Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2013-2014 | 33360 nr. B |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2013-2014 | 33360 nr. B |
Vastgesteld 15 oktober 2013
Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
Inleiding
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij begrijpen de wens om adequaat te kunnen reageren op strafbare feiten die in de publieke ruimte of tegen personen met een publieke taak zijn begaan. Zij staan dan ook in beginsel positief tegenover dit wetsvoorstel waarin de mogelijkheden van toepassing van voorlopige hechtenis worden verruimd met het oog op een snelle berechting van die verdachte.
Zij hebben hierover nog wel enkele vragen.
De leden van de PvdA-fractie hebben met gemengde gevoelens kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Zij steunen het doel om geweld in de publieke ruimte en/of tegen personen met een publieke taak tegen te gaan. In het regeerakkoord is daarom afgesproken dat verdachten eenvoudiger tot de (snel)rechtzitting in voorlopige hechtenis moeten kunnen worden gehouden. Deze leden zien echter ook risico's verbonden aan dit wetsvoorstel, zoals het risico dat de onschuldpresumptie niet in acht wordt genomen. Deze leden hebben derhalve nog een aantal vragen aan de regering.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. De leden sluiten zich aan bij de vragen die gesteld zijn door de leden van de D66-fractie en zijn benieuwd naar het antwoord van de regering.
De leden van de SP-fractie hebben met zorg kennisgenomen van het wetsvoorstel. Basisbeginselen van onze strafrechtspleging lijken plaats te moeten maken voor een efficiëntere aanpak van daders. Dit wetsvoorstel breidt de mogelijkheden tot voorlopige hechtenis uit en dreigt daarmee, volgens het NJCM, in strijd te komen met internationale verplichtingen. De leden hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de D66-fractie hebben met de nodige aarzeling kennisgenomen van dit voorstel. Het voorstel beoogt een uitbreiding van de gronden voor de toepassing van voorlopige hechtenis ingeval van geweldgebruik in voor het publiek toegankelijke plaatsen en tegen personen met een publieke taak. Het aangescherpte regime richt zich op de categorie van verdachten die nog niet eerder (onherroepelijk) zijn veroordeeld voor een soortgelijk of aanverwant strafbaar feit en ten aanzien van wie geen gevaar voor herhaling bestaat. Het voorstel roept bij de aan het woord zijnde leden vooral de vraag op naar de noodzaak van deze aanpassing. Zo bestaan de nodige twijfels over de toegevoegde waarde, de effectiviteit en verdragsconformiteit van de beoogde wijziging, over de scherpte van de gehanteerde criteria, en vooral over de veronderstelde tegemoetkoming aan het maatschappelijke gevoelen. In de schriftelijke behandeling is over deze aspecten door de regering al uitvoerig, veelal via een herhaling van zetten, van gedachten gewisseld met de Raad van State en de Tweede Kamer. In die discussie zijn de opmerkingen van bijvoorbeeld de Raad voor de Rechtspraak en de Orde van Advocaten meegenomen. Om die reden willen deze leden slechts op een aantal hoofdzaken enkele vragen aan de regering voorleggen.
De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben ernstige twijfels bij de noodzaak en legitimiteit van het voorstel om de gronden voor voorlopige hechtenis uit te breiden. De leden hebben hierover een aantal vragen.
De leden van de PvdA-fractie hebben met enige verontrusting in de memorie van toelichting2 het volgende gelezen: «Hiermee kan worden voorkomen dat verdachten van deze feiten – wanneer verwacht wordt dat zij van de rechter een vrijheidsstraf krijgen – weer op vrije voeten komen, vóórdat de snelrechtzitting heeft plaatsgevonden. In de genoemde omstandigheden is er, gelet op de maatschappelijke veiligheid, een directe actie (lik op stuk) nodig om aan de verdachte en de omgeving duidelijk te maken dat het gedrag beëindigd wordt en onaanvaardbaar is. Daarmee wordt direct en in persoon een passende justitiële reactie op strafbaar gedrag gegeven ten opzichte van de verdachte en ten opzichte van de samenleving.» Deze leden vragen de regering gemotiveerd uiteen te zetten of met de geciteerde passage niet wordt miskend dat de voorlopige hechtenis niet mag worden gebruikt om te anticiperen op een gevangenisstraf.
