33 446 (R1992) Goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 8 april 1979 te Wenen tot stand gekomen Statuut van de Organisatie der Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling

Nr. 7 VERSLAG

Vastgesteld 5 februari 2013

De algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen tijdig en voldoende zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

De voorzitter van de commissie, De Roon

De griffier van de commissie, Van Toor

INLEIDING

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van het voornemen tot opzegging van het op 8 april 1979 te Wenen tot stand gekomen Statuut van de Organisatie der Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling. De leden van de VVD-fractie ondersteunen het principe dat verdragen die niet meer van belang zijn voor Nederland opgezegd dienen te worden. Deze leden hebben nog wel een aantal vragen aan de regering over het wetsvoorstel.

Met belangstelling hebben de leden van de PvdA-fractie kennisgenomen van het wetsvoorstel, dat hun geen aanleiding geeft tot het stellen van nadere vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Met dit voorstel wordt goedkeuring gevraagd voor opzegging van het Statuut van de VN-organisatie voor Industriële Ontwikkeling (UNIDO). Genoemde leden hebben een aantal vragen.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van de regering om het Statuut van de VN-organisatie voor Industriële Ontwikkeling (UNIDO) op te zeggen, waarmee het lidmaatschap voor het gehele Koninkrijk wordt beëindigd.

VRAGEN EN OPMERKINGEN BIJ HET VOORNEMEN TOT OPZEGGING

De leden van de VVD-fractie begrijpen dat het voorliggende wetsvoorstel zal leiden tot opzegging van het verdrag. De fractie leest echter ook dat de Raad van State in zijn advies aangeeft de toelichting voor de opzegging van het verdrag niet sluitend te vinden. Kan de regering aangeven wat het standpunt is van de regering ten aanzien van UNIDO?

In de toelichtende nota wordt gesproken dat de doelstelling van UNIDO niet aansluit bij de nieuwe beleidsprioriteiten voor ontwikkelingssamenwerking van de regering. Acht de regering de bestrijding van armoede door middel van het bevorderen van productieve activiteiten, handelgerelateerde capaciteitsopbouw en het bevorderen van duurzame industriële consumptie en productie inderdaad onverenigbaar met de nieuwe beleidsdoelen? Graag een toelichting.

In de toelichtende nota wordt tevens gesproken over de – met name in het verleden – beperkte effectiviteit van de organisatie. In het advies van de Raad van State wordt echter gesteld dat UNIDO inmiddels redelijk effectief functioneert. Hoe kijkt de regering naar de effectiviteit van deze organisatie? Is er inderdaad sprake van een verbetering ten opzichte van voorgaande jaren?

Hoe staat de regering tegenover de eerdere opzegging door een groot aantal landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk, Nieuw-Zeeland, Australië, Canada en de Verenigde Staten? Wat is het gevolg van het opzeggen van genoemde landen voor de effectiviteit van UNIDO? Ligt het in de lijn der verwachting dat in navolging van deze landen meer landen het verdrag gaan opzeggen en kan de regering aangeven waarom deze landen hebben opgezegd? Graag een toelichting.

De leden van de VVD-fractie zien tot slot in de toelichting staan dat opzegging zou kunnen leiden tot reputatieschade voor Nederland. Hoe schat de regering de reputatieschade in ten gevolge van opzegging van dit verdrag? Wellicht nog belangrijker dan mogelijke reputatieschade is een mogelijk verlies aan invloed of doelmatigheid. Kan de regering aangeven waarom UNIDO geen waardevolle bijdrage levert aan de ontwikkeling van de industrie in DAC-landen? En kan de regering aangeven in welke mate UNIDO mogelijk van toegevoegde waarde is voor Nederland en voor het Nederlandse bedrijfsleven?

