen op een onjuistheid in de toelichting bij de nota van wijziging inzake het wetsvoorstel implementatie Omnibus II-richtlijn. In de toelichting op onderdeel D is de volgende zin opgenomen: «Om dit onbedoelde gevolg en de daaraan verbonden nalevingskosten te voorkomen, wordt voorgesteld de definitie van OOB, voor zover het verzekeraars betreft, te beperken tot verzekeraars met beperkte risico-omvang». Het laatste deel van de zin had echter moeten luiden «... voor zover het verzekeraars betreft, te beperken tot verzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang». Op deze wijze krijgen verzekeraars met beperkte risico-omvang niet te maken met (onbedoelde) nalevingskosten.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem


X Noot
1

Kamerstuk 33 273, nr. 3, blz. 3.

X Noot
2

Kamerstuk 33 273, nr. 3, blz. 3.

Naar boven