De regering erkent in de memorie van toelichting dat het om een beperkt aantal zaken gaat, zo constateren de leden van de SP-fractie. Nog daargelaten onze andere bezwaren tegen het wetsvoorstel, zouden zij de algemene vraag graag beantwoord zien hoeveel het maken en invoeren van deze wet kost. Kan de regering toezeggen dat onderzoek wordt gedaan naar de kostprijs van een wet? Deze leden moeten dit weten om te kunnen beoordelen of de kosten in een redelijke verhouding staan tot het beoogde resultaat.
De leden van de SP-fractie zien het belang van «lik-op-stuk»-beleid. Eén of twee nachten op het politiebureau kunnen voor een «first offender» wonderen doen, zonder al te veel schade aan te richten. In dat geval kan betrokkene zich ziek laten melden op werk of school. Maar voor 18 dagen is geen smoes meer te bedenken. Dit kan betrokkene onder omstandigheden zijn baan kosten. Vindt de regering dit, voor de in artikel 67a Sv omschreven misdrijven, proportioneel?
De leden van de GroenLinks-fractie hebben ernstige twijfels bij de noodzaak en legitimiteit van het voorstel om de gronden voor voorlopige hechtenis uit te breiden. Aanneming van het voorstel komt erop neer dat verdachten van bepaalde geweldsdelicten in voor het publiek toegankelijke ruimten of tegen personen met een publieke functie in voorlopige hechtenis kunnen worden genomen, zonder dat er sprake is van gevaar voor vlucht of herhaling. Zien de leden dit juist? Als dat zo is, wijzigt de regering dan niet heel fundamenteel het doel van voorlopige hechtenis, namelijk voorkomen dat de verdachte berechting kan ontlopen of eenzelfde delict opnieuw kan begaan?
In de strafrechtsliteratuur wordt regelmatig het verwijt gemaakt dat de motivering van de voorlopige hechtenis meer en meer is verworden tot een routinematig gebruik van verschillende standaardformulieren, met als meest vergaande variant een kruisjesformulier waarop slechts de gronden uit het Wetboek van Strafvordering aangekruist hoeven te worden. Met de introductie van de term «maatschappelijke onrust» wordt een extra grond voor toepassing van voorlopige hechtenis toegevoegd, aldus de leden van de VVD-fractie. Stelt de regering in het licht van deze kritiek extra motiveringseisen ten aanzien van dit nieuwe element? De leden wijzen in dit verband nog op een opmerkelijk artikel in de rubriek vooraf van het Nederlands Juristenblad (NJB) van 13 september jl.3 Opmerkelijk omdat het van de hand is van Ybo Buruma, lid van de Hoge Raad. Buruma wijst er op dat in de afgelopen tien jaar het aantal personen dat ten onrechte in voorlopige hechtenis heeft gezeten meer dan verdrievoudigd is (met navenante verhoging van de uitgekeerde schadevergoeding). Dan vervolgt hij: «Het geloof in het belang van de onschuldpresumptie is ten tijde van de beslissing over de voorlopige hechtenis niet erg krachtig en het hele systeem is erop gericht risico (van het opnieuw plegen van strafbare feiten) uit te bannen. Het gevaar bestaat dat het hebben ondergaan van voorlopige hechtenis een stilzwijgend argument is om een gevangenisstraf (met aftrek) op te leggen, waar in een vergelijkbaar geval met een taakstraf zou zijn volstaan.» Een ander aspect dat door Buruma in dit verband aan de orde wordt gesteld, is dat gebleken is dat het aantal gevallen waarin schadevergoeding diende te worden betaald in de afgelopen jaren sterk is toegenomen. Dit betekent een schadepost voor de overheid. Voornoemde leden verzoeken de regering de door Buruma weergegeven zienswijze in zijn beantwoording te betrekken. De leden wijzen er daarbij ook nog op dat het voornemen bestaat een wetsvoorstel in te dienen waarbij in eerste aanleg veroordeelden, ook al is er hoger beroep ingesteld, in hechtenis te laten. Als later blijkt – bij onherroepelijk vonnis – dat geen of een veel lagere gevangenisstraf is opgelegd, kan dit ook grote financiële consequenties hebben. Graag ook op dit punt een commentaar van de regering.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft er in haar advies4 op gewezen dat het criterium «maatschappelijke onrust « onvoldoende bepaald is en onvoldoende rechtvaardiging biedt voor een nieuwe grond voor voorlopige hechtenis. De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat de regering in haar reactie onvoldoende is ingegaan op dit specifieke kritiekpunt van de Raad van State. Zij vragen de regering daarom alsnog met een adequate reactie op dit punt te komen.
