33 076 Voorstel van wet van de leden Van Gerven en Dijsselbloem tot nadere wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij

Nr. 11 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2012

Tijdens het wetgevingsoverleg over het voorstel van wet van de leden Van Gerven en Dijsselbloem tot nadere wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij (Kamerstukken 33 076) op 2 juli 2012 is door het lid Koopmans (CDA) gevraagd de Kamer te informeren welke 22 regelingen zijn getroffen in het kader van de Wet herstructurering varkenshouderij en de uitspraak van de Hoge Raad van 16 november 2001 (NJ 2002, 469). Een overzicht hiervan doe ik u hierbij toekomen.

Wet herstructurering varkenshouderij

Op 1 september 1998 is de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv) in werking getreden. Als gevolg daarvan werden de bestaande mestproductierechten omgezet in diereenheden: «varkensrechten» en «fokzeugenrechten». Bij vaststelling van het aantal varkensrechten werd uitgegaan van het gemiddelde aantal in het peiljaar 1996 (eventueel 1995) in het desbetreffende bedrijf werkelijk benutte mestproductierechten. Met de Whv werd bovendien, met het oog op milieudoeleinden en de Nitraatrichtlijn, bewerkstelligd dat de mestproductie verminderde. Daartoe werd, bij de omzetting van mestproductierechten in varkensrechten, een voor alle varkenshouders geldende generieke korting toegepast van 10 procent. In de Whv was voorzien dat per 1 januari 2000 een tweede generieke korting van maximaal 15 procent zou plaatsvinden.

Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij

Gelijktijdig met de Whv is het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (Bhv) in werking getreden. In het Bhv is voor groepen van bedrijven ten aanzien waarvan sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard bij onverkorte toepassing van de Whv een voorziening getroffen bestaande uit de toekenning van extra varkensrechten. Er werden, aanvankelijk, voor tien categorieën bedrijven afwijkende regels (ten opzichte van de in de Whv vervatte hoofdregel) voor de vaststelling van de hoogte van het varkensrecht vastgesteld. Voor het vaststellen van deze categorieën van gevallen had de wetgever in overleg met het landbouwbedrijfsleven een inventarisatie gemaakt van situaties die zich in de praktijk voordeden. Het Bhv is nadien herhaaldelijk aangepast en aangevuld, de laatste maal na advisering door een «commissie van wijzen», waarbij ook LTO Nederland betrokken is geweest. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de volgende 22 categorieën:

  • Hardheidsgeval 1: «Het bedrijf heeft zowel in 1995 als in 1996 11% of meer van de mestproductierechten varkens/kippen niet benut voor het houden van dieren.»

  • Hardheidsgeval 2: «Het bedrijf heeft in de periode van 1 januari 1995 tot 10 juli 1997 een heel bedrijf overgenomen en op dat bedrijf is zowel in 1994 als in 1995 als in 1996 11% of meer van de mestproductierechten varkens/kippen niet benut voor het houden van dieren.»

  • Hardheidsgeval 3 en 4, 5, 9, 14 (a t/m d) en 19: «Voor het bedrijf is in de periode 1 januari 1993 tot 10 juli 1997 een milieuvergunning verleend of aangevraagd voor uitbreiding van de varkensstapel en/of (gedeeltelijke) omschakeling naar fokzeugen, of voor uitbreiding van het aantal andere dieren dan varkens, of er is in die periode een melding daarvoor gedaan.» (in 2002 aangevuld met de zogenaamde niet verkleiningseis en verruiming voor het hardheidsgeval 5 en 14c «Omschakeling van vleesvarkens naar fokzeugen», deze twee extra hardheidsgevallen hadden geen nummering).

  • Hardheidsgeval 6: «Het bedrijf heeft voor 10 juli 1997 mestproductierechten varkens/kippen vervreemd en grond en/of mestproductierechten andere diersoorten verworven.»

  • Hardheidsgeval 7: «Bedrijven met een ontheffing op grond van de Meststoffenwet».

  • Hardheidsgeval 8: «Het bedrijf heeft andere dieren dan varkens gehouden op de mestproductierechten varkens/kippen; bovendien heeft het bedrijf een deel van de mestproductierechten varkens/kippen niet benut.»

  • Hardheidsgeval 10: «Op de hulpstaat bij het formulier Melding Varkensrechten staat dat (een deel van) de mestproductierechten van de andere diersoorten komen te vervallen».

  • Hardheidsgeval 11: «Het algemene vangnet».

  • Hardheidsgeval 12: «Twee of meer bedrijven zijn binnen één inrichting varkens grondgebonden gaan houden».

  • Hardheidsgeval 13: «Vrijstelling voor omschakelaars van andere dieren dan varkens naar varkens en waarvan de varkensrechten zijn bepaald op grond van categorie 4 of 14B.»

  • Hardheidsgeval 15: «Extra varkensrechten voor bedrijven die grond hebben verworven om te benutten voor het houden van varkens.»

  • Hardheidsgeval 16: «Aanvulling voor verwervers van een bedrijf waarvoor geen opgave van het aantal dieren is gedaan (geldt ook bij samenvoeging van meerdere bedrijven)».

  • Hardheidsgeval 17: «Meer verhandelbare varkensrechten voor bedrijven die vóór 15 december 1996 grond hebben verkocht aan een publiekrechtelijk lichaam en/of een particuliere natuurbeschermingsorganisatie ter onttrekking aan de landbouw».

  • Hardheidsgeval 18: «Extra varkensrechten voor herstartende bedrijven».

  • Hardheidsgeval «(Overwegend) grondgebonden en géén opgave gedaan».

N.B.: hardheidsgeval 14 bestond uit vier categorieën, a, b, c en d.

Uitspraak Hoge Raad van 16 november 2001 (NJ 2002, 469)

Naar aanleiding van de aangekondigde herstructurering heeft de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) tezamen met zeven individuele varkenshouders de Staat gedagvaard. De NVV stelde dat de invoering van deze maatregelen onrechtmatig was jegens hen, omdat sprake zou zijn van strijd met de Grondwet, met fundamentele rechtsbeginselen, met regels van het EG-recht en met art 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De NVV vorderde dat de Whv onverbindend zal worden verklaard, althans ten opzichte van hen buiten toepassing zal worden gelaten totdat zal zijn voorzien in een adequate schadevergoedingsregeling voor individuele gevallen.

Dat standpunt heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 16 november 2001 (NJ 2002, 469) verworpen. Wel vond de Hoge Raad dat een nader onderzoek naar de fair balance moest plaatsvinden van de maatregelen jegens bepaalde individuele varkenshouders.

Om deze vraag nog te onderzoeken werd de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem. In de verwijzingsprocedure heeft het hof uiteindelijk slechts ten aanzien van één verweerder in cassatie – die zich mede ten gevolge van de Whv-maatregelen genoodzaakt had gezien zijn bedrijf te beëindigen – geoordeeld dat sprake was van een individual and excessive burden.

In de «slipstream» van bovengenoemde NVV-procedure (en het daarin gewezen arrest van de Hoge Raad van 16 november 2001), zijn nog meer procedures gevoerd met als inzet een antwoord op de vraag of in individuele gevallen sprake was van een individual and excessive burden als gevolg van de inwerkingtreding van de Whv, waarvoor het Bhv (ook na herhaalde wijziging) geen soelaas bood. Een deel van deze procedures loopt nog steeds.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker

Naar boven