In haar toelichting bij de opzegging geeft de regering aan dat het Statuut niet meer aansluit bij de speerpunten van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, aangezien de raakvlakken met het Nederlands ontwikkelingsbeleid voldoende worden behartigd door andere partners. De leden van de CDA-fractie vragen de regering om aan te geven op elke partners zij in dit kader doelt? Kan de regering aangeven op welke manier dit verdrag in de afgelopen decennia haar relevantie heeft verloren en waarom juist de keuze voor het speerpuntenbeleid leidt tot opzegging van het verdrag? Graag een reactie.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat de opzegging van het Statuut niet alleen gevolgen heeft voor het Nederlandse ontwikkelingsbeleid maar ook voor UNIDO. Voor een klein land als Nederland is bevordering van de internationale rechtsorde van groot belang. Daarnaast heeft Nederland een traditie op het gebied van haar rol in internationale organisaties. Kan de regering aangeven welke gevolgen de opzegging heeft voor UNIDO? Kan de regering daarnaast aangeven welke andere landen ook tot opzegging over willen gaan? Kan de regering ook aangeven in hoeverre de overweging dat Nederland groot belang heeft bij goede werking van internationale organisaties en de Nederlandse traditie zich sterk te maken voor deze organisaties een rol heeft gespeeld in de overwegingen? Zo ja welke?

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie de regering om aan te geven op welk moment de opzegging van kracht zal zijn? Kan zij daarbij ingaan op de keuze om de Kamer pas in oktober 2012 te informeren? Op welke manier zal het geld dat vrijvalt in de toekomst worden aangewend? Graag een reactie.

UNIDO is een gespecialiseerde organisatie met 172 leden en richt zich sinds haar oprichting in 1966 op duurzame industriële ontwikkeling ter bestrijding van armoede. Het belang van dit mandaat is recent nog eens onderschreven in een resolutie (A/RES/67/225) aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties door te stellen dat ook voor de ontwikkelingsagenda na 2015 de aandacht voor industriële ontwikkelingssamenwerking van belang is. De leden van de fractie van D66 vragen de regering of Nederland de aangenomen resolutie steunt en of deze onlangs aangenomen resolutie enige resonantie heeft in het voornemen van de regering om het lidmaatschap van UNIDO te beëindigen? Deelt de regering de opvatting dat opzegging van het lidmaatschap van UNIDO van invloed is op het mondiale karakter van UNIDO?

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat de opzegging van het Nederlandse lidmaatschap van dusdanige aard en consequentie is dat deze niet kan plaatsvinden zonder uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal. Deze leden maken dan ook nadrukkelijk van deze gelegenheid gebruik om zowel hun opvatting over het voornemen aan te geven als enkele vragen te stellen over de redenen die de regering aanvoert om UNIDO te willen opzeggen. De leden van de D66-fractie plaatsen kritische kanttekeningen bij de aangevoerde redenen om het Statuut op te zeggen. Deze leden vinden de aangevoerde argumenten van de regering bepaald niet overtuigend.

Opzegging van een verdrag door Nederland gebeurt doorgaans indien doelstellingen niet langer relevant zijn, op andere wijze genoegzaam behartigd kunnen worden, niet effectief behartigd worden, of niet langer onderschreven worden of behartiging onvoldoende van belang wordt geacht, zo lezen de leden ook in het advies van de Raad van State. In de toelichting van de regering lezen de leden van de D66-fractie dat UNIDO inmiddels redelijk effectief functioneert. Dat UNIDO reeds jaren een posterioriteit voor Nederland is stoelt de regering met name op beperkte beleidsinhoudelijke aansluiting en beperkte effectiviteit in het verleden. Terwijl tegelijkertijd nu door de regering wordt geconstateerd dat activiteiten van UNIDO op onderdelen wel raakvlakken hebben met het Nederlandse beleid. Deze leden vinden de reactie van de regering op de kritische stelling van de Raad van State dat een niet sluitende motivering wordt gegeven voor beëindiging van het lidmaatschap, mager. Immers, de toelichtende nota verzuimt aan te gegeven welke raakvlakken er wel zijn en welke waarde daar door Nederland aan gehecht kan worden. De leden van de D66-fractie verzoeken de regering uitgebreider in te gaan op de raakvlakken die er wel zijn.

In de toelichtende nota stelt de regering dat de primaire doelstelling van UNIDO, zijnde industriële ontwikkeling, niet meer aansluit bij de speerpunten van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Deze stellingname verbaast de leden van de D66-fractie. Immers, heeft deze regering niet juist als speerpunt om van Aid naar Trade te gaan? En staat niet juist armoedebestrijding bij de allerarmsten nog steeds bovenaan de Nederlandse agenda? Kan de regering concreet toelichten hoe de huidige speerpunten van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid onvoldoende aansluiten bij de doelstellingen van UNIDO? Precies op welke punten lopen de doelstellingen van UNIDO en van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid uiteen?