De leden van de SP-fractie lezen, onder andere in het verslag van de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer, dat de ruime omschrijving van «maatschappelijke onrust», «personen met een publieke taak « en de «publieke ruimte» geen probleem is, omdat immers de rechter-commissaris de vordering van het OM toetst. Dit lijkt een vrijbrief aan het OM van alles en nog wat aan de rechter-commissaris voor te leggen, waardoor deze toch al overbelaste rechter steeds de zwartepiet krijgt toegespeeld. Deze leden maken zich echter niet primair zorgen over deze overbelasting, omdat het niet om veel zaken zal gaan. Wel maken zij zich zorgen om het beeld dat makkelijk weer kan ontstaan van een te softe rechterlijke macht indien de rechter-commissaris regelmatig vorderingen afwijst. Hoe ziet de regering dat?
De leden van de D66-fractie vragen, mede namens de leden van de CDA-fractie, of het begrip «maatschappelijke onrust» in wetstechnische zin voldoende bepaald is, aangezien in de parlementaire stukken tot dusver vooral gesubjectiveerde, speculatieve en op een theoretische casuïstiek gebaseerde aanknopingspunten voor een scherpe afbakening te vinden zijn. Deze leden zien vooral de primair politiek gestuurde wens om met een verscherpt justitioneel optreden tegemoet te komen aan ongedefinieerde gevoelens van verontrusting, verontwaardiging en onveiligheid. Graag vragen zij de regering welk straf(proces)rechtelijk doel hier nu precies mee gediend is. Zelf hebben deze leden een genuanceerder en gedifferentieerder beeld van de maatschappelijke reacties op geweld in de openbare ruimte, met name tegen hulpverleners. Zij vragen de regering in dat licht nader in te gaan op de vraag naar de relatie tussen «maatschappelijke onrust» en de meer gebruikelijke wettelijke term «geschokte rechtsorde». Graag vragen zij daarbij te betrekken de veronderstelling dat ook het toepassen van het voorgestelde regime zou kunnen leiden tot een verminderd vertrouwen in de rechtsstaat en de rechtsorde, of zelfs tot maatschappelijke onrust en publieke verontwaardiging.
De regering gaat uit van «maatschappelijke onrust» als een verdachte voordat hij berecht is op vrije voeten komt. Wat verstaat de regering precies onder «maatschappelijke onrust» en welke criteria hanteert zij daarvoor, zo vragen de leden van de GroenLinks-fractie? Acht zij al sprake van maatschappelijke onrust als er negatieve columns en ingezonden brieven verschijnen tegen een vrijlating, of denkt zij aan massale demonstraties? Waarom zou het OM of de rechter niet in staat zijn in een dergelijke zaak uit te leggen dat de persoon wel wordt vervolgd en mogelijk bestraft?
De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting5 dat melding wordt gemaakt van het gegeven dat het voor een efficiënte en slagvaardige afdoening en met het oog op de maatschappelijke rust het in de gevallen waar het wetsvoorstel op ziet, wenselijk wordt geacht de verdachte van een misdrijf waarvoor een vrijheidsstraf is geïndiceerd tot aan de zitting in voorlopige hechtenis te houden. Dat geldt ook indien het de categorie «first offenders « betreft. Bij verdenking van eenvoudige mishandeling en vernieling is dat thans niet mogelijk voor die categorie blijkens artikel 67a, tweede lid, sub 2 en 3 Sv. Hoe verhoudt zich dit tot het gegeven dat waar mogelijk het strafvorderingsbeleid niet alleen gericht is op een snelle reactie op het strafbaar feit, maar tevens op het voorkomen van recidive door bijvoorbeeld adequate hulpverlening met reclasseringstoezicht en het terugdringen van het opleggen van korte vrijheidsstraffen, vooral ten aanzien van «first offenders «? Is dit niet paradoxaal? Graag een nadere toelichting van de regering op dit aspect.
