Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
d.d. 6 april 2012 en het nader rapport d.d. 4 juni 2012, aangeboden aan de Koningin
door de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de minister van Defensie. Het
advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 7 maart 2012, no.12.000526, heeft Uwe Majesteit, op voordracht
van de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de minister van Defensie, bij
de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het
verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Federale Republiek
Brazilië betreffende samenwerking in defensie gerelateerde zaken; Brasilia, 7 december
2011 (Trb. 2012, 8), met toelichtende nota.
In het verdrag maken Brazilië en het Koninkrijk algemene afspraken over samenwerking
op het gebied van defensie. Het gaat bij voorbeeld om samenwerking op het gebied van
onderzoek en ontwikkeling, de aanschaf van defensieproducten, het uitwisselen van
informatie en ervaringen, de uitwisseling van opleidingspersoneel en de deelname aan
opleidingsprogramma's. Uit de toelichting blijkt dat het verdrag tot stand is gekomen
omdat de Nederlandse industrie wil kunnen meedingen naar orders van de Braziliaanse
marine voor offshore patrol vessels (patrouilleschepen van de kustwacht). Brazilië
stelt een kaderverdrag voor defensiesamenwerking als voorwaarde om mee te kunnen dingen.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 7 maart 2012, nr. 12.000526,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake
het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd
6 april 2012, nr. W07.12.0060/II, bied ik U hierbij aan.
1. Artikel 11, derde lid, van het Verdrag bepaalt dat het verdrag slechts van toepassing
is op het grondgebied van het Koninkrijk gelegen in Europa. Voorts staat in de aanbiedingsbrief
dat de ministerraad heeft vastgesteld dat het verdrag niet zal gelden voor Aruba,
Curaçao en Sint Maarten.1 Uit de toelichting blijkt niet dat de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten
in de gelegenheid zijn gesteld te bepalen of het verdrag het eigen land raakt, en
– in het bevestigende geval – of een van hen medegelding van het verdrag wenst. De
Afdeling adviseert hierop in de toelichting in te gaan.
2. Het Koninkrijk beschikt over een in Curaçao gevestigde Kustwacht, die in dezelfde
regio opereert als de Braziliaanse marine. De Afdeling adviseert in de toelichting
uiteen te zetten waarom niet is voorzien in samenwerking tussen de Kustwacht en de
Braziliaanse marine.
Naar aanleiding van het advies van de Raad is de toelichtende nota in het onderdeel
inleiding en in het onderdeel Koninkrijkspositie aangevuld.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging goed te vinden
dat bedoeld verdrag wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal, nadat
aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De vice-president van de Raad van State,
J. P. H. Donner
Ik moge U, mede namens de minister van Defensie, verzoeken mij te machtigen gevolg
te geven aan mijn voornemen het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota
ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal.
De minister van Buitenlandse Zaken,
U. Rosenthal