33 514 (R1998) Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met de wijziging van Boek 1 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek betreffende het ontstaan van het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie

Nr. 5 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 12 april 2013

Met genoegen heb ik kennis genomen van het verslag dat de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie omtrent het wetsvoorstel heeft uitgebracht. Graag ga ik op de gestelde vragen in.

De leden van de PVV-fractie vragen op welke termijn de Kamer een wetswijziging kan verwachten die het juridisch ouderschap van de vrouwelijke geregistreerde partner van de moeder op basis van het afstammingsrecht regelt. Daarnaast vragen zij of een dergelijke wetswijziging ook een aanpassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) vereist.

In het wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mede in verband met de evaluatie van de Wet openstelling huwelijk en de Wet geregistreerd partnerschap (Kamerstuknummer 33 526) worden aan het geregistreerd partnerschap afstammingsrechtelijke gevolgen verbonden. De geregistreerd partner van de moeder wordt ingevolge dit wetsvoorstel op gelijke wijze juridisch ouder als de echtgenoot van de moeder. Het wetsvoorstel is op 28 januari 2013 bij de Tweede Kamer ingediend.

Artikel 3 lid 1 van de RWN luidt als volgt: «Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.» Voor de vraag of een persoon de juridische ouder is van een kind, is het afstammingsrecht van de verschillende landen van het Koninkrijk bepalend (en niet de RWN). Bepaalt het Nederlandse afstammingsrecht dat de geregistreerd partner van de moeder de juridische ouder is van een kind door geboorte, dan is artikel 3 lid 1 RWN van toepassing. Wetsvoorstel 33 526 vereist daarom geen wijziging van de RWN.

De leden van de D66-fractie merken op dat de regering tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie de toezegging heeft gedaan nader onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden van een betere juridische bescherming voor kinderen die opgroeien in zogenaamde meeroudergezinnen. In de brief over deze toezegging aan de Kamer (Kamerstuk 33 032, nr. 17) wordt de onderzoeksopdracht verengt. Deze leden vragen of de regering bereid is dit onderzoek niet uitsluitend te richten op het gezag, maar uit te breiden naar alle familierechtelijke aspecten die aan het ouderschap verbonden zijn. Zij denken daarbij ten minste aan erfrechtelijke, fiscaalrechtelijke, afstammingsrechtelijke en naamrechtelijke aspecten. Zij vragen voorts wanneer de regering verwacht dit onderzoek te kunnen afronden. Ook vragen deze leden welke partijen in het kader van dit onderzoek gehoord worden, en of dat ook het COC Nederland zal betreffen.

De leden van de D66-fractie merken op dat de regering tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie de toezegging heeft gedaan nader onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden van een betere juridische bescherming voor kinderen die opgroeien in zogenaamde meeroudergezinnen. In de brief over deze toezegging aan de Kamer (Kamerstuk 33 032, nr. 17) wordt de onderzoeksopdracht verengt. Deze leden vragen of de regering bereid is dit onderzoek niet uitsluitend te richten op het gezag, maar uit te breiden naar alle familierechtelijke aspecten die aan het ouderschap verbonden zijn. Zij denken daarbij ten minste aan erfrechtelijke, fiscaalrechtelijke, afstammingsrechtelijke en naamrechtelijke aspecten. Zij vragen voorts wanneer de regering verwacht dit onderzoek te kunnen afronden. Ook vragen deze leden welke partijen in het kader van dit onderzoek gehoord worden, en of dat ook het COC Nederland zal betreffen.

Het toegezegde onderzoek betreft een rechtsvergelijking van het gezagsrecht tussen Engeland en Nederland. In Engeland kan het gezag door meer dan twee personen worden uitgeoefend. Dit geldt niet voor het ouderschap. Dat is in Engeland, evenals in Nederland en elders in de wereld, voorbehouden aan twee ouders. Het ouderschap van meer dan twee personen valt om die reden niet in te passen in de toegezegde rechtsvergelijking tussen Engeland en Nederland. Ook met andere landen kan geen rechtsvergelijking plaatsvinden.

Ouderschap heeft geheel andere rechtsgevolgen dan gezag: van wie erft een kind, aan wie ontleent een kind zijn nationaliteit, hoe worden schijnerkenningen voorkomen? Dit zijn enkele vragen die aan de orde zouden komen bij het ouderschap van meer dan twee personen, maar niet of in zeer beperkte mate bij het gezag van meer dan twee personen. Een onderzoek naar ouderschap zou ook om deze reden een geheel ander onderzoek vergen dan het toegezegde onderzoek. Het onderzoek stelt de verzorging en opvoeding van het minderjarige kind centraal. Dit betreft de beslissingsbevoegdheid van ouders ten aanzien van bijvoorbeeld de schoolkeuze van het kind, zijn gewone verblijfplaats en evt. medische behandelingen.

Het onderzoek naar het gezag van meer dan twee personen bevindt zich in de fase van aanbesteding. Ik verwacht de resultaten hiervan net na de zomer. Het accent van onderzoek betreft de rechtsvergelijking. Daarnaast zal er veldonderzoek worden verricht naar de behoeften van de doelgroep. De doelgroep bestaat uit kinderen die in het dagelijkse leven door meer dan twee personen worden verzorgd en opgevoed, bijvoorbeeld kinderen met stiefouders en kinderen die opgroeien in roze gezinnen. In het kader van dit veldonderzoek zullen onder meer de Raad voor de Kinderbescherming, de NOvA en het COC Nederland worden betrokken.

Ik stel voor een «stap voor stap» beleid te hanteren. Zou na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel lesbisch ouderschap en na het onderzoek betreffende het gezag van meer dan twee personen blijken dat er een brede maatschappelijke behoefte bestaat aan het onderzoek naar het ouderschap van meer dan twee personen, dan kan daartoe alsdan worden besloten.

De leden van de SGP-fractie constateren dat het voorliggende wetsvoorstel een afgeleide is van het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Kamerstuknummer 33 032). Zij vragen in hoeverre het onderhavige wetsvoorstel een noodzakelijk gevolg is van wetsvoorstel 33 032. Graag vernemen zij welke problemen er ontstaan als het voorliggende wetsvoorstel niet wordt aangenomen. Bestaat dan het risico dat het betrokken kind eventueel geen enkele nationaliteit krijgt? Verder vragen deze leden wat de consequenties zijn als dit wetsvoorstel wel wordt aangenomen. Betekent dat dat een kind eventueel drie of meer nationaliteiten verkrijgt: die van de moeder, de vader en de partner van de moeder – indien het om een verschillende nationaliteiten gaat? Wat betekent dit voorstel concreet als een of meer van de betrokken ouders zelf een dubbele nationaliteit heeft? Vindt de regering dit een gewenste ontwikkeling?

Aan duomoeders die juridisch ouder zijn en aan hun kinderen, mogen op grond van hun geslacht geen rechten worden onthouden die aan het ouderschap van andere juridische ouders wèl zijn verbonden. Dit geldt eens te meer voor zeer belangrijke rechten, zoals het recht op nationaliteit. Ware dit anders, dan zou dit in strijd zijn met artikel 1 Grondwet (recht op gelijke behandeling) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verbod van discriminatie).

Wordt een kind geboren uit een niet-Nederlandse moeder en zou het het Nederlanderschap nìet verkrijgen via de Nederlandse duomoeder, dan bestaat het risico van staatloosheid. In dat geval is het recht van de nationaliteit van de moeder uit wie het kind is geboren bepalend voor de vraag of het kind een nationaliteit heeft. Gaat dit recht voor de nationaliteitstoekenning bijvoorbeeld enkel uit van het zogenaamde «recht van de bodem» (ius soli) en wordt het kind in Nederland geboren, dan zou dit leiden tot staatloosheid.

Voor kinderen van ouders van gelijk geslacht geldt hetzelfde als voor kinderen van ouders van verschillend geslacht: het juridisch ouderschap is bepalend voor de vraag of het Nederlanderschap wordt doorgegeven. Het biologische ouderschap is dat niet. Een kind kan hooguit twee juridische ouders hebben. Het kan dus hooguit aan twee personen het Nederlanderschap ontlenen bij geboorte. Het is voorts een gegeven dat Nederlandse kinderen door geboorte verschillende nationaliteiten kunnen verwerven: een kind van een Nederlander is een Nederlander, ook als hij door geboorte tevens een andere nationaliteit verkrijgt. Ook hierin brengt het voorstel geen verandering.

De aan het woord zijnde leden constateren voorts dat er als gevolg van dit wetsvoorstel in de RWN gesproken zal worden over vaderschap, moederschap en ouderschap. Zij vragen zich af of dit niet erg verwarrend werkt. In de huidige wet is de moeder degene die het kind ter wereld heeft gebracht. Voornoemde leden vinden dit een duidelijke keuze. Zij vragen waarom de regering dit uitgangspunt verlaat. Is het niet logischer om te kiezen voor een variant waarbij de moeder degene is die het kind ter wereld heeft gebracht en waarbij tevens als moeder geldt degene tot wie het kind op een andere manier in familierechtelijke betrekking staat?, zo vragen deze leden.

Het kabinet sluit aan bij de in de RWN reeds gebruikte terminologie. Ook nu wordt in de RWN reeds gesproken over «ouder», «vader» en «moeder». Het voorstel brengt hierin geen verandering. Het kabinet ziet geen voordeel in het hanteren van twee verschillende definities van «moeder». Dat zou een extra onderscheid introduceren in de RWN, terwijl daarvoor juridisch geen reden bestaat.

De leden van de SGP vragen voorts waarom wordt voorgesteld om ook in artikel 4, vierde lid, in plaats van biologisch vaderschap van biologisch ouderschap te spreken. Is dit ook een noodzakelijke wijziging die voortvloeit uit het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie?, zo vragen deze leden.

Artikel 4 lid 4 RWN bepaalt naar huidig recht dat een man die een kind van zeven jaar of ouder erkent, het Nederlanderschap alleen aan het kind kan doorgeven, als hij bij of binnen een jaar na de erkenning aantoont dat hij de biologische vader is van het kind.

Om te voorkomen dat de RWN onderscheid maakt op grond van geslacht, is deze bepaling ingevolge het voorliggende voorstel van rijkswet uitgebreid tot de vrouw die een kind erkent. Het is mogelijk dat een vrouw genetisch verwant is aan een kind (eiceldonatie) en zij dit kind erkent als het zeven jaar of ouder is. In de praktijk zal dit naar verwachting – als al – niet vaak voorkomen: de duomoeder die betrokken is bij het ontstaan van het kind, zal dit kind in de regel voor zijn zevende levensjaar erkennen.

Het is de leden van de SGP niet duidelijk hoe binnen de andere landen van het Koninkrijk tegen het onderhavige wetsvoorstel wordt aangekeken. Zij vragen of deze landen over het wetsvoorstel zijn geconsulteerd en wat hun visie hierop is.

Het betreft een voorstel van rijkswet. Het is in procedure gebracht op de daarvoor gebruikelijke wijze. Het voorontwerp is opgesteld in samenspraak met onder meer het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en met de ambtenaren van de verschillende ministeries op Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De Rijksministerraad heeft er daarna mee ingestemd. De Raad van State van het Koninkrijk heeft vervolgens een blanco advies uitgebracht. De verschillende landen van het Koninkrijk zijn aldus bij het voorstel zijn betrokken en hiermee akkoord zijn.

Ten slotte vragen de leden van de SGP aandacht voor de internationale consequenties van het onderhavige wetsvoorstel. Wat betekent dit wetsvoorstel voor de duidelijkheid over de nationaliteit van een persoon, wanneer hij of zij zich later wil vestigen in een land waar geen sprake is van de mogelijkheid dat iemand twee ouders van gelijk geslacht heeft?

Voor de vraag of iemand Nederlander is, is het recht van het Koninkrijk bepalend. Dit is geen vraag van internationaal privaatrechtelijke aard. In landen buiten Nederland zal het doorgaans slechts de vraag zijn of iemand over een geldig Nederlands paspoort beschikt. Ik voorzie geen problemen op dit punt. Iets anders is of het juridische ouderschap van de duomoeder in landen buiten Nederland wordt erkend en of hieraan door het betreffende land rechtsgevolgen worden verbonden. Dit betreft de internationaal privaatrechtelijke aspecten van wetsvoorstel 33 032 (zie 33 032, nr. 3, par. 6), dat reeds in uw Kamer is besproken.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

Naar boven