Daarnaast wordt in de memorie van toelichting6 gesteld dat het slachtoffer met de verruiming van de termijn waarbinnen verdachte kan worden vastgehouden tot aan de rechtszaak (van 3 naar 17 dagen), meer tijd zal hebben om de vanwege het strafbare feit door hem geleden schade te onderbouwen. Het slachtoffer zou dan beter in staat zijn zich met zijn vordering in de strafzaak te voegen, zonder hiervoor een afzonderlijke civiele procedure te hoeven starten. Voor het slachtoffer is het bevredigend als hij op korte termijn een uitvoerbare beslissing over zijn schadevergoeding krijgt. Kan de regering aangeven of en hoe de regering voornemens is om slachtoffers hierbij te faciliteren gezien de aanzienlijk korte voorbereidingstijd van de vordering ten opzichte van een normale gerechtelijke afdoening buiten het snelrecht om? En hoe verhoudt zich dit met de situatie waarin het misdrijf weliswaar makkelijk te bewijzen is, maar de materiële schade niet eenvoudig is vast te stellen?
De leden van de fractie van GroenLinks verzoeken de regering in te gaan op de effecten van de snelrechtprocedure op de positie van het slachtoffer. Is het niet moeilijk om op zo’n korte termijn de schadeclaim te onderbouwen en zou niet juist bij geweldpleging mediation niet gunstig kunnen uitwerken voor beide partijen? Hoe ziet de regering deze of andere vormen van alternatieve geschilbeslechting in dergelijke snelle procedures?
Begrijpen de leden van de SP-fractie het goed dat de voorlopige hechtenis, op grond van het nieuwe artikel 67a Sv, automatisch zal worden beëindigd of geschorst indien het onderzoek na 17 dagen en 15 uur nog niet is afgerond, of de zaak anderszins nog niet zittingsrijp is? Hoe zal dat in zijn werk gaan? Staat er in het bevel een datum waarop de voorlopige hechtenis wordt geschorst, of bewaakt het kabinet van de rechter-commissaris de termijn, zodat de rechter-commissaris tijdig ambtshalve schorst of beëindigt? Of moet de verdachte hiertoe een verzoek indienen?
Deze leden willen de regering ook nog vragen te reageren op de brief7 van het NJCM van 30 september 2013? Graag een reactie in het algemeen, en in het bijzonder op de vraag die daaruit voortvloeit: wat moet er gebeuren als de advocaat van verdachte of het slachtoffer uitstel vraagt, omdat er meer tijd nodig is om de zitting goed voor te bereiden? Moet de officier van justitie de verdachte dan onmiddellijk vrijlaten of moet de rechter-commissaris dit doen? Ambtshalve of op verzoek?
In de memorie van toelichting8 wordt opgemerkt dat het wetsvoorstel past binnen het voornemen om de doorlooptijden binnen de strafrechtsketen te verkorten. Doel is om tweederde van alle standaardzaken binnen een maand af te handelen. De leden van de VVD-fractie vragen zich af of de regering van oordeel is dat het strafrechtelijk apparaat in haar huidige capaciteit voldoende hierop is toegerust?
De leden van de GroenLinks-fractie vernemen graag van de regering of een berechting binnen 17 dagen na aanhouding wel op een zorgvuldig onderzoek gebaseerd kan zijn. Het kan gaan om complexe zaken, zeker als het gaat om geweldpleging waarbij meerdere verdachten betrokken zijn. Is de aanwezigheid van maatschappelijke onrust niet extra reden om maximale zorgvuldigheid te betrachten?