De nota beperkt zich verder slechts tot de constatering dat de private sectorontwikkeling aansluit bij de werkwijze die de regering heeft gekozen, maar door samenwerking buiten UNIDO genoegzaam behartigd wordt. Kan de regering dit nader toelichten? Op grond waarvan meent de regering dat deelname aan UNIDO, waar 172 landen bij zijn aangesloten, waaronder ook de partnerlanden van Nederland, hier niet tevens van waarde is dan wel kan zijn, zo vragen de leden van de D66-fractie?

In 2011 stelde de regering reeds dat de relevantie en effectiviteit van UNIDO voor Nederland zo laag is dat de ODA-bijdrage en Nederlandse betrokkenheid inmiddels tot een minimum is teruggebracht. De leden van de D66-fractie de regering om toe te lichten hoe deze minimale betrokkenheid zich, mede in het licht van Europese samenwerking, verhoudt tot de betrokkenheid van andere Europese lidstaten die zijn aangesloten bij UNIDO? Het merendeel van de Europese lidstaten is thans nog lid. Heeft de regering niettemin aanwijzingen dan wel vernomen dat meer Europese lidstaten opzegging overwegen of daartoe reeds hebben besloten en op grond van welke overwegingen?

Opzegging van het UNIDO-Statuut wordt volgens artikel 6, tweede lid van het Statuut pas van kracht op de laatste dag van het fiscale jaar, volgend op het jaar waarin de akte van opzegging bij de depositaris van het Statuut is gedeponeerd. Een fiscaal jaar loopt van 1 januari tot en met 31 december. Lezen de leden van de D66-fractie deze bepaling correct door te concluderen dat opzegging van het Statuut, in dit geval, pas op zijn vroegst eind 2014 van kracht kan worden? Indien de regering reeds sinds oktober 2011 van mening is dat UNIDO nauwelijks nog relevantie heeft voor Nederland, waarom is er dan, rekening houdend met de voornoemde opzeggingsbepaling, voor gekozen om de Kamer pas op 10 oktober 2012 te informeren over het voornemen om het UNIDO-Statuut op te zeggen?

Indien de regering overgaat tot opzegging van het Statuut dan ontstaat een vrijval binnen de ODA-begroting van ongeveer 2 miljoen euro per jaar. Op welke wijze zou het vrijgevallen bedrag dan jaarlijks binnen de ODA-begroting worden aangewend, zo vragen de leden van de D66-fractie.

De regering verwijst naar andere landen die het UNIDO-Statuut hebben opgezegd, zijnde Australië, Canada, de Verenigde Staten en Nieuw-Zeeland. De regering verzuimt in de nota toe te lichten wanneer deze opzeggingen precies hebben plaatsgevonden en op grond waarvan deze landen hebben besloten hun lidmaatschap van UNIDO te beëindigen. De expliciete verwijzing naar deze landen in de toelichtende nota wekt bij de leden van de D66-fractie dan ook de indruk alsof Nederland nu om soortgelijke redenen haar lidmaatschap zou willen beëindigen en zich wat dat aangaat ook in «goed» Westers gezelschap bevindt. Deze leden zijn van mening dat deze indruk wel onterecht moet zijn aangezien drie van de voornoemde landen reeds in de jaren negentig van de vorige eeuw hun lidmaatschap hebben opgezegd. Voornoemde leden verzoeken de regering voor de volledigheid en ter weerlegging van onjuiste indrukken, toe te lichten wanneer deze opzeggingen precies hebben plaatsgevonden en op grond waarvan deze landen hebben besloten hun lidmaatschap van UNIDO te beëindigen.

Daarnaast wijzen de leden van de D66-fractie op een recente evaluatie van Noorwegen (NORAD) waarin het land constateert dat UNIDO grote meerwaarde heeft bewezen in standaarden en kwaliteit. Hoe beschouwt de regering de positieve constateringen van Noorwegen ten aanzien van UNIDO?

Het is de regering er veel aan gelegen om eventuele reputatieschade die Nederlandse terugtrekking uit UNIDO met zich zou kunnen brengen, zoveel mogelijk te beperken. De regering meent dat heldere communicatie over de Nederlandse beleidscontext waarin het besluit zou worden genomen, daartoe volstaat. Welke kans op reputatieschade acht de regering aanwezig en op grond waarvan meent zij dat uitleg over het Nederlandse besluit volstaat om deze schade te beperken, zo vragen de leden van de fractie van D66.

Naar boven