Het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (hierna: NJCM) heeft onlangs in een brief9 aan de commissie voor Veiligheid en Justitie aandacht gevraagd voor de aanbevelingen van het VN-Comité tegen foltering met betrekking tot Nederland in de periode van 2007 tot en met 2011. Het NJCM stelt: «Het VN-Comité spreekt daarin zijn bezorgdheid uit over het hoge percentage voorlopig gehechten in Nederland en het feit dat er weinig alternatieven voor voorlopige hechtenis worden toegepast. Het Comité is kritisch ten aanzien van het feit dat voorlopige hechtenis niet als laatste redmiddel fungeert, met name nu het betreffende wetsvoorstel de gronden nog eens beoogt te verruimen. Het Comité beveelt de Nederlandse staat aan om passende maatregelen te nemen om het gebruik van voorlopige hechtenis te verminderen, om te zorgen dat de beslissingen omtrent voorlopige hechtenis goed worden gemotiveerd, om alternatieven te overwegen en om de onschuldpresumptie in acht te nemen.» De leden van de PvdA-fractie vragen de regering om een grondige reactie op de door het NJCM in zijn brief aangehaalde aanbevelingen van het VN-Comité tegen foltering.
Het voornaamste bezwaar van de leden van de SP-fractie is dat het recht op vrijheid (artikel 5 lid 1 EVRM en artikel 15 grondwet) en de onschuldpresumptie (artikel 6 lid 2 EVRM) hier in het geding zijn. Voorlopige hechtenis is een ultimum remedium. Dat zien wij in het wetsvoorstel niet terug, aangezien de algemene gronden voor voorlopige hechtenis (gevaar voor collusie, gevaar voor herhaling en gevaar voor ontvluchting) worden verlaten. Een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid kan nu alleen een grond voor voorlopige hechtenis opleveren als er sprake is van een zwaar misdrijf en de rechtsorde door dat feit is geschokt. De huidige gronden zorgen ervoor dat de wet in lijn is met de uitgangspunten van genoemde artikelen. Dit wetsvoorstel zet deze beginselen opzij in het belang van een effectieve en efficiëntere rechtsgang. De Raad van State, de Raad voor de Rechtspraak, de NVvR, de NOVA en het NJCM betwijfelen of «maatschappelijk onrust « volgens het EVRM voldoende is om voorlopige hechtenis te rechtvaardigen.10 De regering beroept zich op de rechtspraak van het EHRM over «public disorder «.11 Tijdens de mondelinge behandeling12 in de Tweede Kamer noemt hij «gevaar voor personen of verstoring van het publieke leven». Het komt ons voor dat dit zwaarder is, meer in de richting van «public disorder «, dan de thans gekozen term «maatschappelijke onrust». Kan de regering voorbeelden noemen van situaties die in de jurisprudentie van het EHRM vallen onder «public disorder «?
Voor het geval de regering aannemelijk mocht maken dat «maatschappelijke onrust « een voldoende grond oplevert voor voorlopige hechtenis, namelijk dat deze term overeenkomt met «public disorder « in de jurisprudentie van het EHRM, hebben de leden van de SP-fractie nog een vraag. In het verkeer vallen meer doden en gewonden dan tijdens uitgaansgeweld, in de horeca of het openbaar vervoer. Toch heeft dit kabinet de maximumsnelheid op veel plaatsen verhoogd. De wijdverbreide verontwaardiging daarover heeft het kabinet niet tot andere gedachten gebracht. Waarom gaat dit kabinet dan wel een maatregel treffen om de maatschappelijke verontwaardiging over de onrust die ontstaat na opstootjes in de publieke ruimte te verminderen? Is het niet zo dat het steeds maar weer roepen door dit kabinet dat het Nederland veiliger gaat maken, juist de suggestie wekt dat ons land onveilig is c.q. dat mensen zich onveilig voelen? Graag een reactie.
In de argumentatie om de noodzaak van het voorstel te onderbouwen valt het de leden van de D66-fractie en de CDA-fractie op dat het voorstel slechts betrekking heeft op een zeer geringe categorie verdachten: first offenders die een reëel veiligheidsrisico vormen voor de samenleving. Ook voor deze categorie zou naar het oordeel van de regering een inperking van de onschuldpresumptie op grond van een dringende reden geboden zijn. Deze leden menen dat aan dat criterium hoge eisen moeten worden gesteld. Niet alleen op grond van rechtsstatelijke waarborgen en klassieke beginselen van strafprocesrecht, maar ook omdat, naar zij hebben begrepen, in 2012 11.000 verdachten onterecht hebben vastgezeten. In de kern wordt deze dringende reden door de regering niet gerelateerd aan een gerechtvaardigd opsporingsbelang, maar aan de wens om – kort gezegd – een «lik-op-stuk» beleid te kunnen voeren vanwege een veronderstelde mate van maatschappelijke onrust en verontwaardiging bij dit type delicten. Met het opnemen van het criterium «maatschappelijke onrust» als bestanddeel in de delictsomschrijving zoekt de regering blijkbaar aansluiting bij het verdragsrechtelijke criterium «public disorder». Deze leden vragen de regering nog eens precies aan te geven in hoeverre aan deze begrippen eenzelfde betekenis kan worden toegekend. Voorts vragen zij eveneens precies aan te geven op grond van welke interpretatie deze vorm van preludering op een op te leggen straf niet strijdig is met het EVRM en de jurisprudentie van het EHRM. Vervolgens vragen zij de regering te reageren op de gedachte van deze leden dat in een beschaafd en ontwikkeld systeem van strafvordering inperkingen op de persoonlijke vrijheid hoge uitzondering behoren te blijven, en dat het in dat licht als een terugval zou moeten worden aangemerkt om – bij wijze van signaal naar de samenleving – een verdachte reeds bij de aanhouding door middel van een inhechtenisneming duidelijk te maken dat bepaald gedrag door de rechtsgenoten niet wordt geaccepteerd.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen zich ook af hoe het voorstel zich verhoudt tot de recente aanbevelingen13 aan Nederland van het VN Comité tegen Foltering om passende maatregelen te nemen om het gebruik van voorlopige hechtenis te verminderen, te zorgen dat beslissingen tot voorlopige hechtenis goed worden gemotiveerd, om alternatieven te overwegen en de onschuldpresumptie in acht te nemen? Volgens de leden gaat het kabinet met het voorliggende voorstel in de tegengestelde richting van deze aanbeveling. Graag een reactie. Hoe gaat de regering de aanbevelingen van het VN Comité opvolgen?
Artikel I, Onderdeel B
De leden van de SP-fractie hebben nog een vraag met betrekking tot de omschrijving «voor het publiek toegankelijke plaats». Is het voorgestelde artikel van toepassing, en dus voorlopige hechtenis mogelijk tot aan de zitting, indien er na een feestje bij iemand thuis ruzie ontstaat die op de stoep wordt voortgezet?
Artikel I, onderdeel 2
De leden van de SP-fractie willen graag ook een opmerking plaatsen bij de omschrijving «personen met een publieke taak». Waarom kan niet worden volstaan met de mensen van 112, ambulance, politie en brandweer? Mensen die werken in de horeca, de zorg, het onderwijs en het mkb (winkels) vallen volgens de regering onder deze omschrijving. Dat is, denken deze leden, zo ongeveer half werkend Nederland. In veel gevallen kan in deze gevallen de toegang tot de school, winkel of tram worden ontzegd op grond van het eigendomsrecht c.q. gebruiksrecht c.q. een gebiedsontzegging. Misbruik van de 112 diensten is rechtstreeks gevaarzettend, daarvoor is een stevige aanpak begrijpelijk. Hoe staat de regering tegenover deze suggestie?
De leden van de vaste commissie voor Veiligheid & Justitie zien de reactie van de regering – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid & Justitie, Duthler
De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid & Justitie, Van Dooren
Samenstelling:
Holdijk (SGP), Kneppers-Heijnert (VVD), Kox (SP), Engels (D66), Franken (CDA), Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA) (vicevoorzitter), Duthler (VVD) (voorzitter), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Quik-Schuijt (SP), Strik (GL), K.G. de Vries (PvdA), Knip (VVD), Hoekstra (CDA), Lokin-Sassen (CDA), Scholten (D66), Schouwenaar (VVD), De Boer (GL), De Lange (OSF), Ter Horst (PvdA), Beuving (PvdA), Koole (PvdA), Schrijver (PvdA), Reynaers (PVV), Popken (PVV), Frijters-Klijnen (PVV), Swagerman (VVD)
Kamerstukken II 2012/13, 33 360, nr. 4. Zie voor overige adviezen de bijlagen bij Kamerstukken II 2012/13, 33 360, nr. 3.
Zie de «concluding observations» gepubliceerd op 31 mei 2013: http://tbinternet.ohchr.org/_layouts/TreatyBodyExternal/Countries.aspx?CountryCode=NLD&Lang=EN .
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33360-